11 vvgb Safari Resort Beekse Bergen (4 Ruimtelijke onderbouwing)
Tekst van het document
Verder biedt het plangebied geschikt leefgebied voor de eekhoorn (Wnb-beschermingsregime andere soorten) en is een potentiele nestplaats van de soort waargenomen. Op basis van het verkennend veldbezoek is niet mogelijk uitsluitsel te geven of het nest daadwerkelijk in gebruik is door de eekhoorn. Behoud van de nestboom en de omliggende bomen, voorkomt dat de potentiële nestplaats verloren gaat. Gezien de bomenrijke omgeving van het plangebied, waarbij het voorkomen van de eekhoorn ook wenselijk is, valt niet te verwachten dat de overige kapwerkzaamheden leiden tot een significant effect op het leefgebied van de eekhoorn. Er blijven diverse bomen in de omgeving aanwezig die voor beschutting en voedsel kunnen dienen voor de eekhoorn. Bij behoud van het eekhoornnest en de omliggende bomen, worden negatieve effecten op de eekhoorn dan ook niet verwacht. Om eventueel uitsluitsel te kunnen verkrijgen over het daadwerkelijke gebruik van de nestplaats, in geval dat de nestboom niet behouden kan worden, dient nader onderzoek plaats te vinden.
19
5.1.4
Vleermuizen Het plangebied functioneert mogelijk als foerageergebied voor vleermuizen (Wnb-beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten). Met de ontwikkeling van het Safari Resort is de hoeveelheid geschikt foerageerbiotoop, als gevolg van een toename aan diverse (vegetatie)structuren, aanzienlijk toegenomen. De omgeving van het plangebied biedt daarom ook een grote hoeveelheid geschikt foerageerbiotoop voor vleermuizen. De vakantieappartementen worden, evenals de lodges in het Safari Resort omgeven door bomen en ook ter plaatse van de savanne blijven bomen en struiken staan. Hiermee blijft de foerageerfunctie voor vleermuizen binnen het plangebied behouden. Tijdens de werkzaamheden is het voor vleermuizen mogelijk tijdelijk uit te wijken naar het foerageerbiotoop in de nabije omgeving. Negatieve effecten op het foerageerbiotoop van vleermuizen treedt derhalve niet op. Binnen het plangebied zijn hiernaast twee bomen aanwezig met daarin holten die in potentie geschikt zijn als vleermuizenverblijf van boombewonende soorten, zoals de ruige dwergvleermuis. Behoud van deze bomen en omliggende bomen, voorkomt dat een mogelijke verblijfplaats verloren gaat. In dit geval is er geen sprake van een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen.
Als blijkt dat de bomen met holten niet behouden kunnen worden, dient middels een nader vleermuizenonderzoek onderzocht te worden in hoeverre de holen in gebruik zijn als vleermuisverblijfplaats en of er sprake is van een negatief effect op vleermuizen.
5.1.5
Amfibieën Het plangebied biedt geschikt landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibiesoorten (Wnbbeschermingsregime andere soorten), zoals bruine kikker en gewone pad. In de directe omgeving van het plangebied blijft ruim voldoende landhabitat voor deze soorten aanwezig. Bovendien biedt de toekomstige situatie weer geschikt landhabitat. Van permanent negatieve effecten op algemeen voorkomende amfibiesoorten is derhalve geen sprake. Er dient tijdens de werkzaamheden wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht (Wnb artikel 1.11).
5.1.6
Reptielen Het plangebied biedt geschikt leefgebied voor de, in omgeving voorkomende, levendbarende hagedis (Wnbbeschermingsregime andere soorten). Momenteel is onbekend in hoeverre er een populatie van deze soort aanwezig is binnen het plangebied. Nader onderzoek is noodzakelijk om in beeld te krijgen of en in hoeverre de levendbarende hagedis gebruik maakt van het plangebied en de omgeving. Aan de hand van dit onderzoek kan beoordeeld worden of er sprake is van een negatief effect op de soort als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen.
5.1.7
Overige soorten Overige beschermde soorten worden niet verwacht binnen het plangebied. Wel wordt aanbevolen om de voor bosgebieden waardevolle rode bosmier te behouden binnen het plangebied. Door het bosmierennest en de omliggende bomen ter plaatse te behouden, worden negatieve effecten op het nest voorkomen.
