CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

14 Hart van Haghorst (5 bijlage 2b Technisch PvE Hart van Haghorst)

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel uitwerking Hart van Haghorst.16.193 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Technisch Programma van Eisen ‘Hart van Haghorst’ Nieuwbouw voor onderwijs, kinderopvang, gym/evenementenzaal en MFA

Opdrachtgever Gemeente Hilvarenbeek Referentienummer 2210404/20220127IJ

De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever DatumICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze waarmee uitgave. De inhoud 27 januari 2022en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is Auteur(s)inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in uitgesloten, een geautomatiseerd of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, Niels Geerts, Ingegegevensbestand, Janssen hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

4

1.1

Doel en scope

4

1.2

Aanpak en proces: van grof naar fijn

4

1.3

Leeswijzer

5

Deel I Algemene uitgangspunten

6

2.

7

Kaders en uitgangspunten

5.

17

5.3

Luchtvochtigheid

19

5.4

Akoestiek en geluidshinder

20

5.5

Daglicht

22

5.6

Zon- en helderheidswering

23

5.7

Buitenmilieu

23

5.8

Brandveiligheid

24

Bouwkundige eisen

25

Wettelijk eisen, richtlijnen en handleidingen

7

6.1

Algemeen

25

2.2

Kaders vanuit Hart van Haghorst

8

6.2

Vloeren

25

6.3

Buitenwanden

26

6.4

Binnenwanden

27

6.5

Trappen en hellingen

28

6.6

Installatieruimten, schachten en kabelgoten

28

6.7

Hang- en sluitwerk

29

6.8

Sanitair

29

6.9

Spoel- en wasvoorziening

30

Ambitie

10

Ambitieniveau

11

3.1

Duurzaamheid

11

3.2

Logistieke kwaliteit

12

3.3

Menselijke maat

12

3.4

Veiligheid

13

3.5

Beheer en exploitatie

13

Deel III 4.

Binnenklimaat en binnenmilieu

2.1

Deel II 3.

6.

5.2

Technische eisen

Terrein

14 15

6.10 Schoonmaakruimten

30

6.11 Doucheruimten

30

6.12 Glasbewassingsvoorziening

31

6.13 Bouwkundige voorzieningen technische installaties

31

6.14 Programma van Eisen-specifieke inrichting

31

4.1

Algemeen

15

4.2

E- en W-installaties

16

4.3

Parkeren

16

4.4

Terreinafscheiding en omheining

16

7.1

Centrale elektrotechnische voorzieningen

33

4.5

Terrein- en gevelverlichting

16

7.2

Verlichting

35

Bouwfysische uitgangspunten

17

7.3

Terrein- en gevelverlichting

36

7.4

Communicatie

37

5.1

Energieprestatie

17

7.

Elektrotechnische installaties

33

7.5

8.

9.

Beveiliging

Werktuigbouwkundige installaties

38

41

8.1

Warmteopwekking

41

8.2

Koudeopwekking

41

8.3

Ventilatie

42

8.4

Luchtbehandelingsinstallatie

42

8.5

Regeltechnische installaties

43

8.6

Warm- en koudwatervoorziening

43

8.7

Brandbestrijdingsinstallaties

44

8.8

Vloeistofafvoersystemen

44

Transporttechnische installaties

46

1. Inleiding

Het in dit document omschreven prestatieniveau geldt als minimaal vereist kwaliteitsniveau voor huisvesting, welke op onderdelen uitstijgt boven het niveau van het bouwbesluit.

1.1 Doel en scope Voor u ligt het T PvE (Technisch Programma van Eisen) dat de technische uitgangspunten voor de nieuwbouw voor onderwijs, kinderopvang, gym/evenementenzaal en dorpsvoorziening en horeca (MFA) in Haghorst. Hierin zijn de technische eisen uitgewerkt met betrekking tot het gebouw en gebouwgebonden installaties. Tezamen met het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen (RF PvE), dat in samenwerking met de toekomstige hoofdgebruikers separaat wordt opgesteld zijn deze documenten input voor de nog te selecteren adviseurs (o.a. architect, adviseur installaties, constructeur, adviseur bouwfysica, etc.). Het T PvE zal samen met het RF PvE ingebracht worden als onderdeel binnen de grotere ontwikkeling van het ‘Hart van Haghorst’ waarvan het onderwijs, kinderopvang, gym-/evenementenzaal, dorpsvoorziening en horeca een onderdeel van uitmaakt. De eisen & wensen dienen in samenhang met elkaar te worden bezien en kennen een overlap. Techniek en ruimtelijke functionaliteit gaan hand in hand en kunnen niet afzonderlijk van elkaar gerealiseerd worden. Functionele uitgangspunten zijn vertaald naar technische uitgangspunten en (waar nodig) vice versa. Deze documenten vormen tezamen de uitgangspunten voor de complete ontwerpopgave en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De eisen zijn zo veel mogelijk geformuleerd als verwijzingen naar bestaande normen en praktijkrichtlijnen.

Een deel van de NEN-normen is wettelijk voorgeschreven door verwijzingen in het Bouwbesluit. Daar waar in deze normen en praktijkrichtlijnen keuzen moeten worden gemaakt, of waar voor dit project eisen worden gesteld die boven de eisen van de richtlijnen uitgaan, worden deze eisen vermeld, eventueel voorzien van een toelichting. Het T PvE schrijft aanbevelingen en aanvullingen voor op de eisen en richtlijnen die wettelijk gesteld worden. Het T PvE heeft tot doel de technische uitgangspunten op hoofdlijnen te formuleren waarmee in de ontwerpfase, bestekfase en uitvoeringsfase van het gebouw rekening moet worden gehouden. Het betreft hier eisen die een minimaal prestatieniveau aangeven en voor het gehele gebouw gelden.

1.2 Aanpak en proces: van grof naar fijn Het T PvE maakt onderscheid tussen de algemene uitgangspunten (deel I) en de technische uitwerking (deel II). De technische uitwerking geeft de minimaal gewenste kwaliteit weer van het te realiseren gebouw. De door de ontwerpende partijen op te stellen plannen zullen aan de hand van de gestelde voorwaarden worden getoetst. De technische uitgangspunten geven de prestatie-eisen weer. In principe worden geen oplossingen voorgeschreven. In het ontwerpproces zullen de door de ontwerpers gekozen oplossingen goedgekeurd moeten worden door (een vertegenwoordiging van) de opdrachtgever en gebruikers. Ontwerpende partijen, van wie een kritische houding wordt verwacht, hebben een adviserende functie ten aanzien van de realisatie van aandachtspunten in het gebouw. Zij dienen de opdrachtgever te wijzen op mogelijke alternatieve invullingen waarbij zij opdrachtgever informeren over de voor- en nadelen van de alternatieven teneinde een optimale afstemming te krijgen tussen ontwerp, wensen en mogelijkheden. Streven hierbij is het maximaal (technisch en financieel) haalbare te realiseren waarbij altijd teruggevallen kan worden op de eisen in dit document. Ook de opdrachtgever kan wijzigingen en alternatieven aandragen. Ook in dat geval adviseren de ontwerpende partijen opdrachtgever bij het maken van een keuze.

Aandachtspunten

1.3 Leeswijzer Deel I en Deel II Na het inleidende eerste hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 met vermelding van de algemeen geldende wet- en regelgeving die van toepassing is en die bij de ontwerpende partijen als bekend mag worden verondersteld.

Aandachtspunten zijn niet leidend of bindend maar onderdeel van het onderzoek van de ontwerpopgave. Deze dragen bij aan een verdere optimalisatie van gestelde uitgangspunten en bieden daarmee handvatten voor ontwerp- en/ of bouwteam bij de verdere uitwerking.

Deel III Dit deel geeft een korte schets van essentiële technische uitgangspunten, zoals omgeving, flexibiliteit, beheer & exploitatie en het binnenklimaat. De uitgangspunten worden verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 tot en met 10 in specifieke ontwerpuitgangspunten en technische richtlijnen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in:     

Bouwkundige werken Bouwfysische uitgangspunten Elektrotechnische installaties Werktuigbouwkundige installaties Transportinstallaties

Markeringen Om het onderscheid aan te geven tussen prestatie-eis, criteria en uitgangspunten enerzijds en anderzijds aandachtspunten aan te duiden worden de volgende markeringen in kaders gehanteerd. <betreffende eis> Dit betreft de minimale prestatie. Uitgangspunten 

Uitgangspunten, als toelichting en/ of aanvulling op de prestatie-eis.

