CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 bp Waterstraat 4 (4 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 10 maart 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Waterstraat 4".18.715 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 27 van 61

Uitsnede Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek - Gemeente Hilvarenbeek - januari 2014

3.4.3 Visie Ruimte voor Ruimte, 2011 De gemeente Hilvarenbeek heeft gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied d.d. 13 maart 2014, een Visie Ruimte voor Ruimte vastgesteld. In deze visie zijn de voorwaarden opgenomen waaronder Ruimte voor Ruimte woningen binnen bebouwingsconcentraties kunnen worden gerealiseerd. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie 'Waterstraat’.

Bebouwingsconcentratie Waterstraat

Pagina 28 van 61

De randvoorwaarden die hierin benoemd zijn voor Ruimte voor Ruimte mogelijkheden zijn: • toepassen nieuwbouw als aanvulling op lint; • behoud van zicht op omliggende landschap; • onderscheid tussen hoofd- en zijwegen door laanbeplanting en aansluiting bij bestaand patroon van bebouwde erven versus onbebouwde straatzijden. Door de realisatie van de nieuwe woning wordt een plek in het lint van de Waterstaat ingevuld. De nieuwe woning wordt gesitueerd op een voormalig agrarisch bouwperceel. tussen twee bestaande woningen (nummer 23 en 24). De invulling van deze plek gaat niet ten koste van het zicht op het achterliggende agrarische gebied, gezien reeds in de bestaande beplanting aan de voorzijde. De bestaande laanbeplanting langs de Waterstraat blijft behouden en de overzijde blijft onbebouwd. Met onderhavig planvoornemen wordt dan ook voldaan aan alle randvoorwaarden.

3.4.4 Bestemmingsplan Buitengebied, 2014 Het vigerend bestemmingsplan voor de planlocatie betreft het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014’ in combinatie met een aantal beperkte algemene wijzigingen in de regels in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’, zoals respectievelijk vastgesteld door de raad d.d. 13 maart 2014 en 7 maart 2017. In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de verbeelding en legenda.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Buitengebied”

In de huidige situatie is er in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ sprake van een agrarische bestemming met een bouwvlak van 12.500 m². Daarbij heeft de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 2’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voormalig agrarisch bedrijf’.

Pagina 29 van 61

Voor het wijzigen van de bestemming naar een niet-agrarisch bedrijf is in artikel 3.6.8 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Navolgend zijn de wijzigingsvoorwaarden opgesomd en is tevens getoetst of het planvoornemen aan deze voorwaarden voldoet (dikgedrukt). 3.4.4 Wijziging naar niet-agrarisch bedrijf (art. 3.6.8) Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen in Artikel 4 Bedrijf, teneinde een niet-agrarisch bedrijf toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:voor de functie gelden de volgende specifieke bepalingen: Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' wijzigen in Artikel 4 Bedrijf, teneinde een niet-agrarisch bedrijf toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. voor de functie gelden de volgende specifieke bepalingen: 1. de bebouwde oppervlakte ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten mag niet meer bedragen dan 1000 m2 dan wel niet meer dan de bestaande bebouwde oppervlakte indien deze minder bedraagt dan 1000 m2; De bestaande bebouwde oppervlakte bedraagt 881 m². In de beoogde situatie wordt maximaal 881 m² bebouwing toegestaan. 2.

detailhandel is uitsluitend in ondergeschikte en in ondersteunende vorm toegestaan; de verkoopvloeroppervlakte bedraagt niet meer dan 100 m2; Het planvoornemen beoogt geen detailhandel. 3. de omvang van het bestemmingsvlak is passend bij de beoogde functie, met dien verstande dat de omvang niet meer bedraagt dan het voormalige agrarisch bouwvlak tot een maximum van 5000 m2; Het bestemmingsvlak wordt verkleind naar ruim minder dan 5.000 m². 4. de bedrijfsactiviteit behoort tot milieucategorie 1 of 2 van de in Bijlage 1 opgenomen bedrijvenlijst, alsmede naar aard en omvang vergelijkbare activiteiten; In de beoogde situatie wordt een bedrijfsverzamelgebouw beoogd waar bedrijven zich tot en met milieucategorie 2 kunnen vestigen. b. voor statische opslag gelden de volgende specifieke bepalingen: 1. de activiteit dient plaats te vinden binnen de aanwezige gebouwen; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de activiteit plaats; 2. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen; 3. de vloeroppervlakte van de bebouwing, die wordt aangewend voor deze activiteit, mag niet meer bedragen dan 1000 m2; 4. detailhandel ten behoeve van de nevenactiviteit is niet toegestaan; 5. de beoogde activiteit leidt niet tot een grootschalige ontwikkeling; De beoogde situatie betreft geen statische opslag. c.