5.2
Beschermde gebieden In de omgeving van het plangebied zijn, zoals beschreven in hoofdstuk 4 beschermde natuurgebieden gelegen. Aangegeven wordt, welke effecten deze gebieden (mogelijk) kunnen ondervinden van de voorgenomen ingrepen.
5.2.1
Natura 2000-gebieden Zoals beschreven in paragraaf 4.1, zijn de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden gelegen op circa 3,5 tot 5,5 kilometer afstand van het plangebied. Van directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden is gezien de afstand tot het plangebied geen sprake. Ook externe effecten zoals veranderingen in waterstand of het veroorzaken van licht- en geluidsverstoring is op deze afstand niet aan de orde. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden vindt wel over grotere afstanden plaats. Binnen het plangebied worden vakantieappartementen gebouwd. Deze ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking als gevolg. Ook is er nog niet bekend welke verplichtingen er aan deze woningen gaan gelden in het kader van energievoorziening (bijvoorbeeld wel of geen gasaansluiting). Dergelijke aspecten van de toekomstige situatie
20
bepalen grotendeels in hoeverre het de uitwerking van het plan leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Op basis van de huidig beschikbare informatie is het derhalve niet mogelijk om negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in omgeving uit te sluiten.
5.2.2
Provinciale gebiedsbescherming Evenals geldt voor Natura 2000-gebieden, kunnen directe effecten op het NNB van de Provincie Noord-Brabant gezien de ligging van het plangebied uitgesloten worden. Externe effecten, als gevolg van bijvoorbeeld licht en geluid, kunnen gezien de afstand en de tussengelegen bomen en provinciale weg tevens op voorhand uitgesloten worden. Voor wat betreft externe effecten als gevolg van stikstof, geldt er conform artikel 5.1, lid 7 van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant geen compensatieverplichting en behoeft derhalve niet nader getoetst te worden. Er is daarom geen sprake van een negatief effect op het Natuurnetwerk Brabant.
5.2.3
Houtopstanden Afhankelijk van de ligging van het plangebied ten opzichte van de bebouwde kom van de gemeente Hilvarenbeek, dient mogelijk een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen aangevraagd te worden en/of een melding voor het kappen van beschermde houtopstanden bij de provincie Noord-Brabant ingediend te worden.
21
6
CONCLUSIES Op basis van de resultaten uit dit verkennend flora- en faunaonderzoek, blijkt dat de realisatie van de vakantieappartementen binnen het Safari Resort negatieve effecten kan veroorzaken op beschermde diersoorten. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven. Tot slot is vermeld welke gevolgen de gebiedsbescherming heeft voor de realisatie.
6.1
Beschermde soorten
6.1.1
Broedvogels – rekening houden met het broedseizoen Het kappen van bomen en struweel binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de kapwerkzaamheden binnen het plangebied. Er dient derhalve gekapt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de te kappen bomen of struweel.
Indien nesten afwezig zijn, kan de vegetatie vrijgegeven worden voor de kapwerkzaamheden.
6.1.2
Algemeen voorkomende soorten – rekening houden met de zorgplicht Het plangebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en als landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibieën. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Bovendien is er in de toekomstige inrichting weer geschikt leefgebied en landhabitat voor deze soorten aanwezig. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.
Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.
6.1.3
Eekhoorn – behoud nestboom en omringende bomen, anders nader onderzoek Negatieve effecten op het leefgebied van de eekhoorn worden niet verwacht. De werkzaamheden hebben wel mogelijk een effect op de potentiële nestplaats van de eekhoorn binnen het plangebied. Middels het behoud van
23
de aanwezige nestboom en omringende bomen, kunnen negatieve effecten, zoals het verloren gaan van het nest (Wnb artikel 3.10.b) op voorhand worden voorkomen. Indien de nestboom en/of omringende bomen niet behouden kunnen blijven, is mogelijk sprake van een negatief effect op de eekhoorn. Om uitsluitsel te verkrijgen van het gebruik van het nest, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden in de periode december – februari of mei – juni.
