11 bp De Wederloop fase 1 (6 bijlage Regels)
Tekst van het document
6.2
Bouwregels
6.2.1
Algemeen
Op de tot 'Natuur' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van doeleinden omschreven in 6.1. 6.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd: a. in de vorm van 'open' erfafscheidingen; en b. met een maximale bouwhoogte 1,25 meter.
6.3
Afwijken van de bouwregels
6.3.1
Voederberging
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.1 en/of 6.2.2 ten behoeve van de bouw of het plaatsen van een voederberging en/of voederruif voor wild en/of voorzieningen ten behoeve van het ecologisch en/of agrarisch natuurbeheer, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen: a. de bouwwerken zijn noodzakelijk voor het beheer en/of de instandhouding van de doeleinden zoals beschreven in 6.1, alsmede het beheer van wild; b. de inhoud van een bouwwerk bedraagt niet meer dan 10 m³; c.
de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,00 meter;
d. de aanwezigheid van bouwwerken schaden de belangen van omliggende functies niet onevenredig; e. de afstand tot omliggende woningen bedraagt niet minder dan 50 meter.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
29
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
6.4
Specifieke gebruiksregels
6.4.1
Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen het (laten) gebruiken van gronden en opstallen voor: a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten, (chemisch) afval en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en/ of opstallen; b. verblijfsrecreatieve doeleinden zoals lig- en/of speelweide, staanplaats voor onderkomens of kamperen; c.
agrarische doeleinden;
d. het aanleggen van drainage; e. het betreden met en beproeven van of racen of crossen met motoren of motorvoertuigen (lawaaisporten); f.
het beproeven en in gebruik hebben van geluidsapparaten en toestellen.
6.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.5.1
Omgevingsvergunningplicht
Het is verboden op en in de in 6.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m² met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' de verplichting tevens geldt bij de aanleg van oppervlakteverhardingen kleiner dan 100 m²; b. aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen; c.
afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
d. diepploegen en diepwoelen van de bodem; e. dempen van poelen, sloten en greppels; f.
vellen of rooien van houtgewas;
g. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven. 6.5.2
Beoordelingscriteria
Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in 6.5.1 alleen indien door de in 6.5.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen van (aanvullende) voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. 6.5.3
Uitzonderingen vergunningplicht
Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 6.5.1 is vereist voor:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
30
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
a. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling en/of realisatie van landschaps- en natuurwaarden, daaronder tevens begrepen landschappelijke inpassingsplannen die onderdeel uitmaken van dit plan, danwel door het bevoegde gezag zijn goedgekeurd; c.
werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling en/of realisatie van een ecologische verbindingszone, mits die werken of werkzaamheden uitvoering geven aan een daartoe opgesteld en door de provincie of het waterschap goedgekeurd ontwikkelingsplan;
d. werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
31
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 7 7.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen, met dien verstande dat per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan; b. een aan huis verbonden beroep; c.
recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig logeren, met dien verstande dat: 1. kleinschalig logeren in de vorm van een bed & breakfast en/of gastenkamers is toegestaan met een slaapvoorziening voor maximaal 3 kamers van maximaal 2 personen per woning; 2. de omvang van het kleinschalig logeren niet meer bedraagt dan 40% van het vloeroppervlak van de woning en bijhorende bijgebouwen, met dien verstande dat het vloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 150 m²; 3. parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden; 4. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner;
d. bescherming,
instandhouding
en
versterking
van
omgevingswaarden
die
de
gebiedsaanduidingen, welke zijn opgenomen in dit plan, beogen te beschermen; e. landschappelijke
inpassing,
tuinen,
erven
en
verhardingen,
daaronder
begrepen
parkeervoorzieningen; f.
ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' tevens voor ontsluiting van het bouwperceel;
g. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; een en ander met bijbehorende voorzieningen.
