CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 vvgb Safari Resort Beekse Bergen (4 Ruimtelijke onderbouwing)

Gemeenteraad 3 februari 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen Safari-resort Beekse Bergen.13.382 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Verder biedt het plangebied geschikt leefgebied voor de eekhoorn (Wnb-beschermingsregime andere soorten) en is een potentiele nestplaats van de soort waargenomen. Op basis van het verkennend veldbezoek is niet mogelijk uitsluitsel te geven of het nest daadwerkelijk in gebruik is door de eekhoorn. Behoud van de nestboom en de omliggende bomen, voorkomt dat de potentiële nestplaats verloren gaat. Gezien de bomenrijke omgeving van het plangebied, waarbij het voorkomen van de eekhoorn ook wenselijk is, valt niet te verwachten dat de overige kapwerkzaamheden leiden tot een significant effect op het leefgebied van de eekhoorn. Er blijven diverse bomen in de omgeving aanwezig die voor beschutting en voedsel kunnen dienen voor de eekhoorn. Bij behoud van het eekhoornnest en de omliggende bomen, worden negatieve effecten op de eekhoorn dan ook niet verwacht. Om eventueel uitsluitsel te kunnen verkrijgen over het daadwerkelijke gebruik van de nestplaats, in geval dat de nestboom niet behouden kan worden, dient nader onderzoek plaats te vinden.

19

5.1.4

Vleermuizen Het plangebied functioneert mogelijk als foerageergebied voor vleermuizen (Wnb-beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten). Met de ontwikkeling van het Safari Resort is de hoeveelheid geschikt foerageerbiotoop, als gevolg van een toename aan diverse (vegetatie)structuren, aanzienlijk toegenomen. De omgeving van het plangebied biedt daarom ook een grote hoeveelheid geschikt foerageerbiotoop voor vleermuizen. De vakantieappartementen worden, evenals de lodges in het Safari Resort omgeven door bomen en ook ter plaatse van de savanne blijven bomen en struiken staan. Hiermee blijft de foerageerfunctie voor vleermuizen binnen het plangebied behouden. Tijdens de werkzaamheden is het voor vleermuizen mogelijk tijdelijk uit te wijken naar het foerageerbiotoop in de nabije omgeving. Negatieve effecten op het foerageerbiotoop van vleermuizen treedt derhalve niet op. Binnen het plangebied zijn hiernaast twee bomen aanwezig met daarin holten die in potentie geschikt zijn als vleermuizenverblijf van boombewonende soorten, zoals de ruige dwergvleermuis. Behoud van deze bomen en omliggende bomen, voorkomt dat een mogelijke verblijfplaats verloren gaat. In dit geval is er geen sprake van een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen.

Als blijkt dat de bomen met holten niet behouden kunnen worden, dient middels een nader vleermuizenonderzoek onderzocht te worden in hoeverre de holen in gebruik zijn als vleermuisverblijfplaats en of er sprake is van een negatief effect op vleermuizen.

5.1.5

Amfibieën Het plangebied biedt geschikt landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibiesoorten (Wnbbeschermingsregime andere soorten), zoals bruine kikker en gewone pad. In de directe omgeving van het plangebied blijft ruim voldoende landhabitat voor deze soorten aanwezig. Bovendien biedt de toekomstige situatie weer geschikt landhabitat. Van permanent negatieve effecten op algemeen voorkomende amfibiesoorten is derhalve geen sprake. Er dient tijdens de werkzaamheden wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht (Wnb artikel 1.11).

5.1.6

Reptielen Het plangebied biedt geschikt leefgebied voor de, in omgeving voorkomende, levendbarende hagedis (Wnbbeschermingsregime andere soorten). Momenteel is onbekend in hoeverre er een populatie van deze soort aanwezig is binnen het plangebied. Nader onderzoek is noodzakelijk om in beeld te krijgen of en in hoeverre de levendbarende hagedis gebruik maakt van het plangebied en de omgeving. Aan de hand van dit onderzoek kan beoordeeld worden of er sprake is van een negatief effect op de soort als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen.

5.1.7

Overige soorten Overige beschermde soorten worden niet verwacht binnen het plangebied. Wel wordt aanbevolen om de voor bosgebieden waardevolle rode bosmier te behouden binnen het plangebied. Door het bosmierennest en de omliggende bomen ter plaatse te behouden, worden negatieve effecten op het nest voorkomen.

