CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Bestemmingsplan Emmerseweg ong. (naast nr. 2), Diessen (6 Toelichting)

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Emmersweg ong., naast nr. 2”.14.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

De uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht vormt de basis voor het herstel naar een meer natuurlijk evenwicht. In plaats van al het overtollige water enkel zo snel mogelijk af te voeren zet de gemeente daarbij ook in op het vasthouden en benutten van water. De perceelseigenaar speelt hierbij uitdrukkelijk een rol. Uiteraard mogen hierbij geen nieuwe wateroverlastproblemen ontstaan. Het gemeentelijke beleid ten aanzien van afvoer en verwerking hemelwater is uitgewerkt in het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’. Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het landelijke beleid en het beleid van het waterschap (De Keur). Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, richt dit aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak met een compensatieverplichting vanaf 250 m2. Onder ‘nieuw verhard oppervlak’ wordt binnen dit gemeentelijk beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie.

Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging over het nieuw verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Naast deze compensatieberging behoort altijd een noodoverstort mogelijk te zijn naar de omgeving waar dit niet tot wateroverlast leidt. Als gevolg van deze ontwikkeling wordt één extra woning mogelijk gemaakt. Het bouwplan is nog niet bekend, maar naar verwachting neemt het verhard oppervlak toe met circa 400 m². Als gevolg van de beoogde herontwikkeling neemt het oppervlakte verharding ter plaatse toe met meer dan 250 m².

5.2.4

Waterparagraaf

5.2.4.1 Bodem Ter plaatse van het plangebied Emmerseweg ong. te Diessen is sprake van eerdgronden. De grond is voedselrijk en vochtig tot droog.

5.2.4.2 Grondwater Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) ter plaatse van het plangebied bedraagt grotendeels 20-60 centimeter beneden maaiveld. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de provinciale kaartbank, waarop de GHG ter plaatse van het plangebied is te zien.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

Figuur 15: GHG ter plaatse het plangebied (Bron: provinciale Kaartbank)

5.2.4.3 Oppervlaktewater Ten oosten van het plangebied is een B-watergang gelegen. De sloot aan de straatzijde is geen Aof B-watergang. Op navolgende foto is de sloot aan de straatzijde te zien.

Figuur 16: Sloot aan de voorzijde van het perceel

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.2.4.4 Hydrologisch neutraal ontwikkelen Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Voor de nieuw te realiseren woning wordt een extra verhard oppervlak verwacht van circa 400 m², bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw(en) en erfverharding. Per m² dient te worden voorzien in infiltratievoorziening van 60 mm. Verwacht wordt dat een waterberging van 24 m3 dient te worden aangelegd voor dit nieuwe verhard oppervlak. De berging dient boven de GHG (aanname 0,4 m-mv) te worden aangelegd. De berging van 24 m3 dient in 24 uur weer beschikbaar te zijn. De doorlatendheid van de bestaande ondergrond is daarbij van belang en dient onderzocht te worden. Gelet op de relatief hoge grondwaterstand wordt aanbevolen om waar mogelijk delen van de inrit of erfverhardingen uit te voeren in waterpasserende bestratingen of grasbeton. Nog beter is grind of split te gebruiken. De GHG is in het gebied vrij hoog.

Hierdoor is een (diepere) infiltratievoorziening niet realistisch. Het uitgangspunt voor het plangebied zal dan ook zijn het bufferen van water door een vertraagde afvoer naar een infiltratiesloot of wadi. Gewerkt kan dan ook worden met dakgoten en regenpijpen welke worden aangesloten op een systeem van greppels welke uiteindelijk uitkomen op een laagte achter op het perceel. Een noodoverlaat moet worden aangebracht op de bergingsvoorziening. Dit om wateroverlast voor de omgeving te voorkomen. Deze kan met een verlaging in het maaiveld gekoppeld worden aan de nabijgelegen afvoerende B-watergang in oostelijke richting. Met de uiteindelijke bouwaanvraag wordt de hemelwaterberging verder uitwerkt met in acht name van deze paragraaf.

