CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

14 bp Hilvarenbeek-Diessen, realisatie 4 woningen (3b toelichting Bijlage 2 Milieuhygiënische en planologische toelichting Zadelmaker (Gelderakkers, Hvb)

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Jan van Dongenpad, Zadelmaker en Gulden Akker".24.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Fysieke elementen (wallen, dammen, etc.) kunnen als obstakel gedurende langere tijd bescherming bieden en beperken de effecten voor gebouwen en mensen. Deze elementen kunnen tevens meerdere functies hebben in de ruimte, bijvoorbeeld voor kleinschalige recreatie of natuurstrook. Gevelconstructies en technische installaties in gebouwen kunnen mensen die er verblijven beschermen tegen de effecten. Een bepaalde functie in een gebouw kan bescherming (buffer) bieden, bijvoorbeeld een parkeergarage aan de risicovolle zijde van een gebouw. In gebieden en wijken kunnen opvanggebieden benoemd zijn ten behoeve van evacuaties. Ook kunnen voorzieningen zijn aangebracht voor scenario’s, zoals hoogwater en verstoring van de vitale infrastructuur. Afsluitbare ventilatie en goede bouwkundige detaillering verbeteren de vluchtmogelijkheden/schuilmogelijkheden. Aandachtspunt zijn bedrijfsloodsen waar meerdere personen verblijven. De eisen voor de luchtdichtheid van loodsen zijn vrij laag, waardoor de luchtkwaliteit gedurende een toxisch scenario niet voor 4 uur is gegarandeerd.

Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten Als de bebouwing en de omgeving onvoldoende bescherming bieden bij incidenten, voorkomt een veilige ontvluchting (evacuatie) verdere slachtoffers. De aanwezigheid van goede vluchtroutes in een gebied zorgt ervoor dat de zelfredzaamheid van mensen in het gebied omhoog gaat. Op basis van een analyse van de risico’s houdt het ontwerp van de gebouwen en ontsluitingswegen zelf rekening met de mogelijkheid om veilig en snel naar een veilige omgeving te vluchten. pagina 4 van 18

• • • • • •

De entree en vluchtroutes van een gebouw bevinden zich aan de gebouwzijde die van de risicobron is afgekeerd. Deze vluchtroutes zijn ook bruikbaar voor verminderd zelfredzamen en voor het in veiligheid brengen van gewonden door de hulpdiensten. Vluchtroutes in de (openbare) ruimte zorgen ervoor dat mensen makkelijk en zo snel als mogelijk een veilige plaats kunnen bereiken, waar mogelijk geschikt voor verminderd zelfredzame personen. De vluchtroutes zijn o.a. via bewegwijzering bekend bij degenen die verblijven in het gebied. De capaciteit van de vluchtroutes past bij de populatiedichtheid van het gebouw en gebied, rekening houdend met tijdelijke populaties, zoals toerisme en evenementen. De opvangmogelijkheden voor de bewoners in het veilige gebied zijn afgestemd op de omvang van de populatie en veilig te bereiken via de vluchtroutes. Belangrijke informatie over het incident kan in het gebied ontvangen worden, zodat mensen weten wat er aan de hand is en wat ze moeten zoen. De locatiekeuze van vitale infrastructuur, zoals zendmasten voor telefonie, internet en voorzieningen voor elektriciteit, is zo gekozen, dat er zo min mogelijk risico is op uitval. De vitale infrastructuur is waar nodig beschermd tegen de effecten van incidenten om de continuïteit te waarborgen.

De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk De inrichting van de fysieke leefomgeving kan bijdragen aan snelle en effectieve hulpverlening. Hulpverleners kunnen sneller optreden als de bereikbaarheid en aanrijdroutes van gebieden, gebouwen, bedrijven en evenemententerreinen doordacht is. Zo kunnen hulpdiensten de mensen sneller bereiken, in veiligheid brengen (bijvoorbeeld met ambulances) en de gevolgen van incidenten beperken. Toegesneden voorzieningen voor bluswater zorgen voor een snelle en efficiënte bestrijding van incidenten. Daardoor beperkt dit de gevolgen voor de omgeving en haar bewoners en is naderhand een snellere terugkeer naar de ‘normale’ situatie mogelijk. Ook de opvang van bluswater is belangrijk, want zonder maatregelen kan vervuild bluswater het milieu langdurig vervuilen. Effectief optreden van de hulpdiensten valt of staat met het hebben van toegankelijke en actuele informatie over de verblijfplaatsen van kwetsbare groepen, de risico’s en mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Dit leidt tot een betere voorbereiding en daardoor effectiever optreden van hulpverleners. • • • •

Aanrijdroutes en toegangswegen zijn geschikt voor een snelle opkomst van het materieel van de hulpverleners en voor het afvoeren van gewonden. Opstelplaatsen voor het materieel zijn beschikbaar. Gebieden zijn voor hulpverleners van meerdere kanten en windrichtingen te bereiken. In het gebied is bluswater beschikbaar. De hoeveelheid en de wijze waarop bluswater beschikbaar is, is afgestemd met de hulpdiensten. Een bluswatervoorziening als onderdeel van een doorlopend watersysteem, kan ook een andere functie hebben zoals visvijver of recreatieplas. Vooral bij brand door bedrijfsmatige activiteiten kunnen grote hoeveelheden vervuild bluswater ontstaan. Om milieueffecten te beperken, kunnen maatregelen voorbereid in bijvoorbeeld het watersysteem, verspreiding van bluswater voorkomen. Initiatiefnemers dragen bij aan de ontsluiting van informatie voor de hulpdiensten, waardoor deze kunnen beschikken over actuele informatie over de risico’s en de effecten op de leefomgeving.

De eisen ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswater zijn opgenomen in de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant, Brabant Noord en Brabant Zuidoost. Een beknopte weergave is in bijlage 1 weergegeven.

pagina 5 van 18

Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Een samenleving heeft altijd te maken met risico’s. Communicatie over risico’s zelf en de voorbereiding erop, draagt bij aan de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van bewoners. Iedereen die in de gemeente verblijft weet welke risico’s er zijn, hoe ze zich kunnen voorbereiden en wat ze kunnen doen in het geval van crisissituaties. Daar hoort ook kennis van de inrichting van de omgeving en van de mogelijkheden om te handelen bij. Hierdoor stijgt het veiligheidsbewustzijn van mensen en is het handelingsperspectief bekend. • Gemeenten communiceren actief en continu over risico’s en wat te doen tijdens crisissituaties. Zij gebruiken daarvoor (digitale) communicatiemiddelen die aansluiten op verschillende doelgroepen. • Bedrijven en organisatoren informeren hun gasten, werknemers en overheden over risico’s en het handelingsperspectief tijdens crisissituaties (bijvoorbeeld organisatoren van evenementen, uitbaters van openbare gebouwen, horeca, recreatieterreinen, campings). • Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te blijven van de risico’s en het handelingsperspectief. Ze weten waar ze deze informatie kunnen vinden en waar ze vragen hierover kunnen stellen. • Informatie over risico’s en inrichting van de omgeving is toegankelijk, actueel en makkelijk te vinden voor iedereen.

Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. Bij risico’s zoals nutsuitval, overstromingen, dierziekten, branden en andere rampen kunnen er situaties voordoen dat mensen beroep doen op de medische zorg. De hulpdiensten anticiperen bij acute en/of grootschalige hulpvragen afhankelijk van het type crisis en passen hierop de zorgaanbod aan. Bij omgevings-, visies en plannen is ook bij de locatiekeuze van zorginstellingen zowel de ziekenhuizen en/of zorgboerderijen en gebouwen met niet zelfredzame bewoners rekening te houden met crisissituaties, zoals: • Bereikbaarheid bij hoog water, • Uitval van nutsvoorzieningen, • Afsluiten van mechanische ventilatiesystemen.

pagina 6 van 18

Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico

Hilvarenbeek

pagina 7 van 18

Zeer kwetsbare gebouwen

Waarom extra aandacht voor zeer kwetsbare gebouwen? Indien bij een van deze gebouwen brand of een incident op afstand plaatsvindt heeft dat direct gevolgen voor de hulpverleningscapaciteit. Niet zelfredzame personen hebben altijd hulp nodig om in veiligheid te worden gebracht.

pagina 8 van 18

Stroomschema standaard verantwoording

1.

2. 3. 4.

5. 6.

Een conserverend plan laat juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen toe. Een beheersverordening behoort hier ook toe. Een conserverend bestemmingsplan waarin wijzigingsgebieden of uit te werken bestemmingen (opnieuw) worden vastgelegd, wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. Een legalisatie wordt ook beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. Bij een standaard verantwoording kan ook altijd het standaardadvies van de Veiligheidsregio worden toegepast. Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen en buisleidingen. Indien beide vragen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden, volg dan ‘ja’. Zo niet, volg dan ‘nee’. Wat de toepassingsvereisten zijn bij een beperkte verantwoording staat verwoord in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb. De motivering in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient te worden opgenomen in het ruimtelijk plan. Personen zijn zondermeer niet zelfredzaam wanneer sprake is van ziekenhuizen, basisscholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen en gevangenissen. De OMWB kan een dergelijke verantwoording voor uw gemeente opstellen of daarbij ondersteunen. Indien een standaard verantwoording conform het stroomschema van toepassing kan gebruik worden gemaakt van het standaardadvies van de Veiligheidsregio.

Voor alle overige ruimtelijke ontwikkelingen dient u het Bestuur van Veiligheidsregio MWB in de gelegenheid te stellen een maatwerkadvies uit te brengen. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl

pagina 9 van 18

Opkomsttijd

Overzicht van opkomsttijden Basis Brandweer eenheid in de gemeente Hilvarenbeek Door het Algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant zijn in het Dekkings- en spreidingsplan de opkomsttijden voor de brandweer vastgesteld. In onderstaande tabel zijn deze opkomsttijden weergegeven: Acht minuten woonfunctie voor 2003 celfunctie gezondheidszorgfunctie logiesfunctie onderwijsfunctie basisonderwijs tot 12 jaar bijeenkomstfunctie kinderdagopvang woonfunctie voor zorg

Twaalf minuten woonfunctie na 2003 kantoorfunctie winkelfunctie onderwijsfunctie overige industriefunctie sportfunctie bijeenkomstfunctie overige overige gebruiksfunctie

Tabel 2 opkomsttijden

Wanneer een ontwikkeling plaatsvindt in de donker blauwe gebieden in bovenstaande figuur het overzicht van opkomsttijden Basis Brandweer eenheid in uw gemeente dienen er maatregelen worden getroffen. Door de Veiligheidsregio MWB is een Toolbox ontwikkeld en bij de AOV-er van uw gemeente bekend is. Te denken valt aan gebiedsgerichte risicocommunicatie, training van de BHV organisaties en het aanbrengen van rookmelders bij bewoners.

pagina 10 van 18

Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie

Overzicht WAS-Installaties in de gemeente Hilvarenbeek Binnen de bebouwde kom is er veelal voldoende dekking van de WAS-installatie daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Voor de industriegebieden is Alert4All ontwikkeld en kunnen BRZO bedrijven de overige bedrijven bij incidenten alerteren. Bij ontwikkelingen buiten de bebouwde kom adviseren wij u na te gaan of de dekking voldoende is. In bovenstaande figuur is een overzicht opgenomen van de dekking van de WAS-installatie in uw gemeente. De zendmasten hebben buiten een bereik van ca. 900 m1.

pagina 11 van 18

Bereikbaarheid De kern van de beleidsregels wordt voor het aspect bereikbaarheid gevormd door een drietal doelvoorschriften: 1. Stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen bieden te allen tijde een onbelemmerde doorgang aan hulpdiensten. 2. Ieder object is voor de hulpdiensten vanaf een gebiedsontsluitingsweg te allen tijde binnen 2 minuten te bereiken. 3. Kazernes en posten moeten altijd ontsloten blijven door een gebiedsontsluitingsweg. Het plangebied dient toegankelijk te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Waarbij rekening wordt gehouden dat een effectieve brandweerinzet kan worden gegarandeerd. Dit houdt in dat de plaats van het brandweervoertuig zodanig is gepositioneerd, dat met behulp van de hoge druk brandweerslang ca. 60 m1 binnen in het gebouw waar een brand is, de brand ook geblust kan worden. Verder dienen de wegen in het plangebied te voldoen aan hoofdstuk 2 Bereikbaarheid hulpdiensten uit de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening februari 2016 indien deze worden gebruikt voor bestemmingsverkeer. Om een goede bereikbaarheid te borgen dienen wegen, die leiden naar potentiële incidentlocaties, recht te doen aan de afmetingen van hulpverleningsvoertuigen. Omdat brandweervoertuigen het grootst en het zwaarste zijn, worden deze als uitgangspunt gehanteerd.