6.1.4
Vleermuizen – behoud bomen met holten, anders nader onderzoek Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen treden niet op. De werkzaamheden hebben wel mogelijk een effect op potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in de holle bomen binnen het plangebied. Middels het behoud van de aanwezige bomen met holten en eventuele omringende, geleidende bomen, kunnen negatieve effecten, zoals het vernielen van een voortplantingsplaats of rustplaats (Wnb artikel 3.5.4) op voorhand worden voorkomen. Indien de bomen met holten niet behouden kunnen blijven, is mogelijk sprake van een negatief effect op vleermuizen. Om uitsluitsel te verkrijgen van het gebruik van de boomholte als verblijfplaats, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. Vleermuizenonderzoek heeft een doorloop tijd van circa driekwart jaar, in de periode mei – oktober.
6.1.5
Levendbarende hagedis – nader onderzoek Zoals beschreven in paragraaf 5.1.6 is nader onderzoek noodzakelijk om in beeld te krijgen of en in hoeverre de levendbarende hagedis gebruik maakt van het plangebied en de omgeving. Aan de hand van dit onderzoek kan beoordeeld worden of er sprake is van een negatief effect op de soort als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen. Nader onderzoek naar de levendbarende hagedis dient plaats te vinden in de periode half april – september.
6.1.6
Rode bosmier – aanbeveling om nest te behouden Zoals beschreven in paragraaf 5.1.7 wordt aanbevolen om de voor bosgebieden waardevolle rode bosmier te behouden binnen het plangebied. Door het bosmierennest en de omliggende bomen ter plaatse te behouden, worden negatieve effecten op het nest voorkomen.
6.2
Beschermde gebieden
6.2.1
Natura 2000-gebieden – voortoets stikstofdepositie Directe effecten en de meeste indirecte effecten van het plan op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Effecten als gevolg van stikstofdepositie op deze gebieden vanuit het plangebied, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met behulp van de Aerius-calculator dient derhalve berekend te worden wat de maximale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan zijn als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen. Op basis hiervan dient in een voortoets beoordeeld te worden of negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten.
6.2.2
Provinciale gebiedsbescherming – geen effecten Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant zijn niet te verwachten als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen.
6.2.3
Houtopstanden – vergunning en/of melding noodzakelijk Bij de gemeente Hilvarenbeek dient nagegaan te worden waar de begrenzing van de bebouwde kom is gelegen. Aan de hand hiervan dient beoordeeld te worden of een vergunning en/of melding voor het kappen van de bomen aan de orde is.
24
7
GERAADPLEEGDE LITERATUUR Chinery, M., 2004. Nieuwe insecten gids. Tirion Natuur, Baarn Dietz, C. en A. Kiefer, 2017. Veldgids, Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Kragten, 2015. Safari-resort Beekse Bergen, Actualiserende veldinventarisatie ecologie. Rapportnummer: ARC041-FF-Co01. Kragten, 16 november 2015, ’s-Hertogenbosch. Schauer, T., C. Caspari, en S. Caspari, 2016. Nieuwe plantengids voor onderweg. Kosmos Uitgevers, Utrecht. Slagter, D., 2016. Winterflora bomen en struiken. Uitgeverij NatuurMedia, Amsterdam Stumpel, T. en H. Strijbosch 2017. Veldgids, Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Svensson, L., 2016. ANWB vogelgids van Europa. ANWB B.V., Den Haag Twisk, P., A. van Diepenbeek en J.P. Bekker , 2016. Veldgids Europese zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist. Nationale Databank Flora en Fauna gegevensexport op 18 november 2019 Websites www.floron.nl www.minez.nederlandsesoorten.nl www.overheid.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.brabant.nl
25
BIJLAGEN
B1 NATUURBESCHERMING Kort wordt in deze bijlage ingegaan op de bescherming van planten- en diersoorten en natuurgebieden krachtens de Wet natuurbescherming en de provinciale verordening/beleidsregels. Daarnaast wordt aangegeven of sprake is van provinciale gebiedsbescherming binnen of nabij het plangebied.
