14 bp Hilvarenbeek-Diessen, realisatie 4 woningen (3b toelichting Bijlage 2 Milieuhygiënische en planologische toelichting Zadelmaker (Gelderakkers, Hvb)
Tekst van het document
Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht
Bijlage 2 Milieuhygiënische en planologische toelichting locatie ‘Gelderakkers’
Bestemmingsplan “Hilvarenbeek/Diessen, realisatie 4 woningen”
Datum: 23 mei 2022
Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl
Gemeente Hilvarenbeek
2
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Inhoudsopgave MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................................................... 4 5.1 PARKEREN EN ONTSLUITING ...................................................................................................... 4 5.2 WATER .................................................................................................................................... 4 5.3 NATUUR................................................................................................................................... 6 5.4 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ........................................................................................ 7 5.5 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................... 9 5.6 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 12 5.7 GELUID .................................................................................................................................. 12 5.8 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 13 5.9 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................
14 5.10 EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................................................. 15 5.11 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR............................................................................................... 17 5.12 GEZONDHEID ......................................................................................................................... 17 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 19
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
3
Milieuhygiënische en planologische aspecten 5.1
Parkeren en ontsluiting
De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Hilvarenbeek het “Parkeerbeleidsplan 20152020” vastgesteld. Dit plan is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor elke ontwikkeling speelt de vraag wat de parkeerbehoefte is en of deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor een vrijstaande woning in de rest bebouwde kom wordt een norm van maximaal 2,7 parkeerplaatsen aangehouden. Het nieuwe perceel kent voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Bij toekomstige bouwplannen is het voor het verlenen van een omgevingsvergunning noodzakelijk dat voldaan wordt aan de normen. Bij de bouwplannen dient hierbij rekening te worden gehouden. Ontsluiting en verkeersgeneratie De ontsluiting van het nieuwe perceel zal plaatsvinden via bestaande woonstraten.
De verkeersgeneratie van een vrijstaande woning bedraagt op basis van de verkeersgeneratietool van de CROW 8 voertuigbewegingen per etmaal. De wegcapaciteit van de bestaande woonstraat is gedimensioneerd op het afwikkelen van verkeer ten behoeve van het wonen en is voldoende groot om deze geringe toename gemakkelijk te verwerken.
5.2
Water
In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd.
De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 4
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5. Afvoeren naar de riolering Op planniveau is conform het beleid van het waterschap voor de realisatie van een woning en (plannen kleiner dan 500 m2) geen compensatie vereist en hoeft geen watertoets doorlopen te worden. Het gemeentelijk waterbeleid; “Hemel en Grondwaterbeleid Hilvarenbeek” Volgens de Nieuwe Waterwet uit 2009 beginnen de nieuwe zorgplichten op hemel- en grondwater bij de perceelseigenaar. Zij moet het in eerste instantie op het eigen perceel verwerken. De gemeente komt in beeld als dit niet redelijkerwijs kan. Met de Nieuwe Waterwet heeft de gemeente nu ook juridische instrumenten om een meer duurzame omgang met water af te dwingen. Bij de woningbouwontwikkelingen wordt getracht een betere onderbouwing te krijgen van de bouwplannen in relatie tot optredende grondwaterstanden. De laatste jaren streeft de gemeente Hilvarenbeek ook naar het afkoppelen van hemelwater van het vuile rioolwater bij de uitvoering van rioolvervangingen. Om wateroverlast te voorkomen is het ook nodig om op de ontwikkellocatie maatregelen tot het vasthouden van hemelwater te nemen. Om de afkoppelambitie van de gemeente op een doelmatige manier te realiseren is, buiten de aanpassingen in het rioolstelsel en openbare ruimte, de aanscherping ten opzichte van het hydrologisch neutraal bouwen ten opzichte van de Keur nodig.
