CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

14 Hart van Haghorst (5 bijlage 2b Technisch PvE Hart van Haghorst)

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel uitwerking Hart van Haghorst.16.193 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

www.icsadviseurs.nl

Sluitplan en sluitsystemen op basis van sleutels. Elektrisch sluitsysteem toe te passen op de hoofdentree. Sluitplan op te stellen in overleg met opdrachtgever en gebruikers op basis van de gebruikstijden van de diverse functies.

Rekening houden met aan te brengen installaties. Accumulatie van water dient te worden voorkomen. Bij toepassing van dakopeningen/ lichtkappen adequate doorvalbeveiliging opnemen/ integreren in het ontwerp. Daken die in het zicht vallen dienen ordentelijk te worden ingedeeld en uitgevoerd. Indien zonnepanelen worden toegepast dienen deze esthetisch in het dakvlak en buitengevel te worden ingepast. Combinatie van grind met zonnepanelen dient vermeden te worden (vogels laten het grind op de panelen vallen met defecte panelen als gevolg).

26/ 46

Bij het plaatsen van zonnepanelen rekening te houden met onderhoudsfunctionaliteit.

Aandachtspunten 

6.4 Binnenwanden Uitgangspunten 

       

 

De gekozen niet-constructiedragende binnenwanden dienen betrekkelijk eenvoudig, en tegen een lage investering te verwijderen, of verplaatsbaar te zijn waarbij overlast van stof en afvalmaterialen wordt beperkt. Scheidingswanden dienen voldoende sterk te zijn om krachten op te nemen die vanuit het specifieke gebruik van ruimten te verwachten zijn. Rekening houden met eventuele bevestiging van inrichting zoals digiborden, whiteboards, e.d. Bij scherpe hoeken dienen maatregelen getroffen te worden ter voorkoming van letsel en beschadiging. Onderhoudsvriendelijk/ -arm, makkelijk reinigbaar (c.q. voorkomen van vervuiling door gebruik), vochtbestendig, kras- en splinterbestendig. Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. Natte en sanitaire ruimten (toiletten, douche- en kleedruimten) zijn voorzien van afwasbaar materiaal tot aan het bouwkundig plafond. Waterbestendig materiaal en afwerking toepassen achter wastafels, gootstenen en pantry’s en in werkkasten achter de uitstortgootsteen. Bestand tegen beschadigingen. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen en specifieke bouwwijze ten behoeve van het voorkomen van de verschillende vormen van geluidsoverlast. Voldoen aan eisen zoals HACCP. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Bouwbesluit.

www.icsadviseurs.nl

Rekening houden met de geluidswerende functie van bepaalde binnenwanden bij de positionering van bijvoorbeeld voorzieningen voor elektra.

6.4.1 Binnendeuren Voor de meeste ruimten is het van belang dat vanuit de verkeersruimte kan worden waargenomen wat er binnen gebeurt (sociale veiligheid). De toegangsdeuren tot deze ruimten hebben bijvoorbeeld een zijlicht aan de slotzijde van de deur. Deuren met glasopening en/ of zijlichten zijn voorzien van gelaagd veiligheidsglas. Daarnaast dient hierbij rekening gehouden te worden met de privacy van de gebruiker(s) van de ruimte. Bij het naderen van branddeuren in gangen dient in verband met de veiligheid zichtbaar te zijn of er ook iemand van de andere zijde nadert. Dit geldt ook voor deuren die toegang verschaffen van en naar trappenhuizen.

Aandachtspunten  

Rekening houden met glasbewassing. Voorkomen van schade bij openen van deuren.

6.4.2 Plafonds De hoogtes van ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds of plafondafwerkingen dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de betreffende ruimte en technische eisen zoals akoestiek. Bij de plafonds wordt een gangbaar systeem toegepast. Netto vrije hoogte Verblijfsruimten

≥ 2,8 m

Sanitaire ruimten

≥ 2,7 m

Verkeersruimten

≥ 2,7 m

27/ 46

Ruimten met een grotere gebruikerscapaciteit zoals de gym/evenementenzaal.

≥ 7,0 m

6.6 Installatieruimten, schachten en kabelgoten Aandachtspunten 

Hoogte en omvang van gym-/ evenementenzaal dient afgestemd te worden met de opdrachtgever gedurende het ontwerptraject.

6.5 Trappen en hellingen De bouwkundige voorzieningen voor verticaal transport dienen afgestemd te zijn op het specifieke gebruik in het gebouw. Hoogteverschillen groter dan 0,21 m worden overbrugd door een trap en waar nodig een hellingbaan. Trappen en hellingen dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de te verwachten voetgangersstromen op vlotte wijze en zonder het optreden van gevaarlijke situaties kunnen worden verwerkt. Uitgangspunten      

Trederanden en leuningen dienen goed zichtbaar te zijn en contrastrijk ten behoeve van slechtzienden. De afwerking van treden is zodanig dat slippen niet mogelijk is. Onderhoudsvriendelijk/ -arm, makkelijk reinigbaar, vochtbestendig, kras- en splinterbestendig en slijtvast. Bestand tegen beschadigingen en vervuiling door regulier gebruik en vandalisme. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. Beschadiging tijdens de bouw (mechanische schade, vlekvorming en dergelijke) dient actief te worden voorkomen door beschermde voorzieningen.

In het gebouw dienen de nodige technische ruimten te worden geprogrammeerd voor de opstelling van installaties. Positie en plaats te bepalen vanuit het bouwkundig ontwerp. De schachten dienen zo centraal mogelijk te worden geplaatst ten opzichte van de technische ruimte en het bedieningsgebied van de installaties. Uitgangspunten Ruimten voor technische installaties en schachten:  zijn goed bereikbaar en toegankelijk zodat de te controleren onderdelen bereikbaar en te onderhouden zijn.  zijn stofvrij en voldoende akoestisch gedetailleerd en afgewerkt.  bieden voldoende ruimte voor service en onderhoud.  zijn voorzien van werkverlichting.  voldoen aan de eisen van nutsbedrijven, eisen voor brandveiligheid en het vigerende Bouwbesluit. De kabel- en wandgoteninfrastructuur dienen zodanig gedimensioneerd te worden dat hierin de bekabeling voor voedingen, signalen (inclusief regeltechnisch), data- en telecommunicatie kan worden ondergebracht, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. Kabelgoten zijn voorzien van scheidingsschotten. De horizontale en verticale kabelwegen zijn zodanig gedimensioneerd dat bekabelingen voor zwakstroom en sterkstroom in afzonderlijke compartimenten kunnen worden gelegd. Ook een apart compartiment van data- en telecommunicatie voorzien. Werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties zijn gescheiden.

Aandachtspunten 

Trappen zijn bij voorkeur akoestisch ontkoppeld van de constructie.

www.icsadviseurs.nl

28/ 46

6.7 Hang- en sluitwerk De architect dient met de opdrachtgever/ gebruikers een sluitplan op te stellen, waarbij meerdere niveaus gehanteerd dienen te worden. Het aantal niveaus dient beperkt te worden. Ten behoeve van inzet van brandweer dient één type gehanteerd te worden waarbij gebruik gemaakt kan worden van een loper. Norm(en) Hang- en sluitwerk dient te voldoen aan NEN 3664 en NEN 5089. Het gehele gebouw moet voldoen aan de RIO (Richtlijn Inbraakbeveiliging Onderwijsinstellingen), het politiekeurmerk en CCV (Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid).

