11 Bestemmingsplan Emmerseweg ong. (naast nr. 2), Diessen (11 toelichting bijlage 5 Quickscan flora & fauna)
Tekst van het document
Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Ecologische quickscan
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
2
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
J.F.G. Maassen
Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen Ecologische quickscan Datum 22-11-2023
3
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
4
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Maassen ecologisch advies en onderzoek Jan Mosmanslaan 23 5237 BB ’s-Hertogenbosch 06-12571130 maassen36@ziggo.nl K.v.K 64413152 btw-id NL001289728826 rek.no NL55 INGB 0003 0208 71
Projectno. Tekst en samenstelling Foto’s Foto op omslag In opdracht van Wijze van citeren Contactpersoon Status Datum
2311-1 J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen J.F.G. Maassen, Herontwikkeling Dhr. G.Bosmans (Crijns Rentmeesters) Definitief 22-11-23
© 2023 Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, ‘s-Hertogenbosch
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeklocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere verstrekte gegevens. De opdrachtgever vrijwaart Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
5
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
6
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Inhoud 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Toetsingskader 1.4 Leeswijzer 1.5 Samenvatting van het onderzoekresultaat Het plangebied, beoogde ontwikkeling en ingrepen 2.1 Ligging van het plangebied 2.2 Inrichting en het huidig gebruik van het plangebied 2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen Wettelijk kader 3.1 Inleiding 3.2 Soortenbescherming 3.3 Gebiedsbescherming 3.4 Beschermde houtopstanden Onderzoeksresultaat 4.1 Methodiek 4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 4.2.2 Provinciale beschermingszones. 4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten 4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) 4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) 4.3.4 Vogels 4.3.5 Reptielen, amfibieën en vissen 4.3.6 Ongewervelden 4.4 Bescherming houtopstanden Conclusie 5.1 Toetsing aan de Wet natuurbescherming en provinciale regelgeving 5.2 Samenvatting en vervolgstappen Voorzorgsmaatregelen, mitigatie en aanbeveling 6.1 Algemene voorzorgsmaatregelen 6.2 Bijzondere voorzorg- en mitigatiemaatregelen 6.2 Aanbeveling en advies Bronnen Bijlage 1 - Toelichting soortenbescherming Bijlage 2 - Soorten van de Vogelrichtlijn Bijlage 3 - Soorten van de Habitatrichtlijn Bijlage 4 - Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’) Bijlage 5 - Soorten met een vrijstelling Bijlage 6 – Werken met een gedragscode
7
9 9 9 9 10 11 11 11 14 15 15 15 17 18 19 19 20 20 21 22 22 22 24 25 27 28 29 30 30 31 32 32 32 33 34 35 36 37 39 43 44
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
8
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer heeft het voornemen tot de oprichting van een nieuwe woning tussen de adressen Emmerseweg 2 en 2a te Diessen op grondgebied dat momenteel onbebouwd en in gebruik als siertuin is. Binnen de wettelijke kaders waarbinnen deze ontwikkeling plaats vindt is ook een ecologisch onderzoek in de vorm van een quickscan flora en fauna vereist om vast te stellen of de voorgenomen ingrepen tot overtredingen van de Wet natuurbescherming of provinciale regelgeving ter bescherming van natuur en landschap kunnen betekenen. Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is aangezocht om deze quickscan uit te voeren.
1.2 Doelstelling Doormiddel van deze quickscan worden aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld gebracht en de mogelijke effecten daarop als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/uitsluiten van aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten. Aanvullend wordt bepaald of ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000- gebieden en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en gemeentelijke regelgeving beschermd zijn. Als de beoogde ontwikkeling kan leiden tot negatieve effecten die een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming tot gevolg kunnen hebben, wordt de noodzaak voor een ontheffingsaanvraag beoordeeld en/of doet deze quickscan aanbeveling voor vervolgstappen om overtreding van deze verbodsbepalingen te voorkomen.
1.3 Toetsingskader Deze quickscan toets aan • Wet natuurbescherming op de onderdelen o Wnb soortenbescherming o Wnb gebiedsbescherming o Wnb houtopstanden •
Provinciale regelgeving op de onderdelen o Natuur Netwerk Brabant
•
Gemeentelijke regelgeving op het onderdeel o APV-bomenkap
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de inrichting van het plangebied, de ligging van het plangebied in de omgeving en de voorgenomen ingrepen en herontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het wettelijk kader geschetst dat de Wet natuurbescherming en de provinciale regelgeving biedt. Hoofdstuk 4 beschrijft in het eerste onderdeel de uitvoering van het onderzoek en de methoden die hierbij gehanteerd worden. In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk worden de gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Per gebied en soortgroep wordt behandeld welk effect de ingrepen op beschermde soorten en gebieden kunnen hebben. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten die tot een overtreding van de Wet natuurbescherming kunnen leiden op beschermde gebieden en soorten kort samengevat. Aangegeven wordt welke overtredingen van wetsartikelen mogelijk zijn en voor welke ingrepen vervolgonderzoek en/of ontheffing nodig zijn . In
9
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
hoofdstuk 6 wordt aangegeven welk voorzorg- en mitigatiemaatregelen gewenst zijn om overtredingen te voorkomen.