Hierbij moet het afstromend hemelwater worden behandeld volgens de hierboven genoemde voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld. Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermde zone”. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Voor de toekomstige verharding zijn reële aannames gedaan. Door de planontwikkeling met 1 woning en het deels verharden van het terrein met terreinverharding neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie toe. Per woning is een aanname gedaan van een dakvlak van 150 m2 en terreinverharding van 100 m2. De toename van de verharding als gevolg van het dakvlak en terreinverharding bedraagt hierdoor voor de locatie in Gelderakkers circa, 250 m2. Bodem en Grondwater Op basis van de bodemdata van BIS Nederland is de Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gelegen op 80 tot 140 centimeter onder maaiveld (grondwatertrap VII). Ook valt uit de bodematlas af te leiden dat de bodem bestaat uit zandige enkeerdgrond. Zand is uitermate geschikt voor infiltratie. De bodemgesteldheid en de ligging van het grondwater maakt dat de bodem geschikt is voor infiltratie. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater Na de bestemming van het nieuwe perceel is het verhard oppervlak circa 250 m2.
Gelet op de te bergen opgave van 60 mm volgens de webgispublisher van waterschap de Dommel, behoort 15 m3 te worden geborgen, waarna het vertraagd mag infiltreren in de bodem. Op het perceel is voldoende ruimte beschikbaar voor de aanleg van een voorziening van de berging en infiltratie van hemelwater. Dit kan in de vorm van een vijver of ondergrondse voorziening. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning zal dit worden uitgewerkt. Bij de bouwplannen zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Middels het gemeentelijk waterbeleid is dit geborgd. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5
Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden aan het bestaand gemeentelijk riool. Geconcludeerd moet worden dat voor het aspect water geen belemmering is voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Natuur
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren), de Waddenzee maar ook Kempenland-West). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid.
Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar verordening toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het deel van het plangebied in Gelderakkers ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Gezien de kleinschaligheid van de bouwactiviteiten, en de afstand (circa 1.000 meter) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Kempenland-West) is het niet aannemelijk dat het plan negatieve effecten heeft op natuurgebieden. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie.
Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor de bouw van één vrijstaande woning is daarom een AERIUS berekening opgesteld. Concrete bouwplannen zijn nog niet beschikbaar. De berekening in het kader van de herziening van het bestemmingsplan gaat uit van een algemeen bouwproces. Het uiteindelijk bouwplan en het daarbij 6
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
horende bouwproces kan tot een andere stikstofdepositie leiden.De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Per 1 juli 2021 geldt op basis van het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering een vrijstelling voor de tijdelijke stikstofemmissie als gevolg van de aanlegfase in de bouwsector. De berekening van de emissie als gevolg van de aanlegfase is om die reden niet uitgevoerd. Ten aanzien van de gebruiksfase geldt dat de woningen door middel van elektrische installaties worden verwarmd. Ten aanzien van het gebruik geldt dat alleen de verkeersbewegingen van en naar de woningen zal leiden tot een uitstoot van stikstof. Hiervoor is door middel van het programma AERIUS een berekening gemaakt. Op basis van de kengetallen van het CROW zijn per woning 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal aangehouden. In de berekening is een lijnbron ingevoerd die opgaat in de Gelderstraat. Gezien het aantal verkeersbewegingen aan de Gelderstraat kan worden aangenomen dat zodra de voertuigen als gevolg van het project deze straat hebben bereikt, ze zijn opgegaan in het heersend verkeersbeeld. Als rekenjaar is 2022 aangehouden. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca.
1 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied en de relatief lage verkeersgeneratie die bovendien bestaat uit lichte voertuigen heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van de dichtsbijgelegen Natura-2000 gebieden kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in de gebruiksfase. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Het plangebied ter plaatse van de locatie in Gelderakkers is braakliggend en heeft geen leegstaande gebouwen of andere gelegenheden die geschikt zijn voor verblijf van beschermde soorten. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.
5.4
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 het archeologiebeleid ‘Verborgen tussen het groen’ vastgesteld. Hierin is de archeologische verwachtingswaarde voor het gehele gemeentelijke grondgebied in kaart gebracht. Uit de beleidskaart kan worden opgemaakt dat het plangebied een ‘hoge BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
7
archeologische verwachting’ kent (zie de volgende afbeelding).