B1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is van kracht sinds 1 januari 2017 en regelt zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden. Daarmee vervangt de Wet natuurbescherming de inmiddels vervallen Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn aan Gedeputeerde Staten van de provincies diverse bevoegdheden toegekend. De provincies zijn met ingang van de Wet natuurbescherming (in de meeste gevallen) bevoegd gezag voor ontheffingen, vergunningen en meldingen op grond van de wet. De provincies hebben hun bevoegdheden uitgewerkt in verordeningen of beleidsregels, die per provincie verschillen. In de provinciale regelingen komen de volgende thema’s aan de orde: faunabeheer, jacht, schadebestrijding, vrijstelling soorten, gebiedsbescherming, houtopstanden en natuurbeleid. Voor zover relevant, is in de onderstaande paragrafen aandacht besteed aan de provinciale uitwerking van de Wet natuurbescherming.
B1.1.1 Bescherming planten- en diersoorten Bescherming op grond van de Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Vogelrichtlijnsoorten Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn de relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, opgenomen in artikel 3.1. Op grond van dit artikel is het verboden: Opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels te doden of te vangen. Opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Opzettelijk vogels te verstoren. Dit verbod is alleen van toepassing wanneer hierdoor een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding optreedt. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor Vogelrichtlijnsoorten kan worden verleend door Gedeputeerde Staten. Provinciale Staten hebben in de wet de bevoegdheid gekregen voor het verlenen van vrijstellen, opgenomen in provinciale verordeningen. Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van volksgezondheid of openbare veiligheid.
In het kader van de veiligheid van het luchtverkeer. In het kader van bescherming van flora en fauna. Daarbij wordt tevens getoetst of de staat van instandhouding van de soort niet verslechtert. Nest- en rustplaatsen van vogels – jaarrond beschermde nesten Voor een aantal vogelsoorten geldt dat het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is (Dienst Regelingen, 2009). Daarbij zijn vijf categorieën vaste nesten te onderscheiden: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, daarbuiten in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw, huismus). B1-1
3.
4. 5.
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die (vrijwel) elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil, slechtvalk). Nesten van vogels die jaar in, jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd, ransuil). Nesten van vogels die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar tevoren hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (bijvoorbeeld oeverzwaluw, ekster en groene specht). Een omgevingscheck door een deskundige dient uit te wijzen of in de omgeving voldoende gelegenheid is om zelfstandig een nieuw nest te bouwen of te zoeken.
Welke soorten tot een van de vijf bovengenoemde categorieën behoren, is vastgelegd in een lijst met circa tachtig soorten. Habitatrichtlijnsoorten De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor Habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel stelt een verbod op het: Opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn (zie bijlage 2). Opzettelijk verstoren van dieren van genoemde soorten. Opstellen vernielen of rapen van eieren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV onderdeel b van de Habitatrichtlijn, bijlage I van het Verdrag van Bern. Ook voor de verbodsbepalingen voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen.
Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van bescherming van flora en fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats. In het kader van volksgezondheid, openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten Tot slot is een aantal planten- en diersoorten in de Wet natuurbescherming aangewezen als nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn alleen beschermd op grond van de Nederlandse wet en zijn niet genoemd in Europese richtlijnen of verdragen. Om welke soorten het gaat, is aangegeven in bijlage 2. De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor de nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de wet. Het is verboden: Opzettelijk in het wild levende dieren van de nationaal beschermde soorten te doden of te vangen.
Opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van nationaal beschermde soorten te beschadigen of vernielen. Opzettelijk planten van de nationaal beschermde soorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen. Wederom is Gedeputeerde Staten bevoegd ontheffing te verlenen van de verbodsbepalingen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor Habitatrichtlijnsoorten, waarbij de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling aanvullend ook verband kan houden met (o.a.):
B1-2
-
Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van een gebied en het daaropvolgend gebruik van het gebied. Bestendig beheer of onderhoud in landbouw en bosbouw. Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen of in het kader van natuurbeheer. Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Algemeen belang. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Gedragscodes De verboden die in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 zijn neergelegd, zijn niet van toepassing wanneer wordt gehandeld volgens een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen worden opgesteld voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toepassing van een goedgekeurde gedragscode waarborgt dat zorgvuldig wordt gehandeld.
