CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

17 bp De Welder 2 (21 Bijlage 20 Inventariserend veldonderzoek archeologie)

Gemeenteraad 13 juli 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "De Welder 2".21.243 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapport 5933

HILVARENBEEK – HAGHORST, DE WELDER 2 X.J.F. Alma

Hilvarenbeek – Haghorst, De Welder 2 Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven

X.J.F. Alma

Met bijdragen van: J.T. Verduin M.J.A. Melkert (MarianMelkert)

Colofon ADC Rapport 5933 Hilvarenbeek – Haghorst, De Welder 2 Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven Auteur: X.J.F. Alma In opdracht van: Gemeente Hilvarenbeek Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, oktober 2022 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

ISSN 1875-1067

ADC ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 114 3812 PN Amersfoort T 033 299 8181 E info@archeologie.nl W www.archeologie.nl

Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.2.1 Bodemkundige omstandigheden 1.2.2 Archeologie 1.2.3 Historische gegevens 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden 3 Resultaten 3.1 Fysisch geografisch onderzoek 3.1.1 Deelgebied Noord 3.1.2 Deelgebied Zuid 3.1.3 Hoogteverlopen 3.2 Sporen en structuren 3.2.1 Deelgebied Noord 3.2.2 Deelgebied Zuid 3.3 Vondstmateriaal 3.3.1 Aardewerk (J.T. Verduin) 3.3.2 Overige vondstcategorieën 4 Interpretatie 4.1 Inleiding 4.2 Noordelijk deelgebied 4.3 Zuidelijk deelgebied 5 Synthese 5.1 Algemeen 5.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 6 Waardering en selectieadvies 6.1 Waardering van de vindplaats 6.1.1 Noordelijk deelgebied 6.1.2 Zuidelijk deelgebied 6.2 Selectieadvies 6.2.1 Noordelijk deelgebied 6.2.2 Zuidelijk deelgebied Literatuur Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Bijlage 1 Sporenlijst Bijlage 2 Vondstenlijst Bijlage 3 Splitslijst Bijlage 4 Tekeninglijst Bijlage 5 Fotolijst Bijlage 6 Vondsten uit de velddatabase Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database

4 5 7 7 8 8 9 11 11 12 13 15 15 15 17 18 20 22 37 57 57 58 60 60 60 69 71 71 71 75 75 75 76 77 77 77 78 78 79 80 84 85 86 87 88 90 92

Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens:

Kaartblad: Oppervlakte: Coördinaten:

Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid:

Extern archeologisch adviseur namens de gemeente:

Goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archiszaaknummer: ADC-projectcode: Complex en ABR codering: Periode(n): KNA versie: Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats documentatie:

Noord-Brabant Hilvarenbeek Haghorst De Welder 2 Plangebied Noord: Hilvarenbeek, sectie N, nummers 1435 Plangebied Zuid: Hilvarenbeek, sectie N, nummers 1422 en 1439 (ged.) 50F Plangebied Noord: 0.,96 ha. Plangebied Zuid: 1,42 ha. Plangebied Noord: NW: 142.154; 389.714 NO: 142.202; 389.753 ZW: 142.204; 389.577 ZO: 142.262; 389.598 Plangebied Zuid: NW: 142.154; 389.714 NO: 142.202; 389.753 ZW: 142.204; 389.577 ZO: 142.262; 389.598 X.J.F. Alma Gemeente Hilvarenbeek Postbus 3 5080 AA Hilvarenbeek Contactpersoon: mevr. M. van Dam Emailadres: M.v.Dam@Hilvarenbeek.nl ArchAeO B.V. Dhr. F.P. Kortlang Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven 06-22505236 advies@archaeo.nl Ja 5277875100 000491 Nederzetting onbepaald (NX) Middeleeuwen / Nieuwe tijd (ME/NT) 4.1 Dekzandrug Plangebied Noord: ca. 14 tot 14,5m +NAP Plangebied Zuid: ca. 14,7 tot 15m +NAP Aanlegdiepte vlak +- 0,5 tot 0,7 m – mv Diepste ontgraving +- 2m onder vlakniveau 25 t/m 28 juli 2022 Gemeentelijk depot Bodemvondsten Gemeente ’s-Hertogenbosch

5

Samenvatting In opdracht van de gemeente Hilvarenbeek heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied De Welder 2. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden en zal worden (her)ontwikkeld met nieuwbouwwoningen. Beide deelgebieden zijn met proefsleuven onderzocht om de archeologische waarde vast te stellen. De resultaten van dat onderzoek worden in dit rapport gepresenteerd. Het plangebied ligt iets ten westen van de huidige kern van Haghorst. Landschappelijk gezien bevindt het zich op dekzandgronden. Vooronderzoek veronderstelt ook de aanwezigheid van oude akkerlagen (enkeerdgronden). Archeologisch gezien was er voorafgaand aan het huidige onderzoek nog weinig bekend. In de nabije omgeving van het plangebied (in een straal van 1km) is tot op heden maar weinig gravend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Historisch gezien bevindt het plangebied zich in een agrarisch gebied dat tenminste in de 19e eeuw, maar waarschijnlijk al (veel) vroeger ontgonnen is. In juli 2022 zijn proefsleuven gegraven in beide deelgebieden. De bevindingen leverden een verschillend beeld op voor het noordelijk en zuidelijk deelgebied. In het noordelijk deelgebied zijn geen relevante archeologische sporen teruggevonden, terwijl in het zuidelijk deelgebied een vindplaats uit de Late Middeleeuwen kon worden vastgesteld.

In het noordelijk deelgebied zijn weliswaar enkele sporen vastgesteld (voornamelijk sloten), maar deze konden nagenoeg allemaal aan ontwikkelingen laat in de Nieuwe tijd worden toegeschreven. Oudere sporen en vondsten ontbreken. Hiervoor kunnen meerdere oorzaken worden genoemd. Zo is er in het noordelijk deelgebied sprake van grootschalige bodemverstoring, die mogelijk oudere sporen vernietigd hebben. Al moet daar bij vermeld worden dat er verder ook weinig andere indicaties zijn (zoals vondstmateriaal, restanten van sporen) die zouden kunnen wijzen op een (groten)deels verstoorde vindplaats. Daarnaast is het plangebied lager gelegen dan het zuidelijk deelgebied en kan het daardoor wellicht ook minder aantrekkelijk zijn geweest om te bewonen. In het zuidelijk deelgebied zijn er wel archeologische sporen en vondsten aangetroffen, ondanks een lichte mate aan verstoring door ploegwerkzaamheden. Uit de sporen en vondsten kan afgeleid worden dat in het zuidelijk deelgebied een nederzettingsterrein uit de Late middeleeuwen aanwezig is. Op drie locaties zijn spoorclusters gevonden, die waarschijnlijk samenhangen met de locaties van een woonerf. Ter hoogte van het zuidoostelijk cluster kunnen mogelijk al twee (bij)gebouwen verondersteld worden, evenals twee waterputten.

Het noordwestelijk cluster leverde vooral een dichte spreiding aan paalsporen op, waaruit vooralsnog geen duidelijke structuren naar voren komen. Een derde, zuidwestelijk cluster bestaat uit tenminste één, maar mogelijk meerdere waterputten met rondom een spreiding aan (paal)sporen. Aardewerkdateringen laten zien dat er mogelijk een fasering is in de bewoning. Het zuidoostelijk cluster kan in de periode 1200-1350 gedateerd worden, beide andere clusters in 1300-1450. Buiten de clusters met sporen komen sporen voor van terreininrichting of afbakening zoals erf- of perceelgreppels. Ook zijn er karrensporen van een oude veldweg gevonden. Of er een relatie is tussen de oude veldweg en de bewoning in het gebied zal nog moeten blijken. De toekomstige ontwikkeling van het plangebied kan er daarmee toe leiden dat de archeologische vindplaats verstoord raakt. In het noordelijk deelgebied zijn geen archeologisch waardevolle resten aangetroffen, en is verder archeologisch onderzoek daarom ook niet nodig. De vindplaats in het zuidelijk deelgebied scoort zowel op fysieke kwaliteiten als op inhoudelijke kwaliteiten dermate hoog dat deze behoudenswaardig is. Dit betekent dat als de vindplaats niet bewaard kan blijven (in situ), een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische opgraving nodig is om de kennis ex situ te bewaren.

