14 ontwerp vvgb Safari Resort fase 2 Beekse Bergen (3 bijlage Ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Safari Resort Ontwikkeling B.V. ARC041 6 juli 2021
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Safari Resort Ontwikkeling B.V. ARC041 20210621-ARC041-RAP-RO-vakantieappartementen Concept 6 juli 2021
Opsteller: BvdM
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
-+C0BvdM+-
Verificatie: CvdH
-+R0CvdH+-
Validatie: PvA
© 2019 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
-+V0PvA+-
INHOUDSOPGAVE 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding ................................................................................................................................................................. 7 Ligging projectlocatie ................................................................................................................................................... 8 Vigerend inpassingsplan ............................................................................................................................................... 9 Juridische planvorm................................................................................................................................................... 10 Leeswijzer ............................................................................................................................................................... 10
2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4
Huidige situatie besluitgebied ...................................................................................................................................... 11 Planvoornemen ........................................................................................................................................................ 12 Toelichting volledige ontwikkeling ................................................................................................................................ 12 Vakantieappartementen ............................................................................................................................................. 13 Centrumgebouw ....................................................................................................................................................... 14 Stal ....................................................................................................................................................................... 16
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1
Rijksbeleid............................................................................................................................................................... 17 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................................................................................ 17 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ....................................................................................................... 17 Wet milieubeheer - milieueffectrapportage ..................................................................................................................... 18 Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................................................................................... 18 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................................... 19 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................................................................................... 19 Interim omgevingsverordening.....................................................................................................................................
20 Gemeentelijk beleid................................................................................................................................................... 21 Bodembeheernota en bodemkwaliteitskaart (2013) ....................................................................................................... 23
4.1 4.2 4.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Bodem ................................................................................................................................................................... 25 Archeologie en cultuurhistorie ...................................................................................................................................... 25 Waterparagraaf ........................................................................................................................................................ 25 Flora en fauna ......................................................................................................................................................... 26 Beschermde soorten .................................................................................................................................................. 26 Beschermde gebieden................................................................................................................................................ 27 Geluid .................................................................................................................................................................... 28 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................................................................
28 Luchtkwaliteit .......................................................................................................................................................... 29 Externe veiligheid ..................................................................................................................................................... 29 Kabels en leidingen ................................................................................................................................................... 30 Verkeer en parkeren.................................................................................................................................................. 30 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................................................................... 30
5.1 5.2 5.3
Procedure................................................................................................................................................................ 33 Maatschappelijke haalbaarheid .................................................................................................................................... 33 Financiële haalbaarheid.............................................................................................................................................. 33
5
BIJLAGEN
6
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding Het unieke concept van de eerste fase van het Safari Resort Beekse Bergen slaat aan. Vanwege dit succes werkt de initiatiefnemer, Safari Resort Ontwikkeling BV, momenteel aan de doorontwikkeling van het resort. De tweede fase bevindt zich binnen het safari resort in het noordoosten op een nog in te vullen locatie (zie afbeelding 1). De tweede fase betreft de aanleg van een derde savanne en stal, de bouw van 120 recreatieverblijven (bestaande uit 15 gebouwen met elk 8 recreatieverblijven) en een centraal voorzieningengebouw, waarbinnen onder andere een restaurant is voorzien. Op 16 december 2020 is een principeverzoek ingediend voor de ontwikkeling van fase II. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente Hilvarenbeek op 23 maart 2021 gereageerd in principe positief tegenover dit verzoek te staan.
Fase 2
Fase 1
Afbeelding 1: ligging van het besluitgebied (Fase 2) (doorgetrokken lijn) Noot: De eerste fase van het safariresort is met een stippellijn indicatief weergegeven Het volledige initiatief ziet op de realisatie van: 1. Recreatieverblijven bestaande uit 15 gebouwen met ieder 8 vakantieappartementen. 2. Een centrumgebouw met algemene en horecavoorzieningen. 3. Een stal. 4. Een savanne. 5. De bijbehorende infrastructuur. De voorgenomen doorontwikkeling is grotendeels, maar niet volledig mogelijk binnen de ter plaatse vigerende juridisch-planologische kaders zoals weergegeven in het ‘Inpassingsplan Recreatiepark Beekse Bergen’ uit 2012. Op de volgende punten wijkt het initiatief af van het inpassingsplan: maximale goothoogte van het centrumgebouw; toegestane oppervlakte bvo horeca in het centrumgebouw; maximaal toegestane goothoogte voor recreatieverblijven en stal. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, wordt een omgevingsvergunning aangevraagd (buitenplanse afwijking) op grond van art. 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
7
(Wabo). Voor de motivering van een besluit op een dergelijke aanvraag, moet aangetoond worden dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in deze onderbouwing.
1.2
Ligging projectlocatie De projectlocatie ligt binnen het huidige Safari Resort Beekse Bergen ten noorden van de gemeente Hilvarenbeek, ten oosten van de gemeente Goirle en ten zuiden van de gemeente Tilburg. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de projectlocatie van Fase II weer in groter verband, globaal weergegeven in geel. De projectlocatie ligt centraal op het terrein van het Safari Resort Beekse Bergen.