7.2
Bouwregels
7.2.1
Toegestane bebouwing
Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming en het daarin toegelaten en/of toelaatbare gebruik. 7.2.2
Bouwvlak
Woningen dienen binnen de aanduiding 'bouwvlak' te worden gerealiseerd. 7.2.3
Woning
Voor woningen gelden de volgende bepalingen: a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 6,00 meter; b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10,00 meter; c.
de inhoud van de woning, inclusief aangebouwde bijgebouwen, bedraagt niet meer dan 750 m³;
d. de dakhelling bedraagt niet minder dan 30° en niet meer dan 60°; e. de afstand van een woning en aangebouwde bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt niet minder dan 5,00 meter; f.
de afstand van een woning bedraagt minimaal 15 m tot de as van de weg;
g. kelders zijn uitsluitend onder de woning toegestaan. Het ten
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
32
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
7.2.4
(Vrijstaande) bijgebouwen bij woning
Voor (vrijstaande) bijgebouwen bij een woning gelden de volgende bepalingen: a. Indien en voor zover binnen een bestemmingsvlak de aanduiding 'bijgebouwen' is opgenomen, dan zijn bijgebouwen binnen dat bestemmingsvlak uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding 'bijgebouwen'; b. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte aan (vrijstaande) bijgebouwen bedraagt niet meer dan 100 m²; c.
de (vrijstaande) bijgebouwen moeten achter de (fictieve) voorgevelrooilijn van de woning gesitueerd worden dan wel binnen de aanduiding 'bijgebouwen';
d. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,50 meter; e. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6,00 meter; f.
de dakhelling bedraagt minimaal 30° en maximaal 60°;
g. in afwijking van het bepaald in b, d, en f gelden ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' de volgende afwijkende regels voor (vrijstaande) bijgebouwen: 1. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte aan (vrijstaande) bijgebouwen bedraagt niet meer dan de in deze aanduiding aangegeven oppervlakte; 2. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4,50 meter; 3. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 8,00 meter; 4. de dakhelling bedraagt minimaal 20º en maximaal 60º. 7.2.5
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van een erfafscheiding bedraagt niet meer dan: 1. 1,00 meter vóór de voorgevelrooilijn; 2. 2,00 meter achter de voorgevelrooilijn; b. in afwijking van a. geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding erfafscheiding' de navolgende maatvoering: 1. 2,00 meter; c.
de bouwhoogte van een vrijstaande antennemast bedraagt niet meer dan 18 meter;
d. de bouwhoogte van een licht- en andere masten bedraagt niet meer dan 8,00 meter. 7.2.6
Bestaande maatvoering
In afwijking van het voorgaande geldt voor bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, het volgende: a. indien en voorzover de bestaande maatvoering en/of oppervlaktes en/of situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de genoemde maxima, danwel minima overschrijden, geldt de bestaande maatvoering als maximum respectievelijk minimum.
7.3
Specifieke gebruiksregels
7.3.1
Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen het (laten) gebruiken van gronden en/of opstallen voor:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
33
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten, (chemisch) afval en mest; b. de opslag van gevaarlijke stoffen die een 10-6 risicocontour hebben die de aanduiding 'bouwvlak' overschrijdt; c.
(zelfstandige) detailhandel;
d. bedrijfsmatige activiteiten binnen de woning en /of bijgebouwen bij de woning, anders dan expliciet in deze regels toegestaan; e. Het als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte gebruiken van (vrijstaande) bijgebouwen; f.
verblijfsrecreatieve doeleinden, zoals staanplaatsen voor onderkomens of kamperen, anders dan expliciet in deze regels toegestaan.
7.3.2
Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels; b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt mits binnen een termijn van één jaar na het inwerkingtreding van dit bestemmingsplan de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels, is aangelegd. c.
De landschappelijke inpassing dient duurzaam in stand te worden gehouden.
7.4
Afwijken van de gebruiksregels
7.4.1
Mantelzorg in afhankelijke woonruimte
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.3.1 sub e voor het gebruik van een bijgebouw behorende bij een (bedrijfs-)woning als afhankelijke woonruimte, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen: a. er is aangetoond dat er sprake is van een zorgbehoefte, bijvoorbeeld uit een zorgindicatie of verklaring van een arts; b. het gebruik blijft beperkt tot de in de bouwregels genoemde bouwmogelijkheden voor bijgebouwen, met een maximale oppervlakte van 80 m²; c.