1.5 Samenvatting van het onderzoekresultaat • •
• •
•
Overtredingen van de regelgeving van de Wet natuurbescherming en Interim omgevingsverordening NB met betrekking tot de gebiedsbescherming zijn niet aan de orde. Directe aantasting van verblijfplekken van vleermuizen ten gevolge van de ontwikkeling kan geheel uitgesloten worden. Om verstoring van mogelijke verblijfplekken in nabijgelegen bebouwing en, in meer in algemene zin, verstoring van foerageergebied van vleermuizen (en andere nachtdieren) te voorkomen dienen zowel in de uitvoerende als gebruiksfase een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden in het bijzonder met het oog op een overmaat aan lichtbelasting. Met het oog op een mogelijke aanwezigheid van de alpenwatersalamander dienen een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden of op basis van en goedgekeurde gedragscode gewerkt te worden om een overtreding van Wnb § 3.3 te voorkomen. Om een overtreding van Wnb § 1.3 art 1.11 inzake de zorgplicht te voorkomen dienen ook voorzorgsmaatregelen genomen te worden met het oog op aanwezigheid voor een aantal algemene amfibiesoorten en kleine zoogdieren waarvoor een vrijstelling geldt. Als verder de voorzorgsmaatregelen die hoofdstuk (6) vermelden in acht worden genomen, wordt geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht.
10
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
2 HET PLANGEBIED, BEOOGDE ONTWIKKELING EN INGREPEN. 2.1 Ligging van het plangebied Fig.1. Ligging van het plangebied (pion met adres Emmerseweg 2) ten opzichte van de bebouwde kom van Diessen. Luchtfoto: Google Earth
Het plangebied is gelegen in het agrarisch buitengebied van de gemeente Hilvarenbeek op zeer korte afstand van het meest noordoostelijke punt van de bebouwde kom van Diessen. Het plangebied is hier gesitueerd binnen de bebouwde lint van de Emmerseweg tussen de adressen Emmerseweg 2 en 2a. Beide adressen liggen in de noordoosthoek van de kruising van Emmerseweg met de provinciale weg N395 (Beerseweg). De landschappelijk omgeving heeft hier de aard van een beekdallandschap waarin kleinschalige natuurlijke landschappelijke elementen afwisselen met agrarische percelen. Op korte afstand noordelijk van het plangebied is het beekdal van de Reusel afgelopen decennium in ontwikkeling genomen als natuurgebied, waarbij de beek een nieuw en sterk meanderend verloop heeft verkregen.
2.2. Inrichting en huidig gebruik van het plangebied
Emmerseweg 2; achterzijde van de woning met stamresten van oude schietwilg op de voorgrond.
Woning Emmerseweg 2a
11
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Het plangebied zoals dit aangegeven is betreft grotendeels een bouwkavel dat grensoverschrijdend gelegen is op twee aaneensluitende kadastrale percelen (met kadastrale aanduiding HAVRO-N-827 en HAVRON-N-2233) en ingesloten ligt tussen de woningen van de adressen Emmerseweg 2 en 2A. Ook gelegen binnen de aangegeven begrenzing van het plangebied is de aansluitende strook grond (zie fig.2) langs de oostrand van de tuin van Emmerseweg 2. Deze strook wordt geheel in beslag genomen door een middelhoge haag van Laurierkers die als afscheiding fungeert van de achterliggende ruime half natuurlijke tuin van adres Beerseweg 1A. De aansluitende tuinen van dit adres en die van de adressen van Emmerseweg 2 en 2A vormen gezamenlijk een gevarieerde groene omgeving die veel rust, broedgelegenheid en geschikt leefgebied voor verschillende soorten fauna, in het bijzonder voor vogels en vleermuizen, biedt. De bebouwing op adres Emmerseweg 2 betreft een oudere woonéénheid die uit een aantal aanééngeschakelde kleinere gebouwen bestaat (waarschijnlijk uitbreidingen in de verschillende tijdsperiode van de oorspronkelijke hoofdbebouwing, of het betreft een gebouw dat oorspronkelijke gesticht was voor een publieke functie of als bedrijf/praktijkruimte). Dit geheel is van een uniforme architectuur met gevels van bakstenen en daken die bekleed zijn met dakpannen.
Aan de achterkant van woning zijn ruime glazen serres aanwezig. Adres 2A betreft een moderne woning van enigszins futuristisch architectuur. De woning is geheel afgewerkt met moderne onderhoudsvriendelijke materialen en biedt voor fauna geen enkele verblijfsmogelijkheid in of achter gevelbekleding en onder dakbekleding. Achter de woning ligt een oppervlak grasland met een grote nieuw gegraven vijver dat in ontwikkeling is als natuurgebied. Oudere satellietfoto’s laten zien dat eerder ter plekke van woning een vijver gedempt is om de bouw van de woning mogelijk te maken.
Zicht op bouwlocatie vanuit verschillende hoeken.
Rond beide woningen zijn goed onderhouden siertuinen met gazon, scheerhagen en wintergroene heesters aanwezig. Het oppervlak dat als kavel voor de nieuwbouw is bestemd en betreft ook een oppervlak siertuin dat goede staat van onderhoud verkeert en grotendeels uit gazon bestaat. De aanplant bestaat hier voornamelijk uit lage tot middelhoge wintergroene sierstruiken met veel laurierkers en rododendron. Het bouwkavel bevat als bomen viertal jonge elzen van zo’n 20 jaar oud die op de nominatie staan om gerooid te worden om de ontwikkeling mogelijk te maken. Meer markante bomen als de moeraseik op het terrein van Emmerseweg 2A en de oude schietwilg aan de achterkant van de woning op adres no.2, vallen buiten het bouwkavel en de ingreep. Van de schietwilg resten alleen het onderste deel van de dikke stam met een diameter op borsthoogte van omstreeks een meter. Deze stam is vrijwel geheel doorgerot en bevat veel grote en ondiepe rottingsholten. Langs de gehele stam ontspringen nieuw levenskrachtig jonge spruiten, kenmerkend voor de schietwilg die aan een grote omgevingsdynamiek van water en wind is aangepast.
