16 bp Gelderakkers 2 (2a Toelichting en regels)
Tekst van het document
Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4
28
4.2.2 Onderzoek Er is door De Roever een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen binnen het plan Gelderakkers 2 in Hilvarenbeek berekend. Het plangebied valt binnen de zone van de Bolakker. In de directe omgeving zijn verder een aantal wegen binnen de 30 km/uur zone gelegen (inclusief wegen binnen het plangebied). Deze wegen zijn meegenomen in het kader van de cumulatieve geluidbelasting. Hogere waarden Het volgen van een hogere waarde procedure is niet aan de orde. De berekende waarden liggen ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Bolakker. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 5 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 53 – 33 = 20 dB. Dit is gelijk aan de standaard gevelwering uit het Bouwbesluit (2012). Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels is niet nodig. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘redelijk’.
Het woon- en verblijfsklimaat (wegverkeer) ter plaatse van de gewenste woningen binnen het gehele plangebied wordt als acceptabel aangemerkt. 4.2.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.3 Bodem 4.3.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm 5
De Roever, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Gelderakkers II, d.d. 12 november 2020
Hoofdstuk 4
29
voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.3.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek6 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal van de bovengrond en ondergrond zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en de ondergrond geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met zware metalen en xylenen en naftaleen. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor het voorgenomen nieuwbouwplan. 4.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (Bevi); transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Bevb); transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water (Bevt).
6
Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Gelderakkers te Hilvarenbeek, d.d. 4 december 2020
Hoofdstuk 4
30
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden.
Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.
4.4.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.
Hoofdstuk 4
31
Figuur 4.2: Ligging plangebied in relatie tot risicobronnen in de omgeving (Bron: Risicokaart)
Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied ligt aan de Gelderstraat 89 een LPG-tankstation volgens de risicokaart. Dit LPG-tankstation zit hier inmiddels niet meer, volledigheidshalve is deze inrichting wel getoetst in het kader van externe veiligheid. Het LPG-tankstation bevindt zich op een afstand van circa 240 meter van het plangebied. Het tankstation kent een PR 10-6 contour van 45 meter vanaf het vulpunt. De afstand tot de grens van het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico bedraagt 150 meter. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het LPG-tankstation is nader onderzoek en verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Buisleidingen De hogedruk aardgasleiding (transportroutedeel A-525) van de Gasunie is gelegen op een afstand van circa 1 km ten westen van het plangebied. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding. Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. De betreffende leiding heeft een maximale werkdruk van 66 Bar en een uitwendige diameter van 914 millimeter (36 inch) wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de
Hoofdstuk 4
32
leiding is gelegen op een afstand van 180 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 430 meter uit het hart van de leiding. Gezien het feit dat het plangebied ruimschoots is gelegen buiten de 1% letaliteitsgrens, wordt geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. De DPO-buisleiding is gelegen op een afstand van circa 1,25 km ten noorden van het plangebied. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied voor het groepsrisico. Transportroutes gevaarlijke stoffen De Provinciale weg (N269) is op de risicokaart niet aangeduid als route voor transport van gevaarlijke stoffen. 4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.7 Twee omgevingstypen De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
7
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
33
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.5.2 Onderzoek Het plangebied kan worden getypeerd als een ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van het plangebied komen – naast woonfuncties – de volgende functies voor: Molenstraat 15: bestemming Bedrijf (Renco Speciaalvoeders, productie en verkoop speciaalvoeders voor grote en kleine dieren). Milieucategorie 2, tevens is een veevoederhandel toegestaan. De afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Molenstraat 89a, bestemming Bedrijf (machinefabrikant lasergraaf.nl) Milieucategorie 2, tevens is een garagebedrijf met verkoop van motorbrandstoffen inclusief de verkoop van lpg toegestaan. De afstand tot het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Diverse veehouderijen ten zuiden en westen van het plangebied. Maatschappelijke bestemming Gelderakkers fase 1 (brede school) op een afstand van 30 meter. De bedrijfsbestemmingen aan de Molenstraat liggen op voldoende afstand van het plangebied. Voor de agrarische bedrijven wordt verwezen naar de volgende paragraaf ‘Geur’.