5.2

Beschermde gebieden In de omgeving van het plangebied zijn, zoals beschreven in hoofdstuk 4 beschermde natuurgebieden gelegen. Aangegeven wordt, welke effecten deze gebieden (mogelijk) kunnen ondervinden van de voorgenomen ingrepen.

5.2.1

Natura 2000-gebieden Zoals beschreven in paragraaf 4.1, zijn de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden gelegen op circa 3,5 tot 5,5 kilometer afstand van het plangebied. Van directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden is gezien de afstand tot het plangebied geen sprake. Ook externe effecten zoals veranderingen in waterstand of het veroorzaken van licht- en geluidsverstoring is op deze afstand niet aan de orde. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden vindt wel over grotere afstanden plaats. Binnen het plangebied worden vakantieappartementen gebouwd. Deze ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking als gevolg. Ook is er nog niet bekend welke verplichtingen er aan deze woningen gaan gelden in het kader van energievoorziening (bijvoorbeeld wel of geen gasaansluiting). Dergelijke aspecten van de toekomstige situatie

20

bepalen grotendeels in hoeverre het de uitwerking van het plan leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Op basis van de huidig beschikbare informatie is het derhalve niet mogelijk om negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in omgeving uit te sluiten.

5.2.2

Provinciale gebiedsbescherming Evenals geldt voor Natura 2000-gebieden, kunnen directe effecten op het NNB van de Provincie Noord-Brabant gezien de ligging van het plangebied uitgesloten worden. Externe effecten, als gevolg van bijvoorbeeld licht en geluid, kunnen gezien de afstand en de tussengelegen bomen en provinciale weg tevens op voorhand uitgesloten worden. Voor wat betreft externe effecten als gevolg van stikstof, geldt er conform artikel 5.1, lid 7 van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant geen compensatieverplichting en behoeft derhalve niet nader getoetst te worden. Er is daarom geen sprake van een negatief effect op het Natuurnetwerk Brabant.

5.2.3

Houtopstanden Afhankelijk van de ligging van het plangebied ten opzichte van de bebouwde kom van de gemeente Hilvarenbeek, dient mogelijk een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen aangevraagd te worden en/of een melding voor het kappen van beschermde houtopstanden bij de provincie Noord-Brabant ingediend te worden.

21

6

CONCLUSIES Op basis van de resultaten uit dit verkennend flora- en faunaonderzoek, blijkt dat de realisatie van de vakantieappartementen binnen het Safari Resort negatieve effecten kan veroorzaken op beschermde diersoorten. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven. Tot slot is vermeld welke gevolgen de gebiedsbescherming heeft voor de realisatie.

6.1

Beschermde soorten

6.1.1

Broedvogels – rekening houden met het broedseizoen Het kappen van bomen en struweel binnen het plangebied leidt mogelijk tot negatieve effecten op broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1.1.) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1.2.). Het is hiernaast tevens mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden vogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1.4.). Doordat de staat van instandhouding van de te verwachten vogels binnen het plangebied gunstig is, als gevolg van een grote hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving, leidt het verstoren van vogels niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de kapwerkzaamheden binnen het plangebied. Er dient derhalve gekapt te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de te kappen bomen of struweel.

Indien nesten afwezig zijn, kan de vegetatie vrijgegeven worden voor de kapwerkzaamheden.

6.1.2

Algemeen voorkomende soorten – rekening houden met de zorgplicht Het plangebied is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdiersoorten en als landhabitat voor zwervende, algemeen voorkomende amfibieën. De omgeving van het plangebied biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Bovendien is er in de toekomstige inrichting weer geschikt leefgebied en landhabitat voor deze soorten aanwezig. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten en amfibieën worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De mogelijk voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten zijn in de provinciale verordening van de provincie Noord-Brabant vrijgesteld van ontheffing voor het vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden.

Dit houdt in dat aangetroffen individuen van de soort verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten dienen te worden in het aanliggend gebied, buiten invloed van de werkzaamheden.