2.3 Beoogde ingrepen en ontwikkelingen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een viertal jonge elzen gerooid en siergroen van lage natuurwaarde geamoveerd. Ter compensatie van verlies van deze bomen worden binnen de nieuwe inrichting 4 nieuwe bomen aangeplant. Ook de haag van laurierkers die als terreinafscheiding langs de gehele oostrand van de tuin van Emmerseweg 2 staat aangeplant wordt geamoveerd vervangen door een meer natuurlijke
12
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
houtsingel met een gevarieerde aanplant van inheemse soorten. De bestaande beukenhagen blijven behouden met een enkele onderbreking voor inritten. Ter ontsluiting van de nieuwbouw en parkeergelegenheid wordt de nodig bestrating aangelegd. Het eventueel verlies van natuurwaarde wordt verder gecompenseerd door natuurontwikkeling op een oppervlak grasland achter adres Emmerseweg 2A. Het voornemen is om ook hier natuurlijke houtsingels met een gevarieerde aanplant van inheemse soorten en enkele hoge bomen aan te planten. Voor de recent aangelegde grote vijver wordt gestreefd naar geschikte inrichting en een natuurlijk beheer met het oog op amfibieën.
Fig.2 Het voorgenomen inrichtingsplan en bouwvlak (kader met zwarte rand).
13
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
3. WETTELIJK KADER 3.1. Inleiding Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van soorten (soortbescherming) en bescherming van gebieden (gebiedsbescherming).
3.2 Soortenbescherming Beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn §3.1Wnb
Beschermingsregiem soorten Habitatrichtlijn §3.2 Wnb
Beschermingsregiem andere soorten §3.3 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Art3.5 lid 1 Het is verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art 3.5 lid 3 Het is verboden om eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen en te rapen.
Niet van toepassing
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hum natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Bij de Wet Natuurbescherming gelden een aantal verbodsbepaling ter bescherming van planten- en diersoorten (zie bijlage). De wet kent twee beschermingsniveaus waarbij drie categorieën beschermde soorten worden onderscheiden. • Europees beschermde soorten volgens de Vogelrichtlijn • Europees beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn. • Nationaal beschermde soorten. Europees beschermde soorten Het zwaarst beschermingsniveau gelden de Europees beschermde soorten. De bescherming van vogels is op Europees niveau geformaliseerd doormiddel van de Vogelrichtlijn en die van de overige soortgroepen doormiddel van de Habitatrichtlijn. De Europese bescherming middels de Habitatrichtlijn beschermt voornamelijk soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV. Dit betreffen o.a. alle vleermuissoorten die in Nederland en Europa inheems zijn. Op deze soorten is het beschermingsregime van § 3.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing.
14
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Nationaal beschermde soorten (“andere soorten”) Op deze soorten (zie bijlage 4) is het beschermingsregime van § 3.3 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Voor nationaal beschermde soorten geldt een zwakker beschermingsregiem en er kan per provincie en per soort vrijstelling verleend worden voor ingrepen die betreffen ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Voor alle inheemse diersoorten, beschermt of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Bescherming verblijfplekken Ook verblijfplaatsen van soorten uit beide categorieën die als “vast” kunnen worden aangemerkt zijn beschermd en worden aangeduid als jaarrond beschermde verblijfplekken. Deze bescherming geldt alleen de vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts éénmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen zijn er verschillende gradaties in beschermingsniveau, afhankelijk hoe kwetsbaar de instandhouding van de soort is in relatie tot gebruik van de vaste verblijfplek (zie hoofdstuk 3.3).
In samenhang met de verblijfplek wordt ook de leefomgeving beschermd zover deze van belang is om het functioneren van de verblijfplek mogelijk te maken. Voor jaarrond beschermde verblijfplekken en functionele leefomgeving van soorten die onder de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijnen vallen is respectievelijk artikel 3.5 lid 4 en artikel 3.1 lid 2 van toepassing en geldt een verbod om de verblijfplekken en functioneel leefgebied te verstoren. De wet beschermt jaarrond beschermde verblijfplekken van nationaal beschermde soorten volgens artikel 3.10 lid 1b. Bij deze categorie is, evenals bij vogels waarvan de nestelplekken niet jaarrond beschermd zijn, het verbod tot opzettelijke verstoring, en daarmee de bescherming van de functionele leefomgeving, niet van toepassing. Ontheffingsplicht Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Vaak kunnen maatregelen getroffen worden zodat verbodsbepalingen niet worden overtreden, zoals de werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, het aanpassen van de werkvolgorde of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd. In sommige gevallen kan er gebruik gemaakt worden van vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgelegd voor een van tevoren bepaalde categorie van gevallen.
Een toegepaste vorm van vrijstelling is onder meer door het werken met een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. Vrijstelling doormiddel van een goedgekeurde gedragscode geldt voor alle vogelsoorten en nationaal beschermde soorten, zowel voor werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud als voor werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (een verschil met voorgaande wetgeving van de Flora- en faunawet). Als dergelijke garanties niet kunnen worden gegeven moet men afhankelijk van de soort en ingreep ontheffing aanvragen van artikelen geformuleerd in de Vogelrichtlijn (§3.1 Wnb), of Habitatrichtlijn (§ 3.2 Wnb) of het beschermingsregiem “Andere soorten” (nationaal beschermde soorten) (§3.3 Wnb). In tegenstelling met de voorgaande Flora en Faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient bij de ontheffingsaanvraag de staat van instandhouding van de gehele populatie meer in aanmerking genomen te worden. Een ontheffingsaanvraag wordt o.a. beoordeeld op de volgende punten: • aanwezigheid van aanvaardbare alternatieve mogelijkheden • aanwezigheid van een wettelijk belang • de staat van instandhouding van de soort en behoud van functionaliteit van de verblijfplek.