5.2.4.5 Huishoudelijk afvalwater in nieuwe situatie Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de beoogde nieuwe woning zal worden geloosd op het bestaande rioolstelsel ter plaatse. De nieuwe woning dient te worden voorzien van een eigen aansluiting op dit stelsel. De leiding kent een relatief beperkte diameter, daarom dient de afvoercapaciteit nader onderzocht te worden. De kosten die hiermee gepaard gaan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Hemelwater wordt niet geloosd op het riool.

5.2.4.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.3 Cultuurhistorie 5.3.1

Inleiding

Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan het aspect cultuurhistorie te worden besteed. Als gevolg van deze wet dient dit aspect gebiedsgericht benaderd te worden. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historisch- bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing.

5.3.2

Gemeentelijk beleid

5.3.2.1 Inleiding Op 26 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek de ‘Cultuurhistoriekaart’ vastgesteld. Deze gemeentelijk grondgebied dekkende kaart met bijbehorend rapport bevat een inventarisatie van diverse ‘cultuurhistorische elementen’ binnen de gemeente. Op 14 november 2013 is een aangepaste versie van deze ‘Cultuurhistoriekaart’ door de gemeenteraad vastgesteld. Het primaire doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van het aanwezige bovengrondse erfgoed in de gemeente. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid met de rode cirkel.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

Figuur 17: Aanduiding planlocatie op gemeentelijke cultuurhistoriekaart

Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden. De Emmerseweg is wel een oud tracee van voor 1840. Met de beoogde herontwikkeling gaan geen cultuurhistorische waarden verloren.

5.4 Archeologie 5.4.1

Inleiding

De Erfgoedwet heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.

5.4.2

Gemeentelijk beleid

De gemeente Hilvarenbeek heeft een archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de hele gemeente vastgesteld. Op de archeologische beleidskaart zijn de bekende archeologische resten en verwachtingszones voorzien van beleidsuitgangspunten. Bij het (her)bestemmen van gronden kan op basis van deze kaart rekening worden gehouden met het aspect archeologie. In gebieden waar

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

archeologische resten aanwezig zijn of verwacht worden, kunnen bijvoorbeeld maatregelen worden genomen om deze zoveel mogelijk te ontzien. Voor gebieden waar bodemverstorende activiteiten gaan plaatsvinden, is op de beleidskaart aangegeven óf archeologisch onderzoek noodzakelijk is en wanneer eventueel vrijstelling van onderzoek kan worden verleend. Hiertoe zijn ondergrenzen vastgesteld ten aanzien van de diepte van de bodemingreep en de oppervlakte van het plangebied (bij een ruimtelijke onderbouwing) of de ingreep (bij een vergunning). Hierdoor is de kaart met name ook geschikt om de archeologische waarden in bestemmingsplannen te borgen. De gemeente Hilvarenbeek heeft hierbij ondergrenzen geformuleerd. Wanneer de ontwikkelingen de ondergrenzen niet overschrijden, is er vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaar om een vergunning te verlenen of de bestemming te wijzigen. Er hoeft dan ook geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Wanneer de ondergrenzen wél worden overschreden, dienen de plannen te worden aangepast of zal de initiatiefnemer een archeologisch onderzoek moeten laten uitvoeren. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de archeologische beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek. Het plangebied is hierbij weergegeven met de zwarte cirkel.

Figuur 18: Archeologische beleidskaart

Het plangebied is grotendeels aangemerkt als ‘categorie 6: middelhoge archeologische verwachting. Ter plaatse geldt een ondergrens voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m². Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt één nieuwe woning gerealiseerd ter plaatse van categorie 6. De ondergrens van 2.500m² wordt niet overschreden. De beoogde herontwikkeling ter plaatse leidt derhalve niet tot een bodemverstoring waarmee de ondergrens voor archeologisch onderzoek wordt overschreden. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Niettemin blijft de vigerende dubbelbestemming voor

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

archeologische verwachting behouden, waarmee ook in de toekomst de ondergrens voor archeologisch onderzoek gehandhaafd blijft.