In de omgevingsvergunning voor afwijken wordt opgenomen dat: 1. indien de mantelzorgsituatie is beëindigd het bevoegd gezag ambtshalve tot intrekking van de verleende omgevingsvergunning overgaat; 2. binnen één maand na beëindiging van het gebruik van het (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg de zorgverlener en/of de zorgontvanger hiervan schriftelijk melding moet maken;
d. de activiteit leidt niet tot onevenredige aantasting van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven en (omliggende) omgevingswaarden die het plan en aangrenzende bestemmingsplannen beogen te beschermen; e. de ontsluiting vindt plaats via de hoofdontsluiting van het perceel; f.
parkeren moet op het eigen erf plaatsvinden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
34
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
g. de aanvraag omgevingsvergunning voor afwijking gaat vergezeld van een landschappelijk inpassingsplan, door het college van B&W goed te keuren, welke als voorwaardelijke bepaling wordt opgenomen in de omgevingsvergunning en borgt dat: 1. tenminste 10% van de omvang van het bouwvlak is of wordt aangewend voor de landschappelijke inpassing; 2. binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 3. de landschappelijke inpassing voor onbepaalde tijd in stand wordt gehouden. 7.4.2
Aan huis verbonden bedrijf
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in 7.3.1, sub d teneinde een aan huis verbonden bedrijf toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende bepalingen: a. het ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf in gebruik te nemen vloeroppervlak mag niet meer bedragen dan 25% van het vloeroppervlak van de (bedrijfs-)woning en/of vindt plaats binnen het maximaal toelaatbare oppervlak van bijgebouwen bij (bedrijfs-)woning; b. het aan huis verbonden bedrijf mag uitsluitend een bedrijfsactiviteit zijn uit de milieucategorie 1 of 2 op de lijst bedrijven en milieuzonering van de VNG opgenomen bedrijfsactiviteiten of een daarmee gelijk te stellen activiteit; c.
de activiteit leidt niet tot onevenredige aantasting van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
d. de activiteit leidt niet tot een onevenredige aantasting van de (omliggende) omgevingswaarden die het plan en aangrenzende bestemmingsplannen beogen te beschermen; e. de ontsluiting vindt plaats via de hoofdontsluiting van het perceel; f.
parkeren moet binnen het eigen bouwperceel plaatsvinden;
g. de aanvraag omgevingsvergunning voor afwijking gaat vergezeld van een landschappelijk inpassingsplan, door het college van B&W goed te keuren, welke als voorwaardelijke bepaling wordt opgenomen in de omgevingsvergunning en borgt dat: 1. tenminste 10% van de omvang van het bouwvlak is of wordt aangewend voor de landschappelijke inpassing; 2. binnen een jaar na realisatie van de bebouwing sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 3. de landschappelijke inpassing voor onbepaalde tijd in stand wordt gehouden.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
35
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de hoge verwachtingswaarde en hoge verwachtingswaarde vanwege vindplaats jager/verzamelaars in bestaand natuurgebied.
8.2
Bouwregels
8.2.1
Algemeen
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen eisen burgemeester en wethouders uitsluitend voor gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en vergroting van bestaande gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij ter realisering bodemroerende werkzaamheden noodzakelijk zijn, die: a. een totale oppervlakte hebben groter dan 500 m², en b. waarvoor grond op een diepte van 0,5 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd, of c.
waarvoor grond ter plaatse van de bestemming 'Natuur' op een diepte van 0,1 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd,
dat alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. 8.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning
Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
8.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1
Omgevingsvergunning
Het is verboden op en in de in 8.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
36
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat: 1. het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 50 cm; of 2. ter plaatse van de bestemming 'Natuur' dieper dan 10 cm onder maaiveld; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c.
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 1. dieper dan 50 cm onder maaiveld; of 2. ter plaatse van de bestemming 'Natuur' dieper dan 10 cm onder maaiveld;
d. het verlagen van de grondwaterstand over een oppervlakte van 500 m² of meer. 8.3.2
Uitzonderingen
Het verbod, zoals bedoeld in 8.3.1 is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte; b. het gaat om het vervangen van bestaande drainages op dezelfde plaats en op maximaal dezelfde diepte; c.
op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
d. de werken en werkzaamheden: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; 3. worden uitgevoerd ten behoeve van uitvoering van de voorwaardelijke verplichtingen voor sloop of aanleg van landschappelijke inpassing; e. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht. 8.3.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
37
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 9 9.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende
bestemmingen,
mede
bestemd
voor
de
bescherming
van
de
middelhoge
verwachtingswaarde en hoge verwachtingswaarde vanwege vindplaats jager/verzamelaars buiten natuurgebieden.