Het wettelijk belang betreft, afhankelijk van de status van de soort, een Nationaal wettelijk belang (Vrijstellingsbesluit) of een Europees wettelijk belang (Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn). Deze wettelijke belangen hebben o.a. betrekking op de openbare veiligheid, volksgezondheid, veiligheid luchtvaart en bescherming van flora en fauna. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een zorgplicht opgenomen:
15
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en ook voor hun directe leefomgeving. De zorg houdt in ieder geval in dat eenieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt altijd, en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
3.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming onderscheidt twee typen beschermde natuurgebieden •
•
Europees beschermde gebieden (Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5.) De gebieden die op Europees niveau een bescherming genieten en aangewezen zijn in het kader van de Habitatrichtlijn (HR), Vogelrichtlijn (VR) en Verdrag van Ramsar (wetlands). Deze gebieden vallen onder de noemer van Natura 2000 en betreffen gebieden van grote ecologische waarde. Deze gebieden zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming §2.1 t/m §2.5. Nationaal/provinciaal beschermde gebieden (provinciale omgevingsverordening). Dit zijn natuurgebieden en verbindingsstructuren die op landelijke basis zijn ingesteld en vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vallen. Deze natuurgebieden en hun onderlinge verbindingen vormen een samenhangend ecologisch netwerk. De bescherming van deze gebieden is op provinciaal niveau geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen.
Europees beschermd gebied (Natura 2000-gebied) Ook hier genieten de gebieden die onder een Europees beschermingsregime vallen de meest strikte bescherming. Voor beide categorieën van beschermde gebieden geldt dat activiteiten die een negatief effect hebben op de kwaliteit van de gebieden in het algemeen verboden zijn. Uitgezonderd zijn activiteiten binnen Natura 2000 gebied die uitgevoerd worden in het kader van vastgelegde beheersplannen ten behoeve van Natura 2000 doelen. Een ontheffing wordt alleen verleend als er geen reële alternatieven zijn, de staat van instandhouding van soorten niet in gevaar komt en er sprake is van een groot openbaar belang, dat o.a. de volksgezondheid en openbare veiligheid kan betreffen. De ontheffingsverlening gaat veelal gepaard onder strikte voorwaarden en beperkingen en er is altijd sprake van een compensatieplicht. Bij Natura 2000 gebied wordt doormiddel van een voortoets beoordeeld of er negatieve effecten verwacht kunnen worden en in hoeverre deze als significant beoordeeld kunnen worden. Bij niet-significante negatieve effecten volgt een “lichte “beoordeling doormiddel van een Verslechteringtoets. Bij significante negatieve effecten wordt de “zware” route gevolgd doormiddel van een Passende beoordeling en ADC-toets.
Nationaal en provinciaal beschermd gebied (NNN-gebied) Het uitgangspunt voor de bescherming van gebieden die vallen onder Natuurnetwerk Nederland is de eis dat de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet door een ingreep worden aangetast. In of in de directe nabijheid van een NNN-gebied zijn in principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan die de ‘wezenlijke kenmerken of waarden’ aantasten zoals die in het beheerplan zijn vastgelegd. In de Interim omgevingsverordeningen van de provincie 2020 van de provincie is de doelstelling en regelgeving met betrekking tot NNN/NNB-gebied vastgelegd. Overige provinciale beschermingszones Voor behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied zijn door de provincie Noord-Brabant de agrarische structuur en de groenblauwe structuur ingesteld. De groenblauwe structuur bestaat uit de Groenblauwe mantel en het kerngebied Groenblauw.
16
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
De Groenblauwe mantel is een buffer tussen het kerngebied Groenblauw met het agrarisch en verstedelijkt gebied. Het kerngebied Groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur (NNN) inclusief de ecologische verbindingszones en de gebieden voor behoud en herstel van watersystemen.
3.4 Bescherming houtopstanden De Wet natuurbescherming § 4.1. Houtopstanden vervangt de voormalige Boswet, waarbij dezelfde voorwaarden grotendeels gelden. Evenals de Boswet betreft de bescherming in het algemeen houtopstanden buiten de bebouwde kom zover deze een groter oppervlak van 10 are hebben of een rij van meer dan 20 bomen betreffen, geen deel uitmaken van begroeiingen op erven of in tuinen en geen aanplant voor cultuurdoeleinden en houtwinning betreffen. Er geldt een meld- en heraanplant plicht.
17
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
4. ONDERZOEKSRESULTAAT 4.1 Methodiek De quickscan bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek, een effectenbeoordeling en een toetsing aan de natuurwetgeving en provinciale regelgeving. Op basis van de effectenbeoordeling en toetsing wordt de noodzaak tot vervolgstappen beoordeeld. Bronnenonderzoek In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden, waarbij is gekeken naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en directe omgeving. Er is voor het soortenonderzoek gebruikgemaakt van gegevens van diverse websites, o.a. van de nationale databank (NDFF), kennisdocumenten en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de ligging van Natuurbeschermingswet-gebieden als Habitat- en Vogelrichtlijngebieden en provinciale beschermd natuurgebied dat onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN) valt. Daarvoor is o.a. gebruik gemaakt van de website van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en die van de provincie Noord- Brabant. Bron van de NDFF-gegevens die in dit verslag vermeld worden is: NDFF - quickscanhulp.nl; d.d.12-11-2023. Veldonderzoek Het veldbezoek werd op 14-11-2023 tussen 11.00 en 12.00 uur en uitgevoerd door dhr. J. Maassen. Tijdens het veldbezoek was het rond de graden 12C en grotendeels bewolkt.