5.5 Natuur en ecologie 5.5.1

Inleiding

Bij ruimtelijke ingrepen zoals nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.

5.5.2

Gebiedsbescherming

5.5.2.1 Natuurnetwerk Inleiding Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: −

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

−

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

−

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

−

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

−

alle Natura 2000-gebieden.

Navolgend is de ligging van natuurgebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. Het plangebied is aangeduid met de zwarte cirkel.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

Figuur 19: Ligging natuurgebieden ten opzichte van het plangebied

Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 80 meter tot het NNB en op circa 90 meter tot Natura 2000 ‘Kempenland-West’. Gelet op de kleinschaligheid van het project zullen de effecten niet leiden tot aantasting of langdurige verstoring van het NNB of Natura 2000.

5.5.2.2 Stikstof Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Dit kan met Aerius Calculator worden berekend. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat de toename van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jr. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van het aspect stikstof geen bezwaar. De uitgevoerde AERIUS-berekening is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd.

5.5.3

Soortenbescherming

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Beoogd wordt een extra woning te realiseren tussen Emmerseweg 2 en 2a. Dit gedeelte van het perceel is thans in gebruik als tuin bij Emmerseweg 2. De ondergrond bestaat uit gazon met daarop enkele (sier)heesters en bomen. Deze beplantingen zal worden verwijderd.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

Ter plaatse van het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De conclusie van het rapport wordt hierna weergegeven: “Samenvatting

-

Overtredingen

-

Directe aantasting van verblijfplekken van vleermuizen ten gevolge van de ontwikkeling kan

van

de

regelgeving

van

de

Wet

natuurbescherming

en

Interim

omgevingsverordening NB met betrekking tot de gebiedsbescherming zijn niet aan de orde. geheel uitgesloten worden. Om verstoring van mogelijke verblijfplekken in nabijgelegen bebouwing en, in meer in algemene zin, verstoring van foerageergebied van vleermuizen (en andere nachtdieren) te voorkomen dienen zowel in de uitvoerende als gebruiksfase een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden die o.a. de beperking van de lichtbelasting betreffen.

-

Met het oog op een mogelijke aanwezigheid van de alpenwatersalamander dienen een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden of op basis van en goedgekeurde gedragscode gewerkt te worden om een overtreding van Wnb § 3.3 te voorkomen (zie voor toelichting

eerst

via

deze

link

https://ecoconsult-gmm.nl/geldigheid-gedragscode-

soortbescherming-stadswerk-tijdelijk-opgeschort/ ).

-

Om een overtreding van Wnb § 1.3 art 1.11 inzake de zorgplicht te voorkomen dienen ook voorzorgsmaatregelen genomen te worden met het oog op aanwezigheid voor een aantal algemene amfibiesoorten en kleine zoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt.

-

Als verder de voorzorgsmaatregelen die het volgende hoofdstuk 6 vermelden in acht worden genomen, wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht.

Vervolgstappen Als de genoemde voorzorgsmaatregelen met betrekking tot soortenbescherming zoals die in hoofdstuk 6.1 en 6.2 vermeld staan in acht worden genomen is geen vervolgonderzoek nodig. Ontheffingsaanvraag Als aan het voorgaande voldaan wordt is het indienen van een ontheffingsaanvraag voor het verkrijgen van een Verklaring van geen bezwaar niet noodzakelijk.

5.6 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:

-

via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

Ten behoeve van deze procedure is een geluidsonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting. Navolgend worden de toets resultaten weergegeven.