op de locatie is geen sprake geweest van een sloopregeling van bedrijfsgebouwen zoals de regeling “Ruimte-voor-ruimte” of RBV; Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. er dient een, door de gemeente goed te keuren, bedrijfsplan te worden overlegd; De gemeente is in het bezit van een bedrijfsplan. e. het hergebruik moet naar aard en omvang passen in de omgeving; Zoals verder wordt onderbouwd in deze toelichting past het voornemen in de omgeving. f. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen: 1. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. 2. Ontstening: met het initiatief wordt eveneens bewerkstelligd, dat overtollige bebouwing (niet zijnde cultuurhistorisch waardevol) wordt gesloopt, met dien

Pagina 30 van 61

verstande dat de oppervlakte aan bebouwing die wordt gesloopt niet minder mag bedragen dan de oppervlakte aan bebouwing die nieuw wordt gebouwd; 3. Parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden. 4. Het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en op een afstand van minimaal 15 vanuit de as van de weg. Door het initiatief wordt het bouwvlak flink verkleind. Tevens worden uitbreidingsmogelijkheden weggenomen door een maximum maatvoering van 881 m² op te nemen in het bestemmingsplan. Door het terugbouwen van één gebouw ontstaat een gunstige verhouding tussen het bestemmingsvlak en de aanwezige bebouwing. g. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.4 h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Dit wordt verder toegelicht in hoofdstuk 4, met name onder paragraaf 4.9 en 4.10. i. bij toename van verharding van meer dan 500 m2 dient aangegeven te worden hoe met water wordt omgegaan via de trits: vasthouden, bergen en afvoeren; er zal in alle gevallen minimaal waterneutraal gebouwd dienen te worden; Door het planvoornemen neemt de verharding af.

In de waterparagraaf zal verder worden toegelicht hoe met water wordt omgegaan in de planvorming. j. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 2.4 en 2.5 k. de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - bestaande voorzieningen' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorziening' en/of 'specifieke vorm van agrarisch - opslag ruwvoer' worden verwijderd, alsmede er is zekerstelling omtrent het verwijderen van de ter plaatse aanwezige voorzieningen. Tenzij aangetoond wordt dat deze voorzieningen tevens noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie; De genoemde aanduidingen zijn niet van toepassing op de planlocatie. l. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden die de gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in artikel 29, beogen te beschermen; Niet van toepassing. m. de regels van Artikel 4 Bedrijf worden van overeenkomstige toepassing verklaard; De regels zoals genoemd in artikel 4 van het bestemmingsplan Buitengebied worden overgenomen in dit bestemmingsplan. n. de goot- en bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 m en 10 m. De goot- en bouwhoogte van de gebouwen bedraagt maximaal 6 m en 10 m.

Pagina 31 van 61

4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Beoordeling Voor het totale plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, wat is toegevoegd aan de bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat na het saneren van de verontreiniging met asbest (ca. 3 m³) ter plaatse van de noordelijke stal er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging en de beoogde functies.