Per toiletgroep komt er minimaal één wastafel met kraan of één kraan per twee toiletten. De spiegels worden boven de wasbakken en bij voorkeur in de wand aangebracht ter voorkoming van randvergoring. In toiletgroepen voor dames wcd (wandcontactdoos) plaatsen bij spiegel. Zeepautomaten worden boven de wastafelcombinatie aangebracht ter voorkoming van het lekken van zeep op de grond. Afvoeren van wastafels en fonteintjes worden in de wand opgenomen. Afsluiters zijn duidelijk gemarkeerd op tekening en goed bereikbaar voor het oplossen van eventuele problemen. De toiletten voor mensen met een functiebeperking (mindervalidentoileten) dienen centraal te zijn gelegen en goed bereikbaar te zijn.

Hang- en sluitwerk in de buitenschil is van inbraakwerende kwaliteit.

Aandachtspunten  

Nooduitgangen zijn voorzien van een noodhendel/ panieksluiting10 aan de binnenzijde van de deur en deurstandsignalering. Deuren van toiletten dienen door medewerkers van de facilitaire dienst van buitenaf geopend te kunnen worden in geval van incidenten.

6.8 Sanitair Verspreid door het hele gebouw dienen voldoende sanitaire voorzieningen en ruimten te worden aangebracht met een nette en degelijke uitvoering en uitstraling. Daarnaast moeten de materialen gemakkelijk te reinigen zijn. Alle toiletten (met uitzondering van mindervalidetoilet) zijn voorzien van een voorportaal, al dan niet voorzien van een wastafel. De wastafelcombinaties bestaan uit een wastafel en koudwaterkraan met een vaste hoge bovenuitloop en automatische spoelstop (sensor). 10 Zonder sleutel van binnenuit te openen.

www.icsadviseurs.nl

29/ 46

Uitgangspunten 

  

   

 

De opstelling van de toiletten in de sanitaire ruimte (toiletgroep) is zodanig dat de toegang tot de verschillende toiletten zich buiten de zichtlijn vanaf de toegang tot de sanitaire ruimte bevindt. Toegangsdeuren van sanitaire ruimten in het MFA voorzien van automatische sluiting. In elke toiletruimte (niet geldend voor onderwijs en kinderopvang) bevindt zich een garderobehaak. De toiletruimten bij voorkeur zo diep maken dat men zittend de deuren niet kan beschrijven en er voldoende ruimte is voor enige bewegingsvrijheid. Het sanitair wordt op de waterleiding (afsluitbaar middels een stopkraan en in geluidsarme uitvoering) en op de afvoeren aangesloten (water-, lucht- en stankdicht). Toiletpotten en wastafels zijn vervaardigd van vuilafstotend materiaal. De toiletbril met doorlopende stang (zonder deksel) is aan de boven- en onderzijde glad. Het sanitair wordt meegenomen in het ventilatiesysteem en wordt behandeld als retourlucht dus afzuigen en uitblazen, niet recirculeren. Indien relevant worden in de toiletruimten (niet geldend voor onderwijs en kinderopvang) schrobputten inclusief stankafsluiter gerealiseerd op een positie uit de looproute. Afstemmen met opdrachtgever. Voor kinderopvang heeft iedere toilet minimaal aan één kant van het toilet een vrije ruimte van 100 cm.

Toiletten vrij hangend uit te voeren met onderscheid in hoogte voor het beoogd gebruik in overleg met opdrachtgever.

Uitgangspunten 

Uitvoering van was- en spoelvoorziening in porselein en met een automatische spoelstop (sensor) voor de koudwatervoorziening in verband met verminderd waterverbruik. Toepassen van stankafsluiters bij de afvoer van water en de bezinkings- en ontstoppingspunten.

6.10 Schoonmaakruimten De schoonmaakruimten/ schoonmaakwerkkasten zijn voorzien van een uitstortgootsteen met stootrand en opklapbaar emmerrooster, warm- en koudwateraansluiting, zwenkkraan, haken voor stofzuigerslangen, een stevig schap voor schoonmaakmiddelen en materialen en een geaarde dubbele wandcontactdoos. De muren zijn voorzien van een gladde coating tot aan het plafond. De werkkast is bij voorkeur geplaatst naast het sanitair en heeft een naar buiten openslaande deur (met slot) aan de lange zijde. Goede ventilatie is noodzakelijk. Aandachtspunt 

inrichting schoonmaakruimte afstemmen met schoonmaakbedrijf.

6.11 Doucheruimten 6.9 Spoel- en wasvoorziening Waar vanuit het gebruik van het gebouw gewenst dienen sanitaire voorzieningen (wastafels, wastroggen of spoelbakken) aanwezig te zijn die wassen en spoelen mogelijk maken. Was- en spoelvoorzieningen worden toegepast in:  In ruimten met toiletvoorzieningen  In keukens en pantry’s  In schoonmaakruimten  In ruimten waar dit op aangeven van de gebruiker gewenst is www.icsadviseurs.nl

De doucheruimten zijn voorzien van een voorportaal. Geen kunststof of glazen wanden toepassen. De douche is voorzien van een douchecombinatie, bestaande uit een inbouwdouchekraan met drukknopregeling; looptijd 30 seconden en een vooraf ingesteld debiet van minimaal 6 liter en maximaal 8 liter per minuut, uitgevoerd in een vandaalbestendige uitvoering. De leidingen worden weggewerkt in de wand.

30/ 46

Tevens is de douche voorzien van minimaal een bouwkundige wand die een afscheiding biedt van vloer tot plafond. Daarnaast is de ruimte voorzien van een zeephouder en een dubbele handdoekhaak. De afvoer van de doucheruimte moet worden uitgevoerd met een ABS-vloerput, 150x150mm, met een vastschroefbaar rooster. Bij het plaatsen van een douche dient er rekening gehouden te worden met voorkomen van stank en legionella. Ter preventie van legionella vindt automatische spoeling plaats.

  

 

Aandachtspunten    

De temperatuur van het douchewater is individueel te regelen. De maximale temperatuur die instelbaar is, dient een veilige te zijn waardoor letsel wordt voorkomen. Het aantal douches af te stemmen met opdrachtgever. Warm water op tappunten waar kinderen gebruik van kunnen maken is begrensd op 38 graden.

6.12 Glasbewassingsvoorziening Glasbewassing moet op een efficiënte en veilige manier kunnen plaatsvinden en moet voldoen aan de richtlijnen die de Arbo-regelgeving geeft. Rekening dient gehouden te worden met een strook verharding voor toegang van een hoogwerker rondom het gebouw. Indien gekozen wordt voor een glasbewassingsinstallatie (bijvoorbeeld door middel van een gondel) mogen zonwering, gevelreclame en objecten in de omgeving van het pand de installatie niet hinderen. Daarnaast moet er een vorstvrije watervoorziening op het dak worden gerealiseerd en minimaal één vorstvrije watervoorziening per gevel t.b.v. gevelbewassing.

6.13 Bouwkundige voorzieningen technische installaties Ten behoeve van de technische installaties worden onderstaande bouwkundige voorzieningen getroffen:

www.icsadviseurs.nl

   

Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. Benodigde opstortingen in technische ruimten. Benodigde sparingen in vloeren en wanden ten behoeve van leidingen en kanalen die bij wanden met een brandwerende functie akoestische en brandwerend worden afgedicht. Benodigde schachten, leidingschachten en ruimten voor verdeelkasten. Bouwkundige voorzieningen die een flexibele werkplekopstelling in alle ruimten mogelijk maken zonder dat de werkplekvoorzieningen, zoals elektra, spraak- en databekabelingen hinderlijk dan wel zichtbaar aanwezig zijn. Bouwkundige voorzieningen aan gevel, plafonds, vloeren of binnenwanden voor de bevestiging van vaste inrichtingsonderdelen, rails, vensterbanken, verduistering, binnenzonwering, schoolborden, projectieschermen, afbeeldingen of apparatuur, gordijnen, verduistering en dergelijke. Brandblussers en –haspels worden ingebouwd in verzonken wandnissen en voorzien van een deur. Akoestisch- en brandwerend dicht zetten van spleten en sparingen. Voorzieningen treffen ten behoeve van de liftinstallatie(s). Benodigde verharde stroken isolatie en bevestigingspunten ten behoeve van de gevelonderhoudsinstallatie.