Provinciale verordeningen Op grond van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om in provinciale verordeningen algemene vrijstellingen te verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in de wet. Van deze bevoegdheid hebben de verschillende provincies gebruik gemaakt. Dat betekent, dat de bescherming die soorten genieten, kan verschillen tussen provincies. De consequenties van de verordening van de provincie NoordBrabant voor de bescherming van planten- en diersoorten zijn hieronder kort beschreven. De provincie Noord-Brabant heeft de Verordening natuurbescherming vastgesteld. In hoofdstuk 3 van deze verordening zijn vrijstellingen opgenomen voor beschermde soorten. Voor verschillende nationaal beschermde diersoorten (zie bijlage 3) verleent Provinciale Staten vrijstelling van het verbod op het vangen van dieren en het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen van dieren ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstellingen gelden alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De verordening stelt daarnaast dat het opzettelijk verontrusten van overwinterende ganzen in door GS aangewezen ganzenrust- en foerageergebieden moet worden beschouwd als van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de ganzensoort.
B1.1.2 Bescherming natuurgebieden Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura 2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen – ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied – is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten.
Gedeputeerde Staten van de provincie zijn bevoegd om een vergunning te verlenen voor projecten die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Bij vergunningaanvraag dient de initiatiefnemer een zogenaamde “passende beoordeling” in te dienen. Vergunning wordt verleend, wanneer uit deze passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied met zekerheid niet worden aangetast óf wanneer, indien wel sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
B1-3
-
Er zijn geen alternatieve oplossingen. Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Er worden compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-gebied bewaard blijft.
Voor het vaststellen van plannen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen geldt eveneens dat een passende beoordeling moet worden opgesteld. Vaststelling van het plan vindt pas plaats, wanneer is aangetoond dat geen aantasting plaatsvindt van de instandhoudingsdoelstellingen of wanneer wordt voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden.
B1.1.3 Bescherming houtopstanden Tot slot regelt hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming. Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant op deze locatie. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies vrijstelling verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.
B1.2 Provinciale gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) dat globaal is aangewezen in het Structuurschema Groene Ruimte, is op provinciaal niveau uitgewerkt en exact begrensd. Binnen de provincie Noord-Brabant is deze begrenzing uitgewerkt in Verordening Ruimte 2014. Het ruimtelijk beleid voor het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is erop gericht de wezenlijke kenmerken van de gebieden te ontwikkelen, herstellen en behouden. Derhalve is voor het NNN het ‘nee, tenzij'-regime ingevoerd. Volgens dit regime dient allereerst vastgesteld te worden of de geplande ingreep significant negatieve effecten heeft op de in het NNN-gebied aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden. Wanneer dit zo is, geldt in principe dat de ingreep geen doorgang kan vinden. Uitzondering geldt alleen voor ingrepen waarbij sprake is van groot openbaar belang en waarbij geen alternatieven voor de plannen beschikbaar zijn. In dat geval dient compensatie van de aangetaste waarden plaats te vinden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit et al., 2007).
B1-4
B2 BESCHERMDE SOORTEN Naast de bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, bevat de Wet natuurbescherming verbodsbepalingen voor de soorten opgenomen in Bijlage IV onderdeel a en b van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het verdrag van Bonn. De betreffende soorten zijn in de onderstaande tabel opgenomen. De nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in de tweede tabel in deze bijlage. Tabel 2
Soorten Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn.