De

geluidbelasting

als

gevolg

van

wegverkeer

op

de

Emmerseweg

overschrijdt

de

voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van het bouwplan met maximaal 6 dB. Een procedure hogere grenswaarde wordt doorlopen. De ontwerpbeschikking zal gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd.

5.7 Geur 5.7.1

Inleiding

Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen:

-

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object).

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de voor- en achtergrondbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Deze normen gelden voornamelijk bij vergunningverlening van veehouderijbedrijven.

5.7.2

Gemeentelijke geurverordening

De gemeente Hilvarenbeek heeft in aanvulling op de Wet geurhinder en veehouderij de “Verordening geurhinder en veehouderij” opgesteld. De locatie is in de gemeentelijke verordening aangewezen als gelegen in het ‘Buitengebied’. Voor het buitengebied heeft de gemeente Hilvarenbeek een geurnorm vastgesteld

van

10

oue/m³

voor

veehouderijen

waarvoor

bij

ministeriële

regeling

een

geuremissiefactor is vastgesteld en een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van veehouderijen met maximaal 50 dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.7.3

Veehouderijen in de omgeving

In de omgeving van het plangebied zijn twee veehouderijbedrijven gelegen. Omliggende veehouderijen zijn weergegeven op navolgende figuur. Het plangebied is hierbij weergegeven in de zwarte cirkel.

Emmerseweg 3

Beerseweg 6

Figuur 20: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

Op deze veehouderijen zijn navolgende dieraantallen vergund:

Figuur 21: Dieraantallen Emmerseweg 3

Figuur 22: Beerseweg 6

5.7.4

Woon- en leefklimaat

5.7.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van de beide locaties beschouwd.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.7.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Gezien de afstand tussen het plangebied en de veehouderijbedrijven Beerseweg 6 en Emmerseweg 3, en dat beide bedrijven een relatief beperkte geuremissie hebben mag worden aangenomen dat de achtergrondbelasting maatgevend is voor het woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting is inzichtelijk gemaakt in de navolgende paragraaf.

5.7.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting

is op kaart inzichtelijk

gemaakt door

de

Omgevingsdienst. Als bronnenbestand is een export van de kernregistratie dierverblijven Brabant d.d. juni 2023 genomen. Navolgend is de achtergrondbelasting weergegeven ter plaatse van het plangebied.

Figuur 23: Achtergrondbelasting geprojecteerd op kaart

De achtergrondbelasting ter plaatse bedraagt 3-7 oue/m³. het woon- en leefklimaat kan derhalve als ‘goed’ worden bestempeld.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.7.5

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijbedrijven

Als gevolg van de beoogde herontwikkeling mogen ook omliggende veehouderijbedrijven niet worden belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. De veehouderij Beerseweg 6 is gelegen binnen

de

kernrandzone

op

korte

afstand

van

de

kern

Diessen,

waarmee

geen

uitbreidingsmogelijkheden meer bestaan voor het bedrijf, in elk geval niet richting van het plangebied.

Deze

veehouderij

wordt

dan

ook

reeds

belemmerd

in

de

verdere

ontwikkelingsmogelijkheden. Ook tussen het plangebied en de veehouderij Emmerseweg 3 liggen reeds meerdere burgerwoningen. Door de aanwezigheid van deze burgerwoningen tussen de overige veehouderijen en de beoogde Ruimte voor Ruimte woning ter plaatse van het plangebied worden deze veehouderijen reeds belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden omliggende veehouderijbedrijven dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.

5.8 Gezondheid 5.8.1

Endotoxinen

5.8.1.1 Inleiding De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven

Veehouderij

en

Volksgezondheid:

Endotoxine

toetsingskader

1.0’

opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Met de rekentool uitgebracht door de Omgevingsdienst is een berekening gemaakt van de aan te houden vaste afstand vanuit de omliggende veehouderijbedrijven met een fijnstofemissie.