6.14 Programma van Eisen-specifieke inrichting Het gebouw dient te worden opgeleverd met de noodzakelijke voorzieningen die tot de vaste inrichting behoren. In ieder geval de inrichtingselementen balies en pantry’s dienen opgenomen te worden. Het ontwerp van balie(s) en pantry’s wordt voorgelegd aan opdrachtgever en gebruikers. Aandachtspunten zijn privacy, akoestiek, het helpen van mensen in een rolstoel en het creëren van een goede (tochtvrije) werkplek achter de balie. Balie dient te worden voorzien van adequate verwarming en ventilatie. Meubilering ter plaatse van ruimten met een sprinklerinstallatie, bijvoorbeeld open studieplekken in atria, uitvoeren als vaste, niet verplaatsbare inrichting. Bij materialisatie dient rekening gehouden te worden met de voorwaarden van de betreffende sprinklerinstallatie.

Bewegwijzering

31/ 46

Het gehele gebouw wordt voorzien van heldere,duidelijke en makkelijk aanpasbare bewegwijzering ten behoeve van vaste gebruikers, medewerkers en bezoekers. Daarnaast worden in het gehele gebouw genormaliseerde pictogrammen geplaatst. De centrale ingangspartij is het beginpunt voor het bewegwijzeringssysteem. In ieder geval dient rekening gehouden te worden met bewegwijzering voor: 

   

Verwijzing naar nooduitgangen, brandblusmiddelen, vluchtwegen en EHBOpost in alle verblijfsruimten en op duidelijk zichtbare plaatsen in de verkeersruimten; Verwijzing naar toiletten en MIVA-toiletten; Verwijzing naar trap(pen) en lift(en); Aanduiding van restauratieve voorzieningen en overige functies; Aanduiding van ruimten (namen en/ of ruimtenummer).

Ruimte afvalcontainers Ruimte t.b.v. afvalcontainers biedt ruimte voor gescheiden afvalstromen en is voorzien van dubbele deuren zowel aan de gangzijde als aan de straatzijde en voorzien van slagvaste en spatwaterdichte wandcontactdozen. Betonnen vloer voorzien van slijtvast ‘gladde’ coating en een schrobput. Dorpels afgeschuind. Wanden voorzien van deugdelijke stootranden ter bescherming van de wanden.

www.icsadviseurs.nl

32/ 46

7. Elektrotechnische installaties In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per installatieonderdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening moet worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de in te schakelen adviseur voor de technische installaties en de architect nader worden uitgewerkt. Norm(en) Alle installaties uitvoeren conform de laatst uitgegeven, van toepassing zijnde normen.

permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik. Daarnaast dient geïnventariseerd te worden wat de vraag is van de apparatuur in de onderwijsspecifieke ruimten. Ook deze energiebehoefte dient meegenomen te worden in het ontwerp. Uitgangspunt is dat veelvuldig gebruik gemaakt gaat worden van laptops, hiervoor zijn voldoende oplaadpunten benodigd in nader te bepalen ruimten. Houd hierbij rekening met voorzieningen in eventuele vaste inrichting. Gelijktijdigheid en reservecapaciteit in overleg met gebruikers nader te bepalen. Uitgaan van één nutsaansluiting voor het hele gebouw. Opgewekte zonnestroom mag terug geleverd worden. Een PV-aansluiting dient op de hoofdverdeler geplaatst te worden. Bij het bepalen van de nutsaansluiting rekening houden met:

Alle gebruikte materialen moeten voorzien zijn van een CE-markering en een KEMA-keurmerk.

 

Een minimale reservecapaciteit van 25%. Een maximaal dakvullend veld PV-panelen.

Indien materialen niet zijn voorzien zijn van KEMA-keur mogen materialen toegepast worden welke zijn voorzien van een ENEC-keur.

Gelijktijdigheid (n.t.b.)

Bekabeling en buisleiding dienen conform de CPR / NEN 8012 halogeenvrij te worden uitgevoerd. Er mag alleen CPR-geclassificeerde bekabeling worden toegepast. Kabelkeuzeberekening conform NEN 8012. De installateur dient in het bezit te zijn van een KOMO-INSTAL certificaat BRL6000-2.

Uitgangspunten 

Rekening houden met bereikbaarheid/ toegankelijkheid en vervangingsmogelijkheden.

7.1 Centrale elektrotechnische voorzieningen Het aantal aansluitpunten voor energievoeding in het gebouw dient van zodanige omvang te zijn dat alle vast geïnstalleerde elektronische installaties en machines van stroom met de juiste spanning voorzien worden. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten www.icsadviseurs.nl

7.1.1 Regelbaarheid installaties De regeltechnische installaties dienen een eenvoudig en gebruiksvriendelijk gebruik van de installaties mogelijk te maken. De sturing is grotendeels centraal (GBS) met een (beperkte) lokale naregeling. Het gebouw dient indien mogelijk te worden aangesloten op een Gebouwbeheersysteem (GBS). Dit systeem is gebruikersvriendelijk, eenduidig, logisch en dient eenvoudig in gebruik te zijn. Alle regelapparatuur dient geschikt te zijn voor aansluiting op een GBS, die middels ‘open platforms’ software vanaf een desktopcomputer kan worden bediend. Signalering én bediening vanaf een nader te bepalen plaats middels een bedieningstableau. Het GBS dient te kunnen worden beheerd en bediend op afstand. Overleg met opdrachtgever bepaalt de feitelijke schakelinrichting, de definitieve omvang van de regelinstallaties en de functionaliteit van het GBS. De GBS dient de meeste systemen en installaties aan te sturen en bepaalt de kwaliteit van het binnenklimaat grotendeels. De invloed van de individuele gebruiker is beperkt.

33/ 46

Uitgangspunten Middels het GBS tenminste mogelijk:  Veegschakelaar voor alle geschakelde verlichting.  Bediening zonwering.  In- en uitschakelen van schemerschakeling ten behoeve van terrein- en gevelverlichting.  Schakelen van waak- en veiligheidsverlichting.  Schakelen van de krachtstroom (indien van toepassing).  Schakelen van de liftinstallatie en pieklastbewaking lift.  Opnemen van energieregistrerende apparatuur.  Toegangscontrole/ beveiliging.  Energieopwekking (noodstroomvoorziening, indien van toepassing).  Signaleren van de nooddeuren bij de buitengevel.  Melding mindervalidentoilet.  Bedienen inbraaksignalering/ brandsignalering/ ontruimingsalarm.  Voorbereiding voor het gescheiden telefonisch kunnen doormelden van storingen, inbraak- en brandmeldingen.  Koppeling met boilers daar waar van toepassing om het energieverbruik te verlagen.

ventilatie, overbrugging buitenverlichting, (verzamel)storingsmeldingen, signalering mindervaliden, ontgrendeling toegangsdeur(en) et cetera. Alle meldingen voorzien van een akoestisch signaal, dat met een afsteldrukker kan worden uitgeschakeld. Naast een centraal paneel ook decentrale bedieningspanelen opnemen met nader te bepalen functies. Op het centrale paneel worden alle algemene ruimten geschakeld en gesignaleerd en tevens worden alle storingen van de andere panelen op dit paneel zichtbaar gemaakt. Aandachtspunten 

7.1.2 Verdeelinrichting De centrale elektrotechnische voorzieningen moeten zodanig worden opgeleverd dat zij geschikt zijn voor het storingsvrij, veilig en doelmatig voeden, schakelen en bedienen van alle in het gebouw aanwezige elektrische apparatuur, inclusief de bedrijfsinstallaties en de gebruikersapparatuur. Uitgangspunten 

Aandachtspunten 

Het Gebouwbeheersysteem is zodanig ontworpen, dat updates mogelijk zijn door aanpassing van de software en niet door vervanging van de hardware. Het concept voor het GBS dient vroegtijdig bij de gebruikers voorgelegd en inhoudelijk door de adviseur met de gebruikers besproken te worden op functionaliteit en bedienbaarheid. De elektrische installatie dient zodanig te zijn ingesteld dat deze uitleesbaar en bruikbaar is voor het tonen in een energiespiegel waarmee opgewekte en verbruikte energie inzichtelijk gemaakt kan worden.