Het saneren van de verontreinig met asbest is verplicht op basis van de Wet Bodembescherming. Met de in het bodemonderzoek opgenomen conclusies en aanbevelingen wordt ingestemd als in de herziening van het bestemmingsplan specifieke voorwaarden worden opgenomen. Door het opnemen van de voorwaarden staat de huidige bodemkwaliteit de ruimtelijke uitvoering van het plan niet in de Pagina 32 van 61

weg. Een gedeelte van de voorwaarde kan daarbij pas worden uitgevoerd als er reeds is gesloopt én dus wanneer het plan al in werking is getreden. Voor de volledigheid worden de gestelde voorwaarden hieronder opgesomd: 1. Toevoegen van het analysecertificaat van het uitgevoerde asbestonderzoek aan het bodemrapport (reeds toegevoegd aan het rapport in de bijlage); 2. Uitvoeren asbestinventarisatie van bestaande gebouwen; 3. Op basis van de resultaten van de asbestinventarisatie nagaan of er meer potentiele bronnen zijn waardoor de bodem mogelijk verontreinigd is met asbest, indien dit het geval is moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd; 4. Opstellen en indienen BUS-saneringsmelding aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming voor de sanering (ontgraven en afvoeren van de verontreinigde grond naar een erkend verwerker) van de aangetoonde asbestverontreiniging; 5. Voordat de gebouwen worden gesloopt moet eerst de bodem worden gesaneerd om verspreiding van de verontreinigde grond te voorkomen. Uit het op te stellen evaluatierapport van de grondsanering moet blijken dat de bodem voldoende is gesaneerd; 6. Asbest uit de gebouwen verwijderen door een daarvoor erkend bedrijf. Uit het op te stellen evaluatierapport moet blijken dat alle asbest op een juiste wijze is verwijderd; 7. Sloop van de gebouwen; 8. Vaststellen eindsituatie van de bodem, zie onderstaande alinea.

Nadat de oude bebouwing gesloopt is moet worden aangetoond dat geen vermenging van sloopmateriaal heeft plaatsgevonden met de ondergrond. Geadviseerd wordt om een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden op te nemen in de omgevingsvergunning om voor start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop, aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond. Dat kan middels: - het uitvoeren van bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 naar de bovengrond (tot 1,0 m-mv); - of door het aantonen dat de sloop plaatsvindt door een gecertificeerd bedrijf en het nemen van foto’s van het maaiveld tijdens en na de sloop. De aanvullende gegevens conform bovenstaande opsomming moeten ter goedkeuring voorgelegd worden aan de gemeente Hilvarenbeek. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken en/of bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Conclusie Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg. Door het in acht nemen van de gestelde voorwaarden wordt uiteindelijk voldaan aan de Wet bodembescherming.

4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken Pagina 33 van 61

over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde.

Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Pagina 34 van 61

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven.

Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 2.000 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken.

Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1. Door het planvoornemen wordt 881 m² bedrijfsbebouwing opnieuw herbouwd en wordt een woning gerealiseerd. Ten aanzien van de woning wordt 400 m² verhard oppervlak verwacht (100 m² woning, 200 m² erfverharding en 100 m² bijgebouw). In totaal ziet het plan dan op 1.281 m² verharding. De vereiste compensatie kan berekend worden door het te verharden oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,060 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 1.281 x 1 x 0,06 = 76,86 m³.

Pagina 35 van 61

De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Ter aanvulling vanuit het gemeentelijk beleid dient rekening te worden gehouden met een toename aan verhard oppervlak. Hiervoor geldt een bergingsopgave van 76,86 m³.

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de planlocatie is 60-80 cm beneden maaiveld. Om de berging van water te waarborgen wordt in het plangebied een poel aangelegd. De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld ca. 40 cm (20 cm boven GHG). De poel moet daarmee een minimale oppervlakte hebben van 192,15 m². Middels het landschappelijk inpassingsplan, dat tevens wordt gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat het wateroppervlak van de poel minimaal 460 m² bedraagt. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van her- en nieuwbouw van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Pagina 36 van 61

4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling In de omgeving van het plangebied zijn cultuurhistorische waarden aanwezig. Op verdere afstand betreft dit met name cultuurhistorische bouwkunst. Aan de zuidzijde van het plangebied is een lijn van hoge waarde gelegen, dit betreft het zandpad ten zuiden van het perceel. De Waterstraat is een lijn van redelijk hoge waarde. Het plan doet geen afbreuk aan deze lijn of het straatbeeld. Landgoed Groenendaal De planlocatie is gelegen binnen het cultuurhistorische gebied van landgoed Groenendaal maar ligt fysiek gezien niet binnen het landgoed. De belangrijkste kenmerken ten aanzien van de ontwikkeling binnen het plangebied in relatie tot het landgoed zijn: De kleinschalige percelering en de perceelrandbegroeiing.