6.1.3

Eekhoorn – behoud nestboom en omringende bomen, anders nader onderzoek Negatieve effecten op het leefgebied van de eekhoorn worden niet verwacht. De werkzaamheden hebben wel mogelijk een effect op de potentiële nestplaats van de eekhoorn binnen het plangebied. Middels het behoud van

23

de aanwezige nestboom en omringende bomen, kunnen negatieve effecten, zoals het verloren gaan van het nest (Wnb artikel 3.10.b) op voorhand worden voorkomen. Indien de nestboom en/of omringende bomen niet behouden kunnen blijven, is mogelijk sprake van een negatief effect op de eekhoorn. Om uitsluitsel te verkrijgen van het gebruik van het nest, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden in de periode december – februari of mei – juni.

6.1.4

Vleermuizen – behoud bomen met holten, anders nader onderzoek Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen treden niet op. De werkzaamheden hebben wel mogelijk een effect op potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in de holle bomen binnen het plangebied. Middels het behoud van de aanwezige bomen met holten en eventuele omringende, geleidende bomen, kunnen negatieve effecten, zoals het vernielen van een voortplantingsplaats of rustplaats (Wnb artikel 3.5.4) op voorhand worden voorkomen. Indien de bomen met holten niet behouden kunnen blijven, is mogelijk sprake van een negatief effect op vleermuizen. Om uitsluitsel te verkrijgen van het gebruik van de boomholte als verblijfplaats, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. Vleermuizenonderzoek heeft een doorloop tijd van circa driekwart jaar, in de periode mei – oktober.

6.1.5

Levendbarende hagedis – nader onderzoek Zoals beschreven in paragraaf 5.1.6 is nader onderzoek noodzakelijk om in beeld te krijgen of en in hoeverre de levendbarende hagedis gebruik maakt van het plangebied en de omgeving. Aan de hand van dit onderzoek kan beoordeeld worden of er sprake is van een negatief effect op de soort als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen. Nader onderzoek naar de levendbarende hagedis dient plaats te vinden in de periode half april – september.

6.1.6

Rode bosmier – aanbeveling om nest te behouden Zoals beschreven in paragraaf 5.1.7 wordt aanbevolen om de voor bosgebieden waardevolle rode bosmier te behouden binnen het plangebied. Door het bosmierennest en de omliggende bomen ter plaatse te behouden, worden negatieve effecten op het nest voorkomen.

6.2

Beschermde gebieden

6.2.1

Natura 2000-gebieden – voortoets stikstofdepositie Directe effecten en de meeste indirecte effecten van het plan op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Effecten als gevolg van stikstofdepositie op deze gebieden vanuit het plangebied, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met behulp van de Aerius-calculator dient derhalve berekend te worden wat de maximale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kan zijn als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen. Op basis hiervan dient in een voortoets beoordeeld te worden of negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten.

6.2.2

Provinciale gebiedsbescherming – geen effecten Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant zijn niet te verwachten als gevolg van de realisatie van de vakantieappartementen.

6.2.3

Houtopstanden – vergunning en/of melding noodzakelijk Bij de gemeente Hilvarenbeek dient nagegaan te worden waar de begrenzing van de bebouwde kom is gelegen. Aan de hand hiervan dient beoordeeld te worden of een vergunning en/of melding voor het kappen van de bomen aan de orde is.

24

7

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Chinery, M., 2004. Nieuwe insecten gids. Tirion Natuur, Baarn Dietz, C. en A. Kiefer, 2017. Veldgids, Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Kragten, 2015. Safari-resort Beekse Bergen, Actualiserende veldinventarisatie ecologie. Rapportnummer: ARC041-FF-Co01. Kragten, 16 november 2015, ’s-Hertogenbosch. Schauer, T., C. Caspari, en S. Caspari, 2016. Nieuwe plantengids voor onderweg. Kosmos Uitgevers, Utrecht. Slagter, D., 2016. Winterflora bomen en struiken. Uitgeverij NatuurMedia, Amsterdam Stumpel, T. en H. Strijbosch 2017. Veldgids, Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Svensson, L., 2016. ANWB vogelgids van Europa. ANWB B.V., Den Haag Twisk, P., A. van Diepenbeek en J.P. Bekker , 2016. Veldgids Europese zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist. Nationale Databank Flora en Fauna gegevensexport op 18 november 2019 Websites www.floron.nl www.minez.nederlandsesoorten.nl www.overheid.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.brabant.nl

25

BIJLAGEN

B1 NATUURBESCHERMING Kort wordt in deze bijlage ingegaan op de bescherming van planten- en diersoorten en natuurgebieden krachtens de Wet natuurbescherming en de provinciale verordening/beleidsregels. Daarnaast wordt aangegeven of sprake is van provinciale gebiedsbescherming binnen of nabij het plangebied.

