11 bp Biestsestraat 118 (5 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Zoals in paragraaf 4.3 reeds uitgebreid uiteengezet heeft onderhavige ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. 4.2 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
22
4.2.1
Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Interim omgevingsverordening. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: • • •
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding;
Zoals weergegeven in afbeelding 9 heeft het plangebied op kaart 5 (Instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging) van de Iov geen specifieke aanduidingen toegekend gekregen.
Afbeelding 9: Uitsnede kaart Iov water
De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: • voldoende water voor mens, plan en dier; • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; • verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
23
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 10 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen.
Afbeelding 10: uitsnede kaart PMWP
Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterschap de Dommel hanteert verschillende beleidsstukken bestaande uit onder andere het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Keur 2015 en de legger waterstaatswerken 2021. Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap de Dommel Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Er worden drie principes gehanteerd die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ▪ Wat schoon is moet schoon blijven Het waterschap moet zich, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan worden er oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt wordt. Hierbij wordt door het waterschap een omschakeling gemaakt; ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
24
▪
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden zoals waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de Keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.
Legger waterstaatswerken 2021 Het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel heeft op 30 november 2021 de legger waterstaatswerken 2021 vastgesteld. Ook heeft het dagelijks bestuur besloten de leggers oppervlaktewaterlichamen 2018, waterberging 2019 en waterkeringen 2020 in te trekken. Het waterschap heeft ervoor gekozen de drie bestaande leggerbesluiten samen te voegen. Dit is gedaan met het oog op de nieuwe waterschapsverordening en het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De samenvoeging is beleidsneutraal met een vernieuwing van de bestaande drie leggers. Waterschap De Dommel neemt in de legger alle waterstaatswerken op die van belang zijn voor het functioneren van het watersysteem in het beheergebied van de Dommel. Er zijn vele soorten waterstaatswerken, die onderverdeeld zijn in vier categorieën, te weten: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen of ondersteunende kunstwerken. De legger vormt daarmee een uitstekend hulpmiddel bij de toetsing welke regels van de Keur op en nabij waterstaatswerken van toepassing zijn. De gemeente Hilvarenbeek heeft een eigen hemel- en grondwaterbeleid, dit is verankerd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP).
Naast een beschrijving hoe wordt omgegaan met het stedelijk waterbeheer (riolering, behandeling afvalwater) wordt er in dit plan ook aandacht gegeven aan de klimaatdoelstellingen met betrekking tot het vasthouden en bufferen van water maar ook het voorkomen van wateroverlast. Dit beleid is als bijlage bij het VGRP opgenomen en dient te worden betrokken bij de uitwerking van ruimtelijke plannen.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Het bedrijfsafvalwater is afkomstig van de hygienesluis, kantine en wasvoorzieningen in de stallen. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd op omliggende gronden/watergangen. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het perceel vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelssloten.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
25
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen het plangebied. Middels de Keur van Waterschap de Dommel, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. In afwijking hiervan is in het gemeentelijk beleid opgenomen dat iedere nieuwe ontwikkeling moet zorgen voor het afkoppelen van het hemelwater. In de beoogde situatie is er sprake van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater welke net als in de huidige situatie worden geloosd op het gemeentelijk riool. Dit betreft het afvalwater van de woning, recreatieverblijven en mogelijk een keukenblok in de opslagunits. Per saldo zal er niet meer afvalwater worden geloosd als in de huidige situatie. In de beoogde situatie is er sprake van herbouw van bebouwing met een oppervlakte van maximaal 1950 m2. Omdat volgens het gemeentelijk beleid ook bij herbouw rekening dient te worden gehouden met het afkoppelen van het hemelwater zal een voorziening worden aangelegd om het hemelwater om eigen terrein op te vangen en te laten infiltreren in de bodem.
Conform de rekenregel uit de Keur dient er bij een oppervlakte van 1950 m2 een voorziening te worden aangelegd van: Benodigde compensatie (in m3) = 1950 x 0,5 x 0,06 Hieruit volgt dat er retentievoorziening dient te worden aangelegd van minimaal 58,5 m3. Om te verzekeren dat het hemelwater kan infiltreren in de bodem en voldoende berging te garanderen dient de voorziening boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand aangelegd te worden. Bij een gemiddelde grondwaterstand van 60 cm-mv is er over een oppervlakte van ca 100m2 een bergingsvoorziening nodig. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
26
Natuur Netwerk Brabant (NNB)
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de Iov gelden voor het plangebied geen specifieke aanduidingen.