Een weg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpverleningsvoertuigen als aan de volgende criteria wordt voldaan: • De weg is geschikt voor voertuigen met een asbelasting van ten minste 10 ton; • De weg is geschikt voor voertuigen met een totaal gewicht van ten minste 30 ton; • De minimale doorgangshoogte bedraagt 4,2 m 1; • De minimale doorgangsbreedte bedraagt 3,5 m 1 ; • De minimale breedte van de verharding; bedraagt 3 m1 (rechte weg); • De minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 m1;

Maar bereikbaarheid wordt niet alleen bepaald door de afmetingen van de voertuigen. De breedte van de rijlopers op doorgaande wegen zijn doorgaans breder dan in de woonwijken. Maar bij het positioneren van voertuigen is met name het redvoertuig het breedst en is de stempellast op de steunpunten maatgevend.

pagina 12 van 18

Bluswatervoorziening De Brabantse Veiligheidsregio’s hebben in samenspraak met gemeenten en Brabant Water beleid ontwikkeld waarin de doelstelling voor de beschikbaarheid van bluswater als volgt wordt geformuleerd: “Veilig drinkwater en voldoende bluswater tegen de laagste maatschappelijke kosten”. Er wordt gestreefd naar een professioneel minimum, met een toereikende bluswatervoorziening voor maatgevende incidenten. In de beleidsregel is vervolgens als doelvoorschrift opgenomen: “Ten behoeve van de brandbestrijding is tijdig voldoende bluswater voorhanden” . Bluswater levert een bijdrage in het kunnen uitvoeren van een veilige redding indien zelfstandig ontvluchten niet meer mogelijk is. De brandweer beschikt in de regel direct over voldoende eigen middelen (bijvoorbeeld het water in de tank) om een dergelijke redding mogelijk te maken. Voor redding is dus niet direct een externe bluswatervoorziening nodig, maar deze kan wel noodzakelijk zijn om de uitbreiding van een brand te voorkomen, dan wel te beperken. Welke hoeveelheid water nodig is in een bepaalde situatie, is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder brandfysica, bouwtechniek, architectuur en omgevingsfactoren. Deze factoren bepalen, samen met een aantal andere factoren, de mate van brandveiligheid in een bepaalde situatie. Zie op dat punt ook navolgend kenmerkenschema.

Voor de benodigde bluswatervoorziening is dus geen ‘gouden standaard’. Het hangt onder meer af van de aard en omvang van een gebouw, maar ook de omgeving waarin het gebouw staat. Daarnaast is de benodigde hoeveelheid water afhankelijk van de ontwikkeling van de brand en fase waarin de brand zich bevindt op het moment dat de brandweer een interventie pleegt. De benodigde bluswatervoorziening is kort en schematisch samen te vatten in navolgende figuur. Op basis van praktijkervaring wordt ongeveer 95% van de branden geblust met water uit de tank van de tankautospuit en is voor de resterende 5% van de branden een externe bluswatervoorziening (A, B, en/of C-water) nodig. Voor meer informatie over de achtergronden wordt hier volstaan met een verwijzing naar de beleidsregels. Verder is voor toepassing van deze handreiking van belang dat bluswatervoorzieningen niet altijd uit een brandkraan hoeven te bestaan. Ook andere vormen van bluswatervoorzieningen zijn denkbaar en werkbaar. Daarbij kan het gaan om geboorde putten, open water, (bluswater)bassins of een bluswaterriool met brandput.

pagina 13 van 18

Voorbeelden Het Besluit De bestaande agrarische bebouwing wordt omgezet naar het mogelijk maken van het bouw van twee woningen. A-Water Het pand op de Vroenhoutseweg 16 dateert van 1970 en een woning op ca.100 m1 van een brandkraan van 60 m3/h. Het nieuwbouw object op de Hogeweg is gelegen op meer dan 200 m1 en hier dient dus conform het beleid een nieuwe brandkraan te worden aangelegd op minder dan 200 m1 van de ingang. C-water (Rissebeek) is binnen 2500 m 1 voorhanden.

Het besluit De bestaande bestemming: maatschappelijke functie wordt gewijzigd en op deze plaats wordt een woongebouw met 6 verdiepingen gebouwd. A-Water Bij de ingang van het woongebouw dient op ca. 15 meter van de ingang een brandkraan van 60 m 3/h te worden aangebracht. C-water (open water) is binnen 2500 m1 voorhanden.

pagina 14 van 18

Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan •

•

De beschikbaarheid van een openbare bluswatervoorziening is primair een verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente. In een bestaand, reeds ingericht gebied en bij voorzetting van de bestaande functies hebben burgers en bedrijven geen invloed op de beschikbaarheid van bluswater in de openbare ruimte. Wel kan behoefte zijn aan een aanvullende, niet openbare bluswatervoorziening. Welke hoeveelheid en vorm van bluswater in een bepaald geval nodig is, is maatwerk. De Veiligheidsregio heeft de expertise in huis om het benodigde maatwerk te kunnen leveren. Om goed en tijdig gebruik te (kunnen) maken van die expertise is het expliciet opnemen van een adviesrol voor de veiligheidsregio wenselijk.

Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. Gezien de aard van deze regels zijn ze te integreren in zowel thematisch opgebouwde als gebiedsgerichte omgevingsplannen. De beleidsregels maken weliswaar onderscheid in verschillende gebieden en scenario’s, maar op basis van de beleidsregels is binnen de open norm gebiedsgericht maatwerk reeds mogelijk. Om tot een goede afweging op basis van de binnen de veiligheidsregio aanwezige expertise te komen, wordt een expliciete adviesfunctie voor de veiligheidsregio voorgesteld. De veiligheidsregio brengt op dat punt haar expertise graag en vroegtijdig in. Daarbij bestaat de optie dat de veiligheidsregio categorieën van gevallen definieert waarin geen advies hoeft te worden gevraagd. Overigens kan de veiligheidsregio zo’n lijst altijd maken en daarom is ook geen grondslag nodig (of überhaupt mogelijk) in een omgevingsplan. Wel is het zaak de planregel dan zo te formuleren dat in dergelijke gevallen inderdaad geen advies hoeft te worden ingewonnen.

Zorgplicht Aangezien de beschikbaarheid van voldoende openbaar bluswater in beginsel binnen de invloedssfeer en verantwoordelijkheid van de gemeente zelf ligt, is het gebruik van een zorgplicht een goede basis voor de verdere regeling en borging van de beschikbaarheid van voldoende bluswater. Die zorgplicht kan dan dienen als vangnet. Verder dient de zorgplicht dan als signaalfunctie voor de taak van de gemeente op dit punt. De zorgplicht kan als navolgende voorstel worden geformuleerd. Indien gewenst kan hieraan ook een programmaplicht worden gekoppeld, waarin wordt opgenomen hoe aan deze bestuurlijke zorgplicht invulling wordt gegeven.