Uitsnede archeologiebeleidskaart Hilvarenbeek; Bron gemeente Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft in een aantal gevallen haar archeologiebeleid reeds vertaald naar haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied is dat nog niet het geval. De verwachtingswaarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. De nieuwe woning zal niet groter zijn dan 500 m2 en dieper reiken dan 50 centimeter. Een onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Verder geldt dat als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Het beleid met betrekking tot cultuurhistorie in de gemeente Hilvarenbeek is vastgelegd in De Cultuurhistoriekaart van juni 2013. De kaart maakt inzichtelijk welk cultuurhistorisch-landschappelijk en historisch- (steden)bouwkundig erfgoed in de gemeente Hilvarenbeek aanwezig is.
De cultuurhistoriekaart heeft daarmee allereerst een belangrijke attentiewaarde. Het betreft een basisdocument van waaruit zaken als waardering, erfgoedbeleid en publiekseducatie verder uitgewerkt kunnen worden. Tevens maakt de kaart het mogelijk om te bepalen waar ruimtelijke ontwikkelingen bedreigend kunnen zijn voor de cultuurhistorische waarden. Het plangebied is deels gelegen in het cultuurhistorisch vlak. Het betreft het (voormalig) akkercomplex ten westen van Hilvarenbeek met de buurtschappen Groot Loo, Klein Loo, Hoogs Spul en Laag Spul. Dit deel van het plangebied is reeds opgenomen in het jonge woongebied Gelderakkers. Het inpassen van extra kavels in de bestaande stedenbouwkundige structuur van de wijk heeft geen (nadelige) effecten op de cultuurhistorische waarden van dit cultuurhistorisch vlak.
8
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede cultuurhistoriekaart; Bron gemeente Hilvarenbeek Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5
Milieuzonering, geur en spuitzones
Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van een woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.
Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. In de nabijheid van de ontwikkeling zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan meerdere bestemmingen gevestigd waaronder ‘Bedrijventerrein’, ‘Wonen’, ‘Bedrijf’ en ‘Groen’. Het gebied streeft daarmee een menging van verschillende functies na. Algemeen uitgangspunt In het kader van dit bestemmingsplan worden nieuwe, nog niet bestemde woningen toegevoegd en daarmee wordt voorzien in nieuw gevoelige objecten. De percelen zijn allen gelegen in een bestaand woongebied waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake moet zijn van een goed woon,- en leefklimaat. Voor de volledigheid is een inventarisatie gedaan van de in de nabijheid gelegen bedrijfsactiviteiten en is een beoordeling gemaakt van het leefklimaat en de belangen van de aanwezige BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
9
bedrijven. Zonering In de nabijheid van het deel van het plangebied in Gelderakkers is oostelijk van Gelderstraat een garagebedrijf voor de verkoop van motorbrandstoffen gelegen (Gelderstraat 89a-89b) en aan Kromstraat 3 en 5 is een constructiebedrijf gelegen. De kleinste afstand van het garagebedrijf tot dit deel van het plangebied bedraagt circa 65 meter. De afstand van het constructiebedrijf tot dit deel van het plangebied is circa 100 meter. Constructiebedrijf Kromstraat 3-5 Een constructiebedrijf heeft op basis van de VNG-brochure milieucategorie 3.2. De richtafstand is 100 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Bovendien geldt dat er tussen het bedrijf en dit deel van het plangebied reeds meerdere woningen aanwezig zijn. Deze bestaande woningen zijn maatgevend voor het bedrijf. Het bedrijf wordt niet in haar belangen aangetast.
Uitsnede bestemmingsplan met het aan Kromstraat 3-5 gelegen constructiebedrijf. Bron: ruimtelijkeplannen.nl Garagebedrijf Gelderstraat 89a en 89b Het garagebedrijf voor de verkoop van motorbrandstoffen aan Gelderstraat 89a en 89b heeft een doorzet aan LPG dat is begrensd tot 500 m3. Bedrijfsactiviteiten met een doorzet aan LPG tot maximaal 1.000 m3 heeft op basis van de VNG-brochure milieucategorie 3.1. De richtafstand bedraagt 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat de belangen van het bedrijf niet worden geschaad. Een lpg-installatie is een aspect dat in het kader van externe veiligheid meer aandacht vraagt. In paragraaf 5.10 wordt hier nader op ingegaan.