-

Vanuit de veehouderij aan Beerseweg 6 is sprake van een fijnstofemissie van 708 kg.jr. Voor een vleeskuikenhouderij geldt hiervoor een vaste afstand van 164 meter. Met een afstand van meer dan 200 meter wordt aan de richtafstand voldaan.

-

Vanuit de veehouderij aan Emmerseweg 3 is sprake van een fijnstofemissie van 78 kg/jr. Voor dit bedrijf geldt een richtafstand van 30 meter waar ruimschoots aan wordt voldaan.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.8.2

Geitenhouderij

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. Op een afstand van circa 1,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied is een geitenhouderij gevestigd, aan Hoekje 9. Op circa 1,6 kilometer ten noorden van het plangebied is tevens een geitenhouderij gevestigd, aan Frankenstraat 2 te Haghorst. De kernen Diessen en Haghorst zijn ook binnen een afstand van twee kilometer tot de geitenhouderijen gelegen. Met deze bestemmingsplanprocedure is een afweging gemaakt tussen het belang van volksgezondheid.

De overwegende windrichting is afwaarts van het plangebied en er wordt geen woning bestemd om ‘meer kwetsbare’ personen te huisvesten. Aannemelijk is dat de ligging van de geitenhouderijen op ten minste 1,2 kilometer niet leidt tot een onaanvaardbaar gezondheidsrisico.

5.8.3

Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

via

drift.

Met

de

term

drift

wordt

de

hoeveelheid

gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van

luchtverontreiniging,

waardoor

mens

en

dier

in

contact

kunnen

komen

met

gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gronden gelegen waarop gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Andersom wordt ter plaatse van het plangebied het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ook niet beoogd. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.9.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’: “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is gericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is

weinig

verstoring

door

verkeer.

Een

vergelijkbaar

omgevingstype

qua

aanvaardbare

milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het plangebied kan gelet op de ligging nabij hoofdinfrastructuur en de aanwezigheid van enkele bedrijven worden gezien als gelegen binnen een ‘gemengd gebied’. Van ‘rustig buitengebied’ is geen sprake. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen niet-agrarische bedrijven. Op een afstand van circa 130 meter ten westen ligt een bedrijventerrein.

Binnen dit bedrijventerrein is een zonering aangebracht voor toegestane milieucategorie. Maximaal milieucategorie 3.2 is toegestaan. Voor bedrijven binnen milieucategorie 3.2 dient in een ‘gemengd gebied’ een afstand aangehouden te worden van ten minste 50 meter tot een gevoelig object. Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt voor de beoogde Ruimte voor Ruimte kavels geen belemmering. Ten westen van het plangebied ligt een VAB-locatie. Ter plaatse vigeert nog een agrarische bedrijfsbestemming, maar de activiteiten zijn reeds gestaakt. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

5.10 Externe veiligheid 5.10.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

5.10.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.

De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.

5.10.3 Vervoer gevaarlijke stoffen Bij de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee verschillende kansen voor het PR verwerkt: de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval of ramp plaatsvindt, zoals het ontsnappen van een gevaarlijke stof en de kans dat een persoon daadwerkelijk overlijdt als gevolg van dit zwaar ongeval of de ramp. Bij een plaatsgebonden risico van 10-6 is de kans dat er daadwerkelijk een zwaar ongeval plaatsvindt één op de miljoen. Binnen het nationaal veiligheidsbeleid wordt dit risico als grenswaarde aangemerkt voor de vestiging van kwetsbare objecten. Aan deze normstelling dient voldaan te worden. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute of de inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde betreft een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag gemotiveerd wordt. Bij deze verantwoordingsplicht moet onder andere aandacht besteed worden aan bronmaatregelen, zelfredzaamheid, inzetbaarheid hulpdiensten en dergelijke. Een belangrijke adviserende taak hierin heeft de wettelijk aangewezen adviseur, de regionale brandweer. Het plangebied is op de risicokaart niet aangewezen als gelegen binnen een invloedsgebied van een bedrijf, leiding of transportlijn met betrekking tot externe veiligheid. Ten zuidoosten van het plangebied is wel een gastank gelegen, behorende bij de agrarische inrichting Beerseweg 6. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning wordt echter niet gesitueerd binnen de risicocontour.