9.2
Bouwregels
9.2.1
Algemeen
In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen eisen burgemeester en wethouders uitsluitend voor gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en vergroting van bestaande gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij ter realisering bodemroerende werkzaamheden noodzakelijk zijn, die: a. een totale oppervlakte hebben groter dan 2.500 m², en b. waarvoor grond op een diepte van 0,5 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd, of c.
waarvoor grond ter plaatse van de bestemming 'Natuur' op een diepte van 0,1 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd,
dat alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. 9.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning
Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen of; c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
9.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1
Omgevingsvergunning
Het is verboden op en in de in 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
38
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat: 1. het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm; of 2. ter plaatse van de bestemming 'Natuur' dieper dan 10 cm onder maaiveld; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c.
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur: 1. dieper dan 50 cm onder maaiveld; of 2. ter plaatse van de bestemming 'Natuur' dieper dan 10 cm onder maaiveld;
d. het verlagen van de grondwaterstand over een oppervlakte van 2.500 m² of meer. 9.3.2
Uitzonderingen
Het verbod, zoals bedoeld in 9.3.1 is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte; b. het gaat om het vervangen van bestaande drainages op dezelfde plaats en op maximaal dezelfde diepte; c.
op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
d. de werken en werkzaamheden: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; 3. worden uitgevoerd ten behoeve van uitvoering van de voorwaardelijke verplichtingen voor sloop en de aanleg en instandhouding van landschappelijke inpassing en natuur e. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht. 9.3.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
39
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 10 Waarde - Archeologie 3 10.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van bekende archeologische waarden en archeologische vindplaats.
10.2
Bouwregels
10.2.1 Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen eisen burgemeester en wethouders uitsluitend voor gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en vergroting van bestaande gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij ter realisering bodemroerende werkzaamheden noodzakelijk zijn, die: a. een totale oppervlakte hebben groter dan 100 m², en b. waarvoor grond op een diepte van 0,5 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd, of c.
waarvoor grond ter plaatse van de bestemming 'Natuur' op een diepte van 0,1 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd,
dat alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. 10.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen of; c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
10.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.3.1 Omgevingsvergunning Het is verboden op en in de in 10.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
40
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat: 1. het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm; of 2. ter plaatse van de bestemming 'Natuur' het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 10 cm onder maaiveld; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c.
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur: 1. dieper dan 50 cm onder maaiveld; of 2. ter plaatse van de bestemming 'Natuur' dieper dan 10 cm onder maaiveld;
d. het verlagen van de grondwaterstand over een oppervlakte van 100 m² of meer. 10.3.2 Uitzonderingen Het verbod, zoals bedoeld in 10.3.1 is niet van toepassing, indien: a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte; b. het gaat om het vervangen van bestaande drainages op dezelfde plaats en op maximaal dezelfde diepte; c.
op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
d. de werken en werkzaamheden: 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; e. de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht. 10.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Indien uit dit archeologisch rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c.
de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
41
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
HOOFDSTUK 3
ALGEMENE REGELS
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
42
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 12 Algemene gebruiksregels Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt onder gebruik strijdig met het plan in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen: a. ten behoeve van het boren naar gas.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
43
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels 13.1
Overige zone - attentiegebied ehs
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - attentiegebied ehs' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur(waarden).
13.2
Overige zone - ecologische verbindingszone
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – ecologische verbindingszone' zijn de gronden tevens aangewezen voor de versterking en instandhouding van waarden teneinde de toekomstige te realiseren ecologische verbindingszones, niet onmogelijk te maken.