B1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is van kracht sinds 1 januari 2017 en regelt zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden. Daarmee vervangt de Wet natuurbescherming de inmiddels vervallen Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn aan Gedeputeerde Staten van de provincies diverse bevoegdheden toegekend. De provincies zijn met ingang van de Wet natuurbescherming (in de meeste gevallen) bevoegd gezag voor ontheffingen, vergunningen en meldingen op grond van de wet. De provincies hebben hun bevoegdheden uitgewerkt in verordeningen of beleidsregels, die per provincie verschillen. In de provinciale regelingen komen de volgende thema’s aan de orde: faunabeheer, jacht, schadebestrijding, vrijstelling soorten, gebiedsbescherming, houtopstanden en natuurbeleid. Voor zover relevant, is in de onderstaande paragrafen aandacht besteed aan de provinciale uitwerking van de Wet natuurbescherming.

B1.1.1 Bescherming planten- en diersoorten Bescherming op grond van de Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Vogelrichtlijnsoorten Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn de relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, opgenomen in artikel 3.1. Op grond van dit artikel is het verboden: Opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels te doden of te vangen. Opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Opzettelijk vogels te verstoren. Dit verbod is alleen van toepassing wanneer hierdoor een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding optreedt. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor Vogelrichtlijnsoorten kan worden verleend door Gedeputeerde Staten. Provinciale Staten hebben in de wet de bevoegdheid gekregen voor het verlenen van vrijstellen, opgenomen in provinciale verordeningen. Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van volksgezondheid of openbare veiligheid.

In het kader van de veiligheid van het luchtverkeer. In het kader van bescherming van flora en fauna. Daarbij wordt tevens getoetst of de staat van instandhouding van de soort niet verslechtert. Nest- en rustplaatsen van vogels – jaarrond beschermde nesten Voor een aantal vogelsoorten geldt dat het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is (Dienst Regelingen, 2009). Daarbij zijn vijf categorieën vaste nesten te onderscheiden: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, daarbuiten in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw, huismus). B1-1

3.

4. 5.

Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die (vrijwel) elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil, slechtvalk). Nesten van vogels die jaar in, jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd, ransuil). Nesten van vogels die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar tevoren hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (bijvoorbeeld oeverzwaluw, ekster en groene specht). Een omgevingscheck door een deskundige dient uit te wijzen of in de omgeving voldoende gelegenheid is om zelfstandig een nieuw nest te bouwen of te zoeken.

Welke soorten tot een van de vijf bovengenoemde categorieën behoren, is vastgelegd in een lijst met circa tachtig soorten. Habitatrichtlijnsoorten De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor Habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel stelt een verbod op het: Opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn (zie bijlage 2). Opzettelijk verstoren van dieren van genoemde soorten. Opstellen vernielen of rapen van eieren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV onderdeel b van de Habitatrichtlijn, bijlage I van het Verdrag van Bern. Ook voor de verbodsbepalingen voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen.

Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (o.a.) een belang: In het kader van bescherming van flora en fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats. In het kader van volksgezondheid, openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten Tot slot is een aantal planten- en diersoorten in de Wet natuurbescherming aangewezen als nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn alleen beschermd op grond van de Nederlandse wet en zijn niet genoemd in Europese richtlijnen of verdragen. Om welke soorten het gaat, is aangegeven in bijlage 2. De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor de nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de wet. Het is verboden: Opzettelijk in het wild levende dieren van de nationaal beschermde soorten te doden of te vangen.

Opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van nationaal beschermde soorten te beschadigen of vernielen. Opzettelijk planten van de nationaal beschermde soorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen. Wederom is Gedeputeerde Staten bevoegd ontheffing te verlenen van de verbodsbepalingen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor Habitatrichtlijnsoorten, waarbij de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling aanvullend ook verband kan houden met (o.a.):

B1-2

-

Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van een gebied en het daaropvolgend gebruik van het gebied. Bestendig beheer of onderhoud in landbouw en bosbouw. Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen of in het kader van natuurbeheer. Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Algemeen belang. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Gedragscodes De verboden die in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 zijn neergelegd, zijn niet van toepassing wanneer wordt gehandeld volgens een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen worden opgesteld voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toepassing van een goedgekeurde gedragscode waarborgt dat zorgvuldig wordt gehandeld.