10
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede bestemmingsplan met het aan Gelderstraat 89a en 89b gelegen garagebedrijf. Bron: ruimtelijkeplannen.nl Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling in dit deel van het plangebied geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woningen. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • •
Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.
Bij de planvorming van de woonwijk Gelderakkers, waartoe ook dit deel van het plangebied behoort, is grondig onderzoek gedaan naar de geursituatie. De laatste keer was dit ten tijde van het bestemmingsplan ‘Geurcontour Gelderakkers’ uit 2015 wat een bestaande geurcontour ophief. Voor een beoordeling van de geursituatie is toen een onderzoek uitgevoerd (rapport Crijns Rentmeesters bv, ‘Geuronderzoek Gelderakkers, Hilvarenbeek’, dd 14 juli 2015). De conclusie in dit rapport luidt als volgt; Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat is gegarandeerd en dat derden niet in hun belangen worden geschaad. De aanwezige aanduiding ‘milieuzone – geurzone’ kan voor wat betreft een aantal veehouderijen van de verbeelding worden verwijderd en voor de veehouderij Hoog Spul 3 worden verkleind. Ter plaatse van dit deel van het plangebied is sprake van een gezonde geursituatie. Er worden geen belangen van bedrijven geschaad. Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat de met deze herziening te plannen woningen niet maatgevend zijn voor de omliggende bedrijven.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
11
Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen agrarische bedrijvigheden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.
de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Recent heeft de Raad van State uitspraak gedaan naar de mogelijke noodzaak voor het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie). (Uitspraak: 201901439-1-r1). Naar het oordeel van de Afdeling kan de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie) behoeft daarom niet te worden uitgevoerd.
5.7
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, 12
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • • •
Woningen; Andere geluidsgevoelige gebouwen; Geluidsgevoelige terreinen
Omdat door met de beoogde ontwikkeling een nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen. Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. Dit deel van het plangebied is gelegen binnen een woongebied met een snelheidsregime van 30 kilometer/uur. Een geluidsonderzoek is daarvoor niet verplicht. Het is niet te verwachten dat er sprake is van geluidsoverlast door de lage snelheid en het feit dat tussen de weg Gelderstraat en dit deel van het plangebied bestaand woningen zijn gelegen. Deze hebben een afschermende werking ten aanzien van het geluid van het verkeer de Gelderstraat. Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
5.8
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; • De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).
Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
13
dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft het planologisch toevoegen van enkele nieuwe woningen. Deze herziening is daarmee een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening. Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. Ten behoeve van de nieuwe woning in het deel van het plangebied in Gelderakkers is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (nsl-monitoring.nl). Hieruit blijkt dat nabij de Provinciale weg ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3).
Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Omdat de projectlocatie op basis van de actuele kaartbeelden verder weg is gelegen van de Provinciale weg dan dat de meetpunten van uit de nsl-viewer dat doen, kan worden geconcludeerd dat dit deel van het plangebied niet is gelegen in een gebied met een slechte luchtkwaliteit.
Uitsnede kaart Fijnstof 2017 (pm2,5) met in rood het deel van het plangebied in Gelderakkers; bron: nsl-viewer.nl Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.9
Bodemkwaliteit
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit deel van het plangebied is reeds lange tijd bestemd ten behoeve van de woonfunctie. De gronden 14
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
liggen al geruime tijd braak of worden als tuin gebruikt waardoor geconcludeerd kan worden dat er geen omstandigheden zijn die tot een mogelijke bodemverontreiniging hebben geleid. Voor de volledigheid is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Op basis van de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek wordt de aangetroffen bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie aanvaardbaar geacht. Er zijn, ons inziens, uit milieuhygiënisch oogpunt dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de voorgenomen nieuwbouw. Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.10 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.
Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van de nieuw te bouwen woning in dit deel van het plangebied is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
15
Uitsnede uit de Risicokaart met in rood aangeduid het deel van het plangebied gelegen in Gelderakkers; bron: risicokaart.nl Op basis van de risicokaart is er één risicobron gevonden, te weten de lpg-installatie van het garagebedrijf aan Gelderstraat 89a en 89b. Ook uit de inventarisatie van de Omgevingsdienst Midden en West Brabant (OMWB) in het kader van het Standaardadvies is uitgevoerd blijkt dit garagebedrijf in beeld te zijn gebracht. De beoogde nieuwe wonin is gelegen binnen de 200 meterzone in de zonekaart van de OMWB. De volgende afbeelding toont de ligging van het plangebied binnen de 200 meterzone het garagebedrijf.
Uitsnede kaart zone indeling standaardverantwoording groepsrisico. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. 16
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Op basis van het stroomschema van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is een maatwerkverantwoording nodig. Het Stroomschema is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Voor de maatwerkverantwoording kan worden aangesloten op de verantwoording die in het kader van de ontwikkeling van de wijk Gelderakkers is gedaan. Bij de planvorming van het woongebied van Gelderakkers waartoe ook dit deel van het plangebied behoort is grondig onderzoek (SAVE rapport Bevi-toetsing voor bestemmingsplan Gelderakkers QRA LPG-tankstation Gelderstaat 89a te Hilvarenbeek, dd 17 juli 2013) gedaan naar dit aspect. In dit rapport werd het volgende geconcludeerd; Plaatsgebonden risico Doordat voor de ontwikkeling een bestemmingsplanprocedure moet worden doorlopen, is de -6 beschouwde situatie formeel een volgens het Bevi nieuwe situatie. De 10 /jaar bedraagt voor nieuwe situaties 45 meter vanaf het vulpunt (en 25 meter vanaf de opslagtank en 15 meter vanaf de afleverzuil). Het plangebied ligt buiten de 10-6/jr-plaatsgebondenrisicocontour. Het plangebied wordt daarom niet beperkt door het plaatsgebonden risico van het LPG-tankstation. Groepsrisico Het berekende groepsrisico ligt voor de huidige en toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Als gevolg van de wijzigingen in het bestemmingsplan neemt het groepsrisico toe.
Deze toename moet door het bevoegd gezag worden verantwoord. Destijds heeft er naar aanleiding van dit rapport een verantwoording van de toename van het groepsrisico plaatsgevonden. Bij deze verantwoording zijn de aspecten zoals ontvluchtingsmogelijkheden, bronmaatregelen en risicocommunicatie, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid meegewogen. Ook is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. De Veiligheidsregio heeft destijds geadviseerd de Brede school buiten het invloedsgebied te plannen. Voor de nieuwe woning in dit deel van het plangebied wordt dezelfde verantwoording van de toename van het groepsrisico gehanteerd. Hiervoor is de Veiligheidsregio (opnieuw) om advies gevraagd. De Veiligheidsregio geeft aan in te kunnen stemmen met het voornemen voor het toevoegen van één nieuwe woning en dat daarvoor kan worden aangesloten op het standaardadvies. Het standaardadvies is als bijlage bijgevoegd. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering.
5.11 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het deel van het plangebied in Gelderakkers zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.
5.12 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
17
micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied zijn enkele bedrijven met fijnstof emissie aanwezig waardoor er sprake kan zijn van endotoxinen en gezondheidsrisico’s. De volgende bedrijven zijn relevant in het kader van endotoxinen (bron: webbvb); Adres Bolakker Hilvarenbeek,
21a,
Diersoort
Fijnstofemissie (kg/jr)
Afstand tot plangebied (m)
Vleesvarkens
113
290
Op grond van grafiek 3 uit de Notitie endotoxine toetsingskader 1.0 geldt voor vleesvarkens met een fijnstofemissie van 113 kg/jaar een aan te houden afstand van circa 50 meter tot woningen. De afstand is circa 290 meter waardoor geconcludeerd kan worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat ter plaatse van dit deel van het plangebied. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking.
Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Dit deel van het plangebied is niet binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij gelegen. Er zijn geen risico’s voor de volksgezondheid.