Afbeelding 2: Luchtfoto van de ligging van fase II in groter verband, met een uitsnede waarbij hierop nader is ingezoomd (begrenzing fase II in geel omcirkeld)
8
1.3
Vigerend inpassingsplan De projectlocatie ligt op de percelen die kadastraal geregistreerd zijn als Hilvarenbeek, sectie A, perceelnummers 2067 en 1912. Ter plaatse van de locatie vigeren de volgende plannen: Inpassingsplan Recreatiepark Beekse Bergen (vastgesteld 30 maart 2012). Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018 (vastgesteld 8 november 2018). Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het ‘Inpassingsplan recreatiepark Beekse Bergen’ te zien. Op basis van dit inpassingsplan gelden de volgende bestemmingen: Enkelbestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie– 1’; Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ (gedeeltelijk).
*
Recreatie – Verblijfsrecreatie – 1 Waarde – Archeologie – 1
Afbeelding 3: Uitsnede vigerend inpassingsplan, Fase II met rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl) * Noot:
Deze bestemming geldt voor het hele plangebied. Het kleurverschil in bovenstaande afbeelding wordt veroorzaakt doordat hier een andere ondergrond ‘doorschijnt’.
Op grond van het inpassingsplan is het mogelijk om in dit gebied recreatieverblijven te realiseren. Er zijn in totaal 425 recreatieverblijven toegestaan. Dit aantal wordt met deze nieuwe ontwikkeling niet overschreden. De recreatieverblijven voor Fase II voldoen niet aan de bepalingen voor recreatieverblijven zoals vastgelegd in het inpassingsplan.. Het ontwerp wijkt namelijk op 3 punten af: 1.
Op grond van het inpassingsplan mag de goot- en bouwhoogte van recreatieverblijven niet meer bedragen dan 4m respectievelijk 8,5m. Het ontwerp van fase II voorziet in gebouwen met platte daken
9
2.
3.
met een bouwhoogte van circa 7 meter. De toegestane goothoogte wordt hiermee overschreden (maar de toegestane bouwhoogte niet). Voor andere gebouwen (waaronder een centrumgebouw of stallen) geldt een goot- en bouwhoogte van 5m respectievelijk 15m. Het ontwerp voor Fase II voorziet in een centrumgebouw met een plat dak met een hoogte van 6,3 meter. Tevens zijn stallen voorzien met een plat dak en goothoogte van 8 meter. Derhalve wordt de maximale goothoogte voor beide gebouwen overschreden (maar de toegestane bouwhoogte niet). In het inpassingsplan is bepaald dat de oppervlakte aan centrale recreatieve voorzieningen (waaronder een centrumgebouw) bijbehorende, ondergeschikte detailhandel en horeca niet meer mag bedragen dan 2.000m2 bvo. Het bestaande centrumgebouw, gebouwd in fase 1, bevat 791m2 bvo horeca en ondergeschikte detailhandel. Het tweede centrumgebouw voorziet in 1.789m2 bvo horeca en ondergeschikte detailhandel, waardoor totaal sprake is van 2.580m2 bvo aan horeca en ondergeschikte detailhandel. De toegestane oppervlakte wordt hiermee overschreden.
Voor een deel van het besluitgebied geldt ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’. Op grond van deze bestemming is een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor een of meerdere bouwwerken met een (gezamenlijke) oppervlakte van 2.500 m² of groter en een diepte van 0,3 m of dieper noodzakelijk. Een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien uit een daartoe opgesteld rapport volgt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. In 2017 zijn binnen het projectgebied aanvullende archeologische onderzoeken uitgevoerd in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er geen archeologische waarden in de ondergrond worden verwacht en is voorgesteld het besluitgebied vrij te geven. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 18 april 2017 met dit voorstel ingestemd.
1.4
Juridische planvorm Zoals in voorgaande paragraaf is geconcludeerd, past de voorgenomen ontwikkeling niet binnen het geldende inpassingsplan. Voor het gebruiken van gronden dient op basis van art. 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning aangevraagd te worden. Voorliggend project betreft een zogenaamde buitenplanse afwijking (Wabo, art. 2.12 lid 1 sub a onder 3) en voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de verplichte motivering bij de vergunningsaanvraag.
1.5
Leeswijzer De huidige en toekomstige vormgeving van het projectgebied wordt in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 van dit document worden de vigerende beleidskaders beschreven en in hoofdstuk 4 worden de verschillende omgevingsaspecten behandeld. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van het project.
10
2
BESLUITGEBIED
2.1
Huidige situatie besluitgebied In de huidige situatie is het projectgebied onbebouwd en begroeid met bomen, struiken en grasland. Het gebied wordt aan de noord-, oost-, en zuidzijde omsloten door bestaande recreatieverblijven. Aan de oostzijde is reeds een parkeervoorziening gerealiseerd.