Binnen de maatschappelijke bestemming van Gelderakkers fase 1 zijn maatschappelijke voorzieningen, waaronder een basisschool, een peuterspeelzaal, een gymzaal en een multifunctionele accommodatie toegestaan. Deze maatschappelijke voorzieningen vallen onder milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. 4.5.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Geur 4.6.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende
Hoofdstuk 4
34
geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Bij de ontwikkeling van een woning is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor de gemeente Hilvarenbeek in haar Verordening geurhinder en veehouderij d.d. 17 december 2015 een geurnorm van 7 ouE/m³ heeft vastgesteld. 4.6.2 Onderzoek Er is door De Roever een onderzoek geurhinder veehouderijen8 uitgevoerd voor het plangebied.
In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het geuronderzoek blijkt dat ter plaatse van het hoogst belaste punt op de rand van een bouwvlak binnen het plangebied: ruimschoots wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter; de voorgrondbelasting op zijn hoogst ongeveer 1,9 ouE/m³ bedraagt; de achtergrondbelasting op zijn hoogst ongeveer 3,1 ouE/m³ bedraagt. Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (meer dan 100 meter) kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogst berekende voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 1,9 ouE/m³. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. In paragraaf 3.3.1 van het onderzoek is toegelicht dat de geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied 7,0 ouE/m³ bedraagt. Aan deze geurnorm wordt ruimschoots voldaan. De hoogst berekende waarde voor de achtergrondbelasting van 3,1 ouE/m³ komt eveneens overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat.
8
De Roever, Onderzoek geurhinder veehouderijen Gelderakkers II Hilvarenbeek, d.d. 19 november 2020
Hoofdstuk 4
35
Figuur 4.3: Kaart afstandscontouren
In het onderzoek is toegelicht dat bestaande woningen maatgevend zijn voor de mogelijkheden van de betrokken veehouderijen. Bestaande woningen (in dezelfde windrichting) liggen op kortere afstand van de veehouderij dan de te realiseren woningen. De belangen van de veehouderijen worden door deze ontwikkeling niet geschaad. 4.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.7 Water 4.7.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.
Hoofdstuk 4
36
Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2022-2027. Het programma is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Een goede regulatie van het beschikbare water is hierin belangrijk; schoon water: dit behelst het voorkomen dat relatief schoon regenwater vermengd raakt met “vries” water waardoor het onbruikbaar is voor hergebruik. Voor het beheer van de waterhuishouding hebben de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen.
Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Bij voldoen aan de Algemene Regel is geen vergunning noodzakelijk (wel meldingsplichtig). Indien niet voldaan wordt, is een watervergunning benodigd voor de voorgenomen werkzaamheden. Het waterbeleid van de gemeente Hilvarenbeek is onder andere vastgelegd in het “Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan” (vGRP) 2017-2021 en het hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek dat als bijlage 1 bij het vGRP is bijgevoegd. In het vGRP is schoon water schoon houden één van de belangrijkste pijlers binnen het hemelwaterbeleid. Vertrekpunt in nieuwe situaties is het principe dat stedelijk afvalen hemelwater gescheiden worden ingezameld en dus niet wordt aangekoppeld. Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten moeten in principe waterneutraal worden uitgevoerd. Hierbij dient voorkomen te worden dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater optreden. Verhard oppervlak mag dan ook niet (meer) worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds geborgen en geïnfiltreerd. In een waterparagraaf moet worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan.
Hiermee wordt het afstromend hemelwater behandeld in de voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Voor een verdere beschrijving van het beleidskader wordt verwezen naar de watertoets in de bijlage. 4.7.2 Onderzoek Er is door Milon een watertoets9 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
9
Milon, Watertoets t.p.v Gelderakkers te Hilvarenbeek, d.d. 7 mei 2021
Hoofdstuk 4
37
Regionale bodemopbouw De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van 18 m+ NAP. De gegevens van de bodemsamenstelling en de hydrologische gegevens zijn verkregen uit DINOloket. Vanaf maaiveld tot circa 7 m-mv is een matig doorlatende deklaag aanwezig, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind (formatie van Boxtel). Onder de deklaag tot circa 21 m-mv bevindt zich eveneens een zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. (formatie van Sterksel) Onder de formatie van Sterksel is tot 29 m-mv een kleiige eenheid aanwezig, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor bruinkool (Formatie van Stramproy). Geohydrologie Naar opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Op de onderzoekslocatie wordt voor zover bekend geen grondwater onttrokken. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten. Kwel en infiltratie In de digitale Wateratlas is te herleiden dat de locatie zich in een infiltratiegebied bevindt.