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
Baardvleermuis
Myotis mystacinus
Spitsdolfijn van Gray
Mesoplodon grayi
Bechsteins vleermuis
Myotis bechsteini
Tuimelaar
Tursiops truncatus
Bever
Castor fiber
Tweekleurige vleermuis
Vespertilio murinus
Bosvleermuis
Nyctalus leisleri
Vale vleermuis
Myotis myotis
Brandts vleermuis
Myotis brandti
Watervleermuis
Myotis daubentoni
Bruinvis
Phocoena phocoena
Walrus
Odobenus rosmarus
Bultrug
Megaptera novaeangliae
Witflankdolfijn
Lagenorhynchus acutus
Butskop
Hyperoodon ampullatus
Witsnuitdolfijn
Lagenorhynchus albirostris
Dwergpotvis
Kogia breviceps
Witte dolfijn
Delphinapterus leucas
Dwergvinvis
Balaenoptera acutorostrata
Wolf
Canis lupus
Franjestaart
Myotis nattereri
Amfibieën
Gestreepte dolfijn
Stenella coeruleoalba
Boomkikker
Hyla arborea
Gewone dolfijn
Delphinus delphis
Geelbuikvuurpad
Bombina variegata
Gewone dwergvleermuis
Pipistrellus pipistrellus
Heikikker
Rana arvalis
Gewone grootoorvleermuis
Pletocus auritus
Kamsalamander
Triturus cristatus
Grijze grootoorvleermuis
Plecotus austriacus
Knoflookpad
Pelobates fuscus
Grote hoefijzerneus
Rhinolophus ferrumequinum
Poelkikker
Rana lessonae
Grote rosse vleermuis
Nyctalus lasiopterus
Rugstreeppad
Bufo calamita
Gewone spitsdolfijn
Mesoplodon bidens
Vroedmeesterpad
Alytes obstetricans
Gewone vinvis
Balaenoptera physalus
Reptielen
Griend
Globicephala melas
Dikkopschildpad
Caretta caretta
Grijze dolfijn
Grampus griseus
Gladde slang
Coronella austriaca
Hamster
Cricetus crisetus
Kemp’s zeeschildpad
Lepidochelys kempii
Hazelmuis
Muscardinus avellanarius
Lederschildpad
Dermochelys coriacea
Ingekorven vleermuis
Myotis emarginatus
Muurhagedis
Podarcis muralis
Kleine hoefijzerneus
Rhinolophus hipposideros
Soepschildpad
Chelonia mydas
Kleine zwaardwalvis
Pseudorca crassidens
Zandhagedis
Lacerta agilis
Laatvlieger
Eptesicus serotinus
Vissen
Lynx
Lynx lynx
Houting
Coregonus oxyrinchus
Meervleermuis
Myotis dasycneme
Steur
Acipenser sturio
Mopsvleermuis
Barbastella barbastellus
Dagvlinders
Narwal
Monodon monoceros
Apollovlinder
Parnassius apollo
Noordse vleermuis
Eptesicus nilssoni
Boszandoog
Lopinga achine
Noordse woelmuis
Microtus oeconomus
Donker pimpernelblauwtje
Phengaris nausithous
Noordse vinvis
Balaenoptera borealis
Grote vuurvlinder
Lycaena dispar
Orca
Orcinus orca
Moerasparelmoervlinder
Euphydryas aurinia
Otter
Lutra lutra
Pimpernelblauwtje
Phengaris teleius
Potvis
Physeter catodon
Tijmblauwtje
Maculinea arion
B2-1
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Rosse vleermuis
Nyctalus noctula
Zilverstreephooibeestje
Coenonympha hero
Bronslibel
Oxygastra curtisii
Drijvende waterweegbree
Luronium natans
Gaffellibel
Ophiogomphus cecilia
Geel schorpioenmos
Hamatocaulis vernicosus
Gevlekte witsnuitlibel
Leucorrhinia pectoralis
Groenknolorchis
Liparis loeselli
Groene glazenmaker
Aeshna viridis
Kleine vlotvaren
Salvinia natans
Mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale
Kruipend moerasscherm
Apium repens
Noordse winterjuffer
Sympecma annulata
Liggende raket
Sisymbrium supinum
Oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia albifrons
Tonghaarmuts
Orthotrichum rogeri
Sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
Zomerschroeforchis
Spiranthes aestivalis
Rivierrombout
Gomphus flavipes
Libellen
Planten
Kevers
Overige soorten Bataafse stroommossel
Unio crassus
Brede geelrandwaterroofkever
Dytuscus latissimus
Oeveraas
Palingenia longicauda
Gestreepte waterroofkever
Graphoderus bilineatus
Platte schijfhoren
Anisus vorticulus
Juchtleerkever
Osmoderma eremita
Teunisbloempijlstaart
Proserpinus proserpina
Vermiljoenkever
Cucujus cinnaberinus
Tabel 3
Andere soorten.