Afbeelding 4: Uitsnede luchtfoto, met besluitgebied globaal weergegeven met rode arcering
11
2.2
Planvoornemen
2.2.1
Toelichting volledige ontwikkeling De eerste fase van het Safari Resort Beekse Bergen is in april 2018 officieel geopend met als doel het mogelijk maken van een unieke beleving: verblijf op een resort tussen de dieren. Rondom een nieuwe savanne zijn vakantiewoningen van verschillende formaten gerealiseerd met Karibu Town als centraal voorzieningengebouw. Vanaf de opening bleek dit concept een doorslaand succes waardoor al snel vooruit gekeken werd naar een uitbreiding van het Safari Resort. De uitbreiding van het huidige Resort in zijn initieel ontworpen vorm is planologisch ook mogelijk. Onderstaand de afbeelding van het initiële schetsontwerp voor fase II. Uit de evaluatie onder bezoekers van het Safari Resort komen een aantal zaken naar voren. Als eerste blijkt dat bezoekers graag direct zicht op de savanne en de dieren hebben. Als tweede komt ook naar voren dat er meer behoefte is aan kleinere recreatievormen voor minder grote gezinssamenstellingen. Om meer bezoekers te kunnen ontvangen en ook een breder aanbod aan verblijfsrecreatie te kunnen bieden, is het voornemen de tweede fase van het Safari Resort in een andere verschijningsvorm te ontwikkelen. De onderstaande inrichting is dus door de benoemde resultaten uit de evaluatie achterhaald.
Afbeelding 5: Initieel schetsontwerp van het safariresort fase II (2012)
12
Om in te spelen op de ervaringen en wensen van de bezoekers is gekozen voor 15 eenheden, elk bestaande uit 8 appartementen, elk geschikt voor maximaal 4 personen ieder met uitzicht op een nieuw aan te leggen savanne. Met het inrichten van een nieuwe savanne is een nieuwe stal noodzakelijk en daarnaast is gekozen om een nieuw centrumgebouw te realiseren ten behoeve van fase II. De gewijzigde inrichting met vakantieappartementen, savanne, stal en centrumgebouw is weergegeven in onderstaande afbeelding.
Stal
Centrumgebouw
Afbeelding 6: functionele inrichting fase II: vakantieappartementen met begrenzing (d.d. 06-07-2021) Zowel de savanne als infrastructuur passen binnen het geldende inpassingsplan. Deze (bouw)werkzaamheden maken geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning waartoe voorliggende ruimtelijke onderbouwing onderdeel van uit maakt.
2.2.2
Vakantieappartementen Het huidige Safari Resort Beekse Bergen voorziet uitsluitend in luxe lodges vanaf 6 tot en met 14 personen. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, is op basis van de ervaringen van de bezoekers van het Safari Resort naar voren gekomen dat een sterke behoefte is aan meer kleinschalige recreatieverblijven. Tevens blijkt uit de reacties van gasten dat recreatieverblijven met uitzicht op een savanne het meest gewild zijn. Met voorgaande als uitgangspunt is het ontwerp voor fase II aangepast (zie paragraaf 2.2.1) tot een concept met 15 gebouwcomplexen met elk 8 appartementen. De appartementengebouwen bestaan uit twee lagen van 4 appartementen die allemaal via een terras of balkon uitzicht hebben over de nieuw aan te leggen savanne. De appartementen zijn bedoeld voor maximaal 4 personen en hebben allen een eigen toegang aan de achterzijde, waarbij de bovenste appartementen via een trap bereikbaar zijn. De appartementen sluiten qua uitstraling en vormgeving aan op de thematische uitstraling van het huidige vakantiepark (zie afbeelding 7). Door de bouwvorm met een plat dak wordt de maximaal toegestane goothoogte overschreden (zie hoofdstuk 1), maar wordt de maximale bouwhoogte gerespecteerd.
13
Afbeelding 7: sfeerimpressie vakantieappartementen
Afbeelding 8: dwarsdoorsnede vakantieappartementen
2.2.3
Centrumgebouw Binnen het huidige Safari Resort Beekse Bergen (fase 1) is al een centrumvoorziening aanwezig: Karibu Town. Met de ontwikkeling van fase II met in totaal 120 appartementen, verdeeld over 15 gebouwen, is sprake van een dusdanige uitbreiding van de capaciteit van het park dat uitbreiding van het aantal centrale voorzieningen noodzakelijk is. Daarbij is sprake van een betrekkelijk grote afstand tussen het zuidelijke gelegen Karibu Town en fase II. Zowel de loopafstanden, als de concentratie aan gasten wordt met een extra centrumgebouw beter verdeeld over het park.
14
Afbeelding 9: plattegrond nieuwe centrumgebouw inclusief oppervlakte bvo (bron: Kragten) Het nieuwe centrumgebouw bestaat uit een twee restaurants met bijbehorende ondersteunende horecaruimtes. Centraal door het gebouw loopt een brede arcade. Aan de rechterzijde van de arcade liggen enkele zaaltjes. Voorts bevat het centrumgebouw algemene personeels- en kantoorruimtes voor het gehele resort. Het centrumgebouw zal qua vormgeving en uitstraling aansluiten op het thematische concept van het Safari Resort. Het centrumgebouw wordt zo gesitueerd dat vanuit het centrum gebouw en een aangrenzend terras direct zicht op de nieuw te realiseren savanne is. Door de bouwvorm met een plat dak wordt de maximaal toegestane goothoogte overschreden (zie hoofdstuk 1), maar wordt de maximale bouwhoogte gerespecteerd.