Provinciale verordeningen Op grond van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om in provinciale verordeningen algemene vrijstellingen te verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in de wet. Van deze bevoegdheid hebben de verschillende provincies gebruik gemaakt. Dat betekent, dat de bescherming die soorten genieten, kan verschillen tussen provincies. De consequenties van de verordening van de provincie NoordBrabant voor de bescherming van planten- en diersoorten zijn hieronder kort beschreven. De provincie Noord-Brabant heeft de Verordening natuurbescherming vastgesteld. In hoofdstuk 3 van deze verordening zijn vrijstellingen opgenomen voor beschermde soorten. Voor verschillende nationaal beschermde diersoorten (zie bijlage 3) verleent Provinciale Staten vrijstelling van het verbod op het vangen van dieren en het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen van dieren ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstellingen gelden alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De verordening stelt daarnaast dat het opzettelijk verontrusten van overwinterende ganzen in door GS aangewezen ganzenrust- en foerageergebieden moet worden beschouwd als van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de ganzensoort.

B1.1.2 Bescherming natuurgebieden Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura 2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen – ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied – is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten.

Gedeputeerde Staten van de provincie zijn bevoegd om een vergunning te verlenen voor projecten die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Bij vergunningaanvraag dient de initiatiefnemer een zogenaamde “passende beoordeling” in te dienen. Vergunning wordt verleend, wanneer uit deze passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied met zekerheid niet worden aangetast óf wanneer, indien wel sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

B1-3

-

Er zijn geen alternatieve oplossingen. Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Er worden compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-gebied bewaard blijft.

Voor het vaststellen van plannen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen geldt eveneens dat een passende beoordeling moet worden opgesteld. Vaststelling van het plan vindt pas plaats, wanneer is aangetoond dat geen aantasting plaatsvindt van de instandhoudingsdoelstellingen of wanneer wordt voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden.

B1.1.3 Bescherming houtopstanden Tot slot regelt hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming. Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant op deze locatie. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies vrijstelling verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.

B1.2 Provinciale gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) dat globaal is aangewezen in het Structuurschema Groene Ruimte, is op provinciaal niveau uitgewerkt en exact begrensd. Binnen de provincie Noord-Brabant is deze begrenzing uitgewerkt in Verordening Ruimte 2014. Het ruimtelijk beleid voor het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is erop gericht de wezenlijke kenmerken van de gebieden te ontwikkelen, herstellen en behouden. Derhalve is voor het NNN het ‘nee, tenzij'-regime ingevoerd. Volgens dit regime dient allereerst vastgesteld te worden of de geplande ingreep significant negatieve effecten heeft op de in het NNN-gebied aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden. Wanneer dit zo is, geldt in principe dat de ingreep geen doorgang kan vinden. Uitzondering geldt alleen voor ingrepen waarbij sprake is van groot openbaar belang en waarbij geen alternatieven voor de plannen beschikbaar zijn. In dat geval dient compensatie van de aangetaste waarden plaats te vinden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit et al., 2007).

B1-4

B2 BESCHERMDE SOORTEN Naast de bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, bevat de Wet natuurbescherming verbodsbepalingen voor de soorten opgenomen in Bijlage IV onderdeel a en b van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het verdrag van Bonn. De betreffende soorten zijn in de onderstaande tabel opgenomen. De nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in de tweede tabel in deze bijlage. Tabel 2

Soorten Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn.