Norm(en) De te hanteren normen, voor zover die niet zijn vervangen voor een meer recente versie die gehanteerd dient te worden.

De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.

Deel I Algemene uitgangspunten De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICSadviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICSadviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICSadviseurs B.V., d.d. december 2008, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICSadviseurs B.V.

2. Kaders en uitgangspunten 2.1 Wettelijk eisen, richtlijnen en handleidingen Onverkort hetgeen in dit Functioneel Technisch Programma van Eisen is gesteld, dient een gebouw te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Hieronder valt het vigerend Bouwbesluit incl. de hierop volgende wijzigingen en de daarin voorgeschreven NEN-normen, de gemeentelijke bouwverordening en het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast wordt ook voldaan aan de criteria die gesteld zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit, eisen samenhangend met veiligheid en de hygiënerichtlijnen (HACCP). Indien in het onderliggende document onverhoopt kwaliteiten van een lager niveau dan de geldende wettelijke eisen en/ of richtlijnen worden beschreven, prevaleren de wettelijke eisen en/ of richtlijnen. Wanneer in het vervolg van deze rapportage wordt verwezen naar NEN-normen of andere richtlijnen, dient te allen tijde de meest actuele versie van de betreffende norm of richtlijn gehanteerd te worden, inclusief alle op deze norm of richtlijn betrekking hebbende verwijzingsbladen en/ of correctiebladen.

Het voorschrijven van deze regels ontneemt adviseurs nimmer de plicht om opdrachtgever te wijzen op andere, nieuwe en/ of verbeterde wettelijke eisen, richtlijnen en handleidingen welke betrekking hebben op onderhavige opgave voor zover zij daar kennis van hebben of verondersteld mag worden dat zij daar kennis van hebben.

2.1.1 Wet- en regelgeving 2.1.1.1 Bouwbesluit Toetsing ten behoeve van de bouwvergunning zal plaatsvinden aan de hand van de op dat moment geldende versie van het bouwbesluit. De eisen van het Bouwbesluit voor nieuw te bouwen bouwwerken bevatten de minimum bouwtechnische voorschriften omtrent veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu.

www.icsadviseurs.nl

In het Bouwbesluit staat welke NEN-normen van toepassing zijn en welke kwaliteitsverklaringen kunnen worden toegepast. De NEN-normen geven bepalingsmethoden aan waarmee aan de prestatie-eisen wordt voldaan. De normen worden uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). 2.1.1.2 Gemeentelijke bouwverordening en bestemmingsplan De huisvesting dient te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de gemeentelijke bouwverordening en binnen het geldende bestemmingsplan. Er mag geen wettelijke belemmering bestaan om het gebouw en terrein in gebruik te nemen of te houden voor de beoogde functie. Tevens dient in de aanvraag van de omgevingsvergunning en bij ingebruikname rekening te worden gehouden met de bepalingen en voorschriften van de plaatselijke brandweer die opereert binnen de veiligheidsregio. 2.1.1.3 Drank en horeca wet De ruimten die van toepassing zijn op de horeca dienen te voldoen aan de drank en horeca wet.

2.1.2 Richtlijnen 2.1.2.1 Arbeidsomstandigheden besluit (Arbowetgeving) Het bouwbesluit is afgestemd met het Arbobesluit met betrekking tot de bouwtechnische Arbo-voorschriften. Tevens dient ervoor gezorgd te worden dat het gebouw bij ingebruikname in overeenstemming is met onder meer de dan geldende eisen die ingevolge de Arbowet gesteld worden aan de arbeidsomstandigheden van gebruikers en bezoekers van het gebouw. De nodige aandacht dient derhalve te worden besteed aan de arbeidsomstandigheden, waarbij de van overheidswege vastgestelde voorschriften, wetten, normen en Arbo-informatiebladen (AI-bladen) in acht dienen te worden genomen. 2.1.2.2 GGD richtlijnen t.b.v. kinderopvang (RIVM) De richtlijnen vanuit de GGD t.b.v. kinderopvang zijn van toepassing.

7/ 46

2.1.2.3 Kwaliteitskader huisvesting Kinderopvang Het Kwaliteitskader is een document met een aantal kwaliteitscriteria ten aanzien van de Beleving, Gebruik en Techniek van een kinderdagverblijf. Dit voor zowel de kinderopvang (0-4 jaar) als de Buitenschoolse opvang (4-12 jaar). 2.1.2.4 Stedenbouwkundige kaders De beoogde ontwikkeling van het dorp Haghorst is vastgelegd in een sociaal ruimtelijke visie, d.d. 23 juli 2020. Voor de ontwikkeling van ‘Hart van Haghorst’ wordt een bestemmingsplan met bijbehorend beeldkwaliteitsplan opgesteld. 2.1.2.5 Toegankelijkheid Toegankelijkheid is de eigenschap van gemaakte voorzieningen (o.a. buitenruimten, producten en gebouwen), die maakt dat mensen alle ruimten in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen bereiken en betreden en alle functies in die voorzieningen zo zelfstandig en gelijkwaardig mogelijk kunnen gebruiken. Het uitgangspunt hierbij is dat (standaard)voorzieningen die in het gebouw zijn opgenomen ook integraal toegankelijk zijn of dat er ook gelijke integraal toegankelijke voorzieningen zijn opgenomen. Het gebouw dient zoveel mogelijk integraal bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar te zijn voor iedereen, ook voor personen met een lichamelijke en/ of functionele beperking.

Hiermee worden niet uitsluitend rolstoelgebruikers bedoeld, maar ook bijvoorbeeld leerlingen met een functiebeperking van andere aard en mensen met een visuele, auditieve of andere beperking. Wat betreft de toegankelijkheid van het gebouw wordt gestreefd te voldoen aan de meest recente versie van het Handboek Toegankelijkheid. Met betrekking tot toegankelijkheid en logistiek wordt onderscheid gemaakt tussen toegankelijkheid voor personen (medewerkers, leerlingen en bezoekers) en de logistieke stroom van goederen. Deze dienen zoveel mogelijk gescheiden plaats te vinden zodat er geen overlast ontstaat.

2.1.2.6

Hygiënerichtlijnen (HACCP)

gedwongen alle hygiënerichtlijnen uit te werken en na te streven. De gebruiker is zelf verantwoordelijk voor het schrijven van dit onderliggende HACCP-plan. 2.1.2.7 Overig De huisvesting moet voldoen aan alle wettelijke vastgelegde veiligheidseisen. Zowel het eindresultaat alsmede de tijdelijke situatie gedurende de realisatiefase. Daarnaast gelden aanvullende eisen, gericht op het bevorderen van de veiligheid en het waarborgen van de continuïteit van primaire en secundaire bedrijfsprocessen. De sociale veiligheid, gezondheid en het welbevinden moeten (door of vanwege de ligging van het gebouw) gewaarborgd zijn.

2.2 Kaders vanuit Hart van Haghorst Het totale pakket van eisen dient zorgvuldig in acht te worden genomen. Daarbij dient voor samenhang tussen de volgende onderdelen te worden gezorgd:  De functionaliteit van het gebouw zoals omschreven in het Ruimtelijk Functioneel Programma van Eisen d.d. 27-01-2022 met kenmerk ‘2210404/20220127/BK’.  De onderlinge samenhang van constructies, bouwonderdelen, materialen en installaties.  Onderhoudsbewust gebouw.  De duurzaamheid en milieuvriendelijkheid van constructies en materialen.  Energieneutraliteit.  De veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de gebruikers.  Een prettig binnenklimaat, Frisse scholen klasse B.  Een milieubewust energiebeheer. Aandachtspunten 

Het Hart van Haghorst betreft een gebiedsontwikkeling die meer omvat als de realisatie van de MFA, basisschool, kinderopvang en gym-/ evenementenzaal. Raakvlakken met de overige delen van de gebiedsontwikkeling dienen met de opdrachtgever afgestemd te worden. De appartementen en grondgebonden woningen maken geen onderdeel uit van het programma.