Er heerste een lichte wind (wk3) en het was droog. Een weertype dat als wisselvallig herfstweer getypeerd kan worden. Tijdens de uitgevoerde veldonderzoeken zijn de aanwezige biotopen in het plangebied vastgesteld. Ook is onderzoek gedaan naar biotopen en natuurwaarden in de directe aangrenzende omgeving waarop ontwikkelingen binnen het plangebied van invloed op kunnen zijn. Aan de hand van de aanwezige biotopen kan worden bepaald of er mogelijk beschermde soorten voorkomen. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen, die kunnen duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Behalve het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten is er ook gelet op bijv. holen, uitwerpselen, prooiresten, braakballen vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten. Op basis van deze vergelijking is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn verwerkt in onderstaande notitie. Opmerking De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de plangebied en directe omgeving en betreft geen volwaardig specifiek soortenonderzoek. Er zijn in dit onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie bestaat uit meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
18
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
4.2 Gebiedsbescherming 4.2.1 Natura 2000 Ligging Het dichtst nabije Natura 2000-structuur is een uitloper van het Natura 2000-gebied Kempenland-West op slechts 0,1 km hemelsbreed westelijk van het plangebied. Deze uitloper betreft de stroom van de beek de Reusel; alleen het stromend watermilieu van de beek en niet de oevergebieden vallen onder de Natura 2000wetgeving. Het groter aanééngesloten Natura 2000-gebied van Kempenland-West ligt op 2,47 km zuidelijk van het plangebied. Overige meest nabije Natura 2000-gebied liggen op een grotere afstand variërend van 5 en 8 km hemelsbreed. Deze gebieden betreffen Regte Heide & Riels laag, Leenderbos en Kampina & Oisterwijkse vennen. Overige Natura 2000-gebieden liggen op nog grotere afstanden. Genoemde Natura 2000-gebieden bevatten kwetsbare en stikstofgevoelige natuur van bos, vochtige graslanden, droge en natte heide, hoogveen en zwak gebufferde waters. Fig.3 Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000 gebied (rood gearceerd. Bron: Bron: Natuurbeheerplan Provincie NoordBrabant
Toelichting wettelijk kader Externe werking De Wet natuurbescherming onderscheid naast een directe aantasting, de interne werking, ook een indirecte aantasting door factoren die op afstand van invloed zijn, de zgn. externe werking. Effectenbeoordeling intern Oppervlak Het plangebied en omliggende gebied maakt geen deel uit van Natura2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is daarom geen sprake. Effectenbeoordeling extern Effectenindicator De effectenindicator van het ministerie van LNV is hier geselecteerd voor de activiteit woningbouw als meest passende activiteit om de voorgenomen ontwikkeling te kenmerken. De habitattypen en de daaraan gebonden soorten van heiden, bos, graslanden, stuifzanden, zure en zwak gebufferde waters bevinden zich op en dusdanige grote afstand dat effecten met een externe werking op korte afstand daarop geheel uitgesloten kunnen worden. Wel binnen een kritische afstand liggen de habitattypen en soorten die specifiek gebonden zijn aan het watermilieu van de beek de Reusel. Dit betreft het habitattype van “Beken en rivieren met waterplanten” en de soorten drijvende waterweegbree (waterplant), beekprik (rondbekken) en gevlekte witsnuitlibel.
De voorgenomen ingrepen hebben geen directe betrekking op de waterhuishouding en uitgesloten kan worden dat deze tot negatieve effecten leiden die enigszins significant zijn of tot verslechtering leiden van de waterhuishouding binnen Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van versnippering daar de gehele herontwikkeling buiten Natura 2000-gebied plaats gaan vinden en geen structuren aantasten die functioneel zijn voor Natura 2000-gebied. Noch kan er sprake zijn van verstoring door mechanisch effecten daar de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot toename publieksdruk op Natura 2000-gebied.
19
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Uitsluitend kunnen negatieve effecten met een korte externe werking van ene korte duur in de uitvoerende fase verwacht worden als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Deze hebben in de eerste instantie betrekking op trillingen, geluids- en lichtverstoring. De effectenindicator laat zien dat juist deze effecten niet van toepassing zijn op het habitattype en soorten die voor de beek relevant én kwalificerend voor het Natura 2000gebied zijn. Fig.4 Effecten indicator van het ministerie van Landbouw, Voedselkwaliteit en Natuur geselecteerd op Natura 2000gebied Kempenland-West en de activiteit woningbouw.
De enige mogelijke kritische factor is “verontreiniging” door toename van stikstofuitstoot ten gevolge van de projectontwikkeling. Deze stikstofuitstoot is de enige mogelijke factor die een externe werking op zowel op korte en grotere afstand kan genereren. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van de factor stikstofdepositie plaats vinden ten gevolge de uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens de bouw gebruikt worden. Na de uitvoerende fase kan verwacht worden dat de nieuwbouw en de verkeersbewegingen die deze genereren een nieuwe bron van stikstof is. Deze bron is meer van permanente en structurele aard in vergelijking met de uitstoot in de uitvoerende fase. Gelet op de aard en geringe schaal van de projectontwikkeling, ligt het niet voor de hand om kwaliteitsverlies en overschrijding van de gestelde drempelwaarde van 0,00 mol N per ha/jaar op Natura 2000-gebied te verwachten. Gelet op de kritische ligging ten opzichte van Natura 2000-structuren dient deze conclusie doormiddel van een Aeriusberekening onderbouwd te worden.
