CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

14 Landbouwverkeer (5 Bijlage 3 rapport archeologisch bureauonderzoek)

Gemeenteraad 9 december 2021, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake landbouwverkeer.12.409 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 16238.001 versie 1

Bijlage 2 AMK nr. 2107

AMK-terreinen

Locatie

Datering

Waarde en omschrijving

500 meter ten zuidwesten van het plangebied De Siep; Oranjehoeve te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 136029/387578

Neolithicum midden B, IJzertijd - Bronstijd vroeg, IJzertijd

Complex: Nederzetting, onbepaald Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning uit het Midden-Neolithicum (B) en/of de periode Laat-Neolithicum - Vroege Bronstijd. Ligt op een dekzandrug die in 1966 (gedeeltelijk?) geëgaliseerd is; daarbij zijn veel vondsten gedaan. De akker heeft een bouwvoor van 60 cm dikte (waarschijnlijk esdek), het weiland van 40 cm. Opmerking: objectnr. 50FZ-10,11, weinig gegevens. Meer gegevens onder objectnrs. die betrekking hebben op de voortzetting van het terrein op kaartblad 50H (zie CAA 50HN-2,11). Daar is ook sprake van een IJzertijd nederzetting en vondsten die uit de periode Laat-Neolithicum - Vroege Bronstijd stammen (`Vlaardingen'-WKD).

Rapport 16238.001 versie 1

Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 2162492100 (23450)

2191166100 (27573)

3990574100

2176384100 (25462)

Onderzoeksmeldingen

Locatie Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek 136 meter ten oosten van het plangebied Koestraat te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137246/388048 293 meter ten oosten van het plangebied Bolakker te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137367/387953

267 meter ten oosten van het plangebied te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137400/388161 377 meter ten noordoosten van het plangebied Koestraat te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137406/388339

2176392100 (25464)

432 meter ten noordoosten van het plangebied Mavo-Terrein te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137388/388450

2269972100 (38657)

385 meter ten zuidoosten van het plangebied Cultureel Centrum te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137399/388446

Rapport 16238.001 versie 1

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 19-7-2007 Resultaat: Op basis van de resultaten wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 17-3-2008 Resultaat: In werkput 4 en 5 is een vindplaats uit de volle middeleeuwen aangetroffen, waarschijnlijk een huisplaats. Deze is behoudenswaardig. Het selectiebesluit wordt genomen door de bevoegde overheid op grond van het selectieadvies. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 8-3-2016 Resultaat: Het resultaat is niet bekend in Archis. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Hollandia Archeologie BV Datum: 15-11-2007 Resultaat: Naar aanleiding van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat op de terreinen aan de Schoolstraat, Koestraat, Holstraat en het MAVO-terrein te Lennisheuvel de trefkans op archeologische vondsten en sporen waarschijnlijk groot is, maar zekerheid hierover ontbreekt in dit stadium van het onderzoek.De archeologische resten dienen waar mogelijk door planaanpassing in situ behouden te worden. Waar planaanpassing echter niet mogelijk is, zal de vindplaats ex situ behouden dienen te worden, d.m.v. een archeologisch vervolgonderzoek, bij voorkeur in de vorm van proefsleuven.

Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Hollandia Archeologie BV Datum: 15-11-2007 Resultaat: Naar aanleiding van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat op de terreinen aan de Schoolstraat, Koestraat, Holstraat en het MAVO-terrein te Lennisheuvel de trefkans op archeologische vondsten en sporen waarschijnlijk groot is, maar zekerheid hierover ontbreekt in dit stadium van het onderzoek.De archeologische resten dienen waar mogelijk door planaanpassing in situ behouden te worden. Waar planaanpassing echter niet mogelijk is, zal de vindplaats ex situ behouden dienen te worden, d.m.v. een archeologisch vervolgonderzoek, bij voorkeur in de vorm van proefsleuven. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Archeomedia Datum: 5-1-2010 Resultaat: Naar aanleiding van het voornemen van de opdrachtgever om op de onderzoekslocatie een culturele centrum te realiseren, heeft ArcheoMedia BV in de periode 5 tot en met 7 januari 2010 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op de locatie van het voormalig MAVO-terrein te Hilvarenbeek. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 5 sporen aangetroffen daterend uit de Nieuwe tijd C. De sporen bevinden zich in het esdek op een diepte van 0,5 tot 1,0m -mv (16,7 - 16,2m +NAP). Deze laag bevond zich direct onder de bouwvoor en boven het oude dekzand.