Op een nader te bepalen locatie is een centraal bedienings- en signaleringspaneel voorzien voor de centrale signalering en bediening van onder andere verlichting, centrale verwarming, luchtbehandeling, mechanische www.icsadviseurs.nl

Stem in het ontwerp een aantal reserveposities af met de opdrachtgever.

De licht- en krachtinstallatie dient te worden gescheiden op de daarvoor bestemde groepen van de hoofdverdeelinrichting. In overleg met opdrachtgever en toekomstige gebruikers wordt afgestemd of een onderverdeelinrichting met tussenmeters per gebruiker wenselijk is afhankelijk van nader te bepalen afspraken omtrent beheer en exploitatie.

Voor het bepalen van de capaciteit van de nominale stroom van de hoofdverdeelinrichting dient rekening te worden gehouden met de hierna omschreven, maximaal gelijktijdig optredende belasting. De gelijktijdig optredende belastingen dienen gecontroleerd te worden op basis van ervaringen. Gelijktijdigheid en reservecapaciteit in overleg met gebruikers nader te bepalen.

34/ 46

7.1.3 Kanalisatie Uitgangspunten compartimentering De leidinggoten te voorzien van 2 scheidingsschotten voor realisatie van 3 compartimenten: 1. ten behoeve van licht- en krachtinstallaties 2. ten behoeve van inbraak- en brandmeldinstallatie (min. 70 mm breed) 3. bekabeling ten behoeve van telematica en data

De exacte bepaling van locatie, aantal, capaciteit en type wandcontactdozen en aansluitpunten dat per ruimte benodigd is, moet in samenspraak met de gebruikers, opdrachtgever en ontwerpende adviseurs (dit geldt ook voor maatwerkmeubilair) worden bepaald en vastgelegd in een ruimteboek. Voor een aantal ruimten (niet uitputtend) is onderstaand het aantal wandcontactdozen t.b.v. een 230V aansluiting weergegeven.

Aandachtspunten Aandachtspunten   

De data-/ telefoonbekabeling en 230V bekabeling mogen niet in naastliggende compartimenten worden gemonteerd. De positionering van de leidinggoten mag niet belemmerend zijn bij de inrichting van de ruimten. Doorvoeringen overeenkomstig de akoestische en/ of brandvertragende eisen van de betreffende vloer of wand afwerken.

 

Rekening houden met eenvoudige uitbreidbaarheid van het aantal wandcontactdozen/ aansluitpunten. Bij voorkeur aansluitpunten 230V, schakelaars voor sterkstroominstallatie en vaste aansluitingen van machines/ apparatuur voorzien van groepenaanduiding. Deze aanduidingen onuitwisbaar aanbrengen op slagvast materiaal. Alle wandcontactdozen kindveilig uit te voeren in het binnenwerk, voor de kinderopvang geldt op 1,50 m bovenkant afgewerkte vloer.

7.1.4 Krachtstroom Krachtstroomvoorziening 400 V dient in voldoende mate aanwezig te zijn voor de permanent aan te sluiten elektrotechnische apparaten, gebouwinstallaties, 3fase contactdozen en dergelijke. De krachtinstallatie te voeden vanaf afzonderlijke verdeelkasten, welke rechtstreeks op de verdeelinrichting zijn aangesloten.

In overleg met de gebruiker de ruimten waar krachtstroom nodig is bepalen, bijvoorbeeld in de centrale hal ten behoeve van evenementen op het terrein of in de gymzaal.

7.1.5 Aansluitpunten en schakelmateriaal Het gebouw moet worden voorzien van voldoende, veilig, uniform, gebruiksvriendelijk schakelmateriaal en aansluitpunten. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik.

www.icsadviseurs.nl

7.2 Verlichting De kunstlichtinstallatie, uitgangspunt is LED, in het gebouw dient zodanig te zijn dat in elke ruimte bij elk daglichtniveau een verlichtingssituatie te realiseren is, die een optimum vormt uit oogpunt van gebruik en energiezuinigheid en voldoet aan de Arbo-normen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met een goede gelijkmatigheid en beperkte luminantieverschillen ter vermindering van de oogbelasting. Er moet sprake zijn van zo min mogelijk helderheidsverschillen, verblinding, spiegeling en reflectie. De keuze van richting en soort licht en type armatuur dient gemotiveerd te worden en afgestemd met opdrachtgever en gebruikers. Om een goede algemene verlichting te bereiken, dient het werkvlak gelijkmatig te worden verlicht. Kunstverlichting in onderwijsruimten is beperkt regelbaar: de verlichting is bijvoorbeeld in delen in of uit te schakelen (de zone bij het bord apart) of dimbaar. In onderwijsruimten (ook aan de noordzijde) is helderheidswering aanwezig waarmee hinderlijk tegenlicht en hinderlijke reflecties worden

35/ 46

voorkomen. In kantoorruimten is de verlichting per vertrek of per zone (in het geval van een open kantoorruimte) handmatig aan- en uit te zetten. In overleg met de toekomstige gebruikers wordt bepaald welke ruimten dimbaar dienen te zijn. Uitgangspunten    

 

De gegeven luxwaarden dienen gerealiseerd te worden op 0,75 m boven de vloer en 0,4 m vanaf de wanden. De verlichtingssterkte op vloerniveau is niet minder dan 10 lux. Oriëntatieverlichting is 10 – 200 lux. Indien, ten behoeve van werkzaamheden voor een bepaald deel van de ruimte, een hogere verlichtingssterkte wordt vereist, de algemene verlichting aanvullen met een plaatselijk aan te brengen verlichting. Bedienings-, instel- en onderhoudspunten zijn voldoende verlicht. Het gebouw beschikt over waakverlichting die bestaat uit een beperkt aantal armaturen in de verkeersruimten. Deze gelijktijdig te laten schakelen met de buitenverlichting of blokkering schakeling van de standaard verlichting in de verkeersruimten.

Verlichtingssterkte verschoonruimte en keuken

≥ 350 lux

Kleurtemperatuur

≥3.000K, <4.000K

Kleurweergave index

Ra ≥ 80

Waarde voor de beperking van de ‘verblindingshinder’

UGRL ≤ 19

Norm(en) Verlichting dient te voldoen aan NEN-EN 12464-1.

Aandachtspunten 

 Uitgangspunten Gelijkmatigheidsindex van het taakgebied

Uo ≥ 0,6

Gelijkmatigheidsindex van omgeving

Uo ≥ 0,6

Behoudfactor

≥ 0,8

Verlichtingssterkte door kunstlicht op werkvlak in onderwijsruimten

≥ 500 lux

Verlichtingssterkte door kunstlicht op werkvlak in overige verblijfsruimten

≥ 400 lux

Verlichtingssterkte door kunstlicht in ruimten niet bestemd voor langdurig verblijf (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.)