Alle bedrijven, scholen en instellingen die levensmiddelen produceren, bewerken, transporteren en/ of opslaan, zijn verplicht een HACCP-systeem in te voeren en te onderhouden. In het daaronder liggende HACCP-plan wordt de gebruiker

www.icsadviseurs.nl

8/ 46

2.2.1 Bedrijfstijden Onderscheid maken in onderwijs, kinderopvang, sport en MFA. De bedrijfstijden dienen gedurende de ontwerpfase geverifieerd te worden met opdrachtgever en de toekomstige gebruikers. 2.2.1.1

Gym-/ evenementen en MFA

Bedrijfstijden

Onderwijs

Bedrijfstijden Van

tot

Maandag

8.00

17.00

Dinsdag

8.00

17.00

Woensdag

8.00

17.00

Donderdag

8.00

17.00

Vrijdag

8.00

17.00

Zaterdag

Gesloten

Zondag

Gesloten

2.2.1.2

2.2.1.3

Van

tot

Maandag

9.00

01.00

Dinsdag

9.00

01.00

Woensdag

9.00

01.00

Donderdag

9.00

01.00

Vrijdag

9.00

01.00

Zaterdag

9.00

02.00

Zondag

9.00

02.00

Kinderopvang

Bedrijfstijden Van

tot

Maandag

7.00

19.00

Dinsdag

7.00

19.00

Woensdag

7.00

19.00

Donderdag

7.00

19.00

Vrijdag

7.00

19.00

Zaterdag

Gesloten

Zondag

Gesloten

www.icsadviseurs.nl

9/ 46

Deel II Ambitie

www.icsadviseurs.nl

10/ 46

3. Ambitieniveau Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van uitgangspunten die worden gehanteerd betreffende de algemene technische uitgangspunten die van belang zijn voor een goede basiskwaliteit van het nieuwe gebouw. De uitgangspunten zijn geclusterd naar aspecten die te maken hebben met het fysieke gebouw en de aspecten die te maken hebben met het gebruik.

De eis is om de nieuwbouw minimaal conform Programma van Eisen Frisse Scholen niveau B, versie 2021 te realiseren.

3.1 Duurzaamheid Bij duurzaamheidsinvesteringen is Total Cost of Ownership (TCO) het uitgangspunt voor besluitvorming.

3.1.1 Flexibiliteit De tijdshorizon voor ontwikkelingen en vernieuwingen in het onderwijs is vrij kort in vergelijking tot de levensduur van het gebouw. Met het oog op toekomstige veranderingen in de omvang en de aard van de te huisvesten functies, dient in het ontwerp op verschillende manieren flexibiliteit te worden ingebouwd. Flexibiliteit mag niet leiden tot een matige uitstraling. Bij zowel het ruimtelijk/ constructief concept als het installatietechnisch concept zijn aanpassingen na ingebruikname zeer kostbaar en lastig. Daarom dient bij het ontwerp te worden gestreefd naar aanpasbaarheid op de lange termijn om een dynamisch en toekomstbestendig gebouw te creëren, hetgeen op de lange termijn leidt tot lagere vervangingskosten. Bij het ontwerpen van het indelingsconcept en het inrichtingsconcept dient juist te worden gestreefd naar flexibiliteit op de korte(re) termijn. In deze twee concepten moeten aanpassingen na ingebruikname eenvoudig, met minimale kosten en minimale overlast te realiseren zijn. Voor het indelingsconcept is een systematische maatvoering een belangrijk aandachtspunt, zowel bouwkundig als installatietechnisch.

www.icsadviseurs.nl

Voor het inrichtingsconcept is de mate waarin ruimten eenvoudig aan te passen zijn aan de wensen van het gebruik van dat moment van belang. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: 

Indelingsflexibiliteit ─ Lange termijn ─ Korte termijn Onderhoudsflexibiliteit

Indelingsflexibiliteit De stramienmaat van het gebouw dient op het gebruik te zijn afgestemd. De toepassing van een bepaalde keuze voor stramienmaat of meerdere stramienmaten dient consequent opgezet te worden. De draagconstructie dient zodanig gekozen te worden dat deze de functionaliteit en/ of herindeling niet belemmert, zodat de mogelijkheden om ruimten multifunctioneel in te zetten toenemen. Constructief vaste elementen in de opbouw van het gebouw zijn de constructieve trappen, de lift, de schachten en sanitaire groepen. Deze elementen dienen zoveel mogelijk geconcentreerd te worden teneinde de herindeling en flexibiliteit te vergroten. Installaties en installatieruimten dienen zodanig ontworpen te worden dat incidentele wijzigingen van de ruimten zonder ingrijpende wijzigingen van de basisinstallatie kunnen plaatsvinden. Hierdoor wordt de indeelbaarheid van het gebouw bevorderd. De basisinstallatie en hoofdinfrastructuur dient hierin geen belemmerende factor te zijn.

Onderhoudsflexibiliteit Gebruikte materialen dienen goed uitwisselbaar te zijn, bij vervanging goed bereikbaar te zijn en dienen eenvoudig gedemonteerd te kunnen worden. Bij voorkeur worden geen voor het project ontwikkelde of aangepaste materialen toegepast.

11/ 46

3.1.2 Energie Als minimale eis wordt een Energie Neutraal Gebouw (ENG) gerealiseerd met als ambitie als aanvullende eis nul-op-de-meter (NoM). In een kaderstellend overleg dienen over de uitgangspunten en bekostiging nadere afspraken gemaakt te worden.

In het ontwerp dient rekening gehouden te worden met deze afsluitbaarheid met het oog op veiligheid in brede zin en functionaliteit zoals gebruik kunnen maken van toiletten. Vanwege de verschillende gebruikstijden wordt met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers een sluitplan opgesteld.

3.1.3 Circulariteit Nederland heeft zich ten doel gesteld om in 2050 100% circulair te zijn. Dat wil zeggen dat er niet meer gebruik wordt gemaakt van nieuwe grondstoffen (mineralen, metalen en fossiel). De ambitie is om een (gedeeltelijk) circulair gebouw te realiseren daar waar dit kostenneutraal uitgevoerd kan worden. Van de nog te selecteren adviseurs wordt verwacht hier een pro-actieve houding om hier in het ontwerp invulling aan te geven. In een kaderstellend overleg worden nadere afspraken gemaakt over toepassingen of maatregelen m.b.t. circulariteit.

3.1.4 Gezondheid In de nieuwbouw dient duurzaam en op een plezierige wijze verbleven te kunnen worden vanuit het oogpunt van gezondheid, welzijn, veiligheid en bruikbaarheid. Gebruik en beleving dragen hieraan bij doordat de omgeving als comfortabel, veilig en plezierig dient te worden beschouwd. Bijvoorbeeld door een comfortabel binnenklimaat, goede akoestiek en voldoende (dag)licht. Ook levend groen kan een bijdrage aan het welbevinden leveren. Dit maakt onderdeel uit van de ontwerpopgave.

3.2 Logistieke kwaliteit Logistieke kwaliteit heeft te maken met de toegankelijkheid en de bruikbaarheid van het gebouw. Om het gebouw goed werkbaar te maken, dient het gebouw te beschikken over een duidelijke structuur die overzicht biedt. De verkeersruimten en verticale transportmiddelen dienen een bepaalde capaciteit te hebben om de piekmomenten in de verkeersstromen op te kunnen vangen. Sommige delen van het gebouw moeten zelfstandig kunnen functioneren zonder dat dit invloed heeft op de overige delen. Hiertoe dient het gebouw opgedeeld te worden in een (beperkt) aantal clusters/ compartimenten, zowel ruimtelijk als installatietechnisch. Delen van het gebouw moeten afgesloten en beveiligd kunnen worden, terwijl andere delen in gebruik zijn. www.icsadviseurs.nl

3.3 Menselijke maat Primair biedt het gebouw aan gebruikers onderdak en bescherming tegen weersinvloeden. Daarnaast is het belangrijk dat het gebouw aansluit bij de activiteiten en behoeften van de gebruikers. De menselijke maat is een belangrijke factor in het ontwerp van het gebouw; de wijze waarop de mens als gebruiker zich door het gebouw beweegt en hoe hij dit bij gebruik van het gebouw ervaart worden beïnvloed door de maat van het gebouw. Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de beleving van de ruimte voor iedereen anders is. De omvang van ruimten (zowel de vorm als de hoogte) dient afgestemd te worden op de menselijke maat. Een ruimte kan een verloren of benauwd gevoel oproepen; door rekening te houden met de verhouding tussen gebruiker en gebouw dient dit te worden voorkomen. Ooghoogte en uitzicht (zittend en staand) is een interessante maat voor de positionering van wanddoorbrekingen en de indeling van de open gevel. Een mens neemt afhankelijk van de activiteit een bepaalde beweegruimte in. Luisteren naar een presentatie vraagt om een andere ruimtebehoefte per persoon dan het spelen in een speelzaal. Samen met een inschatting van het aantal mensen in een ruimte bepaalt de beweegruimte de ruimtebehoefte van een activiteit of een functie.