Pagina 37 van 61

Op onderstaande afbeeldingen zijn de kenmerken van het landgoed weergeven in de omgeving van het plangebied.

Kleinschalige percelering

landgoed Cultuurhistorisch waardevolle lijn (zandpad) met perceelbegroeiing in de vorm van een bomenrij

Door het realiseren van de nieuwe natuur wordt bijgedragen aan een eigentijdse en ecologische invulling van het landgoed. Van kleinschalige percelering is binnen het plangebied geen sprake. Met name is hiervan sprake aan de oostzijde van de Waterstraat. Door het toevoegen van een amfibieënpoel kan wel gesteld worden dan wordt bijgedragen aan meer reliëf in het landschap. Hierdoor ontstaat vanuit de provinciale weg een betere accentuering van de landschapskamer, rekening houdende met de groenstructuur langs het cultuurhistorische zandpad. Conclusie Het planvoornemen versterkt de omliggende cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft.

In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te Pagina 38 van 61

houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.

Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 2.500 m² geen restricties. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is de planlocatie dan ook gelegen in een gebied met een archeologische verwachting waarvoor een ondergrens van 2.500 m² wordt gehanteerd voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Pagina 39 van 61

Voor de ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk voor het herbouwen van het bedrijfsverzamelgebouw (881 m²) en voor de bouw van de ruimte-voor-ruimte woning met bijgebouw (ca. 300 m²). De ontwikkeling heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Conclusie Het plan beoogt bodemingrepen. De omvang hiervan overschrijdt echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.

De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Deze schade kan optreden door de gebruiksfase van een initiatief of door de bouwfase. Het wegbestemmen van het agrarisch bedrijf heeft een positieve invloed op de stikstofdepositie. Het is niet aannemelijk dat er een toename van stikstof plaatsvindt met het wegbestemmen van een agrarisch bedrijf en de komst van een bedrijfsverzamelgebouw en de ruimte-voor-ruimte woning. Ten opzichte van de bestaande situatie vindt er een verandering plaats in vervoersbewegingen door een toename van verkeer voor het aanleveren van materiaal en goederen. Daarbij is sprake van vervoersbewegingen en het gebruikt van mobiele werktuigen voor de bouwfase van de beoogde bedrijfsbebouwing. Gezien de kleinschalige verandering is niet teruggevallen op de vergunde situatie op referentiedata van omliggende Natura 2000-gebieden. De totale beoogde bedrijfsopzet inclusief de bouwfase van de bedrijfsbebouwing is doorgerekend middels AERIUS. De AERIUS-berekening heeft tot onderstaand resultaat geleid.

Pagina 40 van 61

Voor de Aerius berekening zijn de volgende worst-case uitgangspunten genomen, welke een overschatting zijn van de werkelijkheid, enkel om aan te tonen dat ook bij diverse bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw sprake blijft van 0,0 mol/ha/jr. depositie: Gebruiksfase Activiteit Aan- en af rijden personeel bedrijfsverzamelgebouw en bewoners Aan- en af rijden vrachtwagens ten behoeve van leveringen bedrijfsverzamelgebouw CV-installatie

Bouwfase Aan- en af rijden bouwbedrijf

Hoeveelheid 119 verkeersbewegingen per etmaal (worst-case)

Sector Wegverkeer

Factor Continu: p/etmaal (worst-case)

Categorie Licht verkeer

10 keer per etmaal

Wegverkeer

Continu: p/etmaal (worst-case)