6

Tabel 0. Overzicht van de verschillende perioden.

7

1 Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van de gemeente Hilvarenbeek heeft ADC ArcheoProjecten een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied De Welder 2 (afb. 1). Het plangebied zal worden (her)ontwikkeld met nieuwbouwwoningen. De omvang van de toekomstige verstoringen is momenteel nog niet bekend. Er wordt uitgegaan van een standaard funderingswijze van 0,8 tot 1m onder maaiveld.

Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied.

Vooronderzoek (zie §1.2) heeft aangetoond dat voor het plangebied rekening gehouden moet worden met archeologische (sporen)vindplaatsen uit het tijdvak Neolithicum – Nieuwe tijd (Zie voor periodisering tabel 0). Vroegere vindplaatsen van jagers en verzamelaars uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden niet meer in situ verwacht in verband met aantoonbare verstoring van de top van de natuurlijke bodem. De voorgenomen bouwplannen zullen een negatieve impact hebben op eventueel aanwezige archeologische resten. Om deze reden is het advies opgesteld tot het laten uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven. De gemeente Hilvarenbeek heeft dit advies overgenomen. Het ten westen van de kern van Haghorst gelegen plangebied is onderverdeeld in twee ontwikkelingszones, een noordelijk en een zuidelijk deelgebied. Beide deelgebieden worden van elkaar gescheiden door weiland. Het noordelijke deelgebied heeft een omvang van 0,96 ha. en betreft een akkerperceel

8

ten westen van de Pastoor Jurriënsstraat en ten zuiden van de Witvenstraat. Aan de westzijde grenst het deelgebied aan een boeren erf met achterliggend weiland. Het zuidelijke deelgebied is 1,42 ha groot en ligt aan de Sint Josephstraat tussen huisnummers 20 en 22. Rondom wordt het omgeven door sportvelden (west), akkerland of weiland (west en noord) en door bebouwing (oost). Beide deelgebieden zijn onderzocht met proefsleuven met een totale omvang van bijna 2200 m2 en daarmee met een dekkingspercentage van +/- 9%. Het veldwerk is uitgevoerd van 25 tot 28 juli 2022. In die periode zijn de proefsleuven aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen (PvE), dat door A. de Ridder (Aeres Milieu) is opgesteld. 1 Dit ontwerp is goedgekeurd door de gemeente Hilvarenbeek en diens externe adviseur Fokko Kortlang (ArchAeO BV). De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens het IVO zijn verzameld, zijn na afronding van het onderzoek gedeponeerd in het Provinciaal depot Bodemvondsten Noord-Brabant te ‘s-Hertogenbosch.. Het veldteam bestond uit de volgende personen: X.J.F. Alma (projectverantwoordelijke), R. Machiels en M. van Stiphout (veldarcheologen) 2 en O. van Velzen en J. Jetses (veldarcheologen) 3. De graafmachine is geleverd door de firma Luyten BV. Op donderdag (25-07-2022) heeft H. Schoenmakers zich bij het veldteam aangesloten als vrijwilliger.

Het vondstmateriaal is bestudeerd door J.T. Verduin (aardewerk en glas) en M.J.A. Melkert (keramisch bouwmateriaal). Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door J.W. Beestman. De contactpersoon bij de gemeente Hilvarenbeek is mevr. M. van Dam. Als externe adviseur archeologie namens de gemeente is bij het project betrokken dhr. F. Kortlang (ArchAeO BV).

1.2

Vooronderzoek

In verband met de toekomstige ontwikkelingen in het plangebied De Welder 2 is een eerste archeologische inventarisatie in het onderzoeksgebied uitgevoerd in 2021 en 2022 door Aeres Milieu. Dit archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureaustudie en verkennend booronderzoek. 4 Onderstaand zullen de voornaamste resultaten van dit vooronderzoek beschreven worden aan de hand van de thema’s ‘bodem’, ‘archeologie’ en ‘(cultuur) historie en kaartmateriaal’. De onderstaand gepresenteerde informatie is daarmee ook grotendeels integraal ontleend aan het door Aeres Milieu uitgevoerde vooronderzoek en waar nodig toegespitst en/of aangevuld. 1.2.1 Bodemkundige omstandigheden De bodemkundige omstandigheden van het plangebied zijn tijdens het vooronderzoek bestudeerd aan de hand van digitale bronnen en door middel van toetsing middels verkennend booronderzoek. Het plangebied ligt in het centrale dekzandlandschap in de Roerdalslenk. De Roerdalslenk werd in de laatste periode van het Vroeg-Pleistoceen (circa 1,1 miljoen jaar geleden) tot in het MiddenPleistoceen (circa 475.000 jaar geleden) opgevuld met oude rivierafzettingen van de Rijn en de Maas. Deze rivierafzettingen zijn onderdeel van de Formatie van Sterksel en bestaan grotendeels uit matig tot sterk grof grindhoudend zand en grind.

Nadat de Rijn en Maas uit de Roerdalslenk waren verdwenen door tektonische opheffingen, werd de Roerdalslenk afgedekt door een dik pakket (>15 meter) dekzand. Dit dekzand is gevormd tijdens de laatste ijstijd (Weichselien; circa 115.000 – 11.700 jaar geleden), aan het eind van het Pleistoceen. Het huidige landschap is in die periode voor een groot deel gevormd. Volgens de oppervlakte geologiekaart komen ter plaatse van het plangebied in de bodem fluvioperiglaciale afzettingen met een zanddek voor. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel (Bx6). Het zanddek behoort tot het Laagpakket van Wierden. 5 1 A. de Ridder, 2022: Programma van Eisen. De Welder 2 te Haghorst. (gemeente Hilvarenbeek). AM21379-4. Goedkeuring dd.

22-06-2022.

2 Beiden aanwezig op maandag 25 juli 2022.

3 Beiden aanwerzig op dinsdag 26 t/m donderdag 28 juli 2022.

4 Van Boldrik, J.M.L., Kruithof, L. en N.J.W. van der Feest, 2022. 5 Geologische overzichtskaart van Nederland, 2010.

9

In het onderzoeksgebied kunnen dekzandwelvingen al dan niet met een oud bouwlanddek (code 3L51yc) voorkomen, vlaktes van dekzand (code 2M53) en vlaktes ten dele verspoelde dekzanden of löss (code 2M53). In het noorden bevindt zich een dekzandrug al dan niet met een oud bouwlanddek (code 3B53yc). Verder van het plangebied liggen laagtes op 1,2 km ten westen van het plangebied (beekdal van de Reusel) en een dalvormige laagte ten noordwesten en oosten van het plangebied. In het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand (code zEZ21t) verwacht. Bij enkeerdgronden is sprake van een eerdlaag of plaggendek. Dit (plaggen)dek is ontstaan doordat in sommige gevallen al vanaf de late middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Om de grond vruchtbaarder te maken, werden plaggen met de mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid. In de loop der tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De totale dikte van het plaggendek is bij de enkeerdgronden meer dan 50 cm. De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Dergelijke cultuurdekken kunnen een beschermende werking hebben voor de potentieel aanwezige archeologische lagen.

De hoge enkeerdgronden betreffen de oudste opgehoogde gronden, die over het algemeen op de hogere dekzanden liggen. De lage enkeerdgronden werden pas later in gebruik genomen vanwege de lagere ligging in het beekdal. Door de hogere grondwaterstand was de sterke ophoging met plaggen niet alleen noodzakelijk voor de bemesting maar ook om de nattere gronden toegankelijk te maken. De kans bestaat dat er onder het plaggendek nog een restant van het oorspronkelijke bodemprofiel wordt aangetroffen in de vorm van een A- of E- horizont (deze zijn meestal opgenomen in de ploeglaag) of B en/of BC- horizont. 1.2.2 Archeologie Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek geldt voor het noordelijke plangebied deels een hoge archeologische verwachting: Beleidscategorie 4. Het zuidelijke plangebied heeft een hoge en middelhoge verwachting: Beleidscategorie 4 en 6. In de omgeving van het plangebied (straal 1 km) zijn geen monumenten bekend. Archeologisch onderzoek binnen plangebied In 2002 werd door RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld voor het landinrichtingsgebied De Hilver (zaakidentificatie 2057751100). Dit onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een booronderzoek. Hierbij is de geactualiseerde verwachtingskaart vertaald in een archeologische advieskaart. Het huidige plangebied valt hier binnen.