≥ 300 lux

Verlichtingssterkte slaap- en verkeersruimten

≥ 150 lux

Verlichtingssterkte groeps- en kantoorruimten

≥ 300 lux

www.icsadviseurs.nl

Besteed specifiek aandacht aan het voorkomen van problemen door lichtflikkering en stroboscopische effecten (lichtoutput). Een en ander in lijn met de laatste LED-lichtadviezen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Indien bij kantoorwerkplekken sprake is van aanvullende verlichting (bureaulampen) dan kan ervoor gekozen worden om de algemene verlichting in te stellen op 300 lux in plaats van op 500 lux (gemeten bij nietingeschakelde lokale verlichting). Verlichting is niet verblindend in ruimten waar kinderen op de rug liggen.

Onderwijsruimten zijn individueel regelbaar en door middel van een veegschakelaar (GBS) centraal in- en uit te schakelen. Verlichting in verkeersruimten dienen door middel van een veegschakelaar (GBS) centraal inen uit te schakelen zijn, op het terrein ook. Toiletten, berg- en kantoorruimten voorzien van een bewegingsmelder. In ruimten groter dan 30 m² dient de mogelijkheid te bestaan om slechts een deel van de verlichting te schakelen.

7.3 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen aangelicht worden. Armaturen spatwaterdicht, slagvast en molestbestendig. 36/ 46

Hiertoe aan de gevel van het gebouw, nabij alle toegangen en op plaatsen waar 'hangplekken' kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige armaturen plaatsen in een eenvoudige uitvoering. Daar waar sociale controle mogelijk is beveiligingsverlichting aanbrengen. Als er geen sociale controle is, schrikverlichting aanbrengen. Ook bij de parkeerplaatsen en de fietsenstallingen is verlichting aangebracht. De terreinverlichting dient te worden in- en uitgeschakeld middels een schemerschakeling en een klok voorzien van een automatische zomer-/ wintertijd-omschakeling. De buitenverlichting dient te worden vrijgegeven op het GBS. Op een centraal punt dient een overbruggingsschakelaar voorzien te worden.

Aandachtspunten 

  

 

Datanetwerk: ten behoeve van een data (en telefooninstallatie) moet (per gebruiker) een bekabelingssysteem (horizontale bekabeling) worden aanbracht bestaande uit een gecertificeerd passief datanetwerk (connectoren, bekabeling, patchkasten). Bekabeling aanbrengen in kabelgoten, rekening houdend met voldoende uitbreidingsmogelijkheden. De bekabeling vormt een netwerk dat een flexibele ruimte-indeling mogelijk maakt. Centrale patchkasten en servers worden geplaatst in een aparte ruimte die eventueel gekoeld moet worden. Deze ruimtes moeten voorzien zijn van diverse spanningsgroepen om belasting en uitval te voorkomen. Reserveaansluitingen t.b.v. data n.t.b. Gebruikersinstallaties als beamers en digiborden dienen op een aparte groep aangesloten te worden waarmee het mogelijk is om deze centraal (via GBS) uit te kunnen schakelen. Elk data-aansluitpunt dient te worden uitgevoerd met 2 RJ45-connectoren.

Verlichte gevelreclameborden dienen geschakeld te worden aan de terreinverlichting. Aandachtspunten

7.4 Communicatie Ten behoeve van een data- (en telefonie) installatie dient een bekabelingssysteem (horizontale bekabeling) worden aanbracht bestaande uit een gecertificeerd passief datanetwerk (connectoren, bekabeling, patchkasten). De bekabeling en kabelgoten dienen een netwerk mogelijk maken dat een flexibele ruimte-indeling mogelijk maakt. Bekabeling en actieve componenten conform geldende standaarden waarbij uitgangspunt is onverstoord gebruik (functioneel en technisch) gedurende een minimale periode van 25 jaar. Er dient voorzien te worden in een gecombineerd telefonie-/ datacommunicatie netwerk op basis van gecertificeerde Categorie 6A F/UTP bekabeling. Er dient te worden voldaan aan de navolgende normen en richtlijnen. Uitgangspunten  

Het gebouw dient te worden voorzien van draadloos internet. Er dient een ontruimings- en brandmeldinstallatie te worden voorzien.

www.icsadviseurs.nl

 

Rekening houden met eenvoudige uitbreidbaarheid van het aantal wandcontactdozen/ aansluitpunten. Alle punten ten behoeve van spraak en data voorzien van een patchnummer. Deze aanduidingen onuitwisbaar aanbrengen op slagvast materiaal.

7.4.1 Geluidsinstallatie De gym-/ evenementenzaal en MFA dient te worden voorbereid zodat na oplevering een geluidsinstallatie aangebracht kan worden.

7.4.2 Lestijdensignalering en omroepinstallatie In het gebouw dient een lestijdensignalering te worden aangebracht. Splitsing naar de diverse gebruikers, inclusief uitschakelen in de KDV-ruimten, dient softwarematig plaats te vinden. De navolgende ruimten dienen voorzien te worden van lestijdensignalering:    

Alle onderwijsruimten; ontmoetingsruimte; Centrale gebieden; Personeelsruimten/kantoren; 37/ 46

 

Gangen en hallen; Buitenruimte/schoolplein.

De centrale voorzieningen dienen in de MER te worden ondergebracht. De bedienings-componenten dienen in overleg met de gebruikers geplaatst te worden. Het ontwerp dient te voorzien in de benodigde buizenstelsels, bekabeling, luidsprekers en signaalgevers.

7.4.3 Intercom Er dient voorzien te worden in een stand-alone intercominstallatie. Afhankelijk van het ontwerp dient vanaf de binnenpost(en) de betreffende deur opengestuurd te kunnen worden. Bij de volgende buitendeuren dient er voorzien te worden in een buitenpost:  Hoofdingang  Neveningangen school / MFA In de volgende ruimten dient voorzien te worden in een binnenpost:  Teamkamer  Twee groepsruimtes kinderopvang  Kantoor kinderopvang (n.t.b.) Er dient rekening te worden gehouden met meerdere aanmeldfuncties zoals school, kinderopvang en MFA. In de ontwerpfase dient onderzocht te worden of doorschakeling naar een smartphone o.i.d. wenselijk is.

7.5 Beveiliging Veiligheid, beveiliging en toegangsbeheer hebben betrekking op het maximaliseren van het veiligheidsgevoel van gebruikers in het gebouw en op het terrein. De sociale veiligheid en het welbevinden dienen gewaarborgd te zijn. Het veiligheidsgevoel ontstaat door het voorkomen van inbreuken op de persoonlijke veiligheid en het voorkomen van fysieke en psychische overlast door nietgewenste bezoekers. Beveiligingsmaatregelen tegen onder meer inbraak, brand, diefstal en vandalisme kunnen worden opgesplitst in vijf hoofdgroepen, te weten: 1.

2. 3. 4. 5.

Organisatorische maatregelen; Bouwkundige maatregelen; Compartimentering (per bouwlaag meerdere compartimenten); Elektronische maatregelen.

Aan alle aspecten dient bij het ontwerp aandacht te worden besteed en te worden afgestemd met de betreffende interne verantwoordelijken. Het ontwerp van de inbraakbeveiliging dient te worden afgestemd op de resultaten van een beveiligingsonderzoek en eisen van de verzekeringsmaatschappij.

7.5.1 Overspanningsbeveiliging Om de apparatuur zo goed mogelijk tegen inductiestromen te beveiligen dient een overspanningsbeveiliging in de hoofd- en onderverdeelinrichting toegepast te worden.