Zwaar vrachtverkeer

1x 100 kW

Energie

Continu: 0,1 mW 2,2 kg NOx per jaar bij 3.300 m³ gas

-

Wegverkeer

260 vervoers bewegingen per jaar

Licht verkeer

Wegverkeer

26 keer per jaar

Zwaar vrachtverkeer

Auto’s en bussen van bouwbedrijf (bouwfase 26 weken x 2 vervoersbewegingen per werkdag = 260) Aanleveren bouwmateriaal Gemiddeld wekelijks 1 vrachtwagen gedurende bouwfase bedrijfsverzamelgebouw en RvR-woning Diverse mobiele werktuigen bouwfase Werktuig Bouwjr. Brandstof Vermogen (kW) Betonstorters 2019 Diesel 200 Mobiele kraan 2015 Diesel 125 Graafmachine 2015 Diesel 60 Verreiker 2015 Diesel 70 Hijskraan 2014 Diesel 200

Lastfactor 15 61 50 25 25

Draaiuren (per jaar) 24 24 24 100 24

Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de Aerius berekening. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de Pagina 41 van 61

soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Voor het planinitiatief is op 21 september 2020 een veldbezoek en quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage.

Uit de quickscan blijkt dat er geen aanleiding is voor aanvullend flora- of faunaonderzoek en zonder voorziene problemen begonnen kan worden met de geplande werkzaamheden. Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ en de Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Beoordeling Voor het planvoornemen is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd dat is toegevoegd als bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan, behoudens één toetspunt op 15 meter van de as van de Waterstraat. Toetspunten zijn gelegd op de rand van het woonvlak in plaats van het bouwvlak van de ruimte voor ruimte woning. Hierdoor mag worden aangenomen dat de geluidsbelasting vanuit de Beekseweg op de ruimte voor ruimtewoning ruimschoots lager is dan de gemeente waarde op de rand van het woonvlak.

Pagina 42 van 61

De maximale ontheffingswaarden worden niet overschreden waardoor een hogere waarde besluit kan worden genomen door het bevoegd gezag. Bij toepassing van de juiste materialen conform bouwbesluit is een binnenniveau van 33dB gewaarborgd en is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). 4.9.1 Beoordeling omgevingstype De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Diessen in de bebouwingsconcentratie Waterstraat.

Binnen een afstand van 100 meter rondom de planlocatie zijn meerdere functies aanwezig, eerder beschreven in paragraaf 2.1, te weten een agrarisch bedrijf, een crematorium, de provinciale weg én meerdere burgerwoningen. Door de nabijheid en de diversiteit aan functies in de omgeving kan het omgevingstype worden gedefinieerd als zijnde een ‘gemengd gebied’ op grond van de VNG-Handreiking. Op onderstaande afbeelding zijn de afstanden tussen de functies weergeven.

Pagina 43 van 61

crematorium

110 m.

73 m.

10 m.

Opgenomen bouwvlak

4.9.2 Beoordeling ruimte-voor-ruimte woning Het plan ziet toe op de realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning, dit betreft een milieugevoelige functie. De meest dominante bedrijven in de omgeving zijn het: 1. agrarisch bedrijf (melkveehouderij) op Waterstraat 2; 2. het crematorium op Beekseweg 22B; 3. het nieuw op te richten bedrijfsverzamelgebouw binnen het plangebied (verder beoordeeld in paragraaf 4.9.3). Conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering dient voor het houden van rundvee (SBI: 0141) een vaste afstand aangehouden te worden van 30 meter ten aanzien van stof en geluid en een afstand van 0 meter ten aanzien van gevaar. Voor geur dient een vaste afstand van 100 meter aangehouden te worden, voor geur vindt derhalve een verdere toetsing plaats van in het initiatief onder paragraaf 4.10. De ruimte-voor-ruimte woning is gelegen op een minimale afstand van 73 meter van de rand van het bouwvlak van Waterstraat 2. Hierdoor wordt voldaan aan de minimale afstanden ten aanzien van stof, geluid en gevaar. Conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering is bij een crematorium de vaste afstand 100 meter voor het aspect geur. Voor geluid geldt een afstand van 30 meter en voor stof en gevaar 10 meter. Pagina 44 van 61