Indien in een ruimte meerdere activiteiten (soms ook) tegelijkertijd zullen plaatsvinden, moet hiermee rekening worden gehouden. Naast de ruimte die de activiteit zelf vraagt, is ook de ruimte van belang die deze activiteit ondersteunt, zoals lopen, opruimen en ontmoeten. Het maken van inrichtingstekeningen (plattegrond met losse en vaste inrichting) maakt de ruimtelijke consequenties van de diverse activiteiten in een vertrek inzichtelijk. Van het ontwerpteam wordt het maken van deze inrichtingstekeningen gevraagd.

12/ 46

3.4 Veiligheid Veiligheid, beveiliging en toegangsbeheer hebben betrekking op het maximaliseren van het veiligheidsgevoel van gebruikers in het gebouw en op het terrein. De sociale veiligheid en het welbevinden dienen gewaarborgd te zijn. Het veiligheidsgevoel ontstaat door het voorkomen van inbreuken op de persoonlijke veiligheid en het voorkomen van fysieke en psychische overlast door nietgewenste bezoekers. De beveiligingsmaatregelen tegen onder meer inbraak, brand, diefstal en vandalisme kunnen worden opgesplitst in vijf hoofdgroepen, te weten: 1. Planologische aspecten; 2. Organisatorische maatregelen; 3. Bouwkundige maatregelen; 4. Compartimentering; 5. Elektronische maatregelen. Aan alle aspecten dient bij het ontwerp aandacht te worden besteed en dient te worden afgestemd met de betreffende interne verantwoordelijken. Het gebouw moet beschermd worden tegen de risico’s van inbraak en diefstal, vandalisme, brand, e.d. Adviseurs binnen het ontwerpteam dienen adequate op elkaar afgestemde veiligheidsvoorzieningen in het ontwerp op te nemen. Hulpdiensten moeten het terrein, het gebouw en de ruimten in het gebouw eenvoudig kunnen bereiken.

3.5 Beheer en exploitatie Het beheer en de exploitatie vormen na de initiële investering een behoorlijke kostenpost. Exploitatiekosten zijn onder meer de kosten voor energie, gebouwonderhoud, schoonmaak- en terreinonderhoud en de loonkosten van een conciërge of beheerder. Een optimaal exploitabel gebouw houdt in dat de som van de investeringen en exploitatiekosten over de levensduur van de gebouw- en installatieonderdelen zo laag mogelijk is. Slimme ontwerpkeuzes en/ of een meerinvestering met als doel de exploitatiekosten te verlagen, verdienen zich in een aantal jaren terug. Van het ontwerpteam wordt verwacht de gebruikers hierover van advies te voorzien.

www.icsadviseurs.nl

13/ 46

Deel III Technische eisen

www.icsadviseurs.nl

14/ 46

4. Terrein In dit hoofdstuk worden de eisen omschreven die door de gebruikers gesteld worden aan het terrein en de inrichting van het terrein. Het volledig afwerken en inrichten van het terrein valt binnen het ontwerp. Het betreft hier zaken zoals verhardingen, buitenverlichting, terreinafscheidingen, fietsenstallingen (overdekt en niet overdekt), parkeerplaatsen (auto), buitenbergingen, opstelplaats containers, elektrotechnische & werktuigbouwkundige voorzieningen (zoals riolering, drainage, verlichting, oplaadpunten elektrische fietsen en auto’s), groenvoorziening, waterberging & onverhard (school)plein, verhard (school)plein, ontsluitingen, banken, hekwerk, et cetera. Voor het terrein-, gebouw- en installatieontwerp dient vroegtijdig met de opdrachtgever en de toekomstige gebruikers te worden overlegd om zodoende hun eisen en procedure af te stemmen. Aandachtspunten       

Erfdienstbaarheden. Onderzoek in het kader van de Flora- en Faunawet. Onderzoek naar de waterhuishouding tijdens en na de bouw. Bodemonderzoek. Geluid als gevolg van omliggende wegen en toegangsroutes. Geluid als gevolg van eventuele installaties op het dak. Grondonderzoek.

Bestaande grondonderzoeken kunnen worden toegepast mits zij voldoen aan de huidige eisen. Aan de hand van de resultaten van het funderingstechnisch bodemonderzoek worden de funderingsconstructies bepaald.

4.1 Algemeen Indeling van het terrein en vaste terreininrichting dienen aan te sluiten bij de wensen ten aanzien van gebruiksindeling van het gebouw. Hierbij valt te denken aan onder andere zitmeubilair, afvalbakken, fietsenstalling voor leerlingen (niet overdekt) en medewerkers (overdekt en afsluitbaar) en autoparkeren. Op het terrein dient in het ontwerp te worden ingericht met:  Verhardingen  Vaste terreininventaris  Groenvoorziening  Riolering en straatkolken  Contactdozen  Waterpunten Aandachtspunten  

Grondonderzoek Ten behoeve van het funderingsontwerp worden door de constructeur voldoende sonderingen alsmede een verkennend en eventueel aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd en een funderingsadvies uitgebracht door ter zake gespecialiseerde onderzoeksbureaus. Onderzocht wordt:  Het draagvermogen van de bodem.  De samenstelling van de bodem.  De verontreiniging van de grond.  De grondwaterstand ten opzichte van NAP.

 

www.icsadviseurs.nl

Zo veel mogelijk scheiden van de verschillende verkeersstromen in verband met veiligheid. Het terrein dient een zodanige afwerking te hebben, dat een duurzaam adequate afvoer van hemelwater i.c.m. benodigde waterberging gegarandeerd is. Op plaatsen waar vrachtverkeer komt in verband met bevoorrading dient de ondergrond en verharding hierop berekend te zijn. Houd rekening met de noodzakelijke vrije toegangs- en doorgangsroutes en opstelplaatsen voor brandweerauto’s, ambulances, taxi’s en vrachtauto’s ten behoeve van het lossen en laden van materiaal en materieel. Indien de glasbewassing geschiedt door middel van een hoogwerker, dient rondom het pand, minimaal één meter vanaf de gevel een deel van minimaal 1,5 meter bestraat te zijn. Let hierbij op de ondergrond en de verharding ervan. Afweging of een waterberging nodig is (bijvoorbeeld wadi, infiltratiebak).

15/ 46

4.2 E- en W-installaties

Kiss-and- ride

Uitgangspunten

Ten behoeve van het halen en brengen van kinderen een kiss-and-ride zone op te nemen in het terreinontwerp met aandacht voor het scheiden van verkeersstromen.

Bouwactiviteiten in en om de bouwdelen en eventuele zakkingen van omliggend terrein mogen geen gevolgen hebben voor het goed functioneren van leidingwerk in en om het gebouw (riolering, h.w.a., elektra, water, internet, etc.). Voedingen ten behoeve van alle in/ op het terrein te plaatsen elektrische toestellen dienen te worden opgenomen. Ten behoeve van de uitpandige opslag, afvalcontainers en dergelijke rekenen op verlichting, wandcontactdozen, aansluitingen vuilpersen, et cetera. Buitenkranen (exact aantal n.t.b.) opnemen, daadwerkelijke positie n.t.b.. Deze kranen en leidingen zo uitvoeren dat ze vorstvrij blijven en van binnenuit afsluitbaar zijn. Vandaalbestendige uitvoering. Indien veel groen wordt toegepast dienen oplossingen aangedragen te worden voor de eventuele beregeningsvoorzieningen.

4.3 Parkeren Het aantal parkeerplaatsen voor auto’s te realiseren conform de parkeernota zoals beschreven in het ruimtelijk functioneel programma van eisen. Parkeren met auto’s en andere motorvoertuigen gebeurt op een plek waarbij aandacht is voor veiligheid van voetgangers en dient geïntegreerd te worden in het terreinontwerp.