Oppervlakte water in de omgeving Uit de waterkaart van waterschap de Dommel is gebleken dat nabij de onderzoekslocatie geen A- en B watergangen zijn gelegen van het waterschap zijn gelegen. Er is in het plangebied een (zak)sloot aanwezig die niet in het beheer is van het waterschap. Regenwater en overige neerslag Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Hilvarenbeek. Hemelwater dat op de onderzoekslocatie valt infiltreert in de bodem gezien er in de huidige situatie nog geen verharding aanwezig is. Zover bekend is er doorgaan geen sprake van wateroverlast op of in de omgeving van de onderzoekslocatie. Gemiddelde grondwaterstand In de digitale Wateratlas van provincie Noord-Brabant is de gemiddelde grondwaterstand aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen. De onderzoekslocatie bevindt zich voornamelijk in grondwatertrap VII, dat wil zeggen dat het grondwater zich vaak bevindt tussen de 0,8-1,4 m-mv en dieper dan 1,4 m-mv. (conform indeling provincie Noord-Brabant). De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse wordt aangegeven tussen de 1,0 en 1,2 m-mv. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is dieper gelegen dan 2,5 m-mv. Afvalwater Binnen het plangebied komt in de huidige situatie geen afvalwater vrij. Voor de nieuwbouwwijk zal nieuwe riolering aangelegd moeten worden.
Hoofdstuk 4
38
Watertoets Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). De benodigde compensatie bedraagt 1.235 m³ (20.584 m² x 0,06 x 1). De initiatiefnemer heeft in het ontwerpplan al rekening gehouden met de bergingsopgave door ruimte te reserveren voor wadi’s. Daarnaast wordt de reeds aanwezige (zak)sloot in het plangebied verbreed. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich op 1,2 m-mv. Geadviseerd wordt om de bergingsvoorzieningen tot 1 meter diepte aan te leggen. Tevens wordt geadviseerd om de groenvoorzieningen lager aan te leggen dan de woningen en de openbare wegen op één oor aan te leggen, zodat bij extreem weer het hemelwater naar het groen stroomt. Door ervoor te zorgen dat er in de wadi’s 1.235 m³ hemelwater geborgen kan worden wordt voldaan aan de bergingseis en is sprake van hydrologisch neutrale ontwikkeling. Mocht het aantal te bergen m³’s niet bereikt kunnen worden met het verbreden van de zaksloot en het aanleggen van wadi’s dan wordt geadviseerd aanvullende bergingsvoorzieningen aan te leggen. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld grindkoffers of infiltratiekratten.
4.7.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
39
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
40
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door BRO een quickscan flora en fauna10 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
10
BRO, Quickscan flora en fauna Gelderakkers II te Hilvarenbeek, d.d. 21 oktober 2020
Hoofdstuk 4
41
Tabel 4.2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige AERIUS-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Stikstofdepositie Er is door NIPA milieutechniek een stikstofdepositie onderzoek11 uitgevoerd.
In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
11
NIPA milieutechniek, Rapport stikstofdepositie locatie Gelderakkers II Hilvarenbeek, d.d. 2 december 2020
Hoofdstuk 4
42
De afstanden tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Kempenland- West, bedraagt ca. 1,4 km. Uit de rekenresultaten blijkt dat er in de realisatiefase een gemiddelde stikstofdepositie optreedt van 0,02 mol/ha/jaar. In de gebruiksfase is er geen sprake van depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Hoewel de gemiddelde depositie in de realisatiefase < 0,05 mol/ha/jr, is de periode waarin de depositie plaatsvindt 3 jaar. Het is hierdoor onzeker of aangesloten kan worden bij de beleidslijn dat geen sprake is van significant negatieve effecten indien de depositie gedurende twee jaar gemiddeld kleiner is dan 0,05 mol/ha/jr. Er is geen mogelijkheid tot intern salderen. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten dient nu eerst op basis van een ecologische voortoets bepaald te worden of significant effecten op het Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Indien dat het geval is dan is een vergunning in het kader van de Wnb niet nodig. Indien significante effecten niet kunnen worden uitgesloten dan is het mogelijk een aanvraag in te dienen in het kader van het ‘Woningbouw Stikstofregistratiesysteem’. Als hierin geen ruimte meer beschikbaar kan worden gesteld dan moet gekeken worden naar mogelijkheden van extern salderen of het doorlopen van een ADC-toets.