Afbeelding 10: sfeerimpressie centrumgebouw
15
Afbeelding 11: doorsnede centrumgebouw (links)
Afbeelding 12: dwarsdoorsnede centrumgebouw (rechts)
2.2.4
Stal Omdat een open verbinding tussen de bestaande savanne van fase I en de nieuwe savanne van fase II niet mogelijk is, dient bij de nieuwe savanne een nieuwe stal gebouwd te worden als onderkomen voor de dieren. In de stallen is ruimte voor neushoorns, giraffes, zebra’s, nijlantilopen en watoessies. Tevens voorziet de stal in een opslag voor voer, een technische ruimte en een toiletvoorziening voor de verzorgers. De stal heeft een plat dak met een bouwhoogte van 4,4 meter. Enkel ter plaatse van de verblijven van de giraffes is de bouwhoogte 8 meter.
Afbeelding 13: achtergevel stal Fase II (bron: Libéma)
16
3
BELEID
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Rijksoverheid werkt aan een nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet, die in principe per 1-1-2022 van kracht wordt, bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie(NOVI). Op 11 september 2020 is de NOVI vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012 komen te vervallen, met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied In deze prioriteiten komen complexe, omvangrijke en dringende opgaven samen, die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Om de verschillende belangen bij deze prioriteiten goed af te kunnen wegen is een zorgvuldig afwegingsproces een vereiste. Om richting te geven aan het afwegingsproces zijn in de NOVI drie afwegingsprincipes opgenomen: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Relevantie voor het project Voorliggende ontwikkeling van fase II van Safari Resort de Beekse Bergen, waarbij enkel afgeweken wordt van de toegestane maatvoering m.b.t. de hoogte en oppervlakte bvo. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een lokaal initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het 'Barro' in werking getreden. In oktober 2012 is het besluit gewijzigd. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Het gaat om de volgende nationale belangen: Project Mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; Rijksvaarwegen; Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
17
Relevantie voor het project Er is slechts sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen van de bovengenoemde nationale belangen in het geding is. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.
3.1.3
Wet milieubeheer - milieueffectrapportage In artikel 7.2, lid 1 van de 'Wet milieubeheer' is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het 'Besluit milieueffectrapportage' zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt ónder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is, dient dus bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Relevantie voor het project In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Één daarvan is mogelijk aan de orde bij de doorontwikkeling van het Safari Resort. Ontwikkeling Safari resort (planologisch spoor) Activiteit D10 uit het Besluit m.e.r. gaat in op de aanleg, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen en van themaparken.
Deze activiteit is beoordelingsplichtig in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar óf een oppervlakte van 25 ha óf meer of 10 ha of meer in een gevoelig gebied. Deze indicatieve drempelwaardes worden niet overschreden. Het besluitgebied heeft een oppervlakte van circa 4,4 ha en ook het bezoekersaantal zal niet1 worden overschreden, waardoor sprake is van een vormvrije m.e.r.beoordeling. Zie hiervoor paragraaf 4.11.
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Medio 2017 is de ladder op een beperkt aantal onderdelen inhoudelijk gewijzigd. Nog steeds dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen op basis van deze ladder te worden gemotiveerd en afgewogen met 1 Totale ontwikkeling fase II: 120 appartementen van maximaal 4 personen zouden bij een gemiddelde verblijfsduur van 3
dagen en een volledige bezetting leiden tot maximaal 120*4*2*53=50.880 bezoekers.
18
oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het besluitgebied ligt. Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een ruimtelijke onderbouwing dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te bevatten. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat toch gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. De voorgenomen ontwikkeling van fase II is planologisch mogelijk en zorgt niet voor een nieuw beslag op de ruimte.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is enkel noodzakelijk omdat niet voldaan kan worden aan de maximale goothoogtes en maximale oppervlakte bvo. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de Ladder voor duurzame verstedelijking verder niet van toepassing is. Relevantie voor het project In onderhavig project is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking verder niet noodzakelijk is.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant De Omgevingsvisie Noord-Brabant, zoals vastgesteld op 14 december 2018, is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden. De omgevingsvisie geeft aan dat Noord-Brabant zichzelf als welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend ziet in 2050. De provincie neemt een andere positie aan en zal zijn vertrouwen in gemeenten en andere partijen vestigen om op een diepe, ronde en brede manier naar vraagstukken te kijken. Zij zal alleen bijspringen wanneer zij dit noodzakelijk acht.
De provincie staat voor de volgende kernwaarden: Meerwaarde-creatie; Technische en sociale innovatie; Kwaliteit boven kwantiteit; Steeds beter; Proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. Ook werkt de provincie vanuit de volgende hoofdopgaven: Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit; Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant;
19
-
Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.
Relevantie voor het project Door te investeren in kwalitatief hoogstaande recreatiemogelijkheden, zal de provincie zich beter kunnen profileren als recreatief toevluchtsoord. Door kwaliteit boven kwantiteit te stellen, kan de provincie werken aan een duurzame en concurrerende economie op het gebied van recreatie. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het vigerende provinciale beleid zoals beschreven in de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
3.2.2
Interim omgevingsverordening In oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant opgesteld in het kader van de invoering van de Omgevingswet. De Brabantse omgevingsverordening vervangt diverse provinciale verordeningen, te weten de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de Interim omgevingsverordening staan regels voor: Burgers en bedrijven: dit zijn zogenaamde rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Deze regels bevatten voorwaarden om zo'n activiteit te verrichten en geven ook aan of je bijvoorbeeld eerst een melding moet doen voordat je mag beginnen. Bestuursorganen van de overheid: dit zijn zogenaamde instructieregels.
Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die zij in het bestemmingsplan moeten opnemen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun taken uitvoeren Belangrijke onderwerpen die behandeld worden in de Interim omgevingsverordening zijn: omgevingskwaliteit; stedelijke ontwikkelingen; duurzame energie; natuurgebieden en andere gebieden met waarden; agrarische ontwikkelingen; overige ontwikkelingen in het buitengebied. Zoals op onderstaande afbeeldingen is te zien, valt het besluitgebied binnen meerdere aanduidingen van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
20
Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied
Afbeelding 14: Uitsnede omgevingsverordening (stedelijke ontwikkeling en erfgoed)
Afbeelding 15: uitsnede omgevingsverordening (basiskaart Landelijk gebied) Landelijk gebied
Verstedelijking afweegbaar
Gemengd landelijk gebied Binnen het gebied dat is aangeduid met de aanduiding ‘verstedelijking afweegbaar’, wordt duurzame verstedelijking mogelijk geacht wanneer binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is. Het bestaande resort is al een aantal jaren aanwezig op deze locatie en een uitbreiding dient bij voorkeur binnen de grenzen van het bestaande resort plaats te vinden om aantasting van gronden buiten het park te voorkomen. Ook geldt ter plaatse van de projectlocatie de aanduiding ‘landelijk gebied’. Binnen deze aanduiding is uitbreiding van bestaand agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf mogelijk wanneer de noodzaak van de uitbreiding voldoende wordt toegelicht. In dit geval is sprake van de realisatie van fase II binnen de bestaande inrichting van het Safari Resort. Derhalve is geen sprake van nieuwe verstedelijking of een functie met een agrarisch karakter, waardoor er geen strijdigheid is met de interim omgevingsverordening. Relevantie voor het project Aangezien de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt binnen de grenzen van het bestaande resort Beekse Bergen is deze ontwikkeling niet in strijd met het vigerende provinciale beleid zoals beschreven in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid Structuurvisie Hilvarenbeek, 2010 Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Structuurvisie Hilvarenbeek vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Uiteraard wil de gemeente ontwikkelingen voorkomen die afbreuk doen aan de toekomst van de gemeente. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Bij sommige van deze ontwikkelingen zal de gemeente zelf als initiatiefnemer fungeren, bij andere ontwikkelingen is de gemeente afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen en burgers. In de structuurvisie wordt eerst voor de gehele gemeente een visie gegeven met betrekking tot het ruimtelijke karakter, wonen en de woonomgeving, welzijn en
21
voorzieningen, economie en werken en mobiliteit en bereikbaarheid. In de uitvoeringsparagraaf van de structuurvisie zijn deze aspecten per kern beschreven. Het ruimtelijk karakter van de 6 dorpen en het buitengebied van de gemeente vormt een belangrijk onderdeel van een goede woon- en leefomgeving en daarmee van het woongenot in Hilvarenbeek. De gemeente streeft ernaar om het ruimtelijk karakter van de diverse dorpen en het buitengebied te behouden, maar ook daar waar mogelijk te versterken. Het besluitgebied valt binnen het gebied ‘extensiveringsgebied natuur’. Het beleid is binnen het als zodanig aangeduide gebied gericht op het meewerken aan initiatieven op het gebied van (agro-)toerisme. Dit soort initiatieven ziet de gemeente als waardevolle aanvulling op het functioneren van het buitengebied. Bovendien vergroot een dergelijke vorm van toerisme de beleving van de kwaliteiten van het buitengebied. Bij de afweging of de gemeente aan een initiatief planologische medewerking verleent, is het zaak dat het initiatief een waardevolle toevoeging zal zijn. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie fase II binnen het reeds bestaande safaripark Beekse bergen. Door de ligging binnen de grenzen van het huidige vakantiepark is geen sprake van een nieuw ruimtebeslag of negatieve effecten op omliggende natuur.
Uitgangspunt van fase II is dat de uitbreiding planologisch mogelijk is, maar voorliggende ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk is in verband met het afwijken van de maximale goothoogte en de maximale oppervlakte bvo.
Afbeelding 16: Structuurvisie Hilvarenbeek zonering buitengebied, project gebied rood gearceerd Relevantie voor het project De ontwikkeling is in lijn met de uitgangspunten van de structuurvisie van Hilvarenbeek.