Laadinfrastructuur elektrische voertuigen Het huidig vigerende bouwbesluit geeft aan ‘Een gebouw met een parkeergelegenheid met meer dan tien parkeervakken op hetzelfde perceel heeft ten minste een oplaadpunt en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeervakken'.

4.4 Terreinafscheiding en omheining Het terrein dient duidelijk begrensd te zijn, bijvoorbeeld middels groenvoorziening, en moet voldoen aan ‘Kindveilige omheiningen voor openbare ruimten’. Buitenruimte is voor kinderen gemakkelijk en veilig te bereiken, rechtstreeks vanuit de groepsruimte (zowel school als kinderopvang). Kinderen BSO spelen los van 0tot 4-jarigen (kinderopvang). Aandachtspunten 

Wateraansluiting(en) terrein te realiseren in overleg met toekomstige gebruikers.

Aandachtspunten Kinderopvang   

Afsluitbaar (te maken) van de openbare weg Hek/afscheiding is minimaal 120 cm hoog De spijl afstand is maximaal 8 cm, heeft geen opstapmogelijkheid

4.5 Terrein- en gevelverlichting Terreinverlichting dient in aard en omvang zodanig te worden ontworpen dat ten behoeve van oriëntatie, vandalisme- en inbraakpreventie en uit oogpunt van sociale veiligheid de toegangen en de looproute naar de toegangen aangelicht worden, door nabij alle toegangen en op plaatsen waar ‘hangplekken’ kunnen ontstaan, weer- en vandaalbestendige armaturen te plaatsen.

De realisatie van laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen wordt gedurende het ontwerptraject nader afgestemd met opdrachtgever.

www.icsadviseurs.nl

16/ 46

5. Bouwfysische uitgangspunten 5.1 Energieprestatie Naast de verplichting van ENG is er de wens om een nul-op-de-meter gebouw te realiseren. In het ontwerpproces dient middels een variantenstudie aangetoond te worden wat de meest doelmatige manier is op het gebied van investering én exploitatie om te komen tot het niveau van ENG, danwel NoM. Dit heeft invloed op de bouwkosten. Deze meerkosten verdienen zich uiteraard (voor een deel) terug in de exploitatie i.v.m. energiereductie, maar werken ook exploitatiekosten verhogend vanwege het onderhoud aan deze duurzame technieken. Om aansluiting te vinden bij de financiële kaders ten aanzien van het investeringsbudget voor nieuwbouw dient gestreefd te worden naar zoveel mogelijk bouwkundige oplossingen die beschouwd kunnen worden als eenmalige investeringen. NEN norm(en) Berekend conform NTA8800

5.2 Binnenklimaat en binnenmilieu

comforteisen, tijdroosters en werkingsregimes. Per ruimte is het binnenklimaat te regelen. NEN norm(en) Berekend conform NEN-EN ISO 7730 Bij nieuwbouw dient bij de bepaling van de verwarmingsinstallatie uitgegaan te worden van ontwerpruimtetemperaturen. In een wintersituatie bij een buitentemperatuur van -10ºC en een windsnelheid van 5 m¹/ seconde en het volledig in gebruik zijn van alle verwarmings- en ventilatie-elementen dienen de volgende bandbreedten1 ten aanzien van de binnentemperatuur bereikt te worden: Operatieve temperatuur onderwijs, MFA en gym-/ evenementenhal

Operatieve temperatuur zomer

tussen de 23 °C en 26 °C

Operatieve temperatuur winter

tussen de 19 °C en 24 °C

Bandbreedte temperatuur handmatig regelbaar binnen +/- 2 °C

Het klimaat in een ruimte wordt in thermisch opzicht bepaald door de luchttemperatuur, de stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid en de luchtbeweging. Het gebouw dient zodanig te worden ontworpen, dat in het gebouw geen koude of warmte (of tocht) ervaren wordt die zodanig is, dat het functioneren van de gebruiker daardoor beperkt wordt.

Operatieve temperatuur kinderopvang

Er mogen geen hinderlijke temperatuurverschillen ontstaan. Het ontwerp moet zo zijn dat te hoge temperaturen in de zomer zoveel mogelijk beperkt blijven door het op de juiste manier toepassen van bouwmassa, zonwering, ventilatie en koeling. Ook dient er rekening gehouden te worden met de compartimentering van vertrekken met dezelfde- en vergelijkbare thermische behoeften,

Voor groepsruimten in het stookseizoen

tussen de 19 °C en 25 °C

Voor slaapruimten in het stookseizoen

tussen de 15 °C en 19 °C

Voor groepsruimten in de zomer

tussen de 22 °C en 27 °C

Voor slaapruimten in de zomer

maximaal 25 °C

1 Conform het PvE Frissen scholen v. 2021, klasse B

www.icsadviseurs.nl

17/ 46

Individuele regeling

De operatieve temperatuur in het stookseizoen voor ruimten waar niet gewerkt wordt of langdurig verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) is minimaal 18 °C.

Actieve componenten voor verwarming zijn in het stookseizoen per verblijfsruimte handmatig regelbaar met een bandbreedte van minimaal 4 °C binnen de gekozen grenswaarden voor de operatieve temperatuur.

5.2.1 Ventilatie en luchtbeweging

Benodigd verwarmingsvermogen De bepaling van het verwarmingsvermogen dient te geschieden op basis van een buitentemperatuur van minimaal -10°C, een absolute luchtvochtigheid van 1 gr/ kg en een windsnelheid van 5 m/ s. Te bepalen op basis van NEN 5066 middels het Vabi-VA101 computerprogramma.

Positionering van individuele regeling is zodanig dat deze duidelijk zichtbaar is, niet in de weg zit voor regulier gebruik van de ruimte en er geen schade optreedt bijvoorbeeld bij het openen van de deur. Voor het gebruik van klaslokalen en groepsruimten dient uitgegaan te worden van 30 leerlingen + 1 docent.

Alle ruimten in het gebouw dienen in voldoende mate geventileerd te worden. De ventilatie in het gebouw dient minimaal te voldoen aan de ventilatie-eisen die zijn omschreven in het Bouwbesluit en in de Arboregelgeving. Verkeersgebieden waar zit-/ werkplekken worden gerealiseerd dienen geventileerd te worden. CO2-concentratie De grenswaarde van de CO2-concentratie in de onderwijs- en kantoorruimten in het Bouwbesluit en Frisse Scholen klasse B is bij nieuwbouw is gesteld op 950 ppm CO2. Ventilatiedebiet van minimaal 8,5 dm3/s (30,6 m3/uur) per persoon. Voor de kinderopvang gelden andere eisen, maximaal 1000 ppm in groepsruimten en maximaal 850 ppm in slaapruimten. De luchtkwaliteit wordt continue gecontroleerd, groeps- en slaapruimten zijn uitgerust met een CO² meter (met signaalfunctie) en is goed afleesbaar en slaat gegevens bij voorkeur minstens 12 maanden op. Let op positionering sensor.

Reeds in een vroeg ontwerpstadium dient te worden nagegaan of ten gevolge van zoninstraling, de aanwezigheid van personen, de interne warmteontwikkeling (waaronder verlichting, apparatuur en dergelijke) en de systeemkeuze de behaaglijkheidsgrens niet ontoelaatbaar wordt overschreden en/ of onderschreden. Voor de meest kritische ruimten en vertrekken dient door middel van berekeningen van de temperatuuroverschrijdingen aangetoond te worden dat het aantal hierboven genoemde uren niet overschreden wordt. Met name ruimten met apparaten zoals computers of laptops en keukenapparatuur en ruimten met veel mensen vragen om aandacht.

Zorgvuldig aandacht dient te worden besteed aan het samenspel tussen luchtinblaasrichting, reactiesnelheid, inblaassnelheid, inblaastemperatuur en de (te verwachten) comfortbeleving2 hiervan. De klimaatinstallatie dient op deze punten via het GBS instelbaar en meetbaar te zijn.

Aandachtspunten

Luchtsnelheden

Individuele bediening dient intuïtief te bedienen/ gebruiksvriendelijk te zijn zonder dat dit de energetische prestatie negatief beïnvloedt.