18
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Separate bijlagen • • • •
Stikstofberekening, BuroGkracht dd 1 februari 2022; Stroomschema, OMWB Standaardadvies, Veiligheidsregio dd 23 december 2020 Verkennend bodemonderzoek Bodex Milieu, dd 3 mei 2022
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
19
1SPKFDUCFSFLFOJOH
1SPKFDUCFSFLFOJOH
3YK',P,,:H GFCSVBSJ
1SPKFDUCFSFLFOJOH
Ó
3YK',P,,:H GFCSVBSJ
1SPKFDUCFSFLFOJOH
3YK',P,,:H GFCSVBSJ
1SPKFDUCFSFLFOJOH
3YK',P,,:H GFCSVBSJ
1SPKFDUCFSFLFOJOH
3YK',P,,:H GFCSVBSJ
Bijlage 1: Stroomschema standaard verantwoording
Heeft uw gemeente vragen? m.vanderwielen@omwb.nl k.aarts@omwb.nl n.denhaan@omwb.nl
Start
Geen verantwoording
Niet gekleurde zone
Waar?
Grijze zone Invloedsgebied
Blauwe zone
Conserverend1
Standaard verantwoording2
Zone 30-200/750 m
Gele zone Zone tot 30 m
Aard van het plan?
Geen verantwoording
Niet gekleurde zone Ontwikkeling of wijziging
Grijze zone Invloedsgebied
Geldt een beperkte verantwoording op basis van het Bevt/Bevb én is sprake van zelfredzame personen?4
Waar?
Transportroute en/of buisleiding3
Blauwe zone Zone 30-200/750 m
Gele zone Zone tot 30 m
Van welke risicobron(nen) is de zone afkomstig?
Beviinrichting
Ja
Standaard verantwoording2
Nee
Maatwerk Verantwoording5
1: Een conserverend plan laat juridisch-planologisch geen nieuwe ontwikkelingen toe. Een beheersverordening behoort hier ook toe. Een conserverend bestemmingsplan waarin wijzigingsgebieden of uit te werken bestemmingen (opnieuw) worden vastgelegd, wordt beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. Een legalisatie wordt ook beschouwd als een ontwikkeling/wijziging. 2: Bij een standaard verantwoording kan ook altijd het standaardadvies van de Veiligheidsregio worden toegepast. 3: Onder transportroute wordt verstaan: wegen (incl. gemeentelijke wegen), spoorwegen en waterwegen 4: Indien beide vragen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden, volg dan ‘ja’. Zo niet, volg dan ‘nee’. Wat de toepassingsvereisten zijn bij een beperkte verantwoording staat verwoord in artikel 8, lid 2 van het Bevt en artikel 12, lid 3 van het Bevb. De motivering in hoeverre de beperkte verantwoording kan worden toegepast, dient te worden opgenomen in het ruimtelijk plan. Personen zijn zondermeer niet zelfredzaam wanneer sprake is van ziekenhuizen, basisscholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, bejaardentehuizen, verpleeg- en verzorgingstehuizen en gevangenissen. 5: De OMWB kan een dergelijke verantwoording voor uw gemeente opstellen of daarbij ondersteunen.
Gemeente HILVARENBEEK T.a.v. College van Burgemeester en Wethouders Postbus 3 5080 AA HILVARENBEEK
Sector Risicobeheersing Taakveld RO&I Postbus 3208 5003 DE Tilburg Telefoon (088) 2250100 www.brandweermwb.nl
Datum Onze referentie
23 december 2020 U.031771
Uw referentie Uw brief van
Harry Killaars 06-53625089 E-mail info@brandweermwb.nl Onderwerp Standaardadvies 2020
Behandeld door Doorkiesnummer
Geacht College, Een deel van uw gemeente is gelegen in invloedsgebieden van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of buisleiding. Uw beleid externe veiligheid en de Besluiten externe veiligheid inrichtingen (bevi), buisleidingen (bevb) en transportroutes (Bevt) verplicht u het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat u in een invloedsgebieden neemt. De Omgevingsdienst MWB heeft voor uw gemeente een standaard groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is hierop afgestemd. Daarnaast komen er steeds meer aanvragen die in de geest van de Omgevingswet. We benoemen in dit standaardadvies de kernwaarden van de Veiligheidsregio’s zodat u bij het opstellen van een omgevingsvisie of omgevingsplan deze kernwaarden vroegtijdig kunt inbrengen bij de initiatiefnemers van omgevingsvisies en omgevingsplannen. Maar ook bij het verantwoorden van het groepsrisico in het kader van de wet en regelgeving zoals beschreven in de genoemde besluiten externe veiligheid. Werkingssfeer advies Met deze brief voorzien wij u van een standaard advies 2020, voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebieden van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur.