Zoals in de introductie van dit hoofdstuk (1.2) al vermeld, is in 2021 en 2022 door Aeres Milieu een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd binnen het plangebied (zaakidentificatie 5103164100). Dit archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureaustudie en verkennend booronderzoek en ligt ten grondslag aan het huidige onderzoek. 6 De resultaten van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek worden in dit hoofdstuk (1.2) besproken. Archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied In de omgeving van het plangebied (straal 1km) zijn tot op heden weinig andere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek dat in de omgeving (straal 1km) is uitgevoerd, beperkt zich tot bureaustudies en/of verkennend booronderzoek. Vervolgonderzoeken in de vorm van proefsleuven en/of opgravingen zijn niet bekend. In Archis 3 zijn in totaal 8 andere onderzoeken geregistreerd binnen een straal van 1km van het plangebied. Direct grenzend aan het huidige plangebied is in 2005 door SOB Research een archeologisch vooronderzoek bestaande uit een bureaustudie en booronderzoek uitgevoerd 6 Van Boldrik, J.M.L., Kruithof, L. en N.J.W. van der Feest, 2022.

10

(zaakidentificatie 2061947100). Dit onderzoek werd uitgevoerd op perceel N, 2170, dat tussen de beide deelgebieden van het huidige onderzoek in ligt. Omdat in de boringen geen podzolbodem en geen intacte A-horizont werd aangetroffen, is er geen verder aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. De andere locaties liggen iets verder van het plangebied. In tabel 1 wordt de locatie evenals een beknopte beschrijving van de onderzoeksresultaten en het advies weergegeven. Tabel 1. Overzicht van uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen een straal van 1km van het plangebied. (Ontleend aan Van Boldrik, J.M.L., Kruithof, L. en N.J.W. van der Feest, 2022.) Zaakidentificatie

Afstand

Soort onderzoek

Omschrijving

2061947100

Direct grenzend aan plangebied

IVO-o door SOB Research

Voor perceel N, 1270 is in het kader van nieuwbouwproject De Welder een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Bij ontbreken van een podzolbodem en afwezigheid van een intacte Ahorizont is geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.

5103164100

Circa 175 m ten Z van het plangebied

IVO-O door Aeres Milieu in 2021

In vier van de negen boringen is een (deels) intact bodemprofiel aangetroffen, in deze boringen is een BC-horizont boven het moedermateriaal (Chorizont) waargenomen. Er is in boring 9 ook nog een deel van de inspoelingshorizont (Bs-horizont) aanwezig. In de bovenliggende Aa-horizont zijn ook brokken van een uitspoelingshorizont (E-horizont) aangetroffen. Ook in boring 1 is nog een deel van de oorspronkelijke B-horizont waargenomen.

2210410100

Circa 376 m ten NW van het plangebied

BO door Synthegra BV in 2008

Bureauonderzoek i.v.m. aanleg sleuf voor een persleiding. Het tracé loopt o.a. over de Broekweg tussen Zuiveringsdienst en Haghorst. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

2228718100

Circa 376 m ten NW van het plangebied

IVO-o door Synthegra BV in 2009

Vervolgonderzoek aan de hand van boringen, i.v.m. aanleg sleuf voor een persleiding. Het tracé loopt o.a. over de Haghorst. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

2313102100

Circa 450 m ten W van het plangebied

IVO-o door Archeopro in 2010

Er is een 55-80 cm dikke bouwvoor aangetroffen. Hieronder volgt een geroerde laag bestaande uit de bouwvoor en C-horizont met daaronder veelal een geroerde top van de C-horizont. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

2236964100

Circa 736 m ten O en 404 m ten W van het plangebied

BO door SRE Milieudienst in 2008

Het onderzoek betreft LOP Stille Wille (gemeente Oirschot, Oisterwijk en Hilvarenbeek). Het onderzoeksgebied is aantrekkelijk geweest voor bewoning. De verschillende archeologische verwachting zijn weergegeven op de archeologische verwachtingskaart. Op basis hiervan wordt een verder vervolgonderzoek noodzakelijke geacht.

2328615100

Circa 444 m ten NW van het plangebied

IVO-o door BAAC BV in 2011

In het westelijk deel van het plangebied is een deels intacte B-horizont aangetroffen. Er zijn geen sporen van diepe ontgronding aangetroffen. Op basis hiervan is er een vervolgonderzoek geadviseerd.

2271518100

Circa 653 m ten N van het plangebied

IVO-o door Synthegra BV in 2010

Naar aanleiding van een bestemmingsplanwijziging worden voor het plangebied aan de Moergestelseweg te Haghorst een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Synthegra BV. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.

11

1.2.3 Historische gegevens Het gebied rond Haghorst ligt in de Roerdalslenk. Door de lagere ligging van de slenk ten opzichte van de horsten, vormden zich hier diverse beekdalen met riviertjes als de Reusel, de Beerze en de Rosep. Haghorst ontwikkelde zich op een dekzandrug tussen het beekdal van de Reusel in het westen en de heidegronden van de Beersche Heide in het oosten. De eerste schriftelijke vermeldingen van het dorp vinden we in de late middeleeuwen. In de 15e eeuw is sprake van Haeghorst, In 1542 wordt het Hagehorst genoemd. De naam is een samenstelling van haag, ‘heg of haag, omheining van struiken’ en horst ‘met bomen begroeide hoogte’. Tot ver in de 20e eeuw bestond de nederzetting uit enkele clusters van bebouwing, die bekend stond als de Hooge Haghorst en de Lage Haghorst. Na voltooiing van het Wilhelminakanaal in 1923 ontstond de huidige kern waaruit zich een dorp ontwikkelde. Het plangebied ligt aan de Sint Josephstraat direct ten zuiden van de oude kern van Hooge Haghorst. Historische ontwikkeling zuidelijke plangebied Op de kaarten uit het begin van de 19e en 20e eeuw is te zien dat het zuidelijke plangebied sinds circa 1800 aan de al bestaande Sint Josephstraat lag hier vermeld als de Emmersche Weg (zie voor een overzicht van de historische kaarten afb. 50). Aan deze weg is sporadisch bebouwing aanwezig.

Ook in het plangebied staat bebouwing aangeduid langs deze weg. Het overige, grootste deel ligt in een onbebouwd veld genaamd “De Hooge Hagorst” dat bestaat uit grote blokvormige kavels. Door het westelijke deel van het plangebied loopt een secundaire weg. In de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)2 behorende bij het minuutplan, staat het gebouw omschreven als huis en erf. De percelen zijn als bouwland in gebruik. Het zuidelijke perceel is als hakbos in gebruik. Tussen 1900 en 1950 is het gebouw in het oostelijke deel van het zuidelijke plangebied nog aanwezig. De weg door het westelijke deel van het plangebied loopt uit in het bouwlandveld. Het zuidelijke puntje van het plangebied ligt in het bosperceel. Het overige, grootste deel van het zuidelijke plangebied is als bouwland in gebruik. In 1970 is de situatie enigszins veranderd. Er is geen bebouwing meer aanwezig binnen het plangebied en het deels als bouwland en deels als weiland in gebruik. Aan de Sint Josephstraat is nu meerdere bebouwing gerealiseerd. Ook is bebouwing aanwezig in het oosten grenzend aan het plangebied. Het betreft de huidige Sint Josephstraat 20, gebouwd in of kort na 1961. Historische ontwikkeling noordelijke plangebied Het noordelijke plangebied ligt in een onbebouwd veld genaamd “De Hooge Hagorst”, dat bestaat uit grote blokvormige kavels.

Het plangebied ligt binnen meerdere percelen en is onbebouwd. Ten westen van het plangebied loopt een (zand)pad, van de 'Emmersche Weg’ naar de bouwlandpercelen toe. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) behorende bij het minuutplan, zijn de percelen in gebruik als weiland en bouwland. Tot op heden blijft het noordelijke plangebied onbebouwd. Vanaf circa 1953 is een deel van het genoemde verbindingsweggetje ten westen van het plangebied verdwenen. Vanaf 1970 is er meer bebouwing gerealiseerd aan de Sint Josephstraat. De Witvenstraat is rond 1970 aangelegd. Het aangrenzende perceel, Witvenstraat 23b, is bebouwd vanaf 2004. De Pastoor Jurriënsstraat, de straat waaraan het plangebied gelegen is rond 2011 aangelegd.