2 Bijvoorbeeld voor het voorkomen van ‘tocht’ en tochtgerelateerde klachten.

www.icsadviseurs.nl

Aan de luchtsnelheden in verblijfszones worden maxima3 gesteld: Maximale luchtsnelheden zomer (0,5 clo)

≤ 0,20 m/ s

3 Conform het PvE Frisse scholen v. sep 2021, klasse B

18/ 46

Maximale luchtsnelheden winter (1,0 clo)

≤ 0,16 m/ s

Oppervlak te openen delen boven 1,80 m

≥ 30%

Oppervlak te openen delen onder 1,80 m

≥ 30%

Aandachtspunten  

Beperk luchtsnelheden in toevoerkanalen ter voorkoming van geluidsoverlast. De ventilatie van opbergruimtes voor schoonmaakmaterialen en opstelruimten van kopieermachines en de ventilatie van ICT-ruimten (computerruimten) inclusief de ruimte gereserveerd voor de server. Waar nodig aparte afzuiging toepassen bij dergelijke emissiebronnen. Geadviseerd wordt de verkeersruimten als verblijfsgebied te beschouwen zodat ook daar geventileerd wordt.

Aandachtspunten     

5.2.2 Spuiventilatie In ieder geval is in verblijfsruimten voorzien in mogelijkheden voor spuiventilatie. Spuiventilatievoorzieningen (te openen ramen) zijn licht bedienbaar staand vanaf de vloer en hebben meerdere fixeerstanden (incl. kierstand) of zijn traploos instelbaar. De spuiventilatievoorzieningen zijn tegelijkertijd met de buitenzonwering te gebruiken. De luchtstroom wordt niet door bijvoorbeeld buitenzonwering belemmerd. Te openen delen worden dermate gesitueerd dat deze niet door kinderen te bedienen zijn en draaien waar mogelijk naar buiten open. Draairichting van de te openen delen dient afgestemd te worden met opdrachtgever en toekomstige gebruikers. NEN norm(en) De spuiventilatiecapaciteit dient te worden bepaald conform de bepalingen uit NEN 1087.

Voorkom warmteophoping in ruimten zoals atria. Draag zorg voor een heldere communicatie over hoe om te gaan met spuiventilatie. Gevelopeningen bieden bij voorkeur geen doorgang voor personen in verband met veiligheid. Maak gebruik van ‘natuurlijke trek’ in atria om de energievraag voor ventilatie te reduceren. De samenhang van te openen delen en zonwering.

5.3 Luchtvochtigheid Een zeer lage (<30%) of zeer hoge (>70%) luchtvochtigheid dient gedurende het jaar zo min mogelijk voor te komen. Ten aanzien van de relatieve vochtigheid gelden voor alle verblijfsruimten, voorzien van mechanische ventilatie, de volgende eisen om een behaaglijke omgeving te handhaven. Luchtvochtigheid Minimale luchtvochtigheid

30%

Maximale luchtvochtigheid

70%

Voorkeur Spuiventilatiecapaciteit4 Capaciteit van de spuiventilatievoorzieningen

6 dm³/ s / m²

Verblijfsruimten

ten minste 4 te openen geveldelen

Minimale luchtvochtigheid

40%

Maximale luchtvochtigheid

60%

In serverruimten dient statische elektriciteit door bouwkundige of installatietechnische ingrepen te worden voorkomen.

4 Conform het PvE Frisse scholen v. sep 2021, klasse B

www.icsadviseurs.nl

19/ 46

5.4 Akoestiek en geluidshinder

De eisen die in de volgende paragrafen omschreven worden, zijn prestatie-eisen die aan aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat.

5.4.1 Luchtgeluidsisolatie De geluidsisolatie tussen ruimten in het gebouw dient zodanig te zijn, dat in een ruimte tijdens de activiteiten waarvoor de ruimte bestemd is, geen last wordt ervaren. Hiertoe dienen de bouwkundige voorzieningen zodanig te worden ontworpen en samengesteld, dat constructies voldoende geluidswerend en geluidsisolerend zijn. De werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties mogen de luchtgeluidsisolatie van de scheidingsconstructies niet verzwakken. Onderstaand staat voor de meest voorkomende schakelingen van wanden de gevraagde prestatie omschreven die in gebruik cruciaal is bij een nagalmtijd To zoals gedefinieerd in NEN 5077. De aannemer dient deze prestatie door middel van controlemetingen na oplevering aan te tonen. Luchtgeluidisolatie5 Verblijfsruimte – verblijfsruimten, sanitair en technische ruimten (DnT, A)

≥ 39 dB

Verblijfsruimte – verkeersruimte en bergingen (DnT, A)

≥ 25 dB

Verblijfsruimte – verblijfsruimten met deur in de wand (DnT, A)

≥ 34 dB

Verblijfsruimte – leerplein (DnT, A)

≥ 31 dB

Verblijfsruimte – overige ruimte (DnT, A)

≥ 39 dB

Aandachtspunten 

Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot- en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies.

5 Conform het PvE Frisse Scholen v. sep 2021, klasse B

www.icsadviseurs.nl

De mate van overlast naar bestaande of in de gebiedsontwikkeling opgenomen woningen en/ of overige bouwwerken dient te worden afgestemd met opdrachtgever.

5.4.2 Contactgeluidsisolatie Contactgeluidisolatie6 Verblijfsruimte – verblijfsruimte (LnT, A)

≤ 59 dB

Verblijfsruimte – verkeersruimte (LnT, A)

≤ 69 dB

Hinderlijke trillingen van de vloer of trappen door lopen/bewegen of muziek worden voorkomen. Met name wanneer ruimten met veel geluidsproductie (bijvoorbeeld technische ruimten) gelegen zijn boven andere ruimten, dient veel aandacht besteed te worden aan (contact)geluidsisolatie en waarmee last naar ondergelegen ruimtes en eventuele overige in de gebiedsontwikkeling te realiseren woningen en overige bouwwerken tot een minimum beperkt wordt. Uitgangspunten 

Om contactgeluid via de vloerconstructie te voorkomen, dienen trillingsproducerende machines (zoals ventilatoren en luchtbehandelingskasten) trillingsvrij op de vloer opgesteld te worden. Leidingen waar van toepassing en eventuele andere geluidsproducerende apparatuur en/ of bouwonderdelen dienen zodanig aan de constructie te worden bevestigd dat er géén rechtstreekse trillingen op deze constructies kunnen worden overgebracht, ter voorkoming van schade aan gebouw en installaties en zodat gebruikers er zo min mogelijk hinder van ondervinden.

Aandachtspunten

6 Conform het PvE Frisse scholen v. 2021, klasse B

20/ 46

Ter voorkoming c.q. reductie van omloop- en overspraakgeluid dienen de wandconstructies steeds door te lopen tot, en aan te sluiten op de bovenliggende en onderliggende (dak)vloerconstructies.

nagalmtijd. De ontwerpende partijen dienen door middel van berekeningen aan te tonen dat de nagalmtijden gehaald worden. Aandachtspunten

5.4.3 Nagalmtijd

De volgende gemiddelde eisen worden gesteld aan de gemiddelde nagalmtijd (T30) in seconden, geldend voor ruimten in de frequentieband 250 t/ m 2000 Hz.

Open atria behoeven specifieke aandacht qua nagalm en ervaring van een prettige ruimtebeleving.

5.4.4 Geluid van installaties

Norm(en)

De volgende waarden zijn prestatie-eisen die aan de aannemer worden gesteld en na oplevering worden gemeten op resultaat.

In verblijfsruimten mogen geen geluiden, veroorzaakt door gebouwinstallaties, worden waargenomen zodanig dat zij activiteiten waarvoor de ruimten bestemd zijn belemmeren. De ventilatie dient geruisloos te zijn. Buiten gebruiksuren mag, om aan de comforteisen te voldoen, het ventilatievoud verhoogd worden (meer installatiegeluid toegestaan) ten behoeve van nachtventilatie. Bij het verhogen van het ventilatievoud dient rekening gehouden te worden met de geldende voorschriften vanuit de wet geluidhinder richting nabijgelegen functies.