22
3.3.1
Bodembeheernota en bodemkwaliteitskaart (2013) Bodembeheernota In de bodembeheernota van de gemeente Hilvarenbeek is beschreven welke regels en voorwaarden gelden voor het binnen deze gemeente (opnieuw) toepassen van schone en licht verontreinigde grond en baggerspecie als bodem. Doel van het bodembeleid van de gemeente Hilvarenbeek is: "zoveel mogelijk grond binnen het beheergebied hergebruiken zonder daarmee de duurzaamheid van de bodem te belemmeren". Bodemkwaliteitskaart Om hergebruik van grond binnen de gemeenten Hilvarenbeek en Oisterwijk op eenvoudige wijze te kunnen faciliteren, hebben de gemeenten in het verleden een bodemkwaliteitskaart laten opstellen Het uitgangspunt voor het definiëren van een bodemkwaliteitszone wordt gevormd door een vergelijkbare, gebiedseigen bodemkwaliteit. Het indelen in bodemkwaliteitszones vindt daarom over het algemeen plaats op basis van de gebruikshistorie en de milieuhygiënische bodemkwaliteit, eventueel in combinatie met de bodemopbouw. De Beekse Bergen vallen binnen het gelijknamige deelgebied ‘Beekse Bergen’. Bij afgravingen dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Ter plaatse van het deelgebied Beekse Bergen is geen enkele waarneming lood aanwezig.
Als gevolg hiervan heeft de gemeente Hilvarenbeek besloten dat de ontgravingskaart geen betrouwbaar bewijsmiddel is voor grond die uit dit deelgebied vrijkomt (zie Afbeelding 18). De milieuhygiënische kwaliteit van de grond die uit dit gebied vrijkomt moet met een partijkeuring worden vastgesteld.
Afbeelding 17: bodemkwaliteitskaart (deelgebieden)
23
Afbeelding 18: bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) Relevantie voor het project In het kader van voorliggende ontwikkeling is zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, zie paragraaf 4.1.
24
4
OMGEVINGSASPECTEN
4.1
Bodem Ten behoeve van de planontwikkeling is in september 2020 een actualiserend vooronderzoek bodem uitgevoerd waarin is nagegaan of de conclusies uit de eerdere bodemonderzoeken nog actueel zijn. Aanvullend is een inventarisatie gemaakt van de kans op aanwezigheid van PFAS. Voor het rapport wordt verwezen naar bijlage 1. Uit het onderzoek is gebleken dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Relevantie voor het project Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie Op basis van het Europese Verdrag van Valetta uit 1992 en de geactualiseerde Wet op de archeologische monumentenzorg is het verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met bekende én te verwachten archeologische waarden in het besluitgebied. Voor een deel van het besluitgebied geldt de bestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’. Binnen deze bestemming geldt dat ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag worden gebouwd/gewerkt volgens de bouwregels van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits de ontwikkeling een (gezamenlijke) oppervlakte van minder dan 2.500 m² en een diepte van minder dan 0,3 m betreft. In 2017 zijn binnen het projectgebied aanvullende archeologische onderzoeken uitgevoerd in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er geen archeologische waarden in de ondergrond worden verwacht en is voorgesteld het besluitgebied vrij te geven. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 18 april 2017 met dit voorstel ingestemd. Relevantie voor het project De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het projectgebied.
4.3
Waterparagraaf In 2010 is voor de gehele herstructurering van het recreatiepark, in het kader van de MER, een geo-hydrologisch onderzoek uitgevoerd om de effecten op de (grond)waterhuishouding te beschouwen en te kwantificeren. Daaruit blijkt dat deze deelontwikkeling geen effect heeft op de (grond) waterhuishouding. De geplande afwijkingen van het inpassingsplan leiden niet tot een toename van het verhard oppervlak ten opzichte van het oorspronkelijk plan omdat de appartementen thans in twee lagen worden gerealiseerd in plaats van in separate lodges. Het areaal horecavoorzieningen wordt wel beperkt vergroot, maar dit staat niet in verhouding tot de totale afname als gevolg van de ‘stapeling’ van de verblijfseenheden, zodat per saldo sprake is van een afname van het verhard oppervlak ten opzichte van het oorspronkelijk plan.
25
Relevantie voor het project Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling aangezien de reeds toegestane hoeveelheid verhard oppervlak niet wordt gehaald. Er worden geen verdere waterhuishoudkundige effecten verwacht.
4.4
Flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in december 2019 een verkennend flora en fauna onderzoek uitgevoerd binnen het projectgebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hier kort besproken, voor de gehele rapportage wordt verwezen naar bijlage 2.
4.4.1
Beschermde soorten Broedvogels – rekening houden met het broedseizoen Het kappen van bomen en struweel binnen het besluitgebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het besluitgebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de kapwerkzaamheden binnen het besluitgebied. De kapwerkzaamheden zijn voorzien tijdens het broedseizoen, maar hierop vooruitlopend worden de te kappen bomen door een ecoloog geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.
