CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

14 bp Beerseweg 3 (5 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 11 mei 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Beerseweg 3, Diessen".14.899 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Het Ontwerp-Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap de Dommel is vastgesteld en heeft ter inzage gelegen. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: 23 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

- voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het Ontwerp-Waterbeheerprogramma 20222027 van Waterschap de Dommel beschrijft hun doelen. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap.

Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1. Door het planvoornemen wordt de garage en een werktuigenberging met een 24 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

maximale oppervlakte van 300 m² als bijgebouw bij de woning opnieuw herbouwd. De vereiste compensatie moet berekend worden door het te herbouwen verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,060 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 300 x 1 x 0,06 = 18 m³.

De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Ter aanvulling vanuit het gemeentelijk beleid dient rekening te worden gehouden met een toename aan verhard oppervlak. Hiervoor geldt een bergingsopgave van 18 m³.

25 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de planlocatie is 60-80 cm beneden maaiveld. Om de berging van water te waarborgen wordt in het plangebied een retentiegreppel aangelegd. De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld ca. 40 cm (20 cm boven GHG). De greppel moet daarmee een minimale oppervlakte hebben van 45 m². Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van herbouw van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet met de beoogde retentievoorziening in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.

Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beleid Hilvarenbeek Het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid is vertaald in het Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek en de bijbehorende Cultuurhistorische kaart.

26 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Hilvarenbeek

Beoordeling In de directe omgeving van het plangebied zijn nagenoeg geen belangrijke cultuurhistorische waarden aanwezig. Rondom de Beerseweg en ten zuiden hiervan zijn op de Cultuurhistorische kaart van Hilvarenbeek diverse aanduidingen opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden aldaar. Het plan heeft hier echter geen invloed op en doet aan de waarden geen afbreuk. Conclusie Het planvoornemen versterkt de omliggende cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o.

bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze 27 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven daarnaast aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven daarnaast aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.

Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 2.500 m² geen restricties. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is de planlocatie

28 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

dan ook gelegen in een gebied met een archeologische verwachting waarvoor een ondergrens van 2.500 m² wordt gehanteerd voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Bij de sloop van de bebouwing wordt mogelijk de grond geroerd. Deze grond is echter reeds geroerd met het bouwen van de bebouwing, storten van fundering en mestkelders. Voor de ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk voor het herbouwen van het bijgebouw met een maximale oppervlakte van 300 m². Gezien de ondergrens niet wordt overschreden heeft de ontwikkeling in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Conclusie Het plan beoogd bodemingrepen. De omvang hiervan overschrijd echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten.

Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Het planinitiatief omvat het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderij op het bedrijf en het toestaan van een passende vervolgfunctie. 4.6.1 Beoordeling gebruiksfase De uitstoot van stikstofemissie zal door het niet meer houden van dieren drastisch verlagen. De stikstofemissie aangaande de verwachte verkeersbewegingen dalen ook aanzienlijk doordat geen zware verkeersbewegingen meer van toepassing zijn voor het aanleveren van voer of afvoeren van mest en varkens. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er sprake van een zeer significante afname van relevante emissies en verstorende bedrijfsactiviteiten.

Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot (minimaal 560 meter tot Kempenland-West) dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.

29 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

560 meter

Natura 2000 gebieden in de omgeving

4.6.2 AERIUS berekening realisatiefase (sloop) Het voorgenomen plan wordt gerealiseerd door het slopen van de aanwezige varkensstallen. Voor de realisatiefase is derhalve een Aerius berekening toegevoegd in de bijlage, met onderstaand resultaat.

Voor de Aerius berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: Activiteit Aan- en af rijden personeel kraan en mobiele kraan Wegrijden ca. 2.000 m³ puin en bouwsloop-afval

Slopen met mobiele kraan 120 kW Slopen met kleine graafmachine 60 kW Handsloopwerkzaamheden met verreiker 100 kW

Hoeveelheid 5 werkdagen x 2 vervoersbewegingen x 2 machinisten = 20 20 m³ per vracht = 100 vrachten verdeeld over 50 zuidelijke en 50 noordelijke richting 5 werkdagen x 8 uur = 40 uur 5 werkdagen x 8 uur = 40 uur 5 werkdagen x 8 uur = 40 uur

Fase Realisatie

Sector Wegverkeer

Factor Standaard

Categorie Licht verkeer

Realisatie

Wegverkeer

Standaard

Zwaar verkeer

Realisatie

Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen

0,9 g/kWh

50% belast

0,8 g/kWh

50% belast

0,9 g/kWh

25% belast

Realisatie Realisatie

Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. Het plan kan, door de afname in ammoniakemissie, enkel positieve effecten hebben op de aanwezige natuurwaarden in de omgeving. 30 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Veldbezoek Op 11 februari 2021 is een veldbezoek gebracht aan de planlocatie. Bij het veldbezoek is geconstateerd dat de varkensstallen reeds zeer recentelijk zijn gesloopt via de regulier procedure met sloopmelding. En dat waar voorheen de stallen stonden sprake is van braakliggend zwarte grond en hopen ongebroken puin. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Tevens is geen mogelijk habitat voor beschermde soorten geconstateerd.