Nagalmtijd

Installatiegeluid8

Conform NEN 5077 Streefwaarden voor geluid met betrekking tot verstoring van communicatie en concentratie (geluidsniveau en nagalmtijd) conform NVN 3438

In ingerichte en niet-ingerichte verblijfsruimte7

≤ 0,6 s

In kantoor- en spreekruimten

≤ 0,6 s

In techniekruimte en verkeersruimten

≤ 1,0 s

In EHBO-, kleed- en doucheruimten

≤ 1,4 s

Open leerpleinen

≤ 1,0 s

Uitgangspunten

Gym-/ evenementenzaal

≤ 1,1 s

De nagalmtijden berekenen in de ontwerpfase en vaststellen in elk van de octaaf- en tertzbanden met middenfrequentie van 250, 315 (hum noise), 500, 1000, 2000 en 4000 Hz (topfrequentie spraak). De in de 125 Hz octaafband gemeten nagalmtijd mag maximaal 30% afwijken van de gemiddelde

7 Conform het PvE Frisse scholen v. 2021, klasse B

www.icsadviseurs.nl

In verblijfsruimte In verblijfsruimte kinderopvang

≤ 33 dB ≤ 30 dB

Het geluidniveau ten gevolge van installaties in een op een aangrenzend perceel gelegen verblijfsgebied.

≤ 30 dB

De geluidsafstraling van de sanitaire installaties, zoals het doorspoelen van toiletten, moet in de geluidsgevoelige ruimten zodanig worden beperkt dat het vrijwel ‘onhoorbaar’ is. In andere ruimten mag het achtergrondgeluidsniveau van de sanitaire installaties (LI;A) niet meer dan 35 dB(A) bedragen.

8 Conform het PvE Frisse scholen v. 2021, klasse B

21/ 46

Het geluidniveau in ruimten waar niet wordt gewerkt of langdurige verbleven (entrees, verkeersruimten, garderobes, toiletten, opslag, technische ruimte, etc.) t.g.v. installaties (LI, A) is maximaal 45 dB(A).

Aandachtspunten  

Let op de invloed van flankerende geluidsoverdracht en kieren onder deuren op de berekende geluidsisolatie. Positioneer onderwijsruimten met grote capaciteit op ruime afstand van de luchtbehandelingsinstallatie om geluidoverlast eenvoudiger te kunnen voorkomen. Verkeersruimten kunnen ook leer- en werkplekken zijn. Let op luchtsnelheid in hoofdtracés van kanalen ter voorkoming van geluidsoverlast.

5.4.5 Geluidsuitbreiding naar de omgeving Voor de geluidsoverlast, veroorzaakt door de technische installatie in of aan het gebouw naar de gevels van de eventueel omliggende bebouwing, worden de maximaal toelaatbare waarden aangehouden zoals deze worden vereist in de Wet Milieubeheer en de plaatselijke voorschriften, gemeten op één meter voor de dichtstbijzijnde gevel.

Conform NEN 5077 De geluidwering van de gevel GA dient te worden bepaald conform NEN 5077. De geluidwering dient te worden bepaald bij gesloten ramen, maar met de beoogde hoeveelheid luchtverversing.

5.4.7 Geluidsproductie uitwendige scheidingsconstructie Eventueel aanwezige uitwendige scheidingsconstructies, de hieraan bevestigde voorzieningen (zonwering, vlaggenmasten, etc.) en de daarop gemonteerde installaties (schoorstenen, luchtbehandelingskasten, etc.) moeten zodanig geconstrueerd zijn, dat deze geen bijzondere of hinderlijke geluiden maken of in resonantie raken bij wind, neerslag, thermische uitzetting, krimp of andere bewegingen. Ook windgeluid bij kieren en naden in daken en gevels dient te worden voorkomen.

5.5 Daglicht In verblijfsruimten dient een daglichtfactor te worden gerealiseerd die zo hoog mogelijk is, zonder hinder te veroorzaken. Gemiddelde daglichtfactor

5.4.6 Geluidwering gevels

In verblijfsruimte

In het volgende overzicht zijn de relevante eisen opgenomen die worden gesteld aan de geluidwering van de gevels van geluidsgevoelige ruimten. De gecumuleerde geluidsbelasting dient te worden bepaald volgens de wettelijke bepalingen Wet Geluidhinder (Reken- en Meetvoorschrift verkeerslawaai).

Lichttoetredingsfactor beglazing

2,1% in meer dan 50% van ruimte LTA-waarde

In verblijfsruimten, op een horizontaal vlak op 800mm hoogte. ≥ 0,6

Geluidwering gevels9 Geluidwering geluidsbelasting in verblijfruimten en verblijfsgebieden door omgevingsgeluid in GA;k [dB(A)]

Gecumuleerde geluidsbelasting minus ≥ 33 dB met een minimum van 20 dB

Getint of gecoat glas mag alleen worden toegepast indien voldaan wordt aan de minimale LTA-waarde en indien het geen negatieve invloed heeft op het uitzicht en/ of spiegelingen van lichtbronnen. Heldere beglazing met een kleurindex van 95% dient toegepast te worden. Het glas moet een kleurechte weergave bewerkstelligen.

Norm(en)

9 Conform Bouwbesluit en het PvE Frissen scholen v. 2021, klasse B

www.icsadviseurs.nl

22/ 46

5.5.1 Zontoetreding De ZTA (zontoetredingsfactor) dient, afhankelijk van de resultaten van de temperatuuroverschrijdingsberekening, onder de 40% te liggen.

5.6 Zon- en helderheidswering Uitgangspunten Zon- of heldersheidswering (lichtwering) dient:  bestand te zijn tegen weersinvloeden zoals wind;  vanuit elke verblijfsruimte regelbaar te zijn;  centraal te bedienen te zijn via het GBS (overrulen).

5.6.1 Buitenzonwering Op alle gevels behoudens de noordgevel is een vorm van buitenzonwering noodzakelijk. Bij toepassing van mechanisch bedienbare zonwering is deze vanuit verblijfsruimten individueel bedienbaar. In verband met bewassing en weersomstandigheden dient de buitenzonwering centraal aan te sturen te zijn via het GBS. In het kader van onderhoud dient te worden aangetoond dat de levensduur van buitenzonwering minimaal 20 jaar bedraagt.

5.6.2 Lichtwering De daglichttoetreding en de zoninstraling mogen voor de gebruiker geen hinder veroorzaken door bijvoorbeeld te grote helderheidsverschillen, verblinding, reflectie of directe zoninstraling. Elke werkplek aan de raamzijde dient te worden voorzien van afdoende middelen om het zonlicht/ daglicht te kunnen temperen. Norm(en)

In onderwijsruimten (ook aan de noordzijde) kan helderheidswering toegepast worden, waarmee hinderlijk tegenlicht en hinderlijke reflecties worden voorkomen waarbij de maximale luminantieverhoudingen (‘contrasten’ in het gezichtsveld) tussen taak, directe omgeving (bijv. tafelblad) en periferie (bijv. raam) 1:3:10 (taak: directe omgeving: periferie) bedragen.

5.7 Buitenmilieu 5.7.1 Luchtdichtheid Met betrekking tot het energiegebruik van het gebouw worden eisen gesteld aan de luchtdoorlatendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. De luchtdichtheid dient hierbij zodanig te zijn dat warmteverlies (en tevens koudeverlies) van het gebouw wordt beperkt. Zodoende wordt de energievraag ten behoeve van verwarmen en/ of koelen verminderd. Luchtdichtheid Qv; 10

≤ 0,15 dm³/ s/ m²

Om aan de ENG-eisen te voldoen dient de hierboven benoemde waarde minimaal behaald te worden. Hiervoor geldt dat extra aandacht nodig is voor detaillering, hang- en sluitwerk, keuze van het afdichtingsmateriaal en de uitvoering. NEN-norm(en) NEN 3661:1998

conform NEN-EN 12464-1:2011 nl Arbo-regelgeving

Aandachtspunten 

Bij het gebruik van de helderheidswering blijft een bepaalde mate van uitzicht naar buiten mogelijk.

www.icsadviseurs.nl

Controlemetingen De opdrachtnemer zal in de uitvoeringsfase door een onafhankelijke derde steekproefsgewijs de luchtdichtheid van de gevel laten controleren door middel van één of meer beproevingen conform de geldende NEN-normen.

23/ 46

De opdrachtgever kan aanvullend een thermografisch/ infraroodonderzoek met een warmtebeeldcamera laten uitvoeren, waarna eventueel corrigerende en/ of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen.