Daarnaast werden in alle drie de werkputten in de onderkant van het esdek ploegsporen aangetroffen. De proefsleuven werden tot in de top van het dekzand aangelegd, dat op ca. 1,0 tot 1,5m -mv werd aangetroffen. De top van het dekzand is volledig verstoord door bioturbatie en ploegsporen, eventuele bodemvorming is daardoor verstoord en/of vergraven. Er zijn geen begraven bodems daterend uit de prehistorie aangetroffen. Op basis van het vondstmateriaal en het historisch onderzoek kan worden vastgesteld dat op de onderzoekslocatie vanaf ca. 1200 een esdek is opgeworpen, waarna de onderzoeklocatie tot

2318903100 (45334)

293 meter ten oosten van het plangebied Bolakker te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137378/387990

2380366100 (53454)

385 meter ten zuidoosten van het plangebied Gelderakkers te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137578/387889

Rapport 16238.001 versie 1

aan de Nieuwe tijd C een agrarisch functie heeft gehad. Op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie heeft vanaf ca. 1850 bewoning plaats gevonden. Op basis van de waardering van de aangetroffen sporen kan worden gesteld dat er geen behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen binnen dit onderzoek. De resultaten van dit proefsleuvenonderzoek geven geen aanleiding tot aanpassingen in de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek wordt een archeologisch vervolgonderzoek op de onderzoekslocatie niet noodzakelijk geacht. Met betrekking tot deze aanbeveling dient contact te worden opgenomen met de bevoegde overheid. Het is mogelijk dat lokaal archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn die tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen en die in de uitvoeringsfase van toekomstige bodemingrepen aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex artikel 53 van de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. De opdrachtgever verplicht de aannemer(s) om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten onverwijld te melden bij de bevoegde overheid.

Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: BAAC BV Datum: 22-2-2011 Resultaat: Definitieve opgraving na proefsleuven. Er zijn resten aangetroffen van middeleeuwse bewoning/activiteit. Ten tijde van gereedmelding zijn nadere resultaten nog niet voorhanden. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 11-9-2012 Resultaat: Op basis van de resultaten wordt een vervolgonderzoek geadviseerd.

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3241306100 (414242)

Locatie

Omschrijving

78 m ten noorden van het plangebied Haartgang te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 136400/388360 67 meter ten zuiden van het plangebied te Onbekend Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137000/388000 201 meter ten noordwesten van het plangebied te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 135800/388750 403 meter ten noorden van het plangebied te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137185/388477 310 meter ten oosten van het plangebied Bolakker te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137378/387993 482 meter ten noordoosten van het plangebied Cultureel Centrum te Hilvarenbeek Gemeente Hilvarenbeek Coördinaat: 137409/388450

middeleeuwen - nieuwe tijd : grondsporen

3133188100 (37418)

3269990100 (430549)

3268767100 (429694)

2191166100 (416335)

2269972100 (436456)

Rapport 16238.001 versie 1

middeleeuwen - nieuwe tijd : kook/voorraadpotten

late middeleeuwen : objecten (niet verder gespecificeerd in Archis)

late middeleeuwen: greppels/sloten

vroege middeleeuwen - nieuwe tijd : paalgaten, handgevormd aardewerk, Andenne aardewerk, geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk, greppels/sloten, grijsbakkend gedraaid aardewerk, proto-steengoed kannen, roodbakkend geglazuurd aardewerk, bakstenen, steengoed

late middeleeuwen - nieuwe tijd : grijsbakkend gedraaid aardewerk, Andenne aardewerk, ploegsporen, steengoed, roodbakkend geglazuurd aardewerk, spijkers, waterputten, objecten, industrieel wit (Maastrichts/Regout), porselein, botmateriaal

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het laatpaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 16238.001 versie 1

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een kopertijd voorafgaand aan de bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het laatneolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de vroege middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse

Rapport 16238.001 versie 1

staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 16238.001 versie 1

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 16238.001 versie 1

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 16238.001 versie 1

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 16238.001 versie 1

Bijlage 7

Rapport 16238.001 versie 1

Planontwerp

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10871287/1