7.5.2 UPS Uitgangspunten 

 

Inbraakinstallaties communiceren via IP naar de centrale meldkamer. In het kader van bedrijfszekerheid dienen ICT-verbindingen en inbraakbeveiligingscentrale op UPS-spanning aan te sluiten. Brandmeldinstallaties, GTV’s, nevenpanelen, pieperracks, ESPA-koppelingen e.d. worden voorzien van UPS-spanning. Indien de ontruimingsinstallatie apart is van de brandmeldinstallatie dan dient deze ook een eigen UPS-voeding te verkrijgen. Nevenpanelen en overige randapparatuur mag op de zelfde groep als de brandmeldcentrale.

7.5.3 Noodverlichting en vluchtrouteaanduiding In het gebouw dient een decentrale noodverlichtingsinstallatie en vluchtrouteaanduiding met centrale uitlezing te worden geplaatst. Norm(en) Conform NEN-EN 183811

Planologische aspecten;

11 Geldt ook voor onderdelen die niet in het Bouwbesluit worden aangewezen.

www.icsadviseurs.nl

38/ 46

7.5.4 Bliksembeveiliging

Norm(en)

Een risico-inventarisatie en -analyse naar de kans op blikseminslag en de eventuele gevolgschade dient te worden uitgevoerd. Afhankelijk van de bovengenoemde risicoanalyse dient besloten te worden tot de installatie van een bliksembeveiligingsinstallatie.

NEN 2535 (Brandmeldinstallatie) NEN 2575 (ontruimingsinstallatie) Onderhoudsnorm 2654-2

7.5.5 Toegangscontrole Het gebouw dient te worden voorzien van een toegangsbeheersysteem (zie paragraaf 6.3).

De brandmeld- en ontruimingsinstallatie bestaat onder meer uit:

7.5.6 CCTV-installatie

      

Ten behoeve van mogelijk vandalisme en inbraak in en rond de locatie dient een gesloten camerabewakingssysteem op basis van IP-technologie te worden toegepast. De positionering van camera’s dient in afstemming met gebruikers met de relevante expertise te worden ontworpen:   

Aan de buitenzijde bij entrees. Aan de binnenzijde bij entrees. In specifieke, n.t.b. beveiligde zones in het gebouw.

De beeldschermen, opslagmogelijkheid en bediening te positioneren nabij de balie. Aandachtspunten 

  

De camera’s dienen van het type dag/ nacht te zijn en bij verminderde lichtomstandigheden automatisch over te schakelen naar zwart-wit beelden, zodanig dat een duidelijk beeld wordt verkregen. Camera’s dienen te worden geplaatst in een vandaal bestendige fixeddome-behuizing. Camera's dienen door de zichtbaarheid preventief te werken. In het ontwerp wordt rekening gehouden met zichtlijnen en voorzieningen voor cameratoezicht.

7.5.7 Brandmeld- en ontruimingsinstallatie Het gebouw dient te worden voorzien van een brandmeld- en ontruimingsinstallatie

www.icsadviseurs.nl

Automatische adresseerbare rookmelders in alle ruimten groter dan 2 m², behoudens de sanitaire ruimten. Nevenindicatoren nabij de te detecteren ruimten. Handbrandmelders nabij de brandslanghaspels. Flitslichten. Brandmeldcentrale (bij de hoofdentree) Nevenpaneel. Automatische adresseerbare rookmelders ter plaatse van de kleefmagneten. Kleefmagneten incl. ankerplaten en gestabiliseerde voeding.

Uitgangspunten   

Doormelding naar PAC voorzien De installatie dient niet gecertificeerd te worden. Sturingen realiseren bij ventilatie (aan.afschakelen bij brand) en deurdrangers/kleefmagneten bij compartimenteringsdeuren en de lift

7.5.8 Inbraakdetectie Het gebouw wordt voorzien van een inbraakinstallatie met voldoende mogelijkheid om gebruikersafhankelijk, per bouwdeel en/ of per verdieping te kunnen zonneren. Bij het ontwerp van het beveiligingssysteem dient er rekening mee te worden gehouden dat delen van het gebouw ’s avonds en/ of in het weekeinde in gebruik zijn met beperkte personele bezetting. De beveiliging van het gebouw wordt niet alleen elektronisch gerealiseerd, maar ook door inzet van mankracht (organisatorische maatregelen) en door een veilige opzet/ plattegrond van het gebouw (bouwkundige maatregelen).

39/ 46

Norm(en) Richtlijnen Inbraak Onderwijsinstellingen Door middel van activering van de inbraakinstallatie:  

dient de verlichting in de verkeersruimten te worden geschakeld, zie ook de omschrijving bij de waakverlichting. dienen de aanwezige digiborden en presentatieschermen te worden uitgeschakeld.

Aandachtspunten 

De buitendeuren voorzien van slotstandsignalering.

7.5.9 MIVA-alarmsignalering Aandachtspunten 

Verblijfsruimten, bergingen en sanitaire ruimten voorzien van aan- of afwezigheidsdetectie.

www.icsadviseurs.nl

40/ 46

8. Werktuigbouwkundige installaties In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per installatieonderdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening dient te worden gehouden. Deze punten zullen in overleg met de adviseurs voor de technische installaties en de architect nader worden uitgewerkt. Installaties die vanuit de buitenzijde van het gebouw zichtbaar zijn, moeten afgestemd worden met de architect/ opdrachtgever, dit om de beeldkwaliteit van het gebouw niet te verstoren. Het gebouw wordt voorzien van de benodigde nutsaansluitingen. In een vroeg stadium moeten er bindende afspraken worden gemaakt met de nutsbedrijven over de aanvraag, capaciteit, plaats van de aansluitingen en kosten, alsmede extra voorwaarden en eisen met betrekking tot hemelwaterafvoer, de riolering, aansluiting op bijvoorbeeld stadsverwarming en de waterhuishouding. Met de energiedistributiebedrijven dienen afspraken gemaakt te worden over de plaats en grootte van de ruimten voor het inrichten van voedings- en meetinstallaties. De adviseur installaties is verantwoordelijk voor de afstemming met de nutsbedrijven.

8.1 Warmteopwekking De warmteopwekking middels een installatie welke op een gasloze wijze voorziet in de verwarming van het gebouw. De installatie dient daarom all-electric uitgevoerd te worden. De installatie dient geschikt gemaakt te worden voor een aansluiting op een WKO of stadsverwarming. Uitgangspunten    

Het gebouw dient gasloos te zijn. Opwekkingseenheden toepassen met een zo hoog mogelijk rendement en een zo laag mogelijke uitstoot van schadelijke gassen. De totale dekking van de warmteopwekkingsinstallatie dient circa 110% van het maximaal benodigd vermogen te bedragen. Indien een luchtwarmtepompen wordt toegepast dient deze minimaal te voldoen aan COP ≥ 4,0 en bedrijfszekerheid te bieden bij lage buitentemparaturen.

www.icsadviseurs.nl

Wat betreft dimensionering van de verwarmingsinstallatie dient een overcapaciteit van 20% gerealiseerd te worden.

De warmteopwekking, -distributie en –afgifte dient bestuurd te worden door een regeling die zorg draagt voor een efficiënte benutting van energie en een comfortabel binnenklimaat. Er dient een groepsindeling van het warmtedistributiestelsel (in regelblokken) te worden toegepast die aansluit bij de indeling van het gebouw in gebouwdelen en de gebruikstijden. Deze regelblokken en besturing verlopen volautomatisch en dienen centraal, eenduidig en logisch bedienbaar te zijn (en buiten het bereik van het publiek). Per gebouwdeel heeft de gebruiker een mogelijkheid tot beperkte handbediening en naregeling en dient de gebruiker indien nodig een overwerktimer/ -periode in kunnen schakelen. De bediening dient zich te beperken tot ingrepen op de normale bedrijfstoestanden en is geregeld vanuit een nader te bepalen (centrale) plaats. De regeling dient te voorzien in een dag- en nachtregeling, weersafhankelijke voor- en naregeling, schooltijdenregeling, weekendregeling en jaarklokprogramma's.