Vervolg stikstof Ten tijde van het opstellen van het voorontwerpbestemmingsplan Gelderakkers 2 werd uitgegaan van een aanvraag in het stikstofregistratiesysteem voor woningbouw en infrastructuur (SSRS) van de provincie. Op 9 maart 2021 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Het streven is dat de wet op 1 juli 2021 in werking treedt. De wet bevat een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningsplicht voor de bouwsector. De vrijstelling geldt voor bouwactiviteiten in de bouw-, aanleg- en sloopfase, waarin emissies tijdelijk en beperkt zijn. 4.8.3 Conclusie Uit het uitgevoerde stikstofdepositie onderzoek voor Gelderakkers 2 blijkt dat enkel in de aanlegfase een stikstofdepositie optreedt. Zoals het er nu naar uitziet wordt de aanlegfase vrijgesteld en is een vergunning niet noodzakelijk. Voor vaststelling van het bestemmingsplan Gelderakkers 2 zal hier duidelijkheid over zijn. Vanuit beschermde soorten zijn er geen belemmeringen.
4.9 Cultuurhistorie 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
Hoofdstuk 4
43
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.9.2 Onderzoek De provincie Noord-Brabant hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Waardenkaart NoordBrabant (CHW)”. De cultuurhistorische kaart van Noord-Brabant geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. De cultuurhistorische kaart kent vier verschillende thema's: complex van cultuurhistorisch belang, archeologische landschappen, cultuurhistorisch waardevol gebied en cultuurhistorische landschappen.
Figuur 4.4: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart
Volgens de CHW geldt voor het plangebied het volgende: historische geografie – lijnen (lijn van redelijk hoge waarde): Bolakker; historische zichtrelaties vlak: molenbiotoop; cultuurhistorische landschappen: landgoederen ten zuiden van Tilburg;
Hoofdstuk 4
44
regio (provinciaal cultuurhistorisch belang): Kempen, dekzandlandschap; archeologische landschappen: dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek; indicatieve archeologische waarden met een hoge trefkans.
Bolakker Het plangebied grenst aan de Bolakker welke wordt aangeduid als ‘redelijk hoge’ cultuurhistorische waarde. De weg bevindt zich echter buiten in het plangebied. Tevens worden er geen wijzigingen aangebracht die de cultuurhistorische waarde van de weg aantast. Molenbiotoop Over het plangebied bevindt zich de molenbiotoop. Het betreft de (voormalige) Molen van Rijswijk, gelegen aan de Molenstraat. Ten behoeve van deze molen wordt geen molenbiotoop op de verbeelding opgenomen. Een molenbiotoop is namelijk van belang voor de vrije windtoetreding tot en windafvoer van (en het zicht tot) de molen. Van de Molen van Rijswijk is echter alleen nog maar een restant aanwezig. Het bovenste deel ontbreekt. Herbouw van de molen, op een wijze dat deze weer als windmolen zal functioneren, is zeer onaannemelijk. Bescherming van windtoetreding en windafvoer is daarom niet nodig. Omwonenden zouden onnodig worden belemmerd in mogelijkheden bij instellen van een molenbiotoop. Rijksmonumenten en overige bouwkunst Binnen het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of overige waardevolle panden. Kempen, Landgoederen te zuiden van Tilburg en dekzandeiland Moergestel-Hilvarenbeek Het plangebied is gelegen binnen de regio ‘Kempen’. De Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat uit dekzandvlakten en -ruggen.
Het gebied wordt doorsneden door de bovenlopen van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De ruimtelijke identiteit van het ontginningslandschap van de Kempen wordt gevormd door de contrasten tussen de verschillende agrarische gebruikseenheden: de akkers, graslanden en woeste gronden. De akkercomplexen, dorpen en gehuchten liggen vanouds op de rand van de beekdalen. Het plangebied is tevens gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’ en het archeologisch landschap ‘Dekzandeiland Moergestel – Hilvarenbeek’. Het gebied ‘landgoederen ten zuiden van Tilburg’ bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleine akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. In een gebied aangeduid als ‘cultuurhistorisch landschap’ moeten regels in acht genomen worden met betrekking tot inrichting en behoud van cultuurhistorische elementen. Deze regels schrijven voor: het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van deels verdwenen hoeves, buurtschappen en akkercomplexen; het versterken van het contrast tussen oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds; het versterken van het natte karakter van beekdalen en (voormalige) vennen;
Hoofdstuk 4
45
de natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit; het vergroten van de cultuurhistorische waardering door de vergroting van de beleving.