Afbeelding 11: uitsnede kaart natuur Iov
4.3.2
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming
Gebiedsbescherming
De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West. Dit Natura-2000 gebied is gelegen op een afstand van circa 2,3 kilometer van het plangebied. Gelet op deze grote afstand zijn alleen effecten van verzuring en vermestig door stikstof mogelijk. Dit wordt in onderstaande alinea verder uitgewerkt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
27
met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Er dient dan ook een passende beoordeling te worden opgesteld. Gelet op de grote afstand en de grote afname van ammoniakemissie door beëindiging van de intensieve veehouderij, zijn geen negatieve effecten te verwachten ten aanzien van het beschermde gebied. In de beoogde situatie zijn de belangrijkste bronnen van emissie de vervoersbewegingen en de paarden die worden gehouden voor de kleinschalige paardenhouderij. In het kader van de SRV-regeling is beschreven dat maximaal 15% van de ammoniakemissie mag worden gebruikt voor de vervolgactiviteit. Hier wordt met de beoogde ontwikkeling aan voldaan. Doordat er dus sprake is van een minimale afname van 85% van de huidige emissie kan met zekerheid worden gesteld dat er een negatieve effecten optreden voor wat betreft stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Voor de volledigheid is een berekening gemaakt met als referentie 15% van de vergunde emissie.
Deze is vergeleken met de beoogde bedrijfssituatie waarbij als worst-case-benadering een veelvoud van het beoogde aantal te houden paarden zijn opgenomen. Zelfs met deze lagere emissie in de uitgangssituatie zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor een toename van stikstofdepositie. Tevens is er sprake van emissie tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden. Omdat er tijdens deze fase geen dieren worden gehouden is er geen sprake van andere emissies dan van de bouwmachines. Voor de volledigheid is ook een berekening gemaakt van deze fase. Hieruit blijkt ook dat deze fase niet zorgt voor een toename van stikstofdepositie. Beide berekeningen zijn als bijlage toegevoegd aan deze toelichting.
Bescherming van soorten
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Biestsestraat 118, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen stallen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
28
worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Voor de beoogde ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd door BrabantEco. Deze quickscan is als bijlage toegevoegd. Geconcludeerd wordt dat er geen beschermde flora en fauna aanwezig is en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht om soorten te beschermen. Op basis van dit gegeven kan geconcludeerd worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de provinciale Iov blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. In het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van de woning een dubbelbestemming ‘WaardeCultuurhistorie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming heeft enkel betrekking op het woonhuis aan de Biestsestraat 118 en deze zal in de beoogde situatie behouden blijven. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 12: Uitsnede kaart cultuurhistorie Iov
4.4.2
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het vigerende bestemmingsplan zijn voor het plangebied een dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’ opgenomen. ‘Waarde – Archeologie 1’ Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld ‘Waarde – Archeologie 2’ Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
29
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2500 m2 en diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Met de ontwikkeling worden de bestaande stallen (met mestkelders) gesaneerd en wordt er nieuwe bebouwing gerealiseerd met een totale oppervlakte van 1950 m2. Doordat de bebouwing wordt gerealiseerd ter plaatse van de huidige bebouwing en de bestaande bebouwing al gezorgd heeft voor diepe grondverstoringen (door de aanwezigheid van mestkelders) is de aanwezigheid van archeologische waarden tot de nieuwe bouwdiepte niet te verwachten. Eventuele waarden in de gronden onder de bestaande putten zal in situ blijven behouden omdat de nieuwe bebouwing niet dieper gaat. Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen invloed heeft op de voorgenomen ontwikkeling. 4.5 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen. Ter plaatse van woningen in de omgeving dient voldaan te worden aan richtafstanden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer.
- Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in een omgeving die aangemerkt kan worden als ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt namelijk gekenmerkt door de aanwezigheid van verschillende functies, zoals in dit geval agrarische bedrijven en woonbestemmingen. Onderhavig initiatief betreft het beëindigen van een intensieve veehouderij en de daarbij horende sloop van agrarische bebouwing. Hiervoor in de plaats wordt bebouwing gerealiseerd ten behoeve van verhuur van opslag- en bedrijfsruimte en een kleinschalige paardenhouderij. Tevens is er ruimte (max 150m2) voor 2 logiesverblijven. Woon- en leefklimaat Voor een bedrijf dat voorziet in de verhuur van opslag- en bedrijfsruimten aan derden (SBI-code 52109) met ten hoogste milieucategorie 2 (of vergelijkbaar), gelegen in een gemengd gebied, geldt een richtafstand van 10 meter. De dichtstbij gelegen woning van derden (Biestsestraat 117) is gelegen op een afstand van circa 50 meter van het beoogde bedrijfsverzamelgebouw.