Voormalige locatie stallen achter boerderij

resterend bijgebouw bij boerderij

31 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Voormalige locatie stallen achter boerderij

Conclusie Er is sprake van sloop van stallen die recentelijk uit gebruik waren genomen. De sloop heeft plaatsgevonden via de reguliere procedure. Gezien het huidige actuele gebruik van de gronden en de afwezigheid van habitats voor beschermde soorten zijn bij het voorliggend initiatief geen nadelige gevolgen voor flora en fauna te verwachten. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect ‘flora- en fauna’ en de Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art.

1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Beoordeling Het planinitiatief omvat het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderijtak op het bedrijf. Er is geen sprake van het toevoegen van een geluidgevoelige functie zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Toetsing aan de Wet geluidhinder ten aanzien van wegverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. 32 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderijtak op het bedrijf. De algehele geurbelasting van het bedrijf neemt af op de geurgevoelige objecten in de omgeving omdat middels het planinitiatief geen intensieve veehouderij meer aanwezig is op de planlocatie. De woning wordt omgezet van een bedrijfswoning behorende bij een veehouderij naar een reguliere burgerwoning met als nevenfunctie opslag ten behoeve van akkerbouw. In paragraaf 4.9.1 wordt beoordeeld wat voor gevolgen dit heeft voor omliggende veehouderijbedrijven. Voor omliggende nietveehouderijbedrijven heeft de ontwikkeling geen nadelige gevolgen gezien zij de woning op de planlocatie reeds in de bestaande situatie ook moeten beschouwen als een gevoelig object.

Het dichtst gelegen niet-veehouderijbedrijf ligt betreft het bedrijf voor statische opslag op Beerseweg 12. Dit bedrijf is op 140 meter gelegen van de woning op de planlocatie. Voor statische opslag dient op basis van de VNG-handreiking rekening gehouden te worden met een vaste afstand van 30 meter. Gezien ruimschoots wordt voldaan aan deze afstand is geen hinder te verwachten. Tevens wordt het bedrijf op Beerseweg 12 derhalve niet gehinderd in zijn ontwikkeling. 4.9.1 Wet geurhinder en veehouderij Door het planinitiatief wordt de bedrijfswoning beschouwd als een woning die na 19 maart 2000 heeft opgehouden onderdeel uit te maken van een veehouderij. De bedrijfswoning valt daarmee als zijnde een ‘geurgevoelig object’ onder artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Hierdoor zijn geurnormen op basis van odourunits niet van toepassing. Omdat het plangebied in het buitengebied is gelegen dient op basis van de Wgv rekening te worden gehouden met een afstand van 50 meter ten opzichte van andere veehouderijen. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen andere veehouderijen gelegen. Woon-en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur in beeld gebracht te worden.

Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de Evaluatie gebiedsvisie gemeente Hilvarenbeek waarin de achtergrondbelasting voor de planlocatie is weergeven zoals berekend in 2013. Inmiddels is de veehouderij op Beerseweg 12 gesaneerd. De geuremissie aldaar is dus vervallen. Daarbij kan uit de afbeelding worden afgeleid dat indien de geuremissie op de planlocatie eveneens vervalt de woning op de planlocatie is gelegen in een gebied met een achtergrondbelasting van 6-10 ou/m³. Op basis van de achtergrondbelasting is derhalve sprake van een ‘redelijk goed’ en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat

33 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Conclusie Uit het bovenstaande is te concluderen dat de bestaande omliggende bedrijven niet onevenredig worden beperkt in hun gebruiksmogelijkheden. Het planinitiatief heeft geen effect op deze omliggende bedrijven. Het planinitiatief heeft een positief effect op omliggende burgerwoningen. Tevens kan worden geconcludeerd dat het woon-en leefklimaat ter plaatse het plangebied wordt verbeterd. De invloed van omliggende bedrijven op het plangebied qua geur, stof, geluid en gevaar neemt niet toe. Er is geen sprake van belemmeringen voor het initiatief in het kader van bedrijven en milieuzonering. Tevens worden geen (agrarische) bedrijven in de omgeving van het plangebied gehinderd in hun ontwikkeling. 4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) en de Nota vervoer gevaarlijke stoffen (2006) van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

34 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een wijziging van de situatie ten aanzien van externe veiligheid, het betreft enkel het planologisch-juridisch borgen van het beëindigen van de intensieve veehouderij op de planlocatie. Daarnaast is de locatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid optreden.

Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart.nl

4.11 Gezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond 35 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Uit het Endotoxine toetsingskader 1.0 volgt echter dat de doorwerking in de ruimtelijke ordening zich richt op de bouw van nieuwe gevoelige bestemmingen. In voorliggende situatie wordt de bedrijfswoning bij een veehouderij een reguliere burgerwoning. In de toekomstige situatie is sprake van een voormalige bedrijfswoning bij een veehouderij. Er is derhalve geen sprake van bouw van een nieuwe gevoelige bestemming. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt.

Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid. Het planvoornemen ziet niet toe op het toevoegen van een nieuwe gevoelige functie. 4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. 36 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere 37 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Indien het planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Conform onderstaande pm10 kaart (2017) (bron: Atlas leefomgeving) is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range van 18-19 µg/m3. Hieruit blijkt dat het jaargemiddelde van 40 µg/m3 pm10 niet wordt overschreden. Eveneens wordt het jaargemiddelde van PM2,5 niet overschreden (range: 1112). Gezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woonen leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht.

38 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

4.13 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als

39 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is.

Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief ziet toe op het beëindigen van de intensieve veehouderij op de planlocatie en omschakeling van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Hierbij worden de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden.

Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.- beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Wet natuurbescherming. 40 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

41 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functie. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3 Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten 42 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van • werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ omvat de op de afzonderlijke bestemming gerichte regels en omvat bij onderhavig bestemmingsplan de volgende artikelen: Artikel 3 Agrarisch Deze bestemming is opgenomen voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en voor agrarisch gebruik in het algemeen. De regels binnen deze bestemming zijn, behoudens die voor ‘intensieve veehouderij’, overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (2014) van de gemeente Hilvarenbeek. Binnen het bouwvlak is bedrijfsbebouwing toegestaan en mag een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Dit bouwvlak is afgestemd op de te handhaven bebouwing. Tevens zijn enkele nevenactiviteiten ondergeschikt aan het agrarische bedrijf toegestaan. Verder bevat de bestemming een uitgebreid stelsel aan flexibiliteitsbepalingen.

Tot slot bevat het plan, ter bescherming van de diverse daar voorkomende waarden, een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Artikel 4 Groen – Landschappelijke inpassing Deze bestemming is opgenomen om de landschappelijke inpassing welke het plan beoogd te borgen. Artikel 5 - Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in de vorm van een vrijstaande woning, een tuin, erf en verhardingen, met daarbij behorende voorzieningen zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen en nutsvoorzieningen.

43 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

Aangesloten is hierbij bij de vigerende bestemmingsplanregels van de gemeente Hilvarenbeek. Op de verbeelding is een bouwvlak toegevoegd waarbinnen 300 m2 aan bijgebouwen en een woning met een volume van 860 m3 is toegestaan. Artikel 6 Waarde – Archeologie 2 Deze dubbelbestemming heeft als doelstelling om eventueel ter plaatse aanwezige archeologische waarden te beschermen en te behouden. Derhalve zijn restricties gesteld aan bouwwerkzaamheden en bodemingrepen. 5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Dit hoofdstuk omvat de volgende artikelen: Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 8 Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels omvatten een specificatie van de activiteiten die strijdig worden geacht met het gehele bestemmingsplan, ongeacht de ter plaatse toegekende bestemming. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is aangegeven voor welke werkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist binnen de gebieden die beschermd zijn ten aanzien van de verschillende aanduidingen. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen.

Deze afwijkingen betreffen bijvoorbeeld een afwijkingsbevoegdheid tot maximaal 10% van de voorgeschreven maten. 5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan “Beerseweg 3, Diessen”

44 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Toepassing Grondexploitatiewet Toetsingskader De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in o.a. een bestemmingsplan. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): • de bouw van een of meer woningen; • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bedraagt; • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste

1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Beoordeling en conclusie In onderhavig plan is er sprake van het planologisch-juridisch beëindigen van de intensieve veehouderij op de planlocatie. Er is geen nieuwbouw voorzien. Onderhavig initiatief omvat derhalve geen bouwplan waarbij het maken van een exploitatieplan verplicht is. 6.3 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst.

Dit plan heeft 45 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan de gemeente overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken waterschap en de provincie. Waar nodig pleegt de gemeente tevens overleg met besturen van andere gemeenten, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het voorontwerp bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant. Hierop zijn geen reacties ontvangen. 7.2 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer heeft de direct omwonenden benaderd met het beoogde plan. Een verslag van deze omgevingsdialoog is in het bezit van de gemeente. Als gevolg van de omgevingsdialoog zijn geen wijzigingen aan het plan doorgevoerd. De omwonenden hebben geen bezwaren geuit tegen het uit te voeren plan. 7.3 Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota.

Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige hoofdstuk.

46 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

8 BIJLAGEN 8.1 Landschappelijk inpassingsplan 8.2 AERIUS berekening bouwfase 8.3 Landschapsinvesteringsberekening 8.4 Bodemonderzoek

47 Bestemmingsplan Beerseweg 3 Diessen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11462976/1