8.2 Koudeopwekking Koudeopwekking dient te geschieden met een opwekkingsinstallatie met een zo hoog mogelijk rendement tegen een acceptabele investering. De wijze waarop koeling wordt gerealiseerd is afhankelijk van het verkozen scenario voor een duurzame installatie. Alle temperaturen van afgifte systemen, distributie, etc. zullen wel op het temperatuurregime van een Laagtemperatuursysteem gebaseerd dienen te worden zodat, mocht in de toekomst hiervoor gekozen worden, er enkel een aanpassing aan de opwekking doorgevoerd dient te worden. Aandachtspunten 

Koeling van ruimten waar veel ICT-apparatuur geactiveerd is, zoals in een MER/ SER.

41/ 46

dient plaats te vinden via roosters in de ruimten of centraal via plafondplenum en plafond-overstroomroosters.

8.3 Ventilatie De benodigde hoeveelheid (verse) lucht wordt bepaald aan de hand van de maximale toegestane CO2-concentratie in verblijfsruimten gedurende gebruikstijden zoals vermeld in paragraaf 2.2.1. Adviseur(s) dienen advies te geven over de te hanteren ventilatiecapaciteit op basis van gelijktijdigheid en vraaggestuurde ventilatie. Uitgangspunten  

De ventilatie is vraaggestuurd, tijdafhankelijk met verschillende standen of CO2-gestuurd. Gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning ≥ 75% (alleen bij een ventilatiesysteem met mechanische toevoer).

Bij toepassen van een centraal afzuigsysteem dient de luchtoverstroom middels akoestisch flexibele slangen plaats te vinden waarbij de geluideisen van de binnenwand niet overschreden mogen worden. Tevens dient bij centrale afzuiging ten minste 1 afzuigpunt gerealiseerd te worden per brandcompartiment (overstroom naar een ander brandcompartiment is niet toegestaan). De afzuigkanalen moeten zijn aangesloten op de afzuigventilator in de luchtbehandelingskast. Aandachtspunten    

Afzuighoeveelheden Verkeersruimte

≥ 1,8 m³/ u/ m²

Toiletten

≥ 50 m³/ u/ toilet

Urinoirs

≥ 50 m³/ u/ urinoir

Pantry

≥ 100 m³/ u

Schoonmaak-/ werkkast

≥ 100 m³/ u

Grootkeuken/ spoelkeuken

n.t.b. – afhankelijk van de te plaatsen apparatuur

 

Indien nodig kan luchtbevochtiging worden toegepast. Voldoende wandcontactdozen ten behoeve van regel-units en andere installatieonderdelen. Onderhoudsarme uitvoering. De LBK moet zodanig worden geplaatst dat alle secties uit te nemen zijn en dat bij storingen veilig (voldoende licht en valbeveiliging) aan de installatie kan worden gewerkt. Zichtbaarheid van de LBK inclusief leidingwerk dient tot een minimum beperkt te worden. Indien schachten nabij een leer- of werkplek zijn, kan dit van invloed zijn op de maximaal toelaatbare luchtsnelheid ter voorkoming van geluidsoverlast.

De ventilatielucht wordt, via een kanalensysteem dat op de luchtbehandelingskast(en) is aangesloten, aan de betreffende ruimten toe- en afgevoerd. Dit kanalensysteem is ondergebracht in de schachten en de verlaagde plafonds.

8.4 Luchtbehandelingsinstallatie

Uitgangspunten

De luchtbehandelingsinstallatie dient te voorzien in het realiseren van de in dit document benoemde eisen en richtlijnen.

In de luchtbehandelingskast/ ventilatie-units dient de lucht te worden gefilterd, energie uit de beide luchtstromen te worden uitgewisseld, verwarmd of gekoeld en via een centrifugaal ventilator in een kanalensysteem te worden geperst. De luchttoevoer naar de te ventileren ruimten moet plaatsvinden door een kanalenstelsel en via roosters in de vertrekken te worden geblazen. De afzuiging www.icsadviseurs.nl

  

Luchttoevoerkanalen uitwendig isoleren met isolatiematerialen welke voldoen aan de brandveiligheids- en milieueisen. Inwendige isolatie van de luchtkanalen is niet toegestaan. De luchtbehandelingskasten dienen koudebrugvrij te worden uitgevoerd. Alle inblaas- en afzuigvoorzieningen dienen separaat inregelbaar te zijn door middel van deugdelijke volumeregelaars.

42/ 46

De toe- en afvoer van lucht dient zodanig te worden ontworpen dat geen kans bestaat op door luchttransport veroorzaakte hinderlijke geluidsproductie. In de luchtkanalen dienen zowel aan de aanzuigzijde als aan de uitblaaszijde geluidsdempers te worden aangebracht.

8.5 Regeltechnische installaties Uitgangspunten Middels het GBS tenminste mogelijk:  Regelen van warmte technische installatie: warmteopwekking, distributie, afgifte.  Regelen van koude technische installatie.  Dag- en nachtregeling, weekendregeling, gebouwtijdenregeling, vakantieregeling en weersafhankelijke regeling door middel van binnen- en buitenthermostaten.  Sturen van boilervoeding, tapwaterpompen.  Sturen/ regelen van mechanische ventilatie/ luchtbehandelingsinstallatie.  Storingssignalering van de diverse werktuigbouwkundige installaties, zoals drukverhogingsinstallatie.  Sturen/ regelen inblaastemperatuur in ruimte/ per ruimte De verwarming van alle ruimten, m.u.v. inpandige toiletten, werkkasten en bergingen, dienen te worden voorzien van ruimte temperatuurregelaars en motorbediende afsluiters. De regeling dient bedraad te zijn, onbedrade regeling is niet toegestaan. De opnemer dient afhankelijk van de gemeten ruimtetemperatuur en de gewenste ruimtetemperatuur de motorbediende afsluiters van de naregeling meer open of dicht te sturen.

8.6 Warm- en koudwatervoorziening Vanaf de door het water leverende bedrijf op te stellen watermeter dient er een leidingnet aangebracht worden tot op de verbruikerspunten. Direct na de watermeter een terugstroom beveiligingseenheid plaatsen.

www.icsadviseurs.nl

Het waterleidingnet dient zoveel mogelijk uit het zicht worden aangelegd en daar waar nodig geïsoleerd worden om condensvorming te voorkomen. Op het drinkwaterleidingnet tevens aan te sluiten de brandslanghaspels middels een separate leiding/ groep aangesloten op het hoofdleidingnet meteen na de watermeter met tussenplaatsing van een controleerbare keerklep. Het is niet toegestaan dat er op deze groep andere tappunten worden aangesloten (bijvoorbeeld vulpunt cv of buitenkranen). Ter voorkoming van legionellagroei dient er aandacht te worden besteed aan de ruimtetemperatuur om het opwarmen van het drinkwater te voorkomen. Daar waar koudwaterleidingen worden aangebracht mag de ruimtetemperatuur maximaal 23º Celsius te bedragen. De waterinstallatie zodanig te ontwerpen dat opwarmen door de verwarmingsleidingen wordt voorkomen, waardoor een temperatuur van >25º C bij koudwaterleidingen niet mogelijk is. Om zo veel mogelijk stilstand van water te voorkomen dient een met regelmaat gebruikt toestel (bijvoorbeeld een toilet) als laatste toestel op de leiding worden gemonteerd. Om stilstaand water te voorkomen dienen sporadisch gebruikte tappunten (bijvoorbeeld een vulkraan cv of gevelkommen) tot op het toestel stromend worden aangesloten door middel van stromende muurplaten of Tstukken.