De verantwoordelijkheid voor het realiseren van openbare bluswatervoorzieningen rust primair bij het college van burgemeester en wethouders. Wanneer de afstand tussen de perceelsgrens en (de brandweertoegang van) het betreffende bouwwerk meer bedraagt dan 40 m 1, dan is de openbare bluswatervoorziening niet meer toereikend en dient, afhankelijk van gebouwtype mogelijk een niet-openbare bluswatervoorziening te worden getroffen. Zie daarover paragraaf 3.9 van de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. Concreet voor de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen zijn de volgende bouwstenen te geven. Deze gelden als aanvulling op de hiervoor opgenomen zorgplicht. In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving geen regels op het gebied van de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen. Die regels zullen daarom een plek moeten pagina 15 van 18

krijgen in het omgevingsplan. Dat kan op basis van de beleidsregels. Uit die beleidsregels en uit de praktijkervaringen van adviseurs van de veiligheidsregio blijkt dat expertise en maatwerk nodig is om invulling te geven aan het doelvoorschrift als opgenomen in de beleidsregels, namelijk tijdige beschikbaarheid van voldoende bluswater. Om die reden wordt voorgesteld dit aspect in het omgevingsplan te regelen door het opnemen van een open norm, die vervolgens nader wordt ingevuld door de bestaande, dan wel eventuele nieuwe beleidsregels. Net als onder het Bouwbesluit 2012 is een beoordeling gewenst bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, waardoor het uitgangspunt een bouwregel is, waaraan zo’n aanvraag kan worden getoetst. Eventuele vergunningsvrije bouwwerken zullen ook moeten voldoen aan deze bouwregel. De regeling kan er als volgt uitzien. Bluswatervoorziening a) b)

c)

Een bouwwerk heeft een adequate bluswatervoorziening. Er is sprake van een adequate bluswatervoorziening als bedoeld onder a, wanneer wordt voldaan aan de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening (inclusief toepassing maatwerk) als vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Midden en West Brabant februari 2016. Ten aanzien van het bepaalde onder a wordt advies ingewonnen bij de veiligheidsregio alvorens de vergunning wordt verleend, tenzij de veiligheidsregio categorieën gevallen heeft aangewezen waarin geen advies noodzakelijk is en sprake is van een dergelijk geval.

pagina 16 van 18

Bruidsschat In verschillende artikelen zijn in de Bruidsschat regels opgenomen over bluswater, bereikbaarheid, opstelplaatsen en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en of de Energietransitie. Betrek hierbij de adviseurs van de Veiligheidsregio om de wijzigingen zodanig door te voeren dat de genoemde onderwerpen een goede plek krijgen. Voor bluswater, bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen zijn hieronder voorbeelden beschreven.

art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening 1. 2.

3.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening conform het Beleid bereikbaarheid en bluswater, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is voor woon,- en zorgcomplexen ten hoogste 40 meter en voor alle overige bouwwerken overeenkomstig het beleid bereikbaarheid en bluswater. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1. 2.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Het eerste lid is niet van toepassing: a) op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b) op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c) op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d) als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e) als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a) een minimale doorgangsbreedte van ten minste 3,5 m; b) een verharding over een breedte van ten minste 3,0 m (rechte weg). die geschikt is voor motorvoertuigen met een asbelasting van 10 ton; c) de weg is geschikt voor voertuigen met een totaal gewicht van ten minste 30 ton; d) een doodlopende route/weg is acceptabel met een lengte < 40 meter; e) een doodlopende route/weg met aftakkingen die de 40 meter overschrijdt is niet acceptabel; f) een doodlopende route /weg < 80 meter is toegestaan mits de wegbreedte minimale 4,5 meter bedraagt en er een keermogelijkheid aanwezig is (conform j en k) g) een doodlopende route/weg van > 40 meter is alleen acceptabel met een breedte > 5.0 meter h) een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en i) een doeltreffende afwatering; j) de minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 meter; k) de maximale binnenbochtstraal bedraagt ten minste 4.5 meter minder dan de buitenbochtstraal.

4.

Een verbindingsweg is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. De geformuleerde uitgangspunten zijn voor hulpverleningsvoertuigen het absolute minimum en gelden ook voor verbindingswegen op eigen terrein.

5. 6.

pagina 17 van 18

Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1. 2.

3.

4. 5. 6.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. Met het oog op het kunnen redden van personen uit wooncomplexen voor 2003 dient een opstelplaats voor brandweervoertuigen met een voldoende afmeting (lengte 10 m en breedte 5 m) en een maximale hellingshoek van 7 % voor kunnen afstempelen van een redvoertuig. De stempeldruk bedraagt 100 Kn; Het eerste lid is niet van toepassing: a) op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b) op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c) een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d) als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de voorgeschreven hoogte en breedte als bedoeld in artikel 2.2.3.7, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

pagina 18 van 18

Rapport:

Verkennend bodemonderzoek Hilvarenbeek Zadelmaker

Opdrachtgever:

Gemeente Hilvarenbeek T.a.v. dhr. D. Elberts Postbus 3 5080 AA Hilvarenbeek

Rapportnummer: Rapportdatum: Status:

2200491 3 mei 2022 Definitief

Auteur:

MSc. S. Frankhuizen

Kwaliteitscontrole:

ing. H. Verheijen

Bodex Milieu B.V. Putstraat 9a, 5091 TH Middelbeers Postbus 38, 5688 ZG Oirschot

Versie: 1

Tel.: +31(0)13-5810717 www.silt.nl info@bodexmilieu.nl Bodex Milieu B.V. is onderdeel van Silt

K.v.K. 17182328 IBAN: NL25 RABO 0370 7175 03 BTW: NL8148.87.016.B01

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..........................................................................................................................................3 1 Inleiding ...........................................................................................................................................4 1.1 Algemeen .................................................................................................................................4 1.2 Opzet van het bodemonderzoek ..............................................................................................4 1.3 Betrouwbaarheid ......................................................................................................................5 1.4 Opbouw van het rapport ...........................................................................................................5 2 Vooronderzoek ................................................................................................................................6 2.1 Inleiding en opzet vooronderzoek ............................................................................................6 2.2 Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie ...........................................................6 2.3 Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten ........................................................7 2.4 Boven- en

ondergrondse tanks ................................................................................................7 2.5 Overzicht milieukundige bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart ..................................7 2.6 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................8 2.7 Terreinverkenning.....................................................................................................................9 2.8 Asbest .......................................................................................................................................9 2.9 Overig .......................................................................................................................................9 2.10 Resultaten vooronderzoek .......................................................................................................9 3 Uitvoering van het bodemonderzoek ......................................................................................... 11 3.1 Onderzoeksstrategie ............................................................................................................. 11 3.2 Veldwerkzaamheden .............................................................................................................