13.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.3.1 Omgevingsvergunningplicht Het is verboden op en in de in 13.1 en 13.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor wat betreft de in de navolgende tabel opgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden:
Aanduidingen/ activiteiten
a
b
c
d
e
f
g
h
i
j
k
overige zone - ecologische verbindingszone
+
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
overige zone - attentiegebied ehs
+
+
-
+
+
+
+
+
-
-
-
Binnen de gebiedsaanduiding
+ omgevingsvergunning vereist - toegestaan zonder omgevingsvergunning
a. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m² b. het aanleggen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; c.
aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;
d. afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; e. diepploegen en diepwoelen van de bodem; f.
dempen van poelen, sloten en greppels;
g. aanleggen van drainage; h. verlagen van de waterstand door de aanleg van beregeningsinstallaties; i.
beplanten van gronden met houtgewas hoger dan 1,3 meter;
j.
het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
44
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
13.3.2 Beoordelingscriteria Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning als bedoeld in 13.3.1 alleen indien door de in 13.3.1 genoemde werken of werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. 13.3.3 Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in 13.3.1 is vereist voor: a. werken of werkzaamheden behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; b. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden, daaronder tevens begrepen landschappelijke inpassingsplannen die onderdeel uitmaken van dit plan, danwel door het bevoegde gezag zijn goedgekeurd; c.
werken of werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning;
d. werken en werkzaamheden die uitgevoerd worden binnen het bouwvlak.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
45
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels 14.1
Omgevingsvergunning kleine windmolens
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de bestemmingsregels ten behoeve van het oprichten van een windmolen, geen gebouw zijnde, onder de volgende voorwaarden: a. per bouwvlak zijn uitsluitend windmolens toegestaan, gericht op individueel gebruik en de eigen stroomvoorziening; b. de afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 100 meter; c.
de hoogte van de windmolen mag niet meer bedragen dan 15 meter;
d. de windmolens mogen niet worden gerealiseerd binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming 'Bos' of 'Natuur'; e. de belangen van derden en de in het gebied aanwezige omgevingswaarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
14.2
Wijziging erfinrichtingsplan voor landschappelijke inpassing
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels bij de diverse enkelbestemmingen door af te wijken van de vereiste landschappelijke inpassing, zoals bepaald in een landschappelijk inpassingsplan (danwel erfinrichtingsplan) dat onderdeel is van de planregels (bijlage bij de regels) of een verleende omgevingsvergunning, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. uit een door burgemeester en wethouders goed te keuren (erf)inrichtingsplan blijkt dat het landschappelijke inpassingsplan voor wat betreft omvang en kwaliteit tenminste gelijkwaardig is aan het inpassingsplan dat als bijlage bij deze regels is gevoegd; b. aan de uitvoering van het aangepaste landschappelijke inpassingsplan worden dezelfde termijnen en uitvoeringsverplichtingen gesteld, overeenkomstig zoals gesteld aan het inpassingsplan dat als bijlage bij deze regels is gevoegd.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
46
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 15 Overige regels 15.1
Parkeren
Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels of wordt voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende regels: a. in het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid; b. in het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid; c.
voor het bepalen van de, op moment van aanvraag van de omgevingsvergunning, geldende benodigde parkeer- en stallingsgelegenheid dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernota;
d. de parkeer- en stallingsvoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen voor onbepaalde tijd in stand te worden gehouden.
15.2
Laden en Lossen
Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in voldoende mate in deze behoefte zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel, overeenkomstig met de, op moment van aanvraag van de omgevingsvergunning, geldende gemeentelijke parkeernota.
15.3
Afwijken van de parkeerregels
Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in 15.1 en 15.2 ten behoeve van een gebruiksverandering, dan wel de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen, voor zover in voldoende mate op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien, met dien verstande dat: a. Geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. geen onaanvaardbare situatie ontstaat met betrekking tot milieu hygiënische kwaliteit, waterhuishouding en externe veiligheid; c.
geen nadelige beïnvloeding ontstaat van de normale afwikkeling van het verkeer en de feitelijke verkeerssituatie.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
47
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
HOOFDSTUK 4
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 16 Overgangsrecht 16.1
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c.
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c.
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
48
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Artikel 17 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'De Wederloop Fase 1'.
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
49
De Wederloop fase 1’ - Regels‘
Bijlage 1 Bijlage 2
Structuurvisie Buitengebied Landschappelijk inpassingsplan
ONTWERP Crijns Rentmeesters bv
50