Conclusie Negatieve effecten ten gevolge van de projectontwikkeling op Natura 2000-gebied die een verslechtering of meer significante negatieve effecten van meer permanente aard opleveren kunnen op basis van schaal, aard en ligging van de projectontwikkeling uitgesloten, waardoor nader onderzoek en toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Gelet op de kritische ligging ten opzichte van Natura 2000-structuren dient deze conclusie met betrekking tot de factor stikstofuitstoot doormiddel van een Aeriusberekening onderbouwd te worden. Tevens dient de Aeriusberekening aan te tonen dat als gevolg van de projectontwikkeling de gestelde wettelijke drempelwaarden van 0,00mol per ha/per jaar op Natura 2000-gebied zowel in de uitvoerende als permanente fase niet overschreden wordt.
4.2.2 Provinciale beschermingszones. Het plangebied ligt binnen de zones voor Behoud en herstel van watersystemen IOV NB §3.2.3 artikel 3.26, en Attentiezone waterhuishouding IOV NB § 3.2.3 artikel 3.27 en buiten de zone Groenblauwe mantel IOV NB §3.2.4 artikel 3.32. Deze zijn geen onderwerp van deze beoordeling die zich uitsluitend beperkt tot de ligging ten opzichte van NNB-gebied.
20
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
NNN-gebied Ligging De dichtst nabije NNB-structuren/structuur betreffen de stroom en oevergebieden van de beek de Reusel. Aan de stroom van de beek is het beheertype N03,01 Beek en Bron toegekend. Aan de begeleidende graslanden en bos ter hoogte van het plangebied zijn de beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijkgrasland, N10.02 Vochtig hooiland en N 16.04 Vochtig bos met productie. Fig.5 Ligging ten opzichte van het meest nabije NNN-gebied. Het plangebied ligt binnen de rode stip Groen: provinciaal NNN-gebied oranje: rijks NNN-gebied Rode arcering: Ecologische verbindingszone. Bron: Natuurbeheerplan Provincie Noord-Brabant
Beleidskader Interim omgevingsverordening NB §3.2.3 artikel 3.15 en 3.16 De Interim omgevingsverordening NB stelt in §3.23 artikel 3.16 lid 1 en 3, dat als een bestemmingsplan gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant leidt tot een aantasting van de wezenlijke ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant zijn vastgelegd in de beheertypenkaart en de ambitiekaart die de kern vormen van het Provinciaal Natuurbeheerplan. De ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van een gebied in het kader van natuurdoelen en -kwaliteit kunnen als volgt omschreven worden: areaal en processen, de waterhuishouding en waterkwaliteit, bodem, landschapsstructuren (b.v. openheid en beslotenheid) en kwaliteit van zaken als rust, stilte en donkerte. Effectenbeoordeling NNN-gebied Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van de NNN/EHS -gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan NNN-gebied is daarom geen sprake. De dichtstbijzijnde gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en liggen op een dusdanige afstand dat effecten van een korte reikwijdte van invloed kunnen zijn.
Deze hebben in dit geval voornamelijk betrekking op geluid- en lichtbelasting. Ook kan de nieuwe woonfunctie kan in principe een verhoogde publieksdruk op nabijgelegen NNgebied genereren. Tijdens de bouw kan voor een korte duur sprake zijn van geluids-en lichtbelasting; echter deze effecten zijn te kleinschalig van aard en van een te tijdelijke korte duur om redelijkerwijs te kunnen verwachten dat deze op den duur een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van NNN-gebied kunnen veroorzaken. Om lichtbelasting geheel uit te sluiten kunnen maatregelen genomen worden door in de avond en nachtelijke uren geen bouwverlichting te voeren. Bij een verhoogde publieksdruk kan sprake zijn indien de herontwikkeling betrekking heeft op de bouw van een horeca- of een andere recreatieve voorziening. Echter het ligt redelijkerwijs niet voor de hand dat de nieuwe bescheiden woonfunctie leidt tot een verhoogde publieksdruk op NN-gebied die enigszins relevant bijdraagt aan de huidige publieksdruk. Vrijwel uitgesloten kan worden dat de reikwijdte van de voorgenomen ingrepen dusdanig is dat deze van enige significante verstorende invloed op NNN-gebied kan zijn.
Conclusie Negatieve effecten, zowel van tijdelijke aard in de uitvoerende fase als van meer permanent aard in de gebruiksfase, die een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken tot gevolg kunnen hebben kunnen op basis van aard, ligging en reikwijdte van de ontwikkeling uitgesloten worden. Aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken is niet aan de orde en daarmee geen noodzaak tot vervolgonderzoek.