11 3.3 Bodemopbouw....................................................................................................................... 11 3.4 Zintuiglijke waarnemingen ..................................................................................................... 11 3.5 Bemonstering grond .............................................................................................................. 12 3.6 Bemonstering grondwater ..................................................................................................... 12 3.7 Samenstelling grond- en grondwatermonsters ..................................................................... 12 3.8 Afwijkingen BRL-SIKB 2000 .................................................................................................. 13 4 Toetsing analyseresultaten grond en grondwater ................................................................... 14 5 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................................... 15 5.1 Conclusies ............................................................................................................................. 15 5.2 Toetsing hypothese ...............................................................................................................

15 5.3 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 15

Bijlagen Bijlage 1: Regionale ligging locatie Bijlage 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlage 3: Boorbeschrijvingen Bijlage 4: Toetsing analyseresultaten Bijlage 5: Analysecertificaten Bijlage 6: Interpretatie en toetsingskader

2

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Samenvatting Algemeen In opdracht van de heer D. Elberts namens Gemeente Hilvarenbeek, is door Bodex Milieu B.V. in april 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Zadelmaker te Hilvarenbeek. Deze locatie staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie L, nr. 1678. De daadwerkelijke onderzoekslocatie beslaat een oppervlakte van max 1.000 m². Aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is aan te tonen, door middel van een steekproef, dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigde stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarde of streefwaarde. Conclusies en aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de zintuiglijk schone boven –en ondergrond geen van de geanalyseerde parameters verhoogd zijn aangetoond. Tevens kan worden geconcludeerd dat in het grondwatermonster PB01, verkregen uit de gelijknamige peilbuis, een lichte verontreiniging (overschrijding streefwaarde) met barium, cadmium en zink is aangetoond.

De in het onderhavige bodemonderzoek aangetoonde streefwaardeoverschrijdingen zijn dermate licht dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Op basis van de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek wordt de aangetroffen bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie aanvaardbaar geacht. Er zijn, ons inziens, uit milieuhygiënisch oogpunt dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de voorgenomen nieuwbouw. Definitief oordeel hieromtrent is aan het bevoegd gezag. Indien tijdens de bouwwerkzaamheden grond vrijkomt mag deze ter plaatse hergebruikt worden. Indien de grond elders wordt toegepast dient dit te worden afgestemd met het bevoegd gezag aldaar. Mogelijkerwijs is een partijkeuring noodzakelijk.

3

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

1 Inleiding 1.1

Algemeen

In opdracht van de heer D. Elberts namens Gemeente Hilvarenbeek, is door Bodex Milieu B.V. in april 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Zadelmaker te Hilvarenbeek. Deze locatie staat kadastraal bekend als gemeente Hilvarenbeek, sectie L, nr. 1678. De daadwerkelijke onderzoekslocatie beslaat een oppervlakte van max. 1.000 m². Aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is aan te tonen, door middel van een steekproef, dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigde stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarde of streefwaarde. 1.2

Opzet van het bodemonderzoek

De onderzoeksopzet is gebaseerd op de NEN 5725 (strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en de NEN 5740 (strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek; onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond), zoals deze zijn uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Bodex Milieu B.V. is een onafhankelijk bureau dat naast NEN-EN-ISO 9001, NEN-EN-ISO 14001, VCA**, CO2-prestatieladder (trede 5), is gecertificeerd conform BRL SIKB 1000 (protocol 1001, 1002 en 1003), BRL SIKB 2000 (protocol 2001, 2002, 2003 en 2018) en BRL SIKB 6000 (protocol 6001 en 6003). De in de onderhavige rapportage beschreven werkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd (certificaatnummer: EC-SIK-02238, d.d. 1 juli 2021). Een gedeelte van de werkzaamheden is uitgevoerd door onze zusterorganisatie Lankelma Geotechniek Zuid B.V. (certificaatnummer: NC-SIK20337, d.d. 1 december 2019). In dit bodemonderzoek zijn protocol 2001 1 en 20022 van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 20003 van toepassing. Daarnaast werkt Bodex Milieu B.V. volgens de NEN-ISO 26000:2010, hetgeen de maatschappelijke verantwoordelijkheid van onze organisatie borgt.

We letten daarbij op de zeven kernthema’s te weten: milieu, arbeidsomstandigheden, mensenrechten, eerlijk zaken doen, maatschappelijke betrokkenheid & ontwikkeling, consumentenaangelegenheden en behoorlijk bestuur van de organisatie. Fase 1: vooronderzoek en terreininspectie De juiste keuze van de hypothese is bepalend voor het veldwerk en dient te leiden tot een zo optimaal mogelijk uitgevoerd onderzoek. De hypothese is aan de hand van de verkregen historische gegevens en een terreininspectie bepaald. Fase 2: veldwerkzaamheden • het verrichten van boringen; • het plaatsen van een peilbuis; • het classificeren en zintuiglijk beoordelen van de grond; • de monstername van grond en grondwater. Fase 3: chemische analyses De chemische analyses worden, binnen de daarvoor gestelde conserveringstermijn, conform de vigerende NEN-normen, uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, een door het ministerie aangewezen laboratorium voor analyses conform AS3000 (accreditatie L028). 1

2 3

Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen (versie 6, d.d. 1 februari 2018). Het nemen van grondwatermonsters (versie 6, d.d. 1 februari 2018). Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek (versie 6, d.d. 1 februari 2018).