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Het IVO in de vorm van proefsleuven heeft tot doel de aard, omvang en kwaliteit (gaafheid en conservering) vast te stellen van de vindplaats(en) in het gebied om te komen tot een definitief oordeel over de behoudenswaardigheid ervan. Daarnaast moeten gegevens verkregen worden om hetzij verder archeologisch onderzoek mogelijk te maken, hetzij adequate maatregelen voor behoud en beheer te kunnen treffen. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld. Deze worden in dit rapport beantwoord op basis van hetgeen in de proefsleuven is aangetroffen. Het is echter waarschijnlijk dat de getrokken conclusies bijgesteld moeten worden indien de vindplaats in de toekomst volledig wordt opgegraven.

12

De volgende onderzoeksvragen zijn in het PvE gesteld: Algemeen: - Bevinden zich in het plangebied nog archeologisch relevante sporen of vondsten in de breedste zin van het woord (dus ook (sub)recente resten ouder dan 50 jaar)? - Zijn er archeologische resten in situ bewaard gebleven, vanaf welke diepte en dient hier in de toekomst rekening mee te worden gehouden bij ontwikkelingen in het plangebied en de directe omgeving? - Wat is de aard, datering, omvang en begrenzing (horizontaal en verticaal) van archeologische resten, grondsporen en structuren? - Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondst categorieën behoren zij? - Wat is de gaafheid en conservering van grondsporen, structuren en vondstconcentraties? - Wat is de landschappelijke ligging van de site(s).

Meer in het bijzonder, wat is de geologische, geomorfologische en bodemkundige context? - Is er sprake van (sub)recente verstoring en postdepositionele processen? Wat is de relatie tussen het gebruik en de geschiedenis van de onderzoekslocatie en de historische, historisch landschappelijke en overige cultuurhistorische aspecten van zijn omgeving? - Zijn er aanwijzingen aangetroffen voor landgebruik (off site-patronen) zoals wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen etc.? - Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk? - Indien er geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijv.

alleen losse vondsten zonder enige context) oplevert, welke verklaring kan hieraan worden gegeven? Is er bijvoorbeeld sprake van aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoringen van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van bodemprocessen of beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van werk- en/of weersomstandigheden? - Hoe kan de vindplaats gewaardeerd worden op basis van de fysieke en archeologisch inhoudelijke kwaliteit? Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde conform de waarderingstabel uit de KNA 4.1.

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 -specificatie VS05). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Dit onderzoek vormt geen eindstation, maar de basis van waaruit verder synthetiserend onderzoek kan plaatsvinden. Bij dit synthetiserend onderzoek kan, indien nodig, altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens in het e-depot. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. In hoofdstuk 3 worden de onderzoeksresultaten gepresenteerd, uitgesplitst in een beschrijving van het fysisch geografisch onderzoek, de aangetroffen sporen en structuren en het vondstmateriaal. In hoofdstuk 4 volgt een interpretatie van de onderzoeksgegevens, gevolgd door de synthese in hoofdstuk 5. In de synthese is naast een algemene beschrijving ook de beantwoording van de onderzoeksvragen opgenomen. Tot slot volgt in hoofdstuk 6 de waardering en het selectieadvies.

13

2 Methoden Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 4.1 en het Programma van Eisen. 7 Tijdens het IVO zijn 11 proefsleuven aangelegd, waarvan vijf op het noordelijke deelgebied en zes op het zuidelijke deelgebied (afb. 2). Het merendeel van de proefsleuven had standaard afmetingen van 50 x 4m, één werkput is verkort in verband met de terreinomstandigheden (werkput 6 in het zuidelijke terreindeel). In totaal is ongeveer 2200 m2 middels de proefsleuven onderzocht, waarmee de proefsleuven een dekkingspercentage van iets meer dan 9% hebben (zie tabel 2). Tabel 2. Oppervlaktes van de proefsleuven Werkput

Oppervlakte

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Totaal

205 200 205 200 215 157 210 185 207 223 197 2204

De vlakken zijn machinaal aangelegd met een mobiele graafmachine met gladde bak. Grondsporen zijn direct ingekrast. De vlakken en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht. Vervolgens is het vlak en ieder spoor daarin gefotografeerd en getekend (digitaal met GPS), waarbij om de 5 m een waterpashoogte is bepaald. Vondstmateriaal dat werd aangetroffen bij de aanleg van het vlak of bij het couperen dan wel afwerken van de sporen, is per spoor of anders per laag of vak verzameld. Een selectie van de aangetroffen grondsporen is gecoupeerd, kleinere tot middelgrote sporen handmatig, grotere sporen (waterput, sloten) machinaal. In proefsleuven met een lage spoordichtheid zijn (vrijwel) alle sporen gecoupeerd om tot een goede waardestelling te komen. In proefsleuven met een hoge spoordichtheid is enkel selectief gecoupeerd om voldoende inzicht te krijgen in de aard en conservering van de sporen. Alle coupes zijn gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. Het restant van de gecoupeerde sporen is in de werkputten met een lage spoordichtheid vervolgens met de schep of troffel afgewerkt. In proefsleuven met een hoge spoordichtheid zijn de gecoupeerde sporen niet afgewerkt met het oog op eventueel vervolgonderzoek. Door de sporen niet af te werken kunnen deze bij vervolgonderzoek nog integraal onderzocht worden in relatie tot eventuele structuren.

Geen van de gecoupeerde sporen leende zich specifiek voor monstername voor archeobotanisch en archeozoölogisch onderzoek. Per proefsleuf is telkens één verdiept putprofiel aangelegd om de bodemopbouw in kaart te brengen. Daarnaast is telkens een tweede profiel aangelegd ter verificatie. Het putprofiel is gefotografeerd en getekend (op schaal 1:20) en vervolgens beschreven.

7 A. de Ridder, 2022.

14

Afb. 2. Overzicht van de aangelegde proefsleuven.

15

3 Resultaten 3.1

Fysisch geografisch onderzoek

Op basis van het vooronderzoek werden binnen het plangebied fluvioperiglaciale afzettingen met een zanddek verwacht (respectievelijk Formatie van Boxtel (Bx6) en het Laagpakket van Wierden). 8 Verder kunnen dekzandwelvingen, al dan niet met een oud bouwlanddek voorkomen, net als vlaktes van dekzand en vlaktes van ten dele verspoelde dekzanden. Daarnaast werden hoge zwarte enkeerdgronden gevormd in leemarm en zwak lemig fijn zand verwacht. Deze verwachting is tijdens het vooronderzoek getoetst middels een verkennend booronderzoek. Daaruit bleek dat er binnen het plangebied sprake is van enkeerdgronden. De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak tot matig siltig matig fijn, slecht gesorteerd zand. Verder kon geconstateerd worden dat de bodem in een groot deel van het plangebied in meer of mindere mate is afgetopt (AC profiel). De vooraf gestelde verwachting kan met het proefsleuvenonderzoek bevestigd worden. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is de bodemopbouw bestudeerd door de aanleg van ten minste twee profielen per werkput, waarvan telkens één diepteprofiel. De resultaten van het bodemkundig onderzoek zullen onderstaand per deelgebied worden beschreven. 3.1.1 Deelgebied Noord De bodemopbouw in het noordelijke deelgebied is vrij uniform.

In het gehele deelgebied is sprake van een AC profiel, waarbij de dikte van de bouwvoor / akkerlaag varieert tussen 50 en 80 cm. Restanten van bodemhorizonten ontbreken. Deze zijn (voor zover aanwezig geweest) opgenomen in de akkerlaag. Een duidelijk onderscheid tussen de bouwvoor en de akkerlaag valt meestal niet te maken. Oudere akkerlagen zijn grotendeels opgenomen in de bouwvoor. Zowel in het vlak als in profiel is de impact van recente, machinale bodembewerking goed te zien (afb. 3 en 4). In het vlak als langgerekte ploegbanen die tot in de moederbodem insnijden. In profiel zijn de diepploegwerkzaamheden duidelijk af te lezen aan de golvende ploegbanen, waarbij de natuurlijke bodem verstoord en vermengd is geraakt. Een profiel haaks op de ploegbanen laat duidelijk een omgeploegde top van de natuurlijke bodem zien. Deze licht gele zandige laag is zo’n 20 cm dik, voordat deze overgaat in de donker grijze akkerlaag. Hieruit mag verondersteld worden dat een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke top van de natuurlijke bodem in de ploeglaag opgenomen zal zijn. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de bodemverstoring in het noordelijke deelgebied aanzienlijk is.