Algemeen voorkomende soorten – rekening houden met de zorgplicht Het besluitgebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en als landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibieën. De omgeving van het besluitgebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Bovendien is er in de toekomstige inrichting weer geschikt leefgebied en landhabitat voor deze soorten aanwezig. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden. Eekhoorn – behoud nestboom en omringende bomen, anders nader onderzoek Negatieve effecten op het leefgebied van de eekhoorn worden niet verwacht. De werkzaamheden hebben wel mogelijk een effect op de potentiële nestplaats van de eekhoorn binnen het besluitgebied. Middels het behoud van de aanwezige nestboom en omringende bomen, kunnen negatieve effecten, zoals het verloren gaan van het nest (Wnb artikel 3.10.b) op voorhand worden voorkomen. Indien de nestboom en/of omringende bomen niet behouden kunnen blijven, is mogelijk sprake van een negatief effect op de eekhoorn. Om uitsluitsel te verkrijgen van het gebruik van het nest, dient nader onderzoek uitgevoerd
26
te worden in de periode december – februari of mei – juni. Vleermuizen – behoud bomen met holten, anders nader onderzoek Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen treden niet op. De werkzaamheden hebben wel mogelijk een effect op potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in de holle bomen binnen het besluitgebied. Middels het behoud van de aanwezige bomen met holten en eventuele omringende, geleidende bomen, kunnen negatieve effecten, zoals het vernielen van een voortplantingsplaats of rustplaats (Wnb artikel 3.5.4) op voorhand worden voorkomen. Indien de bomen met holten niet behouden kunnen blijven, is mogelijk sprake van een negatief effect op vleermuizen. Om uitsluitsel te verkrijgen van het gebruik van de boomholte als verblijfplaats, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. Vleermuizenonderzoek heeft een doorloop tijd van circa driekwart jaar, in de periode mei – oktober. Levendbarende hagedis – nader onderzoek Zoals beschreven in paragraaf 5.1.6 van het verkennend flora en fauna onderzoek, is nader onderzoek noodzakelijk om in beeld te krijgen of en in hoeverre de levendbarende hagedis gebruik maakt van het besluitgebied en de omgeving.
Aan de hand van dit onderzoek kan beoordeeld worden of er sprake is van een negatief effect op de soort als gevolg van de realisatie van de recreatieverblijven, een voorzieningengebouw en de nieuwe savanne met stal. Nader onderzoek naar de levendbarende hagedis dient plaats te vinden in de periode half april – september. Nader onderzoek levendbarende hagedis en eekhoorn (bijlage 3) In juni 2020 is dit aanvullend soortgericht onderzoek naar de levendbarende hagedis en de eekhoorn uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het besluitgebied geen onderdeel van het leefgebied van de levendbarende hagedis vormt en de staat van instandhouding van de eekhoorn niet wordt aangetast omdat er voldoende gemengd bos in de omgeving aanwezig is. Rode bosmier – aanbeveling om nest te behouden Er wordt aanbevolen om de voor bosgebieden waardevolle rode bosmier te behouden binnen het besluitgebied. In het kader van de uitvoering wordt rekening gehouden met aanwezige nesten. Indien sprake is van een noodzakelijke verplaatsing van een nest wordt dit middels een veldbezoek en ecologisch werkprotocol geregeld.
4.4.2
Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden – voortoets stikstofdepositie Directe effecten en de meeste indirecte effecten van het plan op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Effecten als gevolg van stikstofdepositie op deze gebieden vanuit het besluitgebied, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met behulp van de Aerius-calculator is derhalve berekend wat de maximale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan zijn als gevolg van de realisatie van de recreatieverblijven, een voorzieningengebouw en de nieuwe savanne met stal. De stikstofdepositie is op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden berekend en vervolgens is getoetst of de inrichting (mogelijk) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase De gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling past binnen de vigerende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming waardoor het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de exploitatie van het Safari Resort en daarmee Beekse Bergen. Aanlegfase Er is op basis van de partiële vrijstelling voor de bouwfase geen sprake van een vergunningplicht.
27
Ook buiten deze vrijstelling kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. Ten gevolge van de aanlegfase bedraagt de stikstofdepositie niet meer dan 0,02 mol N/ha. Hiermee wordt voldaan aan het toetsingskader van maximaal 0,10 mol N/ha (equivalent van 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar) voor een project met een tijdelijke stikstofdepositie. Er is op basis van het voorgaand beschreven toetsingskader ten gevolge van de berekende stikstofdepositie geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming waardoor het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het project. Provinciale gebiedsbescherming – geen effecten Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant zijn niet te verwachten als gevolg van de realisatie van de recreatieverblijven, een voorzieningengebouw of de nieuwe savanne met stal. Houtopstanden – melding noodzakelijk Aangezien het besluitgebied buiten de bebouwde kom ligt, dient er een melding te worden gedaan voor de te kappen bomen. Relevantie voor het project Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende wetgeving en zorgplicht.
4.5
Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 15 recreatieverblijven met vakantieappartementen en een centrumgebouw. De ontwikkeling zal niet leiden tot een noemenswaardige wijziging in de verkeersaantrekkende (zie paragraaf 4.10) werking van het Safari Resort, waardoor onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Relevantie voor het project Vanuit het aspect geluid zijn er geen bezwaren op de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Hierin zijn richtafstanden voor milieubelastende functies opgenomen ten opzichte van milieugevoelige functies. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het inpassingsplan of vergunningvrij bouwen mogelijk is. Hierbij dient te worden opgemerkt dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de in de VNG-publicatie opgenomen richtafstanden. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 15 recreatieverblijven met vakantieappartementen en een centrumgebouw.