U kunt de informatie uit de bijlage gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen met plangebieden die niet zijn gelegen binnen de nader genoemde afstanden van risicobronnen. In de bijlage kunt u zien wanneer u het standaard advies kunt gebruiken deze toegespitst op uw gemeente. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl Indien u nog vragen of opmerkingen heeft kunt u contact opnemen met de bovengenoemde ambtenaar. In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, tekenen wij met vriendelijke groeten Hoogachtend, Namens het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Afdelingshoofd Risicobeheersing, H. Sijbring
De werking van deze bijlage is voorzien van een inhoudsopgave en u kunt in de digitale versie klikken op de gewenste onderwerpen.
Inhoudsopgave Kernwaarden Veiligheidsregio’s ................................................................................................................... 3 Samenwerken aan een veiligere leefomgeving ................................................................................................ 3 Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid .................................................................................................... 3 Bebouwing en omgeving bieden bescherming ................................................................................................. 4 Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten ..................................................................................... 4 De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk ................................................. 5 Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. ................................................ 6 Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. .................................................................................. 6 Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico..............................................................................
7 Hilvarenbeek .................................................................................................................................................... 7 Zeer kwetsbare gebouwen ............................................................................................................................... 8 Stroomschema standaard verantwoording ....................................................................................................... 9 Opkomsttijd .................................................................................................................................................... 10 Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie ..................................................................................................... 11 Bereikbaarheid ............................................................................................................................................... 12 Bluswatervoorziening ..................................................................................................................................... 13 Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan ........................................................................... 15 Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. .........................................................................................................
15 Zorgplicht ....................................................................................................................................................... 15 Bruidsschat .................................................................................................................................................... 17 art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening ................................................................................................................... 17 Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten.......................................................... 17 Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen .............................................................................. 18
pagina 2 van 18
Kernwaarden Veiligheidsregio’s 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Samen werken aan een veiligere leefomgeving; Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid; Bebouwing en omgeving bieden bescherming; Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg.
Samenwerken aan een veiligere leefomgeving Een veilige leefomgeving draagt bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Dit maakt uw gemeente en de woon-, werk- en leefgebieden voor de burgers aantrekkelijker. Initiatiefnemers (burgers en ondernemers), maatschappelijke organisaties en de overheid streven samen naar een veiligere leefomgeving, dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak voor hun initiatief. Of deze wordt verkregen, hangt onder andere samen met de professionele onderbouwing van de veiligheid van het desbetreffende initiatief. In dit samenspel van verschillende belangen geeft de Veiligheidsregio MWB duiding aan de risico’s bij initiatieven en denkt mee over het minimaliseren van de risico’s en de effecten. •
• • •
Alle betrokkenen hebben inzicht in en zijn zich bewust van de risico’s en de gevolgen van het initiatief, ook in relatie tot de al bestaande leefomgeving. Dit maakt een gewogen verantwoord besluit mogelijk. Betrokkenen zijn burgers, buurbedrijven en de gebruikers van kwetsbare objecten. Aandacht voor een veilige leefomgeving is ook nodig bij voorgenomen ontwikkelingen en eventuele innovaties op het gebied van bijvoorbeeld circulaire economie en energie. Initiatiefnemers betrekken de Veiligheidsregio MWB in een zo vroeg mogelijk stadium bij het ontwerp van een veilig initiatief. Dit houdt in dat afstand tot, bescherming tegen, effectief optreden van, ontvluchten van en handelingsperspectief, onderdeel zijn van het ontwerp. Professionele overheidsorganisaties, waaronder Veiligheidsregio, de GGD en de Omgevingsdienst zijn de natuurlijke adviespartners bij ruimtelijke ontwikkeling. In het besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) is aangeven dat in een omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises.