De beoogde herontwikkeling van Gelderakkers fase 2 tast de te behouden cultuurhistorische waarden niet aan. Archeologie Voor de kans op archeologische sporen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie volgende paragraaf). 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart, vastgesteld op 27 september 2012. Conform de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Een deel van het plangebied is aangeduid als archeologische vindplaats. Het plangebied is tevens aangeduid als ‘onderzoeksgebied: AMZ niet afgerond of onbekend’.
Hoofdstuk 4
46
Figuur 4.5: Uitsnede archeologische beleidskaart Hilvarenbeek
4.10.2 Onderzoek Voor het plangebied zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd. Gezien de archeologische verwachtingswaarde van de onderhavige planlocatie is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend booronderzoek uitgevoerd door BAAC BV. Uit de resultaten van dit onderzoek bleek een hoge verwachtingswaarde op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied. Naar aanleiding hiervan is door ADC ArcheoProjecten de eerste fase van het veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd in 2010 en gerapporteerd in 2012 en de tweede fase van het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in 2014. Tijdens fase 1 van het proefsleuvenonderzoek zijn 16 werkputten aangelegd en gedocumenteerd waarbij is aangetoond dat het terrein gedurende diverse periodes bewoond was. Verspreid over het terrein zijn diverse plattegronden aangetroffen die wellicht te dateren zijn in de IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen. Maar overige sporen en het vondstmateriaal lijken ook te wijzen op de aanwezigheid
Hoofdstuk 4
47
van mogelijk oudere sporen (Prehistorie) en eventueel (inheems-)Romeinse en resten uit de Late Middeleeuwen binnen het onderzoeksgebied. Bijzonder is een grafveld in het westen van het gebied waarbij zowel inhumaties en crematies, beide wellicht uit de Vroege Middeleeuwen, zijn aangetroffen. Het grafveld is gewaardeerd als behoudenswaardig. In fase 2 van het proefsleuvenonderzoek zijn nog eens 20 werkputten aangelegd. In verschillende werkputten werden verspreid over het plangebied sporenclusters, losse sporen en structuren aangetroffen die in de late prehistorie te dateren zijn. De aangetroffen structuren en clusters zijn vermoedelijk slechts een fractie van de aanwezig sporenbestand in de bodem. In een laagte van het plangebied is nog een klein cluster van middeleeuwse sporen aangetroffen evenals een waterput. Uit de proefsleuvenonderzoeken blijkt dat het plangebied archeologisch waardevol is. De resten in het plangebied maken deel uit van verschillende nederzettingen die er door de tijd heen gelegen hebben. Tijdens fase 2 zijn er echter geen begravingen meer gevonden. Selectieadvies Uit de synthese en de beantwoording van de verschillende onderzoeksvragen is reeds gebleken dat een selectie binnen het onderzoeksgebied moeilijk te maken valt.
Op basis van de proefsleuvenonderzoeken van fase 1 en fase 2 kan het volledige onderzoeksgebied bijna als 'vindplaats' worden beschouwd. In het gebied zijn vier afzonderlijke vindplaatsen aangeduid. Vindplaats 1 betreft meerdere structuren en sporenclusters en strekt zich uit over een grote oppervlakte. De sporen in deze vindplaats zijn alle in de late prehistorie te dateren. Vermoed wordt dat op de hogere delen binnen het plangebied verschillende erven uit de late prehistorie aanwezig zijn. De bewoningssporen zijn eveneens aanwezig in de lagere delen van het terrein, dus zelfs de depressies kunnen niet met zekerheid als grens van de vindplaats(en) worden aangehouden. Tot slot kan vermeld worden dat er aanwijzingen zijn voor meerdere bewoningsfasen binnen deze vindplaats en deze periode (de late prehistorie). Vindplaats 2 betreft een grafveld uit de Vroege Middeleeuwen. Het betreft vermoedelijk geen uitgestrekt grafveld, al kan een begrenzing momenteel nog niet met zekerheid gemaakt worden. Wel is duidelijk dat het grafveld zich binnen de grenzen van de werkputten 3, 4, 7, 11, 16, 17 en 36 bevindt. Het grafveld omvat zowel (rijke) inhumatiegraven als crematiegraven. Grafvelden uit deze periode zijn zeldzaam en archeologisch zeer waardevol. Vindplaats 3 betreft een kleine sporencluster in werkput 30; de sporen in deze cluster worden alle in de Volle Middeleeuwen gedateerd.