8 Van Boldrik, J.M.L., Kruithof, L. en N.J.W. van der Feest, 2022.

16

Afb. 3. Bij de aanleg van het vlak is de impact van de ploegbanen op de ondergrond goed zichtbaar.

Afb. 4. Detailopname van de bodemopbouw in werkput 5. De golvende ploegbanen tekenen zich in profiel duidelijk af. Onder de donkere akkerlaag is een verrommelde top van de natuurlijke bodem zichtbaar.

17

3.1.2 Deelgebied Zuid In het zuidelijke deelgebied zijn ploegwerkzaamheden eveneens van invloed geweest op de bodemgesteldheid, maar de impact ervan lijkt beperkter te zijn. Met een dikte van 40 tot 70 cm is de bouwvoor c.q. akkerlaag nagenoeg vergelijkbaar met de noordelijke zone. Een duidelijk verschil is echter waar te nemen in de lokale aanwezigheid van bodemhorizonten, en de samenstelling van de top van de natuurlijke bodem. In enkele werkputten zijn restanten van bodemhorizonten aanwezig. In werkput 6 en 11 een restant van een BC- horizont, en in werkput 9 een B- / BC- horizont van een haarpodzolbodem (afb. 5). In dezelfde put is ook sprake van een lokale depressie. In deze lokale depressie zijn de E- en Bhorizont nog herkenbaar (afb. 6). De (lokale) aanwezigheid van bodemhorizonten duidt er op dat de inwerking van ploegwerkzaamheden op de natuurlijke bodem minder is geweest dan in het noordelijke deel van het plangebied.

Afb. 5. Bodemprofiel in werkput 9 met nog een intacte B-/BC horizont.

Afb. 6. Bodemprofiel ter hoogte van de lokale depressie met goed te onderscheiden een E- en B-horizont.

18

3.1.3 Hoogteverlopen Op afbeelding 7 is een overzicht met de hoogte verschillen in het plangebied weergegeven. Daaruit valt op te maken dat het noordelijk deelgebied lager gelegen is dan het zuidelijk deelgebied. Binnen het noordelijk deelgebied is er verder sprake van een geleidelijk aflopend maaiveld van zuid naar noord (van 14,5m naar 14 m +NAP). In het zuidelijk deelgebied zijn de schommelingen in maaiveldhoogtes kleiner en liggen de maaiveldwaardes tussen 14,8 en 15 m +NAP. Het maaiveld in het zuidelijk deelgebied ligt daarmee gemiddeld een halve meter hoger dan het noordelijk deelgebied.

Afb. 7. Vlak- en maaiveldhoogtes van beide deelgebieden.

19

Op de hoogtekaart is ook de ontwikkeling van de vlakhoogtes af te lezen. De vlakhoogtes lopen daarbij min of meer gelijk aan de top van de natuurlijke bodem. In het noordelijk deelgebied volgt de vlakhoogte het verloop van het maaiveld, met geleidelijk aflopende waardes van zuid naar noord. In het zuidelijk deelgebied valt op dat de vlakhoogtes langs de noordrand duidelijk dalen, een ontwikkeling die aan de maaiveldhoogtes niet zozeer af te lezen valt. Ook langs de zuidelijke rand van het deelgebied is een dalende lijn van de vlakhoogtes zichtbaar, maar minder geprononceerd.

20

3.2

Sporen en structuren

In de 11 proefsleuven zijn 216 sporen geregistreerd. Het merendeel van deze sporen betreft paalsporen (zie tabel 3). De overige sporen bestaan uit greppels en sloten, kuilen, karrensporen, ploegsporen, vlek, waterput en recente en natuurlijke sporen. Tabel 3. Overzicht van de spooraantallen naar aard spoor. Aard spoor

Aantal

Greppel Kuil Karrensporen Natuurlijke verstoring Paalkuilen Ploegsporen Recente sporen Sloten Vlek Waterput Totaal

22 49 4 6 110 5 1 11 4 4 216

De verspreiding van de sporen binnen het plangebied laat een wisselend beeld zien (afb. 8). In het noordelijke deelgebied is de spoordichtheid laag. Het zuidelijke deelgebied laat zowel zones met een hoge als met een lagere spoordichtheid zien. In de navolgende paragrafen zullen de sporen per deelgebied en per proefsleuven verder besproken worden.

21

Afb. 8. Overzichtskaart met de geregistreerde sporen in beide deelgebieden.

22

3.2.1 Deelgebied Noord Op afbeelding 9 wordt een overzicht gegeven van de sporen die in deelgebied noord zijn aangetroffen. Deze worden onderstaand per proefsleuf verder besproken.

Afb. 9. Detailkaart van de sporen in de noordelijke zone

23

Proefsleuf 1 In proefsleuf 1 is slechts een beperkt aantal sporen (5 stuks) geregistreerd in de top van de natuurlijke bodem (afb. 10). Deze natuurlijke bodem is bovenin zichtbaar verstoord door noord – zuid georiënteerde diepe ploegbanen (afb. 11).

Afb. 10. Sporenvlak proefsleuf 1.

24

Afb. 11. Proefsleuf 1 gezien vanuit het zuiden. Goed zichtbaar zijn de noord – zuid georiënteerde ploegbanen die de top van de natuurlijke bodem verstoord hebben.

Van de sporen kan na couperen één spoor als natuurlijk geïnterpreteerd worden (S1), twee sporen als ondiepe vlek of kuil (S2 en 4) en twee als sloot (S 3 en 5). De beide sloten (S3 en 5) liggen in het noordelijke deel van de proefsleuf en hebben dezelfde noordwest – zuidoost oriëntatie. De tussenafstand bedraagt 1,5m. Sloot S3 waaiert iets breder uit (2,5m) waarbij er twee vullingen onderscheiden kunnen worden (afb. 12). De ondergrens van het spoor is vlak, maar onregelmatig. Sloot S5 is iets smaller (1,25 m) en kent één egale opvulling. Geen van beide sloten leverde vondstmateriaal op ter datering.

25

Proefsleuf 2 De in het noordwesten gelegen proefsleuf 2 leverde geen archeologische sporen op. Het vlak vertoont een vlekkerig beeld met een sterke afwisseling van lemige gronden met meer zandige lagen en lokaal ijzeroer. De donker gekleurde, bruine vlekken zijn telkens nog maar enkele centimeters diep. De aard van deze lagen is niet goed meer vast te stellen. Naast een natuurlijke oorsprong als een dagzomende laag, kan ook gedacht worden aan de onderzijden van agrarische bewerking zoals boomplantkuilen. Evenals in proefsleuf 1 is de top van de natuurlijke bodem zichtbaar aangetast door diepploegen (afb. 13).

Afb. 12. Detailfoto’s van de sloten S3 en S5 (resp. boven en onder).

26

Afb. 13. Sporenvlak proefsleuf 2.

27

Afb. 14. Proefsleuf 2 met in het vlak enkele verkleuringen door boomvallen. Net als bij proefsleuf 1 zijn de verstoringsbanen van het diepploegen goed zichtbaar.

28

Proefsleuf 3 In de centraal gelegen proefsleuf 3 zijn vijf sporen geregistreerd, waaronder twee sloten (S3 en 4), één natuurlijk spoor (S1) en twee kuilen of vlekken (S2 en 5).

Afb. 15. Sporenvlak proefsleuf 3.

29

Afb. 16. Aanleg van proefsleuf 3.