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Baardvleermuis

Myotis mystacinus

Spitsdolfijn van Gray

Mesoplodon grayi

Bechsteins vleermuis

Myotis bechsteini

Tuimelaar

Tursiops truncatus

Bever

Castor fiber

Tweekleurige vleermuis

Vespertilio murinus

Bosvleermuis

Nyctalus leisleri

Vale vleermuis

Myotis myotis

Brandts vleermuis

Myotis brandti

Watervleermuis

Myotis daubentoni

Bruinvis

Phocoena phocoena

Walrus

Odobenus rosmarus

Bultrug

Megaptera novaeangliae

Witflankdolfijn

Lagenorhynchus acutus

Butskop

Hyperoodon ampullatus

Witsnuitdolfijn

Lagenorhynchus albirostris

Dwergpotvis

Kogia breviceps

Witte dolfijn

Delphinapterus leucas

Dwergvinvis

Balaenoptera acutorostrata

Wolf

Canis lupus

Franjestaart

Myotis nattereri

Amfibieën

Gestreepte dolfijn

Stenella coeruleoalba

Boomkikker

Hyla arborea

Gewone dolfijn

Delphinus delphis

Geelbuikvuurpad

Bombina variegata

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

Heikikker

Rana arvalis

Gewone grootoorvleermuis

Pletocus auritus

Kamsalamander

Triturus cristatus

Grijze grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

Knoflookpad

Pelobates fuscus

Grote hoefijzerneus

Rhinolophus ferrumequinum

Poelkikker

Rana lessonae

Grote rosse vleermuis

Nyctalus lasiopterus

Rugstreeppad

Bufo calamita

Gewone spitsdolfijn

Mesoplodon bidens

Vroedmeesterpad

Alytes obstetricans

Gewone vinvis

Balaenoptera physalus

Reptielen

Griend

Globicephala melas

Dikkopschildpad

Caretta caretta

Grijze dolfijn

Grampus griseus

Gladde slang

Coronella austriaca

Hamster

Cricetus crisetus

Kemp’s zeeschildpad

Lepidochelys kempii

Hazelmuis

Muscardinus avellanarius

Lederschildpad

Dermochelys coriacea

Ingekorven vleermuis

Myotis emarginatus

Muurhagedis

Podarcis muralis

Kleine hoefijzerneus

Rhinolophus hipposideros

Soepschildpad

Chelonia mydas

Kleine zwaardwalvis

Pseudorca crassidens

Zandhagedis

Lacerta agilis

Laatvlieger

Eptesicus serotinus

Vissen

Lynx

Lynx lynx

Houting

Coregonus oxyrinchus

Meervleermuis

Myotis dasycneme

Steur

Acipenser sturio

Mopsvleermuis

Barbastella barbastellus

Dagvlinders

Narwal

Monodon monoceros

Apollovlinder

Parnassius apollo

Noordse vleermuis

Eptesicus nilssoni

Boszandoog

Lopinga achine

Noordse woelmuis

Microtus oeconomus

Donker pimpernelblauwtje

Phengaris nausithous

Noordse vinvis

Balaenoptera borealis

Grote vuurvlinder

Lycaena dispar

Orca

Orcinus orca

Moerasparelmoervlinder

Euphydryas aurinia

Otter

Lutra lutra

Pimpernelblauwtje

Phengaris teleius

Potvis

Physeter catodon

Tijmblauwtje

Maculinea arion

B2-1

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Rosse vleermuis

Nyctalus noctula

Zilverstreephooibeestje

Coenonympha hero

Bronslibel

Oxygastra curtisii

Drijvende waterweegbree

Luronium natans

Gaffellibel

Ophiogomphus cecilia

Geel schorpioenmos

Hamatocaulis vernicosus

Gevlekte witsnuitlibel

Leucorrhinia pectoralis

Groenknolorchis

Liparis loeselli

Groene glazenmaker

Aeshna viridis

Kleine vlotvaren

Salvinia natans

Mercuurwaterjuffer

Coenagrion mercuriale

Kruipend moerasscherm

Apium repens

Noordse winterjuffer

Sympecma annulata

Liggende raket

Sisymbrium supinum

Oostelijke witsnuitlibel

Leucorrhinia albifrons

Tonghaarmuts

Orthotrichum rogeri

Sierlijke witsnuitlibel

Leucorrhinia caudalis

Zomerschroeforchis

Spiranthes aestivalis

Rivierrombout

Gomphus flavipes

Libellen

Planten

Kevers

Overige soorten Bataafse stroommossel

Unio crassus

Brede geelrandwaterroofkever

Dytuscus latissimus

Oeveraas

Palingenia longicauda

Gestreepte waterroofkever

Graphoderus bilineatus

Platte schijfhoren

Anisus vorticulus

Juchtleerkever

Osmoderma eremita

Teunisbloempijlstaart

Proserpinus proserpina

Vermiljoenkever

Cucujus cinnaberinus

Tabel 3

Andere soorten.