5.11 Luchtkwaliteit 5.11.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden.

5.11.2 Regeling Niet in Betekenende Mate In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. De beoogde herontwikkeling ziet op de realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning en (op termijn) de herbouw van een bestaande woning. Het plan valt onder het criterium NIBM.

5.11.3 Blootstelling aan verontreiniging 5.11.3.1 Inleiding Andersom dient ook te worden gekeken naar het woon- en leefklimaat en daarmee de blootstelling aan verontreiniging. In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: -

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

-

de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied weer, evenals de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide.

Figuur 24: Fijnstof 2020 PM10 (bron: Atlas leefomgeving)

Figuur 25: Fijnstof 2020 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving)

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 µg/m³.

Figuur 26: Stikstof 2020 (bron: Atlas leefomgeving)

De stikstofconcentratie binnen het plangebied bedraagt 10-12 ug/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. Ter plaatse is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.12 M.e.r.-beoordeling 5.12.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Dlijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling.

5.12.2 Toets Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De beoogde herontwikkeling ziet toe op de toevoeging van één wooneenheid. Conform jurisprudentie wordt de toevoeging van slechts één of enkele woningen niet onder het begrip van ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van het Besluit m.e.r. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. In het kader van de voorbereiding is geconstateerd dat het plangebied niet nabij een kwetsbaar of waardevol gebied is gelegen. Met de ontwikkeling gaan geen natuurwaarden verloren. Dit is bekrachtigd in de uitgevoerde onderzoeken. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

6. JURIDISCHE VORMGEVING 6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2 Toelichting op de verbeelding De

verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding met drie kaartbladen, getekend op een digitale kadastrale ondergrond.

6.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden in deze volgorde worden opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Nadere eisen;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. Met betrekking tot de regels is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn in afdeling 6.4 Wro en afdeling 6.2 Bro regels opgenomen voor grondexploitatie bij een ruimtelijke ontwikkeling. Centraal doel van deze regels voor grondexploitatie is, om te komen tot een verbetering van het stelsel van kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie en een verbetering van de gemeentelijke regie met betrekking tot locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van het dit stelsel vormt de verplichting tot kostenverhaal bij particuliere grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat een gemeente de te maken kosten op de exploitant moet verhalen in het geval deze exploitant tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. Deze verplichting wordt vormgegeven door het verplicht stellen van een grondexploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. Bij deze ontwikkeling is sprake van het verzekeren van kostenverhaal door het sluiten van een anterieure overeenkomt tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Verankerd is dat het bij een planologische maatregel die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan.

Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Hilvarenbeek zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot het planschadeverhaal opgenomen.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Door initiatiefnemer is een omgevingsdialoog gevoerd. Vanuit omwonenden zijn er geen bezwaren kenbaar gemaakt. Een verslag hiervan is bij de gemeente bekend.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

8. PROCEDURE BESTEMMINGSPLAN 8.1 Procedure De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;

-

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.

-

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend

worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het

bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld.

8.2 Overleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Dit bestemmingsplan is aangeboden in het kader van het wettelijk vooroverleg. Provincie Noord-Brabant kan instemmen met het planvoornemen. Wel dient de bouwtitel nog te worden toegevoegd. Op verzoek van het waterschap is de waterparagraaf verder aangevuld met o.a.. het Riool- en Waterprogramma 2022-2026 en is de aanduiding ‘overige zone – zoekgebied watersystemen’. De bouwtitel is inmiddels verworven.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Emmerseweg ong. naast 2, Diessen’ - Toelichting

8.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen voor de zienswijzentermijn. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14178660/1