Artikel 5.2 van het BKL (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises) In een omgevingsplan wordt voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van: het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen, en de geneeskundige hulpverlening aan personen daarbij. Het eerste lid laat onverlet de in paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 gestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. De veiligheidsregio MWB zal binnen de kaders van het beleidsplan en bij ruimtelijke ontwikkelingen in uw gemeenten een advies uitbrengen.
Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid Ondanks de maatregelen die de veiligheid ten goede komen bij het risico zelf, blijft er een kans bestaan dat er incidenten plaatsvinden met gevolgen voor en effecten op de omgeving en haar bewoners. Dit is extra belangrijk voor de kwetsbare mensen die zichzelf niet kunnen redden zonder hulp zoals jonge kinderen in kinderdagverblijven, gehandicapten en zorgbehoevenden. Denk bij een risico aan bijvoorbeeld droog bos, hoog water, een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen, of de vrachtwagen of spoorketelwagon die gevaarlijke stoffen vervoert. pagina 3 van 18
Het aantal slachtoffers wordt verlaagd door de afstand tussen de risico’s en de gebieden waar mensen verblijven te vergroten. Naast afstand kan ook vegetatie en geografische ligging het aantal slachtoffers verlagen. Hiermee kan letsel, hinder en overlast beperkt blijven. Een grotere afstand levert ook meer tijd op om het gebied veilig te verlaten; dit vergroot de veiligheid bij incidenten. De afstand tot een risico is dusdanig groot dat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen en dat ook mensen die niet zelfredzaam zijn in veiligheid kunnen worden gebracht. Daarnaast zorgt afstand tussen verschillende risico’s voor een beperking van gevolgeffecten, zoals het overslaan van brand naar een ander pand. Zo voorkom je dat een incident voor een volgend incident in de omgeving zorgt. • • • • •
Initiatieven, waardoor mensen langdurig verblijven in een gebied, zijn bij voorkeur op grote afstand van het risico. Bijeenkomsten en evenementen met grotere aantallen bezoekers zijn op dusdanige afstand gesitueerd dat ingeval van een incident de effecten op de bezoekers minimaal zijn. Een lage populatiedichtheid in de buurt van risicobronnen (door bijvoorbeeld lage bebouwingsdichtheid), hoge populatiedichtheid op grote afstand van risicobronnen. Groepen zeer kwetsbare personen verblijven niet in het gebied waar mensen direct moeten vluchten bij een (dreigende) calamiteit. Dit betreft scenario’s zoals plasbrand, BLEVE, natuurbrand, gebieden met een hoog overstromingsrisico. Bij de indeling van gebieden is aandacht voor het beperken van de gevolgeffecten. Maak daarbij een bewuste afweging of clustering van risico’s en/of risicobronnen een gewenste ontwikkeling is.
Zeer kwetsbare objecten hebben in de nieuwe Omgevingswet een plaats gekregen en men hanteert de nieuwe term zeer kwetsbare gebouwen. Maar ook grote groepen mensen in de buitenruimte hebben extra bescherming nodig. De zeer kwetsbare gebouwen zijn in bijlage 1 weergegeven.
Bebouwing en omgeving bieden bescherming Hoeveel voorzieningen er ook worden getroffen, de kans blijft bestaan dat er incidenten plaatsvinden met nadelige gevolgen voor de leefomgeving en haar bewoners en bezoekers. Het is belangrijk dat de leefomgeving mogelijkheden biedt om te schuilen of die de nadelige effecten vertraagt. Dit kan gerealiseerd worden door bewuste keuzes te maken in bouwwijze, het type bebouwing en de inrichting van gebouwen. Zo kunnen mensen beschermd worden tegen de effecten van bijvoorbeeld overstromingen, rookwolken bij brand, explosies, verspreiding van giftige gassen en uitval nutsvoorzieningen. • • • • •