De ruimte-voor-ruimte woning is gelegen op een minimale afstand van 110 meter van de erfgrens van het crematorium. Voor het crematorium is een omgevingsvergunning verleend (i.p.v. bestemmingsplanwijziging). Het maximale planologische kader voor de hinderactiviteit (geur) is derhalve enkel van toepassing op het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw van het crematorium is gelegen op 137 meter van de ruimte-voor-ruimte woning. Hierdoor wordt voldaan aan de minimale afstanden ten aanzien van geur, stof, geluid en gevaar. 4.9.3 Beoordeling bedrijfsverzamelgebouw Een bedrijfsverzamelgebouw is een milieubelastende functie gezien de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden. Daarbij kan het ook een gedeeltelijke milieugevoelige functie zijn, bijvoorbeeld door een kantoorfunctie. Geurgevoeligheid bedrijfsverzamelgebouw In de beoogde situatie is vooralsnog enkel sprake van een milieubelastende functie. Het vestigen van een milieugevoelige functie ter plaatse van het bedrijfsverzamelgebouw is niet wenselijk gezien de korte afstand tot het veehouderijbedrijf op Waterstraat 2 en het geuraspect. Om te voorkomen dat vestiging van bedrijf met regelmatig verblijf volgens de Wet geurhinder en veehouderij plaatsvindt is expliciet in de regels onder artikel 4.1 opgenomen dat dergelijke bedrijven niet zijn toegestaan.

In lijn met het bestemmingsplan Buitengebied (moederplan) kent dit plan onder artikel 4.5.3 een afwijkingsbevoegdheid om bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 toe te staan, waarbij sprake is van regelmatig verblijf volgens de Wet geurhinder en veehouderij, mits is aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Binnen het bedrijfsverzamelgebouw worden enkel milieubelastende functies toegestaan die behoren tot milieucategorie 1 of 2, of hiermee qua aard en omvang vergelijkbaar mee zijn. Op basis van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering dient voor een milieucategorie 2 activiteit een ‘vaste afstand’ aangehouden te worden van minimaal 30 meter. Omdat de locatie is gelegen in het buitengebied en niet in een ‘rustige woonwijk’, mag worden gesproken van een ‘gemengd gebied’ en mag de afstand op basis van de VNG-publicatie verlaagd worden met één afstandstrap naar 10 meter. De beoogde ruimte-voor-ruimte woning is gelegen op een afstand van minimaal 10 meter tot het beoogde bouwvlak van het bedrijfsverzamelgebouw. Daarbij zal deze (zuid)zijde van het bestemmingsvlak van het bedrijfsverzamelgebouw enkel gebruikt worden ten behoeve van de bedrijfswoning en is het bouwkundig onmogelijk om op deze zijde een bedrijfsgebouw te realiseren. Hinder van de bedrijfsvoering op Waterstraat 4 is hierdoor niet te verwachten.

In de praktijk komen de bedrijfsactiviteiten van het bedrijfsverzamelgebouw derhalve op circa 40 meter afstand van de ruimte-voor-ruimte woning, zoals aangegeven op bovenstaande afbeelding. De meest nabijgelegen (bedrijfs)woning Waterstraat 2 ligt op een afstand van ca. 13 meter tot het beoogde bouwvlak van het bedrijfsverzamelgebouw. De gevel van de bedrijfsbebouwing op Waterstraat 4 komt in de beoogde situatie gelijk te staan met de gevel van de bedrijfsbebouwing op Waterstraat 2. Daarbij zal de bedrijfsbebouwing op Waterstraat 4 zodanig worden uitgevoerd en gesitueerd dat deze dient ter afscherming van eventueel geproduceerd geluid op locatie. Gezien voor de ruimte-voor-ruimte woning en de bedrijfswoning op Waterstraat 2 wordt voldaan aan de minimale afstand vanuit de VNG-publicatie ten opzichte van het bedrijfsverzamelgebouw blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving. Conclusie Het planvoornemen voorziet met de ruimte-voor-ruimte woning in een milieugevoelige functie en door de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw in een milieubelastende functie. Door het realiseren van voldoende afstand tussen de functies kunnen de afstanden zoals genoemd in de VNGPagina 45 van 61

publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ worden gerespecteerd. Hierdoor worden omliggende bedrijven niet beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Tevens is aangetoond dat bij realisatie van het beoogde plan sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde en omliggende woning(en). 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning).

Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. Beoordeling Het plan ziet toe op een bedrijfsverzamelgebouw. In het bedrijfsverzamelgebouw is echter het gebruik als zijnde, of vestiging van een geurgevoelig object uitgesloten middels de planregels. Het plan ziet tevens toe op realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning. In het kader van de Wet geurhinder veehouderij wordt deze woning gezien als een ‘geur gevoelig object’ waarvoor specifieke regels worden gesteld onder artikel 14 Wgv. Het meest dominante veehouderijbedrijf aangaande de nieuwe woning betreft de melkveehouderij op Waterstraat 2. Op onderstaande afbeelding zijn de vergunde dieren op deze locatie weergeven.

Pagina 46 van 61

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderij Op locatie worden enkel dieren gehouden waarvoor een vaste afstand van 50 meter dient te worden aangehouden vanaf het emissiepunt van de stal volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens dient volgens de Wgv een afstand van 25 meter aangehouden te worden vanaf de gevel van de stal. De ruimte-voor-ruimte woning is gelegen op een minimale afstand van 70 meter van de rand van het bouwvlak van Waterstraat 2. Op basis van artikel 14 van de Wgv dient de afstand buiten de bebouwde kom tussen een ruimte-voor-ruimtewoning en een veehouderij minimaal 50 meter te bedragen. Hierdoor wordt voldaan aan de minimale afstanden ten aanzien van de Wgv. De veehouderij wordt derhalve niet beperkt in zijn ontwikkelingmogelijkheden. Beoordeling woon- en leefklimaat Daarnaast is dient tevens bepaald te worden of sprake is van een “aanvaardbaar” woon- en leefklimaat. Hiervoor is op basis van artikel 4 van de Wgv eveneens een afstand van 50 meter tot een veehouderij van toepassing buiten de bebouwde kom. Met een afstand van 70 meter wordt ook hier ruimschoots aan voldaan en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de ruimte-voorruimte woning. Voor de volledigheid is ook gekeken naar veehouderijen met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.

Binnen een afstand van 500 meter tot de planlocatie zijn nog de volgende veehouderijen aanwezig: 1. Diessenseweg 106 (0 Ou/s vergund d.d. 10-5-2001) 2. Waterstraat 10 (1.353 Ou/s vergund d.d. 4-3-2014) 3. Waterstraat 7 (4.414 Ou/s vergund d.d. 20-6-2006) De bedrijven aan Waterstraat 10 en 7 hebben dieren vergund waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Op basis van de achtergrondbelasting is echter sprake van een goed woon- en leefklimaat, zie onderstaande afbeelding, welke een uitsnede betreft van de achtergrondbelasting berekend door de ODZOB in februari 2021. Gezien de vergunningsdata van bovenstaande veehouderijen én gezien er geen veehouderijen zijn bijgekomen in de omgeving mag worden aangenomen dat de afbeelding een goed beeld van de werkelijkheid weergeeft. Op basis van de achtergrondbelasting is sprake van 0-3 ouE/m³ wat een goed tot zeer goed en daarmee aanvaardbaar woon- en leefklimaat weergeeft. Daarbij zijn er nog burgerwoningen gelegen tussen de planlocatie en de overige veehouderijbedrijven. Hierdoor worden deze veehouderijbedrijven ook eerder gehinderd bij een eventuele ontwikkeling dat door de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning. Gezien de afstand tot de verder gelegen veehouderijen ook ruim meer betreft dan 50 meter tot de ruimte-voor-ruimte woning is ook geen sprake van overschrijding van de voorgrondbelasting.