De beide kuilen of vlekken zijn vrij ondiep, hebben een onregelmatige vorm in doorsnede en een vrij egale, grijze kleur. Van beide sporen is de oorsprong onzeker. Mogelijk kunnen het natuurlijke bodemverstoringen zijn, dan wel recentere antropogene verstoringen vanuit de ploeglaag. Gezien de onregelmatige vorm (in vlak en doorsnede) is een functionele aard van de sporen minder waarschijnlijk. Beide sloten (S3 en 4) liggen parallel aan elkaar op een onderlinge afstand van minder dan 1m. De oriëntatie van beide sloten is noordwest – zuidoost en daarmee gelijk aan de sloten in proefsleuf 1. In doorsnede zijn beide sloten nog redelijk goed bewaard gebleven met dieptes tot 50 á 60 cm (afb. 17). Kenmerkend is dat beide sloten een brede, vrij vlakke insteek hebben met een decentraal (gespiegeld) gelegen komvormige verdieping die opgevuld met ondermeer nog sterk humeus materiaal. Uit deze vulling van sloot S4 is ook vondstmateriaal afkomstig, namelijk een fragment bouwmateriaal en rubber (vnr 1). De vondsten tonen aan dat de sloot recent gedempt is.

30

Afb. 17. Doorsnedes van de beide sloten in proefsleuf 3.

31

Proefsleuf 4 De zuidoostelijke proefsleuf 4 leverde geen sporen op (afb. 18). In het vlak en profiel kunnen wederom goed de verstoringen door diepploegen waargenomen worden (afb. 19).

Afb. 18. Sporenvlak proefsleuf 4.

32

Afb. 19. Aanleg van proefsleuf 4.

33

Proefsleuf 5 In de noordoostelijke proefsleuf 5 zijn in totaal 13 sporen vastgesteld (afb. 20). Daaronder bevinden zich drie sloten (S1, 11 en 13), één greppel (S10), ploegsporen (S12) en acht kuilen (S2 t/m 9).

Afb. 20. Sporenvlak proefsleuf 5.

34

Afb. 21. Zicht op het noordelijke deel van proefsleuf 5 met daarin een twee sloten, een greppel en ploegbanen.

In het zuidelijke deel doorsnijdt sloot S1 de proefsleuf van zuidwest naar noordoost. De komvorige sloot is 1,1 tot 1,8m breed en 42cm diep in doorsnede. De opvulling is donkergrijs en licht humeus (afb. 22). Langs de sloot zijn een aantal (paal)kuilen of de restanten daarvan aangetroffen. De sporen variëren sterk in omvang, vorm en diepte. Wel kan gesteld worden dat vrijwel alle sporen slecht bewaard zijn gebleven en ten hoogste nog 5 tot 14 cm diep zijn (afb. 22). Vier sporen springen eruit, omdat ze op kaart in een min of meer rechthoekige vorm liggen, op een tussenliggende afstand van 2,3 tot 3m. Dit zijn de (paal)kuilen S4, 5, 6 en 7. In omvang zijn de kuilen overeenkomstig. Qua doorsnede en opvulling zijn er wel duidelijke verschillen te zien. Andere nabij liggende sporen kunnen als restanten van kuilen of ploegsporen gezien worden (S2 en 3) dan wel als (recentere) paalkuil (S8 en 9).

35

Afb. 22. Doorsnede van sloot S1.

Afb. 23. Eén van de (paal)kuilen (S5) in het zuidelijke deel van de proefsleuf.

36

In het noordelijke deel van de proefsleuf zijn twee noordwest – zuidoost georiënteerde sloten en haaks daarop liggende ploegsporen toongevend. Beide sloten (S11 en 13) liggen min of meer parallel aan elkaar op een tussenafstand van +- 2m. De breedte van de sloten is respectievelijk 1,5 en 1,8m. Sloot S11 is in doorsnede vrij ondiep (22 cm) bewaard gebleven met een redelijk vlakke bodem. Sloot S13 is iets dieper (40 cm) en komvormig. Beide sloten zijn opgevuld met een vrij vermengde licht grijze vulling. Sloot 13 is daarbij aan de top sterk verstoord door diepploegen. Uit sloot S13 zijn twee fragmenten van roodbakkend aardewerk verzameld (vnr 2). Beide scherven zijn zeer verweerd. De datering van de scherven ligt tussen 1250 en 1650. Direct ten zuiden van sloot S11 ligt een gebogen greppel (S10) die door sloot S11 doorsneden wordt. Af te leiden uit de onregelmatige bodem in de lengtecoupe is de greppel mogelijk voorzien geweest van een paalzetting (afb. 24). De ouderdom van de greppel is niet bekend.

Afb. 24. Detail van greppel S10 met mogelijke paalzetting.

37

3.2.2 Deelgebied Zuid Afbeelding 25 geeft een overzicht van de verspreiding van de sporen binnen het zuidelijk deelgebied. Aan de hand daarvan kunnen drie clusters onderscheiden worden, namelijk in proefsleuf 7, 10 en 11. De sporen zullen onderstaand per proefsleuf besproken worden.

Afb. 25. Overzichtskaart van de sporen in de zuidelijke zone.

38

Proefsleuf 6 Proefsleuf 6 in het noordoostelijke deel van deelgebied zuid, leverde een beperkt aantal sporen (9 stuks) op. Naast een aantal (paal)kuilen zijn er één sloot en karresporen gevonden. Sloot S2 doorsnijdt het zuidelijke deel van de proefsleuf van zuidwest naar noordoost. De sloot is circa 1,5m breed en in doorsnede beperkt diep met 36 cm.

Afb. 26. Sporenvlak proefsleuf 6.

39

Twee van de onderscheiden sporen (S1 en 3) hebben vrij vage contouren. Beide sporen zijn aanvankelijke geregistreerd als paalspoor. Na couperen zijn de sporen geherinterpreteerd als een natuurlijk spoor. Ook de beide sporen S4 en S5 zijn aanvankelijk als paalspoor geïnterpreteerd. Na couperen bleek het te gaan om spitsporen. In het noordelijke deel van de proefsleuf zijn twee smalle parallelle greppels gevonden, die geïnterpreteerd worden als karrensporen (afb. 28). De sporen zijn matig geconserveerd en liggen op een onderlinge afstand van 1m. De oriëntatie van de karrensporen is zuidwest – noordoost.

Afb. 27. Overzichtsfoto van het sporenvlak in proefsleuf 6

Afb. 28. Detailfoto van de karrensporen in het noordelijke deel van proefsleuf 6.

40

Proefsleuf 7 Met een totaal aantal van 81 sporen, is de spoordichtheid in proefsleuf 7 hoog (afb. 29). De meeste sporen zijn geïnterpreteerd als paalkuil (63 stuks). De overige sporen omvatten kuilen (8 stuks), greppels (7 stuks) en (mogelijke) waterputten. Een deel van de sporen is gecoupeerd om de aard en conservering ervan vast te stellen. Van grotere sporen is met een guts de minimale diepte vastgesteld.

Afb. 29. Sporenvlak proefsleuf 7.

41

In het zuidelijke deel van de proefsleuf doorsnijden meerdere (aan elkaar gefaseerde?) greppels de proefsleuf van zuidwest naar noordoost (afb. 30). Rondom de greppels liggen ook enkele (paal)kuilen, waarvan er één spoor (S81) aardewerk scherven bevatte (vnr 6). De 14 aardewerkscherven zijn van het baksel Elmpt en dateren tussen 1250 en 1350. Mogelijk begrenzen de greppels het erf van de structuur (of structuren) die iets noordelijker in de proefsleuf is gevonden.

Afb. 30. Greppels in het zuidelijke deel van de proefsleuf.

De hoge dichtheid aan sporen in het centrale deel van de werkput, maakt de aanwezigheid van een gebouwstructuur aannemelijk. Afgaande op de configuratie van de paalsporen binnen de proefsleuven, lijkt er een zuidwest – noordoost georiënteerd gebouw aanwezig, waarvan de paalsporen S25 en S26 (plus eventueel S24) de centrale as vormen. Het gebouw (STR01) is tenminste 4m lang, de breedte kan vastgesteld worden op circa 2,5m breedte (afb. 31 en 32).

42

Afb. 31. Structuren binnen proefsleuf 7.

Afb. 32. Het sporencluster centraal in de proefsleuf. Waarschijnlijk behoren de sporen tot een gebouw (STR01).