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Zoogdieren

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Woelrat

Arvicola amphibius

Aardmuis

Microtus agrestis

Amfibieën

Boommarter

Martes martes

Alpenwatersalamander

Triturus alpestris

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Bruine kikker

Rana temporaria

Bunzing

Mustela putorius

Gewone pad

Bufo bufo

Damhert

Dama dama

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Das

Meles meles

Meerkikker

Rana ridibunda

Dwergmuis

Micromys minutus

Middelste groene kikker

Rana klepton esculentus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Vinpootsalamander

Lissotriton helveticus

Edelhert

Cervus elaphus

Vuursalamander

Salamandra salamandra

Eekhoorn

Sciurus vulgaris

Reptielen

Egel

Erinaceus europaeus

Adder

Vipera berus

Eikelmuis

Eliomys quercinus

Hazelworm

Anguis fragilis

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Levendbarende hagedis

Zootoca vivipara

Gewone zeehond

Phoca vitulina

Ringslang

Natrix natrix

Grote bosmuis

Apodemus flavicollis

Vissen

Grijze zeehond

Halichoerus grypus

Beekdonderpad

Cottus rhenanus

Haas

Lepus eauropaeus

Beekprik

Lampetra planeri

Hermelijn

Mustela erminea

Elrits

Phoxinus phoxinus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Gestippelde alver