21
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
4.3 Soortenbescherming 4.3.1 Vaatplanten Bronnenonderzoek en veldwaarnemingen Binnen de 1 km-straal vermelden de NDFF-gegevens alleen de drijvende waterweegbree als beschermde vaatplant. Verwacht kan worden dat de vindplaats van deze waterplant in het stroomgebied van de Reusel te vinden is. Binnen 1 tot 5 km-straal wordt alleen de kruipende moerasscherm vermeld, een zeer zeldzame moerasplant die binnen de omgeving eveneens in het stroomgebied van beken verwacht kan worden. Tijden het veldbezoek werden binnen het plangebied uitsluitend tuinplanten, algemene graslandplanten en onkruiden waargenomen die men verwachten kan. Bescherming en voorkomen Een viertal inheemse plantensoorten zijn strikt beschermd middels bijlage 4 van de Habitatrichtlijn. Deze vaatplanten betreffen de drijvende waterweegbree, kruipend moerasscherm, groenknolorchis en zomerschroeforchis. De drijvende waterweegbree is als habitatrichtlijnsoort landelijk de minst zeldzame vaatplant en komt tamelijk wijdverspreid in de provincie Noord-Brabant voor. De soort is gebonden aan een hoogwaardige zachte waterkwaliteit van beken en vennen. Onder de nationale bescherming vallen 76 soorten vaatplanten waarvan de meeste uiterst zeldzaam zijn.
Onder deze beschermingscategorie een hoog aandeel van zeldzame akkeronkruiden die als gevolg van de intensivering van de akkerbouw vrijwel uit het agrarisch landschap verdwenen zijn. In tegenstelling tot de voormalige Flora- en Faunawet zijn door de Wet natuurbescherming niet alle orchideeënsoorten meer beschermd. Onder de nationale bescherming vallen zo’n 8 soorten die allen in de provincie Noord-Brabant uiterst zeldzaam of uitgestorven zijn. Effectenbeoordeling Het plangebied biedt niet de specifieke habitatvereisten als b.v. een hoogwaardig watermilieu, moeras en natuurlijk bos om beschermde soorten verwachten. De begroeiing is van een te algemeen en gecultiveerd soort om bijzondere botanische waarden te verwachten. Natuurlijke en duurzame standplaatsen van beschermde plantensoorten en van andere soorten die enige bijzondere botanische waarden vertegenwoordigen, kunnen ten gevolge van ligging en inrichting van het plangebied geheel uitgesloten worden. Conclusie Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en groeiplekken ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen uitgesloten worden.
4.3.2 Zoogdieren (grondgebonden) Bronnenonderzoek en waarnemingen Bronnenonderzoek De NDFF-gegeven vermelden binnen de 0-1 km-straal buiten vleermuizen geen Habitatrichtlijnsoorten. Binnen de 1-5 km-straal wordt de bever als enige habitatrichtlijn soort vermeld. Uit het middelzware beschermingsregiem van andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt vermelden de NDFF-gegevens binnen de 1 km-straal de eekhoorn. Binnen de 1-5 km-straal worden wezel en bunzing steenmarter als soorten die enige relevantie voor het plangebied kunnen hebben vermeld. Waarnemingen Er werden tijdens het veldbezoek geen waarnemingen van zoogdieren of sporen daarvan gedaan. Effectenbeoordeling Bescherming en voorkomen Onder de strikte Europese bescherming van de Habitatrichtlijn Wnb (§3.2) zijn niet alleen de verblijf- en voortplantingsplekken van een aantal zoogdieren beschermd maar ook de functionele leefomgeving voor het in stand houden daarvan. Onder deze bescherming vallen een aantal zeezoogdieren, die vanzelfsprekend binnenlands uitgesloten kunnen worden. Binnenlands kunnen als Europees beschermde zoogdieren wel bever, otter, noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen verwacht worden. De groep van vleermuizen wordt in een apart hoofdstuk behandeld.
22
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Voor soorten die onder de nationale bescherming vallen gelden ruimere mogelijkheden voor ontheffing en vrijstelling dan voorgaande categorie van strikt beschermde soorten. Een verbod tot verstoring, zoals dit vastgelegd is in §3.2 art.3.5 lid 4 voor zoogdiersoorten die vallen onder de Habitatrichtlijn is voor deze beschermingsgroep niet van toepassing. Dit impliceert daar de verblijfplekken alleen beschermd zijn tegen een directe fysieke aantasting en voor het functioneel leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, geen strikte bescherming geldt. Voor een aantal zeer algemene soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling en is alleen de zorgplicht van toepassing. Deze vrijstelling geldt o.a. kleine zoogdieren als bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel en grotere dieren als ree, vos, haas en konijn. Habitatrichtlijn Wnb §3.2 Uitgezonderd van vleermuizen en bever ligt het plangebied in het algemeen te ver buiten het landelijk verspreidingsgebied en specifiek habitatgebied van zoogdiersoorten waarvoor het strikte beschermingsregime van de Habitatrichtlijn geldt om deze te verwachten. Geschikt habitatgebied van stromend water en begeleidende moeras- en ooibossen voor de bever is op relatief korte afstand te vinden in het stroomgebied van de Reusel.
Binnen het plangebied en directe omgeving ontbreekt dit habitattype en andere landschapselementen die van enig belang voor de bever kunnen zijn. Het plangebied ligt te ver en te geïsoleerd van het meest nabije habitatgebied om de bever met enige kans te verwachten. Andere soorten Wnb §3.3 Op basis van de verspreidingsgegevens, habitatgebruik en landschapskenmerken kunnen met enige kans binnen de omgeving van het plangebied eekhoorn, das, steenmarter en kleine marterachtigen als bunzing en wezel verwacht worden uit de middelzware beschermingscategorie van ‘Andere soorten’ waarvoor geen vrijstelling geldt. De voorkeurshabitat voor eekhoorn bestaat uit gemengde bossen, bosrijke tuinen, parken en houtwallen, daar waar voedselmogelijkheden voorhanden zijn. Het plangebied en omgeving bevatten voldoende substantiële houtbegroeiingen om de eekhoorn met enig kans te verwachten te verwachten. Echter er werden nergens nesten of vraatsporen geconstateerd die erop wijzen dat het plangebied door deze soort bezocht wordt. Verblijfplekken kunnen uitgesloten worden. De steenmarter vindt vaste verblijfplaatsen in oude schuurtjes met weinig menselijke activiteit of woningen met toegankelijke zolder-, en of kruipruimten. De steenmarter laat gewoonlijk duidelijke sporen na als uitwerpselen, prooiresten, stank en krabsporen.