43

Iets ten noorden van de veronderstelde structuur 01 liggen twee grotere sporen die geïnterpreteerd worden als waterput (WA01 en WA02). Zowel de omvang van de beide kuilen (doorsnede 1,7 tot 2,6m), als ook de aard van de opvulling waarbij meerdere vullagen te onderscheiden zijn (wellicht kern en insteek) en de vastgestelde diepte (resp. meer dan 0,6 en meer dan 1m diep) sluiten aan bij een interpretatie als waterput (afb. 33). Ook van de verder naar het noorden toe gelegen forse kuil S60 kan een functie als waterput niet uitgesloten worden. Vooralsnog wordt het spoor op basis van de opvulling nog als forse kuil geïnterpreteerd.

Afb. 33. Beide grote kuilen of mogelijke waterputten (S42 en 43).

Rondom de beide waterputten (WA01 en WA02) ligt een spreiding aan paalsporen waarin vooralsnog geen specifieke structuur te onderscheiden valt. Mogelijk hebben deze sporen tot (bij)gebouwen op het erf of andere erfstructuren zoals afrasteringen gehoord. Ook nabij de forse kuil (of mogelijke waterput) S60 ligt een spreiding aan paalsporen, kuilen en twee greppels die niet direct aan een specifieke structuur te relateren zijn. Evenals voor de (paal)sporen rondom de beide andere waterputten, wordt ook voor deze sporen een herkomst als erfsporen verondersteld. Uit de greppel S59, die door de waterput S60 oversneden wordt, is een behoorlijke hoeveelheid aardewerk verzameld (vnr 5). De 36 verzamelde fragmenten aardewerk kunnen allemaal toegeschreven worden aan één pot van grijsbakkend aardewerk. De bolpot had een lensbodem en manchetrand. Het aardewerk kan in de periode 1200-1350 gedateerd worden. In het noordelijke deel van de proefsleuf liggen drie paalsporen (S75, 76, 77) in een regelmatige lijn, wat mogelijk duidt op een structuur (str02, afb. 34). Op basis van de lengte (2,2m) en de regelmatige tussenafstand van de paalsporen, zou het mogelijk om een bijgebouw of spieker kunnen gaan. Uit de sporen is geen vondstmateriaal afkomstig.

44

Afb. 34. Palenrij in het meest noordelijke deel van de proefsleuf.

45

Proefsleuf 8 In proefsleuf 8 zijn hoofdzakelijk greppels en sloten aangetroffen (afb. 35 en 36).

Afb. 35. Sporenvlak proefsleuf 8.

46

Afb. 36. Overzichtsfoto’s van de sporenvlakken in proefsleuf 8. De foto is genomen vanuit het noorden in zuidelijke richting.

In het zuidelijke deel van de proefsleuf is een recent te dateren zuidwest – noordoost georiënteerde sloot gecoupeerd. Daaruit blijkt de sloot nog 2,9 m breed en 1,1m diep te zijn (afb. 37). In de komvormige, brede opvulling zijn meerdere fasen van opvulling te onderscheiden. De aflijning van de lagen is scherp. Uit de vulling is vondstmateriaal verzameld, waaronder vensterglas uit de 19e/20e eeuw (vnr 4) en roodbakkend aardewerk uit de periode 1300-1650 (vnr 7).

Afb. 37. Dwarsdoorsnede van de recente sloot S6.

47

Nog ten zuiden van de sloot (S6) zijn in het vlak een (recente) vlek of ingraving (S1 en S2) te zien, evenals de onderzijde van ploegbanen van het diepploegen (S3, S4 en S5). Net ten noorden van de recente sloot ligt een fors ovaal spoor (S7) voor een deel binnen de proefsleuf (afb. 38). De doorsnede van het spoor bedraagt bijna 5m. Het spoor heeft tenminste twee vullingen, een donkere, egaal grijs gekleurde buitenrand met een sterk vermengde heterogene centrale opvulling. Het spoor is niet gecoupeerd, maar op basis van gutsboringen kan vastgesteld worden dat het spoor meer dan 1m diep is. Afgaande op de vorm in vlak en de diepte van het spoor, is een functie als waterput goed mogelijk (WA03). Andere mogelijkheden zoals een leem-/ of zandwinningskuil kunnen vooralsnog niet uitgesloten worden. Een aardewerkscherf van Andenne baksel (vnr 8) verzameld uit de binnenste opvulling kan het spoor dateren in de periode 1325-1550.

Afb. 38. Mogelijke waterput S7 in proefsleuf 8.

In het noordelijke deel van de proefsleuf doorsnijden drie parallelle greppels de proefsleuf met een zuidwest tot noordoost oriëntatie. De greppels liggen telkens op een tussenafstand van 4,5 tot 5m. Ze zijn alle drie ongeveer even diep uitgegraven tot 30 cm onder vlakniveau. Greppels S8 en S10 zijn in doorsnede komvormig, S9 is iets breder uitgegraven. De opvulling van de greppels S8 en 9 is redelijk overeenkomstig met een zeer vermengde vulling van wit tot donkergrijs zand, vermengd met enkele leembrokken. Deze opvulling lijkt afkomstig te zijn van de oorspronkelijke bodem (vermengde E- en B-horizont). Greppel S10 heeft een egalere, grijze opvulling. Uit geen van de greppels is vondstmateriaal afkomstig.

48

Proefsleuf 9 In proefsleuf 9 zijn negen sporen geregistreerd (afb. 39). De spoordichtheid is daarmee lager. Onder de sporen bevinden zich enkele greppels (2 x), paalkuilen (2x), kuilen (3x) en karrensporen (2x).

Afb. 39. Sporenvlak proefsleuf 9.

49

Afb. 40. Aanleg van het vlak in proefsleuf 9.

In het zuidelijke deel van de werkput ligt een geïsoleerd paalspoor (S1), waarvan enkel de onderzijde bewaard is gebleven. Even ten noorden ervan zijn de restanten van karrensporen zichtbaar. De conditie van de sporen is matig, ze konden enkel in de oostzijde van de proefsleuf worden waargenomen. De sporen liggen 1,2 m uit elkaar en hebben een zuidwest tot noordoost oriëntatie. Op 3m ten noorden van de karrensporen tekent zich greppel S4 af, die eveneens dezelfde oriëntatie heeft (afb. 41). Deze greppel is 0,7m breed en nog maar 16 cm in doorsnede bewaard gebleven. De andere greppel (S5) wijkt iets af qua oriëntatie en is meer westzuidwest tot oostnoordoost georiënteerd. De greppel is nog iets breder (1,4 m) en dieper (24 cm) bewaard gebleven. Een aardewerkscherf (Siegburg steengoed) uit de greppel (vnr 9) dateert in de periode 1375-1450. Net ten noorden van de greppel liggen drie kuilen (S 7, 8 en 9) en één paalspoor (S6). Uit de coupe van kuil S8 blijkt dat deze goed bewaard gebleven is met een diepte van 30 cm (afb. 42). De opvulling van de kuil is sterk gemêleerd met centraal een egalere kern (mogelijk paalkern).Uit het spoor is een fragment bouwmateriaal (vnr 10) verzameld. Het bouwmateriaal is niet dateerbaar.

50

Afb. 41. Greppel spoor 4 in doorsnede.

Afb. 42. Coupe van kuil S8.

51

Proefsleuf 10 In proefsleuf 10 zijn 54 sporen geregistreerd, waaronder 26 paalsporen, 20 kuilen, 7 greppels en meerdere ploegsporen (afb. 43). Deze laatstgenoemde ploegsporen zorgen met name in het zuidelijke deel van de proefsleuf voor een mate aan verstoring. Tussen de ploegsporen en waarschijnlijk ook iets dieper onder de ploegsporen kunnen echter nog wel (deels intacte) sporen verwacht worden.

Afb. 43. Sporenvlak in proefsleuf 9.

52

Afb. 44. Proefsleuf 10 gezien vanuit het zuiden.

Afb. 45. Zuidelijke deel van de proefsleuf met (oppervlakkige) verstoring door ploegbanen.