Een waterput in werkput 23 wordt als vindplaats 4 benoemd. De waterput heeft een voorlopige datering in de Middeleeuwen-Nieuwe tijd gekregen. Vindplaatsen 1, 2 en 3 worden als behoudenswaardig beschouwd. Vindplaats 4 niet, aangezien het deel met sporen van onvoldoende omvang is om van een representatief deel van een erf of nederzetting te spreken. Uitgangspunt van de Nederlandse regelgeving in navolging van het Verdrag van Malta voor archeologisch hoog gewaardeerde terreinen is behoud in situ. Aangezien in het plangebied de aanleg van een woonwijk is voorzien, zal dit moeilijk te realiseren zijn, mede gezien de verspreiding van de vindplaatsen over het terrein.
Hoofdstuk 4
48
Behoud ex situ, in de vorm van een archeologische opgraving, is de enige manier om de archeologische waarden te vrijwaren van beschadiging of vernietiging door de grondwerkzaamheden. De behoudenswaardige vindplaatsen (1, 2 en 3) zullen daarom nader onderzocht dienen te worden. 4.10.3 Conclusie De gemeente Hilvarenbeek heeft besloten een opgraving uit te laten voeren. Hiervoor is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Dit PvE is opgenomen als bijlage. De verwachting is dat de opgraving gereed is voor vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. De resultaten van de opgraving zullen later in deze paragraaf opgenomen worden. Indien nodig wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen ter bescherming van de eventuele aanwezige archeologische waarden.
4.11 Verkeer en parkeren De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Hierbij wordt voor het aspect parkeren getoetst aan het gemeentelijk Parkeerbeleidsplan. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. 4.11.1 Parkeren Parkeernormen Op basis van het gemeentelijke Parkeerbeleidsplan 2015-2020 (vastgesteld 16 juli 2015) is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Hierbij is uitgegaan van de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’ en de maximale norm. Binnen deze norm is het aandeel parkeerplaatsen voor bezoekers opgenomen. Dit is gesteld op 0,3 parkeerplaatsen per woning. De woningtypologie van het zuidelijk deel van het plangebied ligt nog niet vast. Voor de parkeerberekening is uitgegaan van een eerste schets die voor dit zuidelijk deel gemaakt is met voornamelijk levensloopbestendige rijwoningen. Op basis van de normen zal het plan 202 parkeerplaatsen nodig hebben (zie onderstaande tabel). Dit is inclusief het aandeel parkeerplaatsen voor bezoekers. Tabel 4.3: Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen Woningtype conform Parkeerbeleidsplan
Aantal
Parkeernorm
Benodigd aantal parkeerplaatsen
Koopwoning, vrijstaand
13
2,7
35,1
Koopwoning, twee-onder-een-kap
8
2,6
20,8
Koopwoning, tussen/hoek
50
2,4
120
Huurhuis, sociale huur
13
2,0
26
84
Hoofdstuk 4
202
49
Parkeren op eigen terrein Als bij een bouwplan sprake is van woningen met een eigen garage of oprit waarin/ waarop de eigen auto geparkeerd kan worden, gelden andere rekenaantallen dan het aantal aanwezige plaatsen. Een garage namelijk niet altijd gebruikt voor de auto en op een oprit wordt om verschillende redenen niet altijd geparkeerd. Tabel 4.4: Berekeningsaantallen parkeervoorzieningen bij woningen
Parkeren in plan Het parkeren zal voornamelijk plaatsvinden uit het zicht, in een tweetal parkeerkoffers aan de achterzijde van woningen. De toegang van de westelijke parkeerkoffer geschiedt via de Langecruijsstraat en de toegang van de oostelijke parkeerkoffer vindt plaats via de Wagenmaker. Tevens zijn er parkeerplaatsen voorzien aan de Langecruijsstraat en de Wagenmaker. Bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen zijn er parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein. Het zuidelijk deel van het plangebied wordt nog verder uitgewerkt en de invulling wat betreft parkeren is hier nog onbekend, maar hier zal het parkeren naar verwachting ook plaatsvinden in parkeerkoffers aan de achterzijde van de woningen. In het plangebied is voldoende ruimte om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren. Bij de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt dit verder uitgewerkt. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de berekeningsaantallen voor parkeren op eigen terrein. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat de omgevingsvergunning voor het bouwen pas verleend kan worden als er sprake is van voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de geldende parkeernormen. Vanuit het aspect parkeren worden daarom geen belemmeringen verwacht.