Strikt genomen betekent dat er een nieuwe milieugevoelige functie wordt gerealiseerd. In het vigerende provinciale inpassingsplan is echter al rekening gehouden met een toename van de recreatieverblijven
28
en centrumvoorzieningen. Deze ontwikkeling werd passend geacht op het gebied van bedrijven en milieuzonering. Voorgenomen ontwikkeling blijft zowel vanuit functioneel oogpunt als voor wat betreft de situering ruimschoots binnen de kaders zoals opgenomen in het Provinciaal inpassingsplan (PIP). Relevantie voor het project Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Relevantie voor het project De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 15 recreatieverblijven met vakantieappartementen. Deze ontwikkeling zal niet leiden tot een significante toename van de verkeersaantrekkende werking (zie paragraaf 4.10) en daarmee geen significant effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. In het kader van het vigerende inpassingsplan is de externe veiligheidssituatie beschouwd en akkoord bevonden. De voorgestelde planaanpassingen leiden ten opzichte van het vigerende plan niet tot een toename van het aantal personen dat binnen het besluitgebied verblijft. Als gevolg van de kleinere gemiddelde capaciteit van de appartementen ten opzichte van de reeds bestemde c.q. toegestane lodges, zal het aantal personen minder toe nemen dan bij maximale benutting van de kaders in het vigerende inpassingsplan het geval zou zijn.
29
Relevantie voor het project Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9
Kabels en leidingen In het besluitgebied zijn geen leidingen of kabels gelegen met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat hiermee bij het voorgenomen initiatief rekening dient te worden gehouden.
4.10
Verkeer en parkeren Ten behoeve van het MER en het vigerende PIP is destijds een verkeersstudie uitgevoerd. In het kader van voorliggend initiatief is een toelichting gemaakt op de verkeerseffecten van de vakantieappartementen (bijlage 5). Op basis van de volledige bouw van het Safari Resort met 425 recreatieverblijven zijn de te verwachten verkeersintensiteiten in beeld gebracht: Gemiddelde verkeersgeneratie (per dag/gem. jaar): 1.085 voertuigbewegingen (gem. 2,55/verblijf) Maximale verkeersgeneratie (per dag/piekmaand): 1.869 voertuigbewegingen (gem. 4,4/verblijf) Op basis van de 225 gerealiseerde recreatieverblijven zouden gemiddeld op etmaalbasis 630 verkeersbewegingen worden gerealiseerd. Theoretisch betekend dit een gemiddelde verkeersgeneratie van 0,41 bewegingen per gast, per dag. Op basis van praktijkgegevens (registratie slagbomen) is naar voren gekomen dat sprake is gemiddeld 517 verkeersbewegingen per etmaal, wat neer komt op 0,33 verkeersbeweging per gast, per dag. Voorliggend initiatief voorziet in vakantieappartementen met een maximale capaciteit van 480 gasten, wat op basis van de praktijkgegevens gelijk staat aan circa 160 verkeersbewegingen per etmaal. Geconcludeerd wordt dat de toename aan verkeersbewegingen passen binnen de initiële verkeersberekeningen van het PIP.
Ten behoeve van het parkeren zijn in de eerste fase van het safariresort meerdere parkeervoorzieningen gerealiseerd, een en ander conform de parkeernormen uitgaande van het totale plan met 425 verblijfseenheden. Parkeervoorzieningen bij de vakantieappartementen en het centrumgebouw zijn derhalve niet noodzakelijk en dan ook niet voorzien. Relevantie voor het project Er wordt geen grotere verkeersaantrekkende werking verwacht (ten opzichte van wat in het PIP is toegestaan) naar aanleiding van de voorgenomen realisatie van de vakantieappartementen. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
M.e.r.-beoordeling Op 1 april 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat bij elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de Dlijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., aandacht moet worden besteed aan de vraag of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Ook als de drempelwaarden voor een formele m.e.r.-beoordeling niet worden overschreden, kan een initiatief gevolgen voor het milieu hebben. Om die reden moet het bevoegd gezag voordat een besluit over de vergunning of het bestemmingsplan wordt genomen, eerst een besluit nemen over de vraag of in het betreffende geval een milieueffectrapportage aan de orde is of dat belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van de realisering van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Dit besluit moet expliciet genomen zijn. Ten behoeve van dit besluit is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (zie bijlage 4), Relevantie voor het plan
30
De voorgenomen afwijking van het oorspronkelijke planvoornemen voor de tweede fase van het Safari Resort Beekse Bergen leidt niet tot belangrijke nadelige milieueffecten voor de omgeving. Het nemen van aanvullende mitigerende of compenserende maatregelen is niet aan de orde. Het bevoegd gezag wordt op grond van deze aanmeldnotitie gevraagd te besluiten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is.
31
5
HAALBAARHEID
5.1
Procedure In het kader van de beoogde ontwikkeling is een omgevingsvergunning nodig op basis van artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat het plan in strijd is met het geldende inpassingsplan dient de motivering van het besluit (de omgevingsvergunning) een goede ruimtelijke onderbouwing te bevatten. Om het project juridisch-planologisch gezien te verankeren is gekozen voor het aanvragen van de omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1, sub a., onder 3° Wabo (buitenplanse afwijking), waarvoor de uitgebreide procedure moet worden gevolgd. Dit document vormt de ruimtelijke onderbouwing en maakt daarmee onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dient de uitgebreide voorbereidingsprocedure, zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd. Hiertoe is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.