Het bestemmingsvlak voor Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
30
de beoogde bedrijfsvoering is op ca 40 meter vanaf de woning gelegen. Hierdoor is met zekerheid te stellen dat binnen 10 meter van deze woning geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. De maximale milieucategorie zal ook worden vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan Voor de kleinschalige paardenhouderij is in de handreiking een richtafstand opgenomen van 30 meter in gemengd gebied. Het aspect wat deze afstand veroorzaakt is geur, hiervoor zijn in de Wet geurhinder en veehouderij specifieke afstanden opgenomen. Deze afstand bedraagt bij een paardenhouderij op deze locatie minimaal 50 meter tot woningen van derden. Het paardenverblijf zal bij oprichting moeten voldoen aan deze afstand zodat deze altijd op een afstand van minimaal 50 meter wordt gesitueerd. Hierdoor is het niet mogelijk om binnen 50 meter van de woningen in de omgeving een paardenverblijf te realiseren, om deze reden wordt altijd gedaan aan de richtafstand. De logiesfunctie is een nevenactiviteit van het bedrijf. Omdat deze ondergeschikt is en een beperkte milieu-impact heeft kan worden gesteld dat hiervoor geen hinder wordt verwacht ter plaatse van de objecten in de omgeving.
De aspecten geur, luchtkwaliteit en geluid (industrielawaai) worden ook in de volgende hoofdstukken nader toegelicht 4.6 Geur veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2. Is ter plaatse van de planlocatie een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Met de beoogde ontwikkeling wordt een varkenshouderij gesaneerd en wordt een niet-agrarisch bedrijf en kleinschalige paardenhouderij opgericht. Met de ontwikkeling blijft de bestaande bedrijfswoning behouden en worden bedrijfsgebouwen gerealiseerd voor de nieuwe functies. De toetsing van geur van de paardenhouderij naar de omgeving is reeds opgenomen in paragraaf 4.5.
4.6.1
Beperking ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen
4.6.2
Woon- en leefklimaat
In de beoogde situatie wordt op de locatie een opslagbedrijf met kleinschalige paardenhouderij gevestigd. Daarnaast worden er als nevenactiviteit voorzieningen voor kleinschalig logeren gerealiseerd. Omdat er in de huidige situatie sprake is van een veehouderij en de mogelijke geurgevoelige objecten (recreatieobjecten en eventueel bedrijfsverzamelgebouw) worden gerealiseerd bij een (kleinschalige) paardenhouderij, kunnen deze objecten worden beschouwd als objecten behorende bij een veehouderij volgens de Wet geurhinder en veehouderij (paardenhouderij is in het kader van de Wgv ook een veehouderij). Bij bedrijfsontwikkeling van veehouderijen in de omgeving moeten deze bedrijven voor deze objecten toetsen aan vaste afstanden in plaats van aan de geurnormen. Deze afstand dient dan minimaal 50 meter tot het dierenverblijf te zijn. In de regels van het bestemmingsplan zal worden opgenomen dat permanent, of daarmee vergelijkbaar, verblijf in de recreatiewoningen of bedrijfsbebouwing niet is toegelaten. Hiermee worden er geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt waardoor omliggende bedrijven niet verder in kun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. Voor iedere nieuwe ontwikkeling dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied en in de omgeving.
Door beëindiging van de varkenshouderij zal het woon- en leefklimaat verbeteren doordat er geen sprake meer is van geuremissie vanuit de varkenshouderij. De ontwikkeling zorgt dus voor een verbetering waardoor altijd sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur van veehouderijen.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
31
4.7 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Met de ontwikkeling worden er geen nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige objecten opgericht. Aangenomen mag worden dat ter plaatse van de bestaande woning geen sprake is van enige hinder vanuit de omgeving. Door de functieverandering is er sprake van een verwachtte afname van geluidsuitstraling (vergeleken met de intensieve veehouderij). Het aantal vervoersbewegingen is lager en ook zijn er in de beoogde situatie geen ventilatoren aanwezig op de bedrijfsgebouwen. Voor de nieuwe bedrijfsvoering is in het kader van de Bedrijven en milieuzonering reeds getoetst aan de geldende richtafstanden. Deze richtafstanden zijn onder andere ook gebaseerd op het aspect geluid. Zoals opgenomen in paragraaf 4.5 voldoet de beoogde bedrijfsvoering ruimschoots aan deze richtafstanden waardoor geen hinder te verwachten is. 4.8 Gezondheid In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofrapport VGO). Op 16 juni 2017 is een tweede VGO-rapport gepubliceerd (aanvullende studies).
Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Uitgesloten is dat Q-koorts de oorzaak is. Het gevolg is dat het nemen van bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. In de nabijheid (binnen 1,5 – 2 km) van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. In de huidige situatie wordt in het plangebied ook al gewoond door de initiatiefnemer. Dit geschiedt nu in een bedrijfswoning en in de beoogde situatie wordt het plangebied herbestemd van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’ waardoor de initiatiefnemer nog steeds in een bedrijfswoning zal wonen. Wel worden er twee verblijfsrecreatieve voorzieningen gerealiseerd. Omdat er geen sprake is van geitenhouderijen in de omgeving wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen van toepassing zijn op het gebied van geitenhouderijen in de omgeving van het plangebied.
In de omgeving van het bedrijf zijn wel enkele andere veehouderijen aanwezig. Deze bedrijven hebben mogelijk een effect op de volksgezondheid van omwonenden (zowel positief als negatief, volgens de diverse onderzoeken). Omdat er met de ontwikkeling geen nieuwe gevoelige objecten worden gerealiseerd (zie 4.6.1) is er geen sprake van langdurig verblijf van personen binnen het plangebied. Bezoekers/recreanten zijn maar tijdelijk aanwezig en de beperkte negatieve invloed van de omliggende bedrijven op de volksgezondheid is hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen significante negatieve effecten zullen optreden voor de bezoekers. Daarnaast maken de recreanten een bewuste keuze om in een landelijke omgeving tijdelijk te verblijven. Enig mogelijk risico wordt hiermee geaccepteerd. 4.9 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
32
Afbeelding 13: uitsnede GCN-kaart fijnstof (PM10)
Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart stikstofdioxide
In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatse van het plangebied. Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en Stikstofdioxide (NO2) dermate laag binnen de gemeente Hilvarenbeek dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de GCN-kaarten van het RIVM, zie bovenstaande afbeeldingen. Zo is de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied 18,12 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 14,68 μg/m3 waar de norm eveneens 40 μg/m3 bedraagt. De verkeersaantrekkende werking van de nieuwe ontwikkeling is bepalend voor de luchtkwaliteit ter plaatse. In paragraaf 4.12 van dit bestemmingsplan is het aspect verkeer beschreven. Hieruit volgt dat in de beoogde situatie de logiesfunctie een verkeersaantrekkende werking heeft van 4 voertuigbewegingen gemiddeld per dag en de verhuur van opslagruimte 10 voertuigbewegingen per dag waarvan 2 ten behoeve van vrachtverkeer. Daar tegenover staat dat er een afname van verkeersbewegingen zal zijn ten aanzien van de te beëindigen intensieve veehouderij.
In onderstaande tabel is de verkeersaantrekkende werking als worst-case-situatie (20 voertuigen per dag waarvan 20% vrachtverkeer) in de NIBM-tool opgenomen om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierbij dient ook te worden opgemerkt dat Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
33
niet is gerekend met de toename van vervoersbewegingen maar met de totale verkeersaantrekkende werking (worst-case) in de beoogde situatie. De bijdrage van het verkeer voldoet ruimschoots aan de grens voor NIBM, zelfs bij een vertienvoudiging van de verkeersbewegingen wordt nog ruimschoots aan de NIBM-grenswaarde voldaan (van 1,2 μg/m3). Tabel 1: NIBM-tool
Uit deze paragraaf is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is en dat de ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Zelfs bij een vertienvoudigigin van het aantal vervoersbewegingen zal er sprake zijn van een NIBM-bijdrage aan de luchtkwaliteit. Ook dient te worden opgemerkt dat door de beoogde ontwikkeling de emissie van PM10 afnemen doordat de intensieve veehouderij wordt beëindigd. 4.10 Bodemkwaliteit In het kader van de Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij bouwwerkzaamheden of functiewijzigingen rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 dien te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De planontwikkeling betreft een situatie waarbij in het verleden binnen de bedrijfsvoering gebruik is gemaakt van reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten. Hierdoor is het bodembedreigende risico ter plaatse verwaarloosbaar en zijn er toekomstig geen negatieve effecten te verwachten. Met de sloop van de bebouwing dienen de gronden ‘schoon’ te worden opgeleverd. Dit betekent dat er dan geen verontreinigingen aanwezig zullen zijn in de bodem.