Alburnoides bipunctatus

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Grote modderkruiper

Misgurus fossilis

Molmuis

Arvicola scherman

Kwabaal

Lota lota

Ondergrondse woelmuis

Microtus subterraneus

Dagvlinders

Ree

Capreolus capreolus

Aardbeivlinder

Pyrgus malvae

Rosse woelmuis

Myodes glareolus

Bosparelmoervlinder

Melitaea athalia

Steenmarter

Martes foina

Bruin dikkopje

Erynnis tages

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Bruine eikenpage

Satyrium ilicis

Veldmuis

Microtus arvalis

Donker pimpernelblauwtje

Phengaris nausithous

B2-2

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Veldspitsmuis

Crocidura leucodon

Duinparelmoervlinder

Argynnis niobe

Vos

Vulpes vulpes

Gentiaanblauwtje

Phengaris alcon

Waterspitsmuis

Neomys fodiens

Grote parelmoervlinder

Argynnis aglaja

Wezel

Mustela nivalis

Grote vos

Nymphalis polychloris

Wild zwijn

Sus scrofa

Grote vuurvlinder

Lycaena dispar

Grote weerschijnvlinder

Apatura iris

Groensteel

Asplenium viride

Iepenpage

Satyrium w-album

Groot spiegelklokje

Legousia speculum-veneris

Kleine heivlinder

Hipparchia statilinus

Grote bosaardbei

Fragaria moschata

Kleine ijsvogelvlinder

Limenitis camilla

Grote leeuwenklauw

Aphanes arvensis

Kommavlinder

Hesperia comma

Honingorchis

Herminium monorchis

Pimpernelblauwtje

Phengaris teleius

Kalkboterbloem

Ranunculus polyanthemos

Sleedoornpage

Thecla betulea

Kalketrip

Centaurea calcitrapa

Spiegeldikkopje

Heteropterus morpheus

Karthuizer anjer

Dianthus carthusianorum

Veenbesblauwtje

Plebejus optilete

Karwijselie

Selinum carvifolia

Veenbesparelmoervlinder

Boloria aquilonaris

Kleine ereprijs

Veronica verna

Zilveren maan

Boloria selene

Kleine schorseneer

Scorzonera humilis

Kleine wolfsmelk

Euphorbia exigua

Libellen Beekrombout

Gomphus vulgatissimus

Kluwenklokje

Campanula glomerata

Bosbeekjuffer

Calopteryx virgo

Knollathyrus

Lathyrus linifolius

Donkere waterjuffer

Coenagrion armatum

Knolspirea

Filipendula vulgaris

Gevlekte glanslibel

Somatochlora flavomaculata

Korensla

Arnoseris minima

Gewone bronlibel

Cordulegaster boltonii

Kranskarwij

Carum verticillatum

Hoogveenglanslibel

Somatochlora arctica

Kruiptijm

Thymus serphyllum

Kempische heidelibel

Sympetrum depressiusculum

Lange zonnedauw

Drosera anglica

Speerwaterjuffer

Coenagrion hastulatum

Liggende ereprijs

Veronica prostrata

Moerasgamander

Teucrium scordium

Muurbloem

Erysimum cheiri

Naakte lathyrus

Lathyrus aphaca

Kevers Vliegend hert

Lucanus cervus

Planten Akkerboterbloem

Ranunculus arvensis

Naaldenkervel

Scanix pecten-veneris

Akkerdoornzaad

Torilis arvensis

Pijlscheefkelk

Arabis hirsuta

Akkerogentroost

Odentites vernus

Roggelelie

Lilium bulbiferum

Beklierde ogentroost

Euphrasia officinalis

Rood peperboompje

Daphne mezereum

Berggamader

Teucrium montanum

Rozenkransje

Antennaria dioica

Bergnachtorchis

Platanthera montana

Ruw parelzaad

Lithospermum arvense

Blaasvaren

Cystopteris fragilis

Scherpkruid

Asperugo procumbens

Blauw guichelheil

Anagallis arvensis

Schubvaren

Asplenium ceterach

Bokkenorchis

Himantoglossum hircinum

Schubzegge

Carex lepidocarpa

Bosboterbloem

Ranunculus polyanthemos

Smalle raai

Galeopsis angustifolia

Bosdravik

Bromopsis ramosa

Spits havikskruid

Hieracium lactucella

Brave hendrik

Chenopodium bonus-henricus

Steenbraam

Rubus saxatilis

Brede wolfsmelk

Euphorbia platyphyllos

Stijve wolfsmelk

Euphorbia stricta

Breed wollegras

Eriophorum latifolium

Stofzaad

Monotropa hypopitys

Bruinrode wespenorchis

Epipactis atrorubens

Tengere distel

Carduus tenuiflorus

Dennenorchis

Goodyera repens

Tengere veldmuur

Minuartia hybrida

Dreps

Bromus secalinus

Trosgamander

Teucrium botrys

Echte gamander

Teucrium chamaedrys

Veenbloembies

Scheuchzeria palustris

Franjegentiaan

Gentianopsis ciliata

Vliegenorchis

Ophrys insectifera

Geelgroene wespenorchis

Epipactis muelleri

Vroege ereprijs

Veronica praecox

B2-3

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Geplooide vrouwenmantel

Alchemilla subcrenata

Wilde averuit

Artemisia campestris

Getande veldsla

Valerianella dentata

Wilde ridderspoor

Consolida regalis

Gevlekt zonneroosje

Tuberaria guttata

Wilde weit

Melampyrum arvense

Glad biggenkruid

Hypochaeris glabra

Wolfskers

Atropa belladonna

Gladde zegge

Carex laevigata

Zandwolfsmelk

Euphorbia seguieriana

Groene nachtorchis

Dactylorhiza viridis

Zinkviooltje

Viola lutea calaminaria

Zweedse kornoelje

Cornus suecica

Overige soorten Europese rivierkreeft

B2-4

Astacus astacus

B3 PROVINCIALE VRIJSTELLING Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud heeft de provincie Noord-Brabant een vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Periode vrijstelling

Aardmuis

Microtus agrestis

Onbeperkt

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Onbeperkt

Dwergmuis

Micromys minutus

Onbeperkt

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Onbeperkt

Egel

Erinaceus europaeus

Onbeperkt

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus

Onbeperkt

Haas

Lepus eauropaeus

Onbeperkt

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Onbeperkt

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Onbeperkt

Ondergrondse woelmuis

Microtus subterraneus

Onbeperkt

Ree

Capreolus capreolus

Onbeperkt

Rosse woelmuis

Myodes glareolus

Onbeperkt

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Onbeperkt

Veldmuis

Microtus arvalis

Onbeperkt

Vos

Vulpes vulpes

Onbeperkt

Wild zwijn

Sus scrofa

Onbeperkt

Woelrat

Arvicola amphibius

Onbeperkt

Bruine kikker

Rana temporaria

Onbeperkt

Gewone pad

Bufo bufo

Onbeperkt

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Onbeperkt

Meerkikker

Rana ridibunda

Onbeperkt

Middelste groene kikker

Rana esculenta

Onbeperkt

Zoogdieren

Amfibieën

B3-1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11082538/1