4

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Fase 4: interpretatie De resultaten van de analyses van de monsters zijn enerzijds getoetst aan de ‘Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013’ van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2013, nr. 16675, d.d. 27 juni 2013 en anderzijds aan de ‘Regeling bodemkwaliteit’ (behorende tot het Besluit bodemkwaliteit), zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2007, nr. 247, d.d. 13 december 2007. 1.3

Betrouwbaarheid

Zoals in de betreffende protocollen wordt vereist, is tussen Bodex Milieu B.V. en haar opdrachtgever geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit van Bodex Milieu B.V. zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. Bodex Milieu B.V. verklaart hierbij dan ook dat zij in geval van de geoffreerde werkzaamheden op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze gelieerd is aan de opdrachtgever. Ondanks het zorgvuldig, conform de normen, uitgevoerde onderzoek kan de representativiteit niet worden gegarandeerd: er blijft altijd een kans aanwezig dat een op locatie aanwezige verontreiniging niet wordt gedetecteerd als gevolg van de aanwezige trefkans en de uitmiddeling bij het samenstellen van (meng)monsters. Lokale afwijkingen ten opzichte van de volgens de norm voorgeschreven steekmonsters kunnen nimmer worden uitgesloten. Het uitgevoerde onderzoek betreft een momentopname. Na uitvoering van het onderzoek kunnen grond- en grondwaterkwaliteit door externe factoren worden beïnvloed. Naarmate de periode tussen de uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden bij het gebruik van dit rapport. Dit rapport is tot stand gekomen op basis van een overeenkomst van opdracht tussen Bodex Milieu B.V.

in kwaliteit van adviseur en haar opdrachtgever, op welke rechtsverhouding exclusief de DNR 2011 voorwaarden toepasselijk zijn. Bodex Milieu B.V. is slechts in verhouding tot haar opdrachtgever verantwoording schuldig over de inhoud en wijze van totstandkoming van het rapport. Derden kunnen dan ook geen rechten ontlenen aan de inhoud van het rapport. 1.4

Opbouw van het rapport

De keuze van de opzet van het onderzoek is onder meer afhankelijk van het huidige en het voormalige gebruik van het perceel. De locatiegegevens en het vooronderzoek staan beschreven in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 bevat de beschrijving van het veldonderzoek en de resultaten van het analytisch onderzoek. De verzamelde gegevens zijn aan de hand van het toetsingskader van de Wet bodembescherming en Besluit Bodemkwaliteit getoetst in hoofdstuk 4. Op basis van de verzamelde onderzoeksresultaten is de chemische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie beoordeeld. Deze beoordeling is ondergebracht in hoofdstuk 5 (conclusies). Daarnaast worden op basis van de onderzoeksresultaten aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen.

5

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

2 Vooronderzoek 2.1

Inleiding en opzet vooronderzoek

Het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 is uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijke onderzoek van de bodem (veld- en laboratoriumonderzoek). Het doel van het vooronderzoek is inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. De aanleiding voor het opstellen van onderhavig vooronderzoek sluit aan bij A ‘opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’. De resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij het vaststellen van de onderzoekshypothese en -strategie en kunnen worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Door Bodex Milieu B.V. zijn in het kader van het vooronderzoek de volgende openbare bronnen geraadpleegd: Tabel 1: Vooronderzoek, openbare bronnen Bron Website

Geraadpleegd

Opmerking

Provincie

www.brabant.nl

30 maart 2022

Stortplaatsenkaart, grondwaterbeschermingsgebieden, Natura-2000 gebieden

Kadaster

www.kadastralekaart.com

30 maart 2022

Eigendomssituatie en topografie

Topografie

www.topotijdreis.nl

30 maart 2022

Topografische gegevens uit verleden en heden

Bodemloket

www.bodemloket.nl

30 maart 2022

Bekende bodeminformatie

Archeologie in Nederland

Archeologieinnederland.nl

30 maart 2022

Archeologische informatie

IKME

Ikme.nl

30 maart 2022

NGE-gegevens

Grondwatertools

www.grondwatertools.nl

30 maart 2022

Grondwaterstroming

Risicokaart

www.risicokaart.nl

30 maart 2022

Gebied gebonden risico’s

Google

Google-earth.com

30 maart 2022

Topografie uit heden en verleden

Dino-loket

www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen

30 maart 2022

Geohydro-opbouw

Antea Group

https://gisconnect.anteagroup.nl/

30 maart 2022

BKK Midden –en West Brabant

9 maart 2022

Historisch onderzoek opgevraagd bij de gemeente, op 9 maart 2022 ontvangen

Gemeente Hilvarenbeek

In navolgende paragrafen is de verkregen informatie uit het vooronderzoek nader toegelicht. 2.2

Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie

Eigenaar Bebouwing Maaiveldtype Ligging Omgeving Kadastrale aanduiding Oppervlakte perceel Topografische veldcoördinaten

: : : : : : : :

Gemeente Hilvarenbeek Geen Braakliggend gras Woonwijk Hilvarenbeek Woningen en agrarisch Gemeente Hilvarenbeek, Sectie L, nr. 1678. Max. 1.000 m2 X 137.753 Y 387.851

6

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de regionale overzichtskaart en de situatietekening, welke zijn opgenomen als respectievelijk bijlage 1 en bijlage 2. 2.3

Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten

In onderstaande figuren is de onderzoekslocatie op topografische kaarten uit meerdere tijdsperioden weergegeven. Figuur 1: situatie omstreeks 1925

Figuur 2: situatie omstreeks 1975

Figuur 3: situatie omstreeks 2000

Figuur 4: situatie omstreeks 2021

Uit de verschillende topografische kaarten kan worden opgemaakt dat het perceel aan de Zadelmaker altijd braakliggend terrein is geweest ofwel een agrarische bestemming had. 2.4

Boven- en ondergrondse tanks

Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn voor zover bekend geen (ondergrondse) tanks aanwezig (geweest). 2.5

Overzicht milieukundige bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart

Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn enkele bodemonderzoeken bekend. De belangrijkste zijn in onderstaande tabel opgenomen.

7

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Tabel 2: Uitgevoerde bodemonderzoeken Locatie Soort onderzoek Kenmerk Datum Auteur

Analyseresultaten/conclusies bovengrond

ondergrond

grondwater

Langecruijsstraat

Verkennend onderzoek 16-05-2008 Tritium

Kobalt boven achtergrondwaarde

Kobalt boven achtergrondwaarde

Barium en chroom boven streefwaarde, zink boven tussenwaarde

Langecruijsstraat

Verkennend onderzoek 1104/135/ML-01 27-07-2012 Tritium

Licht verontreinigd met kobalt en PCB

Licht verontreinigd met kobalt en kwik

Licht verontreinigd met barium en nikkel, sterk verontreinigd met zink, bron ligt niet op locatie dus nader onderzoek niet noodzakelijk