4.11.2 Verkeer Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijk-
Hoofdstuk 4
50
heidsgraad ‘weinig stedelijk’ conform het Parkeerbeleidsplan 2015-2020 van de gemeente Hilvarenbeek en de ligging ‘rest bebouwde kom’. Ook is er uitgegaan van de gemiddelde normen, aangezien er geen aanleiding is om juist voor de minimale of maximale normen te kiezen. De woningtypologie van het zuidelijk deel van het plangebied ligt nog niet vast. Voor de verkeersgeneratieberekening is daarom uitgegaan van het worst-case scenario dat alle maximaal 27 woningen in dit blok vrijstaande woningen zijn omdat vrijstaande woningen de hoogste verkeersgeneratie hebben. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan 628 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag. Tabel 4.5: Berekening verkeersgeneratie Woningtype conform CROW
Aantal woningen
Verkeersgeneratie
Verkeersgeneratie
per woning Koop, huis, vrijstaand
36
8,2
295,2
Koop, huis, twee-onder-een-kap
2
7,8
15,6
Koop, huis, tussen/hoek
33
7,4
244,2
Huur, huis, sociale huur
13
5,6
72,8
84
627,8
Ontsluiting en verkeersafwikkeling De ontsluiting van Gelderakkers fase 2 vindt plaats via de Bolakker en via Gelderakkers fase 1 (Wagenmaker, Schoenmaker en Zadelmaker) op de Gelderstraat. Als de ‘nieuwe’ verplaatsingen worden toegedeeld aan de Bolakker en de Gelderstraat dan wordt verwacht dat deze wegen dit extra verkeer goed kunnen verwerken, zeker omdat het verkeer verdeeld wordt over twee ontsluitingen. Ter plaatse van de Langecruijsstraat is er voor gekozen geen ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer te realiseren vanwege de extra verkeersbewegingen die hier niet gewenst zijn. Wel worden aan de Langecruijsstraat parkeervakken gerealiseerd. Ter hoogte van de Willem Bonnaertsstraat wordt wel een langzaam verkeerontsluiting gerealiseerd. Verkeersonderzoek ontsluiting Naar aanleiding van de inspraakprocedure is er door Goudappel een verkeersonderzoek naar de ontsluiting van Gelderakkers12 uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In het verkeersonderzoek zijn de verkeerseffecten van de vier mogelijke ontsluitingsvarianten van de woningbouwontwikkeling van Gelderakkers fase 2 en 3 inzichtelijk gemaakt. Voor de ontsluitingsvarianten wordt verwezen naar de bijlage.
De ontwikkeling Gelderakkers 2 en 3 zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen op nabijgelegen wegvakken in het plangebied. Afhankelijk van de ontsluitingsvariant zijn deze toenames verdeeld over de noordelijke, westelijke, oostelijke en zuidelijke zijde van het plangebied. 12
Goudappel, Verkeersonderzoek ontsluiting Gelderakkers Hilvarenbeek, d.d. mei 2021
Hoofdstuk 4
51
Verkeerskundig is het wenselijk dat vanwege calamiteiten een wijk minimaal 2 ontsluitingen heeft. Dit zorgt tevens voor een betere spreiding van het verkeer over het wegennet. Variant 1 (ontsluiting via Gelderstraat) heeft daardoor niet de voorkeur. Variant 2, 3 en 4 hebben wel 2 ontsluitingen. Echter, is het onwenselijk dat een nieuwe ontsluiting extra doorgaand verkeer aantrekt, doordat er een route ontstaat door de wijk heen. Bij variant 4 (ontsluiting via Gelderstraat en Langecruijsstraat) neemt het aantal verkeersbewegingen door de wijk het meeste toe ten opzichte van de referentiesituatie en de andere varianten. Vanwege het risico op doorgaand verkeer wat bij deze variant ontstaat, is deze variant niet wenselijk. Tevens nemen in deze variant de intensiteiten dusdanig toe, dat dit problemen oplevert met het verwerken van de intensiteiten op de straat waar deze nieuwe ontsluiting is aangetakt. In variant 2 (ontsluiting via Gelderstaat en Bolakker) is de spreiding van verkeer over het wegennet meer in balans dan in variant 3 (ontsluiting via Gelderstraat en Hoog Spul). Gezien de oriëntatie op het noorden zorgt zowel de aansluiting in variant 2 als in variant 3 voor een toename van verkeer op de Bolakker. Dit is in beide varianten een aandachtspunt. Doordat het verkeer zich grotendeels richting het noorden afwikkelt, is een aansluiting aan de zuidzijde minder logisch.