53

In het noordelijke deel van de proefsleuf liggen enkele greppels en een lichte spreiding aan kuilen en paalsporen. Het (selectief) couperen van de sporen leverde een wisselend beeld op. Enkele sporen bleken maar een beperkte diepte te hebben, waarbij onduidelijk is of de sporen de onderzijden van archeologische sporen zijn, of als recente of natuurlijke sporen geïnterpreteerd moeten worden. Andere sporen bleken dan juist weer duidelijk archeologische sporen te zijn die redelijk goed bewaard zijn gebleven. Voorbeelden daarvan zijn de forsere (paal)kuilen S4 en S12 (afb. 46). Eén van de sporen (S11) leverde een vondst op (vnr 12). Dit betreft een scherf van Andenne aardewerk uit de periode 1325-1550.

Afb. 46. Coupes over de sporen S12 (links) en S4 (rechts).

De greppels in het noordelijk deel hebben een beperkte diepte van +- 10 cm. Mogelijk behoren greppels S3 en S7 tot hetzelfde systeem. Beide greppels hebben een andere oriëntatie dan de meeste greppels of sloten binnen het plangebied. Greppel S8 heeft wel de veel voorkomende zuidwest – noordoost oriëntatie. Uit het spoor is een vondst afkomstig (vnr 16). Het gaat om een scherf van Elmpt aardewerk uit 1150-1350. In het noordelijke deel van de proefsleuf zijn ook enkele losse vondsten verzameld (vnr 11 en 17), waaronder grijs- en roodbakkend aardewerk uit de periode 1300 – 1450. In het centrale deel van de proefsleuf neemt de spoordichtheid iets toe. Van de sporen S14 t/m S22 bleek een enkel spoor (S14) beperkt qua diepte, een ander spoor S18 kan duidelijk als een rechthoekige paalkuil geïnterpreteerd worden en is nog voldoende diep bewaard gebleven (25 cm). Een structuur valt vooralsnog niet uit de sporen te herleiden. Van het sporencluster S25 t/m S44 is eveneens een beperkt aantal gecoupeerd. De sporen S28, S38 en S40 bleken na couperen duidelijke en goed bewaarde paalsporen te zijn. Een structuur kan evenmin uit de sporen herleid worden. Desalniettemin is het zeer aannemelijk dat de sporen deel uitmaakten van een (hoofd)gebouw. Vermoedelijk gaat het om een west – oost georiënteerd gebouw.

Een losse vondst rondom de paalsporen (vnr 13) leverde niet verder determineerbaar bouwmateriaal op. Verder naar het zuiden neemt de spoordichtheid af, maar is nog steeds een spreiding aan paalsporen aanwezig. Bij couperen bleken ook deze sporen redelijk goed bewaard te zijn, ondanks de verstoringen door de ploegbanen. Concrete structuren kunnen vooralsnog niet uit de sporen herleid worden.

54

Proefsleuf 11 In het zuidwestelijk deel van deelgebied Zuid leverde proefsleuf 11 een totaal van 25 sporen op (afb. 47). In de proefsleuf is vooral een hogere dichtheid aan sporen te zien in het centraal en zuidelijke deel. De sporen kunnen worden onderverdeeld in paalkuilen (13x), kuilen (8x), greppels (2x), sloot (1x) en een waterput.

Afb. 47. Sporenvlak in proefsleuf 11.

55

In het centrale deel van de proefsleuf steekt een cluster van kuilen (S2, S8, S9, S10, S11 en S13) duidelijk af. Van deze grotere kuilen is één spoor gecoupeerd. De overige kuilen zijn niet gecoupeerd met het oog op archeologisch vervolgonderzoek en vanwege de beperkte ruimte om de sporen goed te kunnen benaderen. Het gecoupeerde spoor blijkt een waterput (WA04) te zijn. Van het spoor is één kwadrant (noordwest) gecoupeerd, zodat enerzijds voldoende informatie verkregen kan worden over het spoor én anderzijds het spoor volledig (in samenhang met het cluster) opgegraven kan worden in de toekomst. Om dezelfde redenen en uit veiligheidsoverwegingen, is de coupe niet volledig tot de onderzijde van de waterput doorgezet. Immers, er was middels de coupe al voldoende informatie verkregen om het spoor juist te kunnen interpreteren. Op afbeelding 48 is een lengte en dwarsdoorsnede van de waterput te zien. Met name in het lengteprofiel is de licht trapsgewijze insteek van de put in de natuurlijke bodem goed te zien. De put is door de leemlaag van het Brabants leem heen gegraven tot in de diepere ondergrond. De brede insteek is vervolgens opgevuld met een sterk vermengd pakket van zand en leembrokken, dat in één fase in verschillende lagen en pakketten is aangebracht.

Aan de rechterzijde van het lengteprofiel en nog net links in het dwarsprofiel, is de vermoedelijke schacht van de waterput aangesneden. De bekleding van de schacht is (nog) niet met zekerheid vast te stellen. Mogelijk gaat het om een met plaggen bekleedde put. Dit zou afgeleid kunnen worden uit het dwarsprofiel, waar een langs de schacht een onregelmatige, verspringende blokkerige begrenzing zichtbaar is. In het lengteprofiel tekent dit zich echter minder duidelijk af. Mogelijk omdat de schacht schuin wordt aangesneden, of wellicht om andere redenen (zoals instorting etc). Ook is het mogelijk dat de schachtbekleding zich op een dieper niveau (grondwaterniveau) door betere bewaarcondities beter zal tonen. Uit gutsboringen op de bodem van coupe kon afgeleid worden dat de waterput nog tenminste 60 cm dieper uitgegraven is. Uit de insteek van de waterput is één aardewerk vondst verzameld van roodbakkend geglazuurd aardewerk (vnr 18). Deze aardewerkscherf kan in de periode 1250-1450 gedateerd worden. Uit de schachtkern zijn geen (botanische) monsters genomen, omdat er geen duidelijke gebruiksfase gerelateerde opvulling van de schacht zichtbaar is, en bij vervolgonderzoek gerichtere monstername mogelijk is.

Afb. 48. Coupe over waterput S2.

56

Afb. 49. Aanzicht op het lengteprofiel over de waterput.

De functie van de andere kuilen is niet vastgesteld (deze zijn niet gecoupeerd), maar op basis van sterke vergelijkingen in vorm en opvulling kan niet uitgesloten worden dat ook de kuilen S8, 9, 10 en 11 deel uitmaken van één cluster met waterputten. Ook qua datering 1325 – 1550 kan kuil S13 op basis van aardewerkvondsten (vnr 15) deels in dezelfde periode geplaatst worden. De iets verderop gelegen kuil S13 heeft vermoedelijk niet tot het cluster behoord. Het spoor heeft ook een duidelijk afwijkende opvulling met een vrij egaal grijs zand. Opvallend is wel dat het spoor in vlak al een redelijke hoeveelheid aardewerk bevat (vnr 14). Dit aardewerk omvat meerdere scherven van roodbakkend aardewerk uit de periode 1400-1450. Ook de meer noordelijk gelegen kuil S1 is slechts deels aangesneden in de proefsleuf. De functie van de kuil is vooralsnog onduidelijk. Rondom en ten zuiden van het kuilencluster zijn een aantal paalsporen gevonden. Een directe structuur valt nog niet uit de sporen te herleiden, maar kan desalniettemin wel verwacht worden. Coupes over de sporen laten een wisselend beeld zien van een aantal duidelijke paalsporen (zoals de sporen S4, S7, S14 en S20), maar ook een aantal twijfelachtige sporen waarvan alleen de onderzijde resteert (zoals sporen S18 en 19). Tot slot zijn in de proefsleuf een aantal greppels en een sloot zichtbaar.

Opvallend is dat deze greppels en sloot allen dezelfde zuidwest – noordoost oriëntatie hebben. Greppel spoor S5 wordt doorsneden door waterput S2. De nog 50 cm diep bewaard gebleven komvormige greppel kan daarmee vroeger gedateerd worden dan de waterput. In het zuidelijke deel van de proefsleuf ligt een twee, smallere greppel (S24). Deze greppel is nog slechts enkele centimeters diep. Kort ten zuiden van de greppel ligt de brede sloot S25, die eerder ook al in proefsleuf 8 werd aangetroffen (als spoor 6) en recent te dateren is. Deze recente datering kan verondersteld worden omdat de sloot in het verlengde ligt van de recent gedateerde sloot S6 in werkput 8. Daarnaast valt de sloot ook samen met een sloot afgebeeld op historische kaarten uit de 20e eeuw (zie afb. 50.).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12978454/1