Langecruijsstraat

Historisch onderzoek 1206/047/ML-01 07-08-2012 Tritium

Uit eerdere onderzoeken blijkt dat de grond plaatselijk licht verontreinigd is met zware metalen en PCB. Het grondwater is plaatselijk licht tot sterk verontreinigd met zink, mogelijk door uitloging van zware metalen van zinkassen onder wegen. De activiteiten en het gebruik (akker en weiland) zijn sinds de eerdere onderzoeken niet gewijzigd. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Uit de resultaten van de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat er ten tijde van die onderzoeken geen sterke verontreinigingen in de bodem zijn aangetoond. Door Antea Group B.V. is een bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassekaart vastgesteld. De onderzoekslocatie is gelegen in een woonwijk in Hilvarenbeek, welke is ingedeeld in de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. Op basis van de bodemkwaliteitskaart kan de kwaliteit van de boven –en ondergrond worden vastgesteld op klasse AW2000. De locatie is gelegen in een regio met een zandige ondergrond. Dergelijke gebieden worden veelal gekenmerkt door een lage zuurgraad en geringe absorptiecapaciteit in het grondwater en is er sprake van een relatief grote mobiliteit van zware metalen in de bodem. Zware metalen (zoals koper, lood en zink) kunnen derhalve op basis hiervan in het grondwater van nature in (sterk) verhoogde concentraties voorkomen. 2.6

Bodemopbouw en geohydrologie

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat naar verwachting in de bovengrond uit een zandpakket. Er is geen informatie achterhaald waaruit blijkt dat de onderzoekslocatie in het verleden is opgehoogd, gedempt of ontgrond. Het maaiveld bevindt zich op circa 17 m+NAP. De regionale bodemopbouw ter plaatse is weergeven in tabel 3. Tabel 3: Globale geohydrologische opbouw Meter minus maaiveld Laag

Formatie

Lithologie

circa 0-6

deklaag

Boxtel

Midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind

Circa 6-22

Watervoerend

Sterksel

Grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei

Het freatisch grondwater in de deklaag stroomt globaal in zuidelijke richting. De onderzoekslocatie is niet in de omgeving van een grondwaterbeschermingsgebied gelegen. Brak of zout water komt niet in het freatisch grondwater voor.

8

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

2.7

Terreinverkenning

De terreinverkenning is bij aanvang van de eerste veldwerkzaamheden uitgevoerd door de betreffende veldwerker. Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is door Bodex Milieu B.V. op 6 maart 2022 een terreinverkenning op de onderzoekslocatie uitgevoerd. Tijdens deze verkenning is de locatie in ogenschouw genomen. Er zijn geen bijzonderheden opgemerkt ten opzichte van hetgeen verwacht kan worden op basis van de gegevens van het vooronderzoek. Het terrein is braakliggend en niet in gebruik door de terreineigenaar. In het terrein zijn geen duidelijke terpen, kuilen of glooiingen waargenomen en op het perceel zijn geen watergangen of waterpartijen aanwezig. 2.8

Asbest

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de locatie verdacht is verontreinigd te zijn met asbest. Er zijn geen gebouwen en opstallen aanwezig, waarin of –op zichtbaar asbest of asbestverdacht materiaal is aangebracht en er is tijdens de terreinverkenning geen (zwerf)asbest waargenomen. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat er op het perceel sprake is (geweest) van het dempen of toepassen van mogelijk asbesthoudende grond of bouwstoffen. 2.9

Overig

Voor zover bekend hebben ter plaatse van de onderzoekslocatie in het verleden geen milieubedreigende activiteiten c.q. calamiteiten plaatsgevonden. Voor zover bekend is de locatie niet gelegen op of nabij een (voormalige) stortplaats. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een Natura-2000 gebied. Er zijn geen gegevens bekend over archeologische waarden of OCE/NGE verdachte objecten op de onderzoekslocatie. Explosieven: IKME Overige gebieden De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft voor Nederland een landelijk overzicht op een kleine schaal van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. De onderzoekslocatie is gesitueerd in de zone ‘Overige gebieden’. Binnen deze zone kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. 2.10 Resultaten vooronderzoek Uit het vooronderzoek blijkt dat er ter plaatse van de onderzoekslocatie geen sprake is van bodembelasting anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting. Ten aanzien van asbest wordt uit het vooronderzoek geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de locatie als asbestverdacht te beschouwen. Op basis van de bodemkwaliteitskaart is de locatie ingedeeld in de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, en kan de kwaliteit van de boven –en ondergrond worden vastgesteld op klasse AW2000.

In de grond en het freatisch grondwater ter plaatse worden geen verontreinigde stoffen verwacht in concentraties boven respectievelijk de achtergrondwaarden of de streefwaarden. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt voor de onderzoekslocatie de hypothese ‘onverdacht’ opgesteld. De locatie zal overeenkomstig de onderzoeksstrategie ‘onverdacht’ worden onderzocht.

9

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Het verrichte vooronderzoek bevat voor zover kan worden overzien geen hiaten in de beantwoording van de in de NEN 5725 vastgestelde onderzoeksvragen. Er zijn tijdens het uitvoeren van het vooronderzoek geen tegenstrijdigheden van informatie aangetroffen en er bestaan geen twijfels over de betrouwbaarheid van de bronnen en de verkregen informatie.

10

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

3 Uitvoering van het bodemonderzoek 3.1

Onderzoeksstrategie

Uit het vooronderzoek is voor de onderzoekslocatie de hypothese ‘onverdacht’ opgesteld. Deze hypothese is de basis voor te hanteren onderzoeksstrategie ‘onverdacht’. In onderstaande tabel 4 is deze gehanteerde onderzoeksstrategie concreet in het aantal boringen, peilbuizen en analyses uitgewerkt. Tabel 4: Onderzoeksstrategie Oppervlakte Aantal boringen locatie [m²] boring tot 0,50 boring tot 2 m-mv m-mv

boring met peilbuis

bovengrond

ondergrond

grondwater

1.000

1

1 x NENG

1 x NENG

1 x NENW

4

1

Aantal te analyseren (meng)monsters

Analysepakket: NENG standaardpakket voor landbodem en grond, bestaande uit: samplemate malen, droge stof- organische stof- en lutumgehalte, negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., polycyclische aromatische koolwaterstoffen en polychloorbifenylen; NENW standaardpakket voor grondwater, bestaande uit: negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen, styreen en naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, trichloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,1-dichloorpropaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform).