4.12 Duurzaamheid In het plangebied worden 84 nieuwe woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van de gemeente Hilvarenbeek. Deze zullen allen gasloos worden gerealiseerd. De woningen zullen voldoen aan de duurzaamheidseisen zoals deze zijn gesteld in het Bouwbesluit en voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De woningbouwontwikkeling wordt landschappelijk ingepast met de bestaande sloot als natuurlijke drager met een groenzone hier omheen en groene wiggen richting het landelijk gebied.
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang.
Hoofdstuk 4
52
Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling13 opgesteld. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
13
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Gelderakkers 2, d.d. 10 mei 2021
Hoofdstuk 4
53
5.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1 Algemene opzet Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Bij het opstellen van de regels is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Gelderakkers’. Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels De regels geven aan wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn binnen het plangebied. Uitgegaan is van de standaarden, die de gemeente hanteert. De verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemming(en) en aanduidingen weergegeven, zoals beschreven wordt in paragraaf 5.2.
5.2 Toelichting op de regels De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken: in hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen; hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsregels; hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en het overgangsrecht. Hierna wordt een toelichting gegeven op de voornoemde hoofdstukken en daarin opgenomen artikelen. Hoofdstuk 1. Inleidende regels Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
Hoofdstuk 5
54
Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels Groen De bestemming Groen is gegeven aan die gronden, welke onderdeel uitmaken van de groenstructuur van het gebied. Binnen deze bestemming zijn eveneens parkeervoorzieningen, in- en uitritten en voeten fietspaden toegestaan. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn ook water(lopen) toegestaan, alsmede de voorzieningen om de waterlopen te overbruggen. Verlichting en speelvoorzieningen mogen een maximale hoogte van 6 meter hebben. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 2 meter hoog zijn. Verkeer-Verblijfsgebied De wegen ten behoeve van de afwikkeling van het verkeer hebben de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ gekregen. Dit betreffen met name de wegen die een ontsluitingsfunctie hebben. Niet alleen wegen hebben deze bestemming, ook andere openbare gronden die in eerste instantie een verblijfsfunctie hebben, zijn onder deze bestemming ondergebracht. Op de gronden mogen alleen gebouwen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend toegestaan ten dienste van de bestemming. De beperking in omvang blijkt uit de bouwregels.
Wonen De bestemming ‘Wonen’ is toegekend aan die gronden waarop ingevolge dit bestemmingsplan direct woningen kunnen worden gebouwd. In totaal zijn binnen het plangebied, binnen de bestemming ‘Wonen, 84 woningen toegestaan. Hierbij zijn verschillende type woningen toegestaan; vrijstaande-, twee –aaneen- (halfvrijstaande), aaneengebouwde- en patiowoningen. De maximale bouw- en goothoogte zijn opgenomen op de verbeelding. Er is gekozen voor een flexibele planregeling voor Gelderakkers 2, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten op de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Gelderakkers’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ wordt niet gewerkt met bouwvlakken, maar met gevellijnen (met uitzondering van het woonvlak ten zuiden van het plangebied, het stedenbouwkundig plan voor dit deel van het plan is nog niet uitgewerkt). De voorgevel van het hoofdgebouw dient op de gevellijn te worden gebouwd of maximaal 3 meter achter de voorgevellijn. Diepte van hoofdgebouwen mogen maximaal 13 meter bedragen, maar voor patiowoningen is hierop een uitzondering gemaakt. Voor patiowoningen geldt eveneens dat minimaal 20% van de breedte van de voorgevel in of maximaal 3 meter achter de gevellijn dient te worden gebouwd. Dit betekent dat ook maximaal 100% van de voorgevel van patiowoningen in de voorgevellijn mag worden gebouwd.