Norm(en) model aansluitwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven In Nederland (VEWIN-werkbladen laatste editie) NEN 1006 ISSO publicatie 55.10: Handleiding legionella-preventie in leidingwater

Uitgangspunten  

Breng waterleidingen zoveel mogelijk buiten het zicht, maar wel goed bereikbaar aan. Koud- en warmwaterleidingen ver genoeg uit elkaar (min. 150 mm); Geen koudwaterleidingen in vloeren waarin vloerverwarming is opgenomen. 43/ 46

  

   

Voorkomen van dode leidingdelen. De warmwatertappunten moeten een constante waterstroom geven passend bij de functie van de aangesloten sanitaire apparaten. Het hele waterleidingssysteem dient zodanig te zijn ontworpen dat met behulp van leidingafsluiters gebouwsecties afgesloten kunnen worden zonder dat dit consequenties heeft voor de brandslanghaspels. Voor het onderhoud, vervangen van kranen/ sanitaire toestellen, worden stopkranen voorzien. Ter voorkoming van verbranding aan heet water dient de temperatuur van het uitstromende water in alle ruimten geblokkeerd te zijn middels een thermostaatkraan op maximaal 38°C. Appendages die waterslag in de installatie kunnen veroorzaken, dienen niet te worden toegepast. Beperk het energieverbruik van boilers door deze eventueel te koppelen aan het GBS-systeem. Verzegelde brandslanghaspels opnemen. Bij het passeren van een brandscheiding dient de sparing door een gecertificeerd bedrijf brandwerend te worden afgewerkt.

De volgende toestellen dienen voorzien te worden van een warmwateraansluiting:      

Douchecombinaties MIVA-wastafelcombinaties Aanrechtcombinaties/ pantry’s Uitstortgootsteen combinaties Keuken Wastroggen

Wachttijden in het warmwatersysteem dienen minimaal te zijn. Bij het toepassen van een warmwater-recirculatiesysteem moet er tot vlak bij het tappunt warmwater gecirculeerd worden. Warmwater-recirculatieleidingen dienen thermisch geïsoleerd te zijn.

Aandachtspunten 

Toepassen automatische spoelers.

Door de uitvoerende partij op te stellen:  

Risicoanalyse, bij ingebruikname. Legionellabeheerplan, binnen drie maanden na ingebruikname.

8.7 Brandbestrijdingsinstallaties Het gebouw moet voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende bouwbesluit en plaatselijke regelgeving en richtlijnen. Er dient naar aanleiding van de nieuwbouw een integraal plan inclusief vluchtrouteaanduiding voor de hele locatie te worden opgesteld. De benodigde brandslanghaspels conform bouwbesluit plaatsen, verdeeld over het gebouw. De brandslanghaspels monteren in een brandslanghaspelkast en aansluiten op het drinkwaterleidingnet. De definitieve plaats en lengtes van de diverse brandslanghaspels vaststellen. Uitgangspunt is een minimale voordruk van 150 kPa op de brandslanghaspels met een minimale capaciteit van 1,4 m3/ h en een maximale slanglengte van 30 meter (afstand uiterste hoek tot bsh 30/ 1,5 + 5 = 25 meter). Hierbij wordt uitgegaan van het gelijktijdig gebruik van 2 brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde drinkwatervoorziening. Aanvullend:   

In technische ruimten dient een schuimblusser te worden geplaatst. Handbrandblusser (vetbrandblusser) en branddeken in de keuken. Bij toepassing van een sprinklerinstallatie dient deze geïntegreerd te worden met de bestaande installatie indien mogelijk en gecertificeerd te worden door een geaccrediteerde instantie.

8.8 Vloeistofafvoersystemen Vloeistofafvoersystemen dienen geïntegreerd te worden met de bestaande situatie waarbij de volgende uitgangspunten in acht worden gehouden. www.icsadviseurs.nl

44/ 46

De hemelwaterafvoer- en rioleringsleidingen moeten zoveel mogelijk buiten het gebouw, in schachten en boven akoestisch minder kritische ruimten worden gesitueerd. De inpandige leidingen in de verlaagde plafonds en schachten thermisch, dampdicht en akoestisch uitwendig isoleren. Situering boven bijvoorbeeld kantoorruimten en leslokalen, vereist de toepassing van akoestische voorzieningen. De hemelwaterafvoerinstallatie behorende tot het gebouw eindigt op een aangesloten (gescheiden) gemeentelijk rioleringsstelsel dan wel op infiltratievoorziening (grindkoffer of wadi). De capaciteit van de systemen dient te worden afgestemd op de te verwachten behoefte. Daar bovenop dient een reservecapaciteit te worden aangehouden. Dit dient te worden afgestemd met de opdrachtgever.

8.8.1 Vuilwaterafvoer Het gebouw dient voorzien te worden van een leidingenstelsel dat geschikt is voor de afvoer van, middels lozingstoestellen afgevoerd, vuil drinkwater en overige stoffen op het openbaar riool. Uitgangspunten 

Het stelsel dient binnen voorzien te worden van de benodigde ontspanningsleidingen, ontstoppings- en expansiestukken en buiten voorzien te worden van controleputten en ontstoppingsstukken. Indien noodzakelijk uit oogpunt van gezondheid of veiligheid dient het gebouw voorzien te worden van lozingstoestellen waar specifieke stoffen geloosd worden. Het stelsel dient bestand te zijn tegen de lozing van zuren en basen op plaatsen waar, vanuit het gebruik, dergelijke lozingen verwacht kunnen worden. In keukens dient in de afvoerleidingen een olieafscheider/ vetvangput te worden opgenomen. Voor het reinigen van keuken(s) en toiletgroepen kunnen vloerputjes handig zijn. Het is raadzaam de schoonmaakdienst bij deze keuze te betrekken.

www.icsadviseurs.nl

45/ 46

9. Transporttechnische installaties In de ontwerpfase dient een capaciteitsberekening te worden opgesteld en aangeleverd te worden waarbij de capaciteit van de liften in de bestaande bouwdelen meegenomen wordt. Uitgangspunten       

 

Liften dienen bij voorkeur in de nabijheid van trappen gesitueerd te worden, centraal gelegen in het gebouw of gebouwdeel. Liftinstallaties dienen conform het ‘Handboek voor Toegankelijkheid’ gerealiseerd te worden. De liftinstallatie dient met behulp van een sleutel of ‘tag’ bedienbaar te zijn. De materialisatie betreffende bediening, deuren en cabineafwerking dient vandaalbestendig te zijn uitgevoerd. De liftinstallatie dient op het GBS te worden aangesloten ten behoeve van signalering en afhandeling van storingen. Alarm- en storingsmeldingen vinden plaats naar een eigen PAC via een GSM-verbinding. De liftinstallatie dient bij een brandmelding naar beneden te worden gestuurd en daar met geopende deuren in de brandweerstand te worden geschakeld. Voorzie liften aan binnen- en buitenzijde van etageaanduiding. De lift heeft minimaal een energielabel B en wordt, indien mogelijk, voorzien van regeneratieve aandrijving indien dit leidt tot energiebesparing.

De liftinstallatie dient gekeurd te worden door het Nederlands Instituut voor Lifttechniek. Na goedkeuring dient het certificaat van veiligheid bij de opleveringsstukken gevoegd te worden.

www.icsadviseurs.nl

46/ 46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11262380/1