Pagina 47 van 61

Geurkaart achtergrondbelasting ODZOB Conclusie Het bedrijfsverzamelgebouw dient niet te worden gezien als zijnde een geurgevoelig object. Het vestigen van een bedrijf dat als zodanig is aan te merken is tevens uitgesloten door de planregels. Bij de beoogde ruimte-voor-ruimte woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij worden omliggende veehouderijbedrijven niet beperkt in hun ontwikkeling. Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. De naastgelegen melkveehouderij (Waterstraat 2) heeft geen effect op eventuele endotoxine binnen het plangebied. De aspect geluid en geur ten aanzien van de melkveehouderij zijn beoordeeld in paragraaf 4.9. Een beoordeling ten aanzien van het geluid afkomstig van het bedrijfsverzamelgebouw naar de ruimte-voor-ruimtewoning heeft tevens plaatsgevonden in paragraaf 4.9 waarbij is aangetoond dat redelijkerwijs geen geluidshinder is te verwachten. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland.

Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Pagina 48 van 61

Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden.

De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 250 meter van de planlocatie is geen varkenshouderij of pluimveehouderij gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.

Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (3,2 km) • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (2,7 km) • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (2,9 km) • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (4 km) • Tuldensedijk 7 Esbeek (3,7 km) • Hoekje 9 Diessen (1,4 km) • Esbeeksedijk 4 Diessen (2,8 km) • Frankenstraat 2 Haghorst (2,7 km) Pagina 49 van 61

•

Ontginningsweg 15 Haghorst (4,3 km)

De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij tot het plangebied bedraagt circa 1,4 kilometer (Hoekje 9). Dit is buiten een straal van 250 meter. Overige geitenhouderijen zijn ruim verder dan 2 kilometer van de planlocatie gelegen. Tussen de toe te voegen wooneenheid en de geitenhouderij zijn meerdere woningen gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is op locatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zowel op basis van geur als op endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Het plan ziet er op toe dat een potentiële veehouderij-locatie wordt weggenomen, waardoor eveneens toekomstige nadelige gezondheidseffecten worden weggenomen. Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen.

De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron, buisleiding en/of transportroute. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.

Pagina 50 van 61

Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart.nl

Over de Julianastraat (N395) vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Volgens onderzoek uit 2018 in het kader van het ‘project vervoer gevaarlijke stoffen’ door de OMWB vinden ter hoogte van het plangebied 8 transporten van brandbare gassen (stofgroep GF3) per jaar plaats. Het plangebied ligt binnen 200 meter van deze transportroute. Om die reden moet worden getoetst aan de artikelen 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op basis van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (het HART), zoals hieronder verder gemotiveerd, is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht als bedoeld in artikel 8 van Bevt. Vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (het HART) Routetype: weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur) Toetsing plaatsgebonden risico Vuistregel 1: Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen 10-5 -contour. Vuistregel 2: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6 -contour. Toetsing groepsrisico Toetsing oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Niet van toepassing op het plan, gezien enkel stoffen van GF3 worden vervoerd over de N395/Beekseweg.

Pagina 51 van 61

Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. GF3 bedraagt 8 per jaar. De beoogde uitbreiding van het hoofdgebouw ligt op ca. 100 meter afstand van de N395/Beekseweg. Tabel 1-6 van de HART kent bij de worst-case dichtheid van 1000/ha op 100 meter afstand tot de as van de weg een drempelwaarde van 30. Tien maal de drempelwaarde is daarmee 300. Gezien de GF3 van 8 dus minder dan tien maal de drempelwaarde bedraagt wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Niet van toepassing op het plan, gezien enkel stoffen van GF3 worden vervoerd over de Julianastraat. Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. GF3 bedraagt 8 per jaar. De beoogde ruimte-voor-ruimtewoning ligt op ca. 100 meter afstand van de Beekseweg. Tabel 1-6 van de HART kent bij de worst-case dichtheid van 1000/ha op 1000 meter afstand tot de as van de weg een drempelwaarde van 30.

Gezien de GF3 dus minder bedraagt dan de drempelwaarde wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Tevens voorziet het plan in de realisatie van een nieuwe ruimte-voor-ruimte woning welke als reguliere burgerwoning wordt gebruikt (zelfredzame personen). Hierdoor kan gebruik worden gemaakt van de Standaard Verantwoording Groepsrisico van de gemeente Hilvarenbeek en het bijbehorende standaardadvies van de Veiligheidsregio. Deze documenten zijn als bijlage toegevoegd aan deze onderbouwing. Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.

Pagina 52 van 61

4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11262258/1