Omdat de nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd ter plaatse van de bestaande stallen kan aangenomen worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. In de toekomstige bedrijfssituatie vinden er naar verwachting geen bodembedreigende activiteiten plaats. Daarnaast zullen te allen tijde de regels uit het activiteitenbesluit worden nageleefd. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
34
4.11.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor Biestsestraat 118 kunnen zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen zoals vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
4.11.2 Toetsing aan beleid
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Aangezien het plangebied niet is gelegen binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
35
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling is gelegen buiten de invloedsfeer van spoorwegen. Wel ligt de locatie binnen het invloedsgebied van snelweg A58 vanwege het toxisch scenario. De afstand van het plangebied tot de snelweg A58 bedraagt 2,4 kilometer. Gelet op deze grote afstand kan worden volstaan met de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Omdat de locatie op grote afstand ligt en niet in de overheersende windrichting kan worden geconcludeerd dat, bij incidenten op de snelweg, voldoende tijd is om een veilig heenkomen te zoeken. Daarnaast is er sprake van een bestaande woning, waar dus niets aan veranderd, het toevoegen van bedrijfsgebouwen (waar in hoofdzaak alleen overdag personen aanwezig zijn) en toevoegen van recreatieverblijven (waar bezoekers enkel kortstondig verblijven/overnachten). Gelet hierop is voldoende aannemelijk gemaakt dat het risico zeer beperkt is. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Ten zuiden van het plangebied is op een afstand van circa 180 meter een buisleiding gelegen (Gasunie) zie afbeelding 16. De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten de PR-contour (5 meter) van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied (1%-letaliteitsgrens) van de gasleiding, deze bedraagt namelijk 490 meter. De ontwikkeling ziet op het herbestemmen van een bestaande locatie.
Met de ontwikkeling is er geen sprake van het toevoegen van woningen. De bedrijfsgebouwen komen zelfs verder weg te liggen dan in de huidige situatie. Hiermee zal er geen sprake zijn van een verslechtering van bescherming in het kader van externe veiligheid. Enkel de toevoeging van de recreatieobjecten kan worden beschouwd als het toevoegen van een beperkt kwetsbaar object. Gelet op het feit dat er geen sprake is van permanente bewoning, het voldoende zelfredzaam zijn van de bezoekers wordt het risico acceptabel geacht.
Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart, plangebied blauw omcirkeld
Conclusie
Gezien het voorgaande kan er gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief in het kader van externe veiligheid. 4.12 Verkeer en parkeren Er dient binnen het plangebied een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer plaats te vinden, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Voor wat betreft de ontsluitingssituatie van het plangebied vinden er geen wijzigingen plaats ten opzichte van de bestaande situatie. Het perceel aan de Biestsestraat 118 wordt middels een inrit ontsloten op de Biestsestraat. Hierna kan men zowel in noordelijke als in zuidelijke richting de weg vervolgen. In de beoogde situatie blijft dit onveranderd en hierdoor zal de woning van de initiatiefnemer evenals de loods en de logiesverblijven middels dezelfde inrit ontsloten worden.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
36
Verkeer Om de verkeersgeneratie te berekenen is gebruik gemaakt van de verkeerskencijfers van het CROW. Het CROW kenmerkt verschillende categorieën om de parkeerkencijfers en de verkeersgeneratie te berekenen. De beoogde planontwikkeling (bedrijfsverzamelgebouw) is niet opgenomen in deze categorieën. De categorie welke het meest aansluit bij de planontwikkeling is ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief (loods, opslag, transportbedrijf). In deze categorie wordt voor het buitengebied een verkeersgeneratie gehanteerd van 3,9 per 100 m 2. In onderhavige situatie (1200 m2) zou dit een verkeersgeneratie van 47 voertuigbewegingen per dag betekenen. Dit is in onderhavige situatie echter niet reëel. Zo wordt er ook bedrijfsruimte gebruikt ten behoeve van opslag van materieel voor zzp’ers (zoals de zoon van de initiatiefnemer). Zij zullen niet iedere dag de loods bezoeken. Realistischer is om ervan uit te gaan dat (uitgaande van 8 huurders) iedere huurder om de dag een keer de loods zal bezoeken voor het ophalen of stallen van materieel. Het gaat dan om 8 voertuigbewegingen per dag (4 huurders, op en neer). Daarnaast vindt er dagelijks één transport plaats van een vrachtwagen (2 verkeersbewegingen). De logiesverblijven zullen niet jaarrond dagelijks bezet zijn aangezien de logiesverblijven beschikbaar zijn als er geen sprake meer is van bedrijvigheid in het plangebied.