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Woelrat
Arvicola amphibius
Aardmuis
Microtus agrestis
Amfibieën
Boommarter
Martes martes
Alpenwatersalamander
Triturus alpestris
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
Bruine kikker
Rana temporaria
Bunzing
Mustela putorius
Gewone pad
Bufo bufo
Damhert
Dama dama
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Das
Meles meles
Meerkikker
Rana ridibunda
Dwergmuis
Micromys minutus
Middelste groene kikker
Rana klepton esculentus
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
Vinpootsalamander
Lissotriton helveticus
Edelhert
Cervus elaphus
Vuursalamander
Salamandra salamandra
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Reptielen
Egel
Erinaceus europaeus
Adder
Vipera berus
Eikelmuis
Eliomys quercinus
Hazelworm
Anguis fragilis
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Gewone zeehond
Phoca vitulina
Ringslang
Natrix natrix
Grote bosmuis
Apodemus flavicollis
Vissen
Grijze zeehond
Halichoerus grypus
Beekdonderpad
Cottus rhenanus
Haas
Lepus eauropaeus
Beekprik
Lampetra planeri
Hermelijn
Mustela erminea
Elrits
Phoxinus phoxinus
Huisspitsmuis
Crocidura russula
Gestippelde alver
Alburnoides bipunctatus
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Grote modderkruiper
Misgurus fossilis
Molmuis
Arvicola scherman
Kwabaal
Lota lota
Ondergrondse woelmuis
Microtus subterraneus
Dagvlinders
Ree
Capreolus capreolus
Aardbeivlinder
Pyrgus malvae
Rosse woelmuis
Myodes glareolus
Bosparelmoervlinder
Melitaea athalia
Steenmarter
Martes foina
Bruin dikkopje
Erynnis tages
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
Bruine eikenpage
Satyrium ilicis
Veldmuis
Microtus arvalis
Donker pimpernelblauwtje
Phengaris nausithous
B2-2
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Veldspitsmuis
Crocidura leucodon
Duinparelmoervlinder
Argynnis niobe
Vos
Vulpes vulpes
Gentiaanblauwtje
Phengaris alcon
Waterspitsmuis
Neomys fodiens
Grote parelmoervlinder
Argynnis aglaja
Wezel
Mustela nivalis
Grote vos
Nymphalis polychloris
Wild zwijn
Sus scrofa
Grote vuurvlinder
Lycaena dispar
Grote weerschijnvlinder
Apatura iris
Groensteel
Asplenium viride
Iepenpage
Satyrium w-album
Groot spiegelklokje
Legousia speculum-veneris
Kleine heivlinder
Hipparchia statilinus
Grote bosaardbei
Fragaria moschata
Kleine ijsvogelvlinder
Limenitis camilla
Grote leeuwenklauw
Aphanes arvensis
Kommavlinder
Hesperia comma
Honingorchis
Herminium monorchis
Pimpernelblauwtje
Phengaris teleius
Kalkboterbloem
Ranunculus polyanthemos
Sleedoornpage
Thecla betulea
Kalketrip
Centaurea calcitrapa
Spiegeldikkopje
Heteropterus morpheus
Karthuizer anjer
Dianthus carthusianorum
Veenbesblauwtje
Plebejus optilete
Karwijselie
Selinum carvifolia
Veenbesparelmoervlinder
Boloria aquilonaris
Kleine ereprijs
Veronica verna
Zilveren maan
Boloria selene
Kleine schorseneer
Scorzonera humilis
Kleine wolfsmelk
Euphorbia exigua
Libellen Beekrombout
Gomphus vulgatissimus
Kluwenklokje
Campanula glomerata
Bosbeekjuffer
Calopteryx virgo
Knollathyrus
Lathyrus linifolius
Donkere waterjuffer
Coenagrion armatum
Knolspirea
Filipendula vulgaris
Gevlekte glanslibel
Somatochlora flavomaculata
Korensla
Arnoseris minima
Gewone bronlibel
Cordulegaster boltonii
Kranskarwij
Carum verticillatum
Hoogveenglanslibel
Somatochlora arctica
Kruiptijm
Thymus serphyllum
Kempische heidelibel
Sympetrum depressiusculum
Lange zonnedauw