In de ontwerpfase van het ontwerp dient het brandveiligheidsplan te worden opgesteld. Hierin moeten tenminste de volgende onderwerpen worden behandeld:

NEN-norm(en)

       

NEN 2686

5.7.2 Waterdichtheid Voor de waterdichtheid zullen geen aanvullende eisen boven het wettelijk bepaald niveau gesteld worden. NEN-norm(en) NEN 2778

5.7.3 Zonlichtreflectie Het gebouw dient geen hinderlijke zonlichtreflecties naar zijn omgeving of naar andere delen van het gebouw te veroorzaken. Het gebouw moet zo zijn gesitueerd en ontworpen, dat geen hinderlijke zonreflecties zullen optreden door andere gebouwen, installaties of bijvoorbeeld wateroppervlakken indien relevant. Indien er redenen bestaan tot het vermoeden van hinderlijke zonreflecties dient een bezonningsonderzoek te worden verricht om dit uit te sluiten.

Compartimentering Vluchtroutes en vluchtplaatsen Brandmeldinstallatie/ ontruimingsalarminstallatie Noodverlichting Vluchtwegaanduidingen Blusmiddelen en/ of -systemen Brandklassen materiaalgebruik Aanvalsroute brandweer

Om te voorkomen dat in de DO-fase het ontwerp ingrijpend moet worden aangepast door verplaatsing van brandcompartimenten, aanpassen trappenhuizen e.d., dient de verdeling in compartimentering en ontvluchting in de VO-fase reeds te worden getoetst aan de uitgangspunten van het vigerende Bouwbesluit. Het sluitsysteem binnen het gebouw moet zo zijn uitgevoerd dat de brandweer vanaf één toegang alle bouwdelen kan bereiken. Systeemkeuze in overleg met de brandweer. Aandachtspunten 

Deuren in brand scheidende constructies moeten zelfsluitend zijn, deuren waar kinderen gebruik van maken dienen bedienbaar te zijn door kinderen.

Lichtreflectie Lichtreflectiefactor glasoppervlak

≤ 0,15 LrBu

5.8 Brandveiligheid De gebouwen moeten voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende Bouwbesluit. Voor de nieuwbouw gelden de eisen conform de paragrafen ‘nieuwbouw’ uit het Bouwbesluit. Voor de bestaande bouwdelen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Tijdens de ontwerpfase wordt een integraal ontwerp gevraagd, onder andere ten aanzien van de brandveiligheid, waarbij de nieuwbouw niet beperkend mag zijn ten opzichte van de bestaande bouw en vice versa.

www.icsadviseurs.nl

24/ 46

6. Bouwkundige eisen

gebruik van de desbetreffende ruimte – moet worden gelet op een aantal algemeen geldende (praktische) uitgangspunten.

6.1 Algemeen

Uitgangspunten

In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening dient te worden gehouden. Deze punten worden geacht in overleg met de in te schakelen adviseur(s) voor de technische installaties te worden uitgewerkt.

6.2 Vloeren

6.2.1 Constructieve vloeren

In techniekruimten, een atriumvloer (BG) of gymzaal kan indien gewenst/ noodzakelijk een hogere veranderlijke vloerbelasting aangehouden (bijvoorbeeld voor een hoogwerker). Dit dient te worden afgestemd met opdrachtgever.

 

Door middel van een berekening dient aangetoond te worden of de nuttige vloerbelasting niet overschreden wordt.

Aandachtspunten

Houd bij de constructie en de detaillering van vloeren (verdiepings- en dakvloeren) rekening met de onderdelen die hieraan bevestigd moeten worden, zoals plafonds, geluids- en verlichtingsapparatuur, borden en overige installatievoorzieningen.

6.2.2 Vloerafwerking De vloer en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. De vloer moet voldoende massa en stijfheid hebben om geluidsoverlast in een ‘open’ plattegrond te voorkomen.

 

Aandachtspunten   

De keuze voor de vloerafwerking dient in overleg tussen de opdrachtgever, gebruikers en architect te worden bepaald, waarbij – gelet op de functie en het 

www.icsadviseurs.nl

Duurzaamheid en slijtvastheid (onder andere met betrekking tot verrijdbare bureaustoelen en rolstoelgebruikers). Onderhoudsvriendelijk/ -arm, makkelijk reinigbaar, vochtbestendig. Weerstand tegen chemicaliën (bestand tegen zwakke zuren, basen, oxiderende stoffen, detergenten, oliën en vetten), schoonmaakmiddelen, et cetera. De entrees voorzien van schoon- en droogloopmatten (minimaal 4 m1) en/of roosters. Milieuvriendelijk reinigen moet voldoende zijn voor het regulier en jaarlijks onderhoud. Sterkte en weerstand tegen indrukken. Stroefheid/ antislip, ook in combinatie met de gewenste verplaatsbaarheid van meubilair. Antistatische en antiallergische eigenschappen; stofbeperkend (de vloerafwerkingen mogen geen hinder opleveren voor CARA- en astmapatiënten). Akoestische (geluiddempende) eigenschappen. Houd hier ook rekening met eventueel verschuiven van meubilair. Voldoen aan eisen zoals HACCP. Eisen met betrekking tot brandvoortplanting en rookontwikkeling conform Bouwbesluit.

Esthetische aspecten: representativiteit, kleur en structuur. Beperk het aantal naden en voegen zoveel als mogelijk. Akoestische (geluiddempende) eigenschappen (wanneer een ruimte groter wordt, wordt het belang van geluiddempende eigenschappen steeds belangrijker). Meer dan voldoende dilateren van vloervelden.

25/ 46

6.3 Buitenwanden

Vermijd de mogelijkheid voor gebruiker van het gebouw om uit het raam te hangen of te klimmen.

De materiaalkeuze en de wijze van detailleren dienen zodanig te zijn, dat bij een zeer beperkte onderhoudsinvestering, vervuiling en degradatie van kwaliteit nauwelijks kan optreden gedurende een periode van 40 jaar.

Uitgangspunt

Het noodzakelijke onderhoud alsook het schoonmaken kan op een eenvoudige wijze worden uitgevoerd. Voorzie het gebouw bij de aansluiting op het maaiveld zoveel mogelijk van vandaalbestendig en onderhoudsvrij materiaal. De gevel is bestand tegen vandalisme. Ook wordt er rekening gehouden met preventie van inbraak. Aandachtspunten 

In verband met inbraakpreventie dienen de ramen op de begane grond van binnenuit te worden beglaasd. De beweegbare delen in de kozijnen worden van binnenuit aangebracht. Let bij de plaatsing van te openen ramen en ventilatieroosters op de positie boven verkeerswegen.

6.3.1 Gevelopeningen 6.3.1.1 Entree Bij het vormgeven van de entree wordt een oplossing voorzien die rekening houdt met het voorkomen van inloop van vuil en nattigheid. De hoofdentree dient zodanig te zijn geconstrueerd dat er géén tochtverschijnselen via de entreehal kunnen ontstaan. Derhalve dient de entree van een tochtsluis of soortgelijke voorziening voorzien te zijn, wat tevens ook inwaaien van vuil, zand en ander vuil voorkomt. De (hoofd-)toegangsdeuren dienen van een zware kwaliteit te zijn en goed bestand tegen beschadiging.

 

6.3.2 Daken Het volledige dak is toegankelijk middels ladderborgingspunt(en). Indien het ontwerp een meerlaags- gebouw realiseert wordt het toepassen van een interne vaste trap besproken met opdrachtgever. Ten behoeve van de bereikbaarheid van installaties op het dak, tegellooppaden en valbeveiliging opnemen. Goten dienen eenvoudig bereikbaar te zijn voor inspectie en onderhoud. Aansluitingen dakbedekking met gevelelementen en dergelijke detaillering conform richtlijnen BDA Dakadvies. NEN-norm(en) conform NEN-EN 795

Aandachtspunten    

6.3.1.2 Te openen delen Bij de vormgeving van de te openen delen, met name bij de ruimten op de begane grond en ruimten gelegen aan een plat dak of galerij, dienen maatregelen in het kader van inbraakpreventie genomen te worden. Eventueel draaiende kozijndelen dienen zodanig geplaatst te worden dat zij in normale gebruikssituaties geen gevaar of hinder op kunnen leveren voor de gebruiker.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11262380/1