Daarom zullen de logiesverblijven met name in de weekenden bezet zijn. Desondanks zullen we uitgaan van 4 voertuigbewegingen per dag ten behoeve van de logiesverblijven. De kleinschalige paardenhouderij zal geen relevante verkeersbewegingen tot gevolg hebben. De paarden worden op het bedrijf gehouden en zullen ‘onder de man’ het terrein verlaten. Hooguit 1x per week wordt met een voertuig voer geleverd of mest gehaald en incidenteel wordt een paard verkocht. In totaal gaat het dus om gemiddeld 14 voertuigbewegingen per dag. Parkeren Parkeren zal, net als in de huidige situatie op eigen terrein geschieden. Er zal sprake zijn van weinig langdurig bezoek en derhalve is parkeren ondergeschikt aan de functie. Desondanks is er in het plangebied voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan de parkeernorm zoals deze zijn vastgesteld in het ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’. Hierin is opgenomen dat voor een arbeidsextensief bedrijf (opslag) in het buitengebied een parkeernorm geldt van 1 parkeerplaats per 100 m2 aan bebouwing. Dit zou betekenen dat er voor deze ontwikkeling 12 parkeerplaatsen nodig zijn. Voor de recreatieve neventak zijn er geen specifieke parkeernormen opgenomen. Omdat het gaat om twee verblijfseenheden die vooral in de weekenden en avonden worden gebruikt kunnen voor deze activiteit dezelfde parkeerplaatsen worden gebruikt.
De paardenhouderij betreft een hobbymatige tak waarvoor geen bezoekers komen, er zijn dan ook geen parkeerplaatsen benodigd. 4.13 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart). Voordat wordt aangevangen met de herbouw van de loods zal een KLIC-melding gedaan worden. 4.14 Landschappelijke inpassing In het kader van deze bestemmingsplanprocedure dient de ontwikkeling ook te worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing. De beoogde situatie zal landschappelijk worden ingepast door op de perceelsgrenzen houtsingels en kruidenrijk grasland te voorzien. In de bijlage bij deze toelichting is de maatvoering en typering van de landschappelijke inpassing weergegeven.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
37
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, wordt aangesloten op het zogeheten moederplan, het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Hilvarenbeek. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming ‘Agrarisch’ ▪ Enkelbestemming ‘Bedrijf’ ▪ Enkelbestemming ‘Groen’ ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelcomplex’ ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – kleinschalig logeren’ ▪ Bouwvlak – bouwvlak Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het huidige vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Hilvarenbeek. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels, overeenkomstig met het moederplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
38
6. Uitvoerbaarheid 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Biestsestraat 118 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader wordt het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties. Tevens heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden op 17 december 2020. Het verslag hiervan is als bijlage bij dit bestemmingsplan bijgevoegd.
6.2.1
Vooroverleg
In het kader van artikel 3.1.1 Bro zal overleg gevoerd worden over het voorontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap De Dommel, de provincie Noord-Brabant en de veiligheidsregio. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant is het plan op ondergeschikte onderdelen aangepast. Zo is een nadere toelichting opgenomen voor wat betreft de toetsing aan artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening en is de berekening kwaliteitsverbetering gewijzigd. Hiermee is tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de provincie. Het Waterschap heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op het plan tijdens het vooroverleg.
6.2.2
Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Er zijn gedurende de zienswijzetermijn geen zienswijzen ingediend. Wel hebben er enkele ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden. Een overzicht van de wijzigingen is opgenomen in bijlage 8. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
39
7. Bijlagen bijlage 1: Berekening kwaliteitsverbetering, incl toelichting bijlage 2: Analyse ontwikkelingsrichting bijlage 3: AERIUS-berekening gebruiksfase bijlage 4: AERIUS-berekening bouwfase bijlage 5: Ecologische quickscan bijlage 6: Inpassingsplan bijlage 7: Verslag dialoog bijlage 8: Nota van ambtshalve wijzigingen
Bestemmingsplan: Biestsestraat 118, Biest-Houtakker
40