Drosera anglica
Speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum
Liggende ereprijs
Veronica prostrata
Moerasgamander
Teucrium scordium
Muurbloem
Erysimum cheiri
Naakte lathyrus
Lathyrus aphaca
Kevers Vliegend hert
Lucanus cervus
Planten Akkerboterbloem
Ranunculus arvensis
Naaldenkervel
Scanix pecten-veneris
Akkerdoornzaad
Torilis arvensis
Pijlscheefkelk
Arabis hirsuta
Akkerogentroost
Odentites vernus
Roggelelie
Lilium bulbiferum
Beklierde ogentroost
Euphrasia officinalis
Rood peperboompje
Daphne mezereum
Berggamader
Teucrium montanum
Rozenkransje
Antennaria dioica
Bergnachtorchis
Platanthera montana
Ruw parelzaad
Lithospermum arvense
Blaasvaren
Cystopteris fragilis
Scherpkruid
Asperugo procumbens
Blauw guichelheil
Anagallis arvensis
Schubvaren
Asplenium ceterach
Bokkenorchis
Himantoglossum hircinum
Schubzegge
Carex lepidocarpa
Bosboterbloem
Ranunculus polyanthemos
Smalle raai
Galeopsis angustifolia
Bosdravik
Bromopsis ramosa
Spits havikskruid
Hieracium lactucella
Brave hendrik
Chenopodium bonus-henricus
Steenbraam
Rubus saxatilis
Brede wolfsmelk
Euphorbia platyphyllos
Stijve wolfsmelk
Euphorbia stricta
Breed wollegras
Eriophorum latifolium
Stofzaad
Monotropa hypopitys
Bruinrode wespenorchis
Epipactis atrorubens
Tengere distel
Carduus tenuiflorus
Dennenorchis
Goodyera repens
Tengere veldmuur
Minuartia hybrida
Dreps
Bromus secalinus
Trosgamander
Teucrium botrys
Echte gamander
Teucrium chamaedrys
Veenbloembies
Scheuchzeria palustris
Franjegentiaan
Gentianopsis ciliata
Vliegenorchis
Ophrys insectifera
Geelgroene wespenorchis
Epipactis muelleri
Vroege ereprijs
Veronica praecox
B2-3
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Geplooide vrouwenmantel
Alchemilla subcrenata
Wilde averuit
Artemisia campestris
Getande veldsla
Valerianella dentata
Wilde ridderspoor
Consolida regalis
Gevlekt zonneroosje
Tuberaria guttata
Wilde weit
Melampyrum arvense
Glad biggenkruid
Hypochaeris glabra
Wolfskers
Atropa belladonna
Gladde zegge
Carex laevigata
Zandwolfsmelk
Euphorbia seguieriana
Groene nachtorchis
Dactylorhiza viridis
Zinkviooltje
Viola lutea calaminaria
Zweedse kornoelje
Cornus suecica
Overige soorten Europese rivierkreeft
B2-4
Astacus astacus
B3 PROVINCIALE VRIJSTELLING Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud heeft de provincie Noord-Brabant een vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Periode vrijstelling
Aardmuis
Microtus agrestis
Onbeperkt
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
Onbeperkt
Dwergmuis
Micromys minutus
Onbeperkt
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
Onbeperkt
Egel
Erinaceus europaeus
Onbeperkt
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Onbeperkt
Haas
Lepus eauropaeus
Onbeperkt
Huisspitsmuis
Crocidura russula
Onbeperkt
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Onbeperkt
Ondergrondse woelmuis
Microtus subterraneus
Onbeperkt
Ree
Capreolus capreolus
Onbeperkt
Rosse woelmuis
Myodes glareolus
Onbeperkt
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
Onbeperkt
Veldmuis
Microtus arvalis
Onbeperkt
Vos
Vulpes vulpes
Onbeperkt
Wild zwijn
Sus scrofa
Onbeperkt
Woelrat
Arvicola amphibius
Onbeperkt
Bruine kikker
Rana temporaria
Onbeperkt
Gewone pad
Bufo bufo
Onbeperkt
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Onbeperkt
Meerkikker
Rana ridibunda
Onbeperkt
Middelste groene kikker
Rana esculenta
Onbeperkt
Zoogdieren
Amfibieën
B3-1