3.2

Veldwerkzaamheden

Het plaatsen van de boringen en de peilbuis is door de erkende veldwerker4, de heer W. Vogels (Lankelma Geotechniek Zuid B.V.) uitgevoerd op 6 maart 2022. De peilbuis is, na inachtneming van de geldende rustperiode van minimaal een week door de erkende veldwerker, de heer D.K.J. van de Giessen (Milieupartner B.V.), bemonsterd op 14 april 2022. De posities van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven op de situatietekening, welke is opgenomen als bijlage 2 3.3

Bodemopbouw

Een schematische weergave van het in het veld geclassificeerde bodemmateriaal is weergegeven in de boorprofielen, welke zijn opgenomen als bijlage 3. De globale bodemopbouw is weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Globale bodemopbouw Diepte [m-mv]

Classificatie

van

tot

0,0

1,0

Matig fijn siltig zand, humeus

1,0

2,0

Matig fijn siltig zand

2,0

2,8

Sterk zandig leem

2,8

3,9

Matig fijn siltig zand

3.4

Zintuiglijke waarnemingen

In het omhoog gebrachte bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen afwijkingen qua geur, kleur of samenstelling waargenomen. Ook zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen.

4

De veldwerker verklaart hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van de BRL-SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen.

11

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld, evenals het opgeboorde bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Het betreft hier een beoordeling van het maaiveld en het opgeboorde bodemmateriaal overeenkomstig het protocol 2001. Er is geen sprake geweest van een asbestonderzoek conform de NEN 5707 en uitvoering hiervan conform het protocol 2018. 3.5

Bemonstering grond

De uitkomende grond is per grondlaag van maximaal 50 cm bemonsterd. Eventuele afwijkende grondlagen zijn separaat bemonsterd. De grondmonsters zijn direct luchtdicht verpakt (volledig afgevuld) in glazen potten met polypropyleen deksel. 3.6

Bemonstering grondwater

Na de grondwaterstand gemeten te hebben is de voorgeschreven hoeveelheid water uit de peilbuis afgepompt, hierna heeft de monstername van het grondwater plaatsgevonden. Tijdens de bemonstering van het grondwater is het elektrisch geleidend vermogen (EC), de zuurgraad (pH) en de troebelheid van het grondwater bepaald. De gemeten zuurgraad en het elektrisch geleidend vermogen zijn niet afwijkend ten opzichte van een natuurlijke situatie. De gemeten troebelheid is hoog ten opzichte van een natuurlijke situatie. De gemeten waarden zijn weergegeven in tabel 6. Tabel 6: Metingen grondwater Peilbuis Filterdiepte [m-mv]

Grondwaterstan d [m-mv]

pH [-]

EC [µS/cm]

Troebelheid [NTU#]

PB01

2,53

5,33

380

63,3

#

3.7

2,9 – 3,9

Tijdens de monstername van het grondwater wordt de troebelheid van het grondwater in NTU (Nephelometric Turbidity Unit) gemeten, verondersteld wordt dat het grondwater in de bodem van nature een troebelheid van 0 tot 10 NTU heeft. Het meten van een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt.

Samenstelling grond- en grondwatermonsters

Ten behoeve van het chemisch grond- en grondwateronderzoek zijn, conform de vastgestelde onderzoeksstrategie, twee grond(meng)monsters en één grondwatermonster geanalyseerd. De grondmengmonsters zijn in het laboratorium samengesteld uit de aangeleverde deelmonsters. De grond- en grondwatermonsters zijn door Eurofins Analytico B.V. te Barneveld chemisch onderzocht op de in tabel 7 en tabel 8 genoemde analysepakketten. Tevens zijn in deze tabellen de monstergegevens weergegeven. De grond- en grondwatermonsters zijn zodanig geselecteerd dat na uitvoering van de analyses een representatief beeld wordt verkregen van een eventuele verontreinigingssituatie van de grond en het freatische grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie.

12

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

Tabel 7: Samenstelling grond(meng)monsters Analysemonster Traject [m-mv]

Deelmonsters

Zintuiglijke waarnemingen

Analysepakket

MM1

0,0 – 0,5

B02 (0,00 - 0,50) B03 (0,00 - 0,50) B04 (0,00 - 0,50) B05 (0,00 - 0,50) B06 (0,00 - 0,50) PB01 (0,00 - 0,50)

-

NENG

MM2

1,0 – 2,0

B02 (1,00 - 1,50) B02 (1,50 - 2,00) PB01 (1,00 - 1,50) PB01 (1,50 - 2,00)

-

NENG

Gradatie: zwak matig sterk uiterst volledig -

(bij puin <5%) (bij puin 5-15%) (bij puin 15-50%) (bij puin 50-80%) (bij puin >80%) geen zintuiglijke waarnemingen

Analysepakket: NENG standaardpakket voor landbodem en grond, bestaande uit: samplemate malen, droge stof- organische stof- en lutumgehalte, negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., polycyclische aromatische koolwaterstoffen en polychloorbifenylen

Tabel 8: Samenstelling grondwatermonster Analysemonster Filterdiepte [m-mv]

Zintuiglijke waarnemingen

Analysepakket

PB01

-

NENW

-

2,9 – 3,9 geen zintuiglijke waarnemingen

Analysepakket: NENW standaardpakket voor grondwater, bestaande uit: negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen, styreen en naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, trichloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,1-dichloorpropaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform)

3.8

Afwijkingen BRL-SIKB 2000

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen opgetreden in het kader van de BRL-SIKB 2000 protocollen 2001 en 2002.

13

Verkennend bodemonderzoek Zadelmaker te Hilvarenbeek Project 2200491 versie 1

4 Toetsing analyseresultaten grond en grondwater In tabel 9 en tabel 10 zijn (indien van toepassing) de verhoogd aangetoonde parameters weergegeven. De bijbehorende toetsingstabellen van de analyseresultaten, alsmede de analysecertificaten, zijn opgenomen als respectievelijk bijlage 4 en bijlage 5. Tabel 9: Overschrijdingstabel grond Analysemonster Traject Zintuiglijke [m-mv] waarnemingen

> AW (index)

> I (index)

Bbk (indicatief)

MM1

0,0 – 0,5

-

-

-

AW

MM2

1,0 – 2,0

-

-

-

AW

Gradatie: zwak matig sterk uiterst volledig -

(bij puin <5%) (bij puin 5-15%) (bij puin 15-50%) (bij puin 50-80%) (bij puin >80%) geen zintuiglijke waarnemingen

Overschrijdingen: > AW boven achtergrondwaarde >I boven interventiewaarde index berekende factor overschrijding ten opzichte van I niet aangetoond

Bodemkwaliteitsklasse (Bbk): AW voldoet aan kwaliteitsklasse AW (bodemfunctie landbouw/natuur) WO voldoet aan kwaliteitsklasse en bodemfunctie wonen IND voldoet aan kwaliteitsklasse en bodemfunctie industrie NT voldoet niet aan hergebruiksnorm Besluit bodemkwaliteit, mogelijk sterk verontreinigde grond

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11853589/1