Een bescherming zonder vrijstelling van kleine marterachtigen, als wezel, bunzing en hermelijn geldt sinds 2017 (bij ingang Wet natuurbescherming) binnen de provincies Noord-Brabant en Noord-Holland en wordt sindsdien steeds meer nagevolgd door andere provincies. Kleine marterachtigen leiden een meer verborgen leven en zijn daarom moeilijker op te sporen tijdens een éénmalig veldbezoek. Het plangebied bevat geen bebouwing die schuilgelegenheid kan geven aan marterachtigen; ook de nabijgelegen bebouwing is te gecontroleerd in gebruik om verblijfplekken te verwachten. Binnen het ordelijk plangebied ontbreken zaken als houtstapels, kleine schuurtjes, steenhopen en afvalbergen die verblijf kunnen bieden. Ook het ordelijk onderhouden groen zover dit geamoveerd wordt toont weinig geschiktheid voor verblijf. Niet uitgesloten kan worden dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van marterachtigen, echter verblijflekken binnen de invloedsfeer van de ingrepen kunnen uitgesloten worden. Verblijfplekken van de das kunnen op basis van hun zichtbaar geheel uitgesloten worden. Ook zal de soort de directe bebouwde omgeving voor vestging van verblijfplekken vermijden. Een nationale bescherming met vrijstelling geldt voor een aantal algemene zoogdieren die in de meeste gevallen als uitgesproken cultuurvolger gelden.
Uit deze beschermingscategorie kunnen in het bijzonder binnen de bebouwde omgeving in het algemeen een aantal kleine zoogdiersoorten als gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en egel verwacht worden. Deze zullen zich voornamelijk op terreindelen waar voldoende schuilgelegenheid is in bebouwing en beschutting door groen. In het bijzonder dient rekening gehouden te worden met de egel bij het verwijderen van dichte begroeiingen. Aanbeveling dient om het groen buiten de winterperiode als het dier in winterrust is, te verwijderen Voor alle genoemde soorten dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen bij het aantreffen daarvan. Conclusie
23
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Negatieve effecten op jaarrond verblijfplekken van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt worden binnen de invloedsfeer van de ingrepen niet verwacht, noch aantasting van beschermd functioneel leefgebied voor de instandhouding van jaarrond beschermde verblijfplekken Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, als huisspitsmuis, egel, veldmuis en bosmuis, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten en dient uitsluitend de zorgplicht in acht worden genomen.
4.3.3 Zoogdieren (vleermuizen) Bronnenonderzoek en waarneming Bronnenonderzoek De NDFF-gegevens melden binnen de 1 km-straal vrij veel vleermuizen: de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone/grijze grootoorvleermuis, watervleermuis en als zeldzamere soort de franjestaart. Waarneming Het onderzoek vond plaats op een tijd van de dag en een tijd van het jaar waarop vleermuizen niet actief zijn. Tijdens het veldbezoek kon daarom alleen onderzoek gedaan naar verblijvende vleermuizen, verblijfssporen, verblijfsmogelijkheden en naar de algehele gebiedsgeschiktheid voor vleermuizen. Er werden geen verblijvende vleermuizen geconstateerd, noch verblijfssporen. Tijdens de veldbezoeken wordt onderzoek gedaan naar verblijfplekken, verblijfssporen en verblijfsmogelijkheden in en aan bebouwing en bomen. Vleermuisverblijfplaatsen in bebouwing kunnen in het algemeen aangetroffen worden onder dakpannen, tussen dakbeschot, boeiboorden, onder gevelbekleding, in spleten en kieren in muren of in de spouw door open stootvoegen. In bomen kan verblijf gevonden in holtes, gaten en diepe spleten en achter loshangende schors. Tijdens inspecties op zicht worden zelden verblijvende vleermuizen aangetroffen. Ook sporen die wijzen op vleermuizenverblijf zijn meestal schaars.
De verblijfplekken worden meestal ontdekt op basis van het gedrag van vleermuizen na het verlaten van de verblijfplek. Hiervoor is uitgebreider onderzoek nodig tijdens de uren dat vleermuizen actief zijn Bescherming Alle in Nederland voorkomende vleermuizen staan vermeld in Tabel 3 bijlage IV van de Europese habitatrichtlijn en zijn daardoor op Europees niveau beschermd. Deze bescherming betreft ook de vaste rusten verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan:” het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”.
Toelichting Vleermuizen onderhouden verschillende type verblijfplekken als paarverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en zomerverblijven. Voor de staat van instandhouding van de lokale populatie van de soort zijn de kraamverblijven en de grote winterverblijven van het grootst belang. In gebruik van paarverblijven zijn vleermuizen het meest flexibel. In de loop van het seizoen wisselen vleermuizen regelmatig van verblijfplaats waarbij gebruik wordt gemaakt van vaste routes tussen de verblijfplekken. Eveneens tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen onderhouden vleermuizen vaste routes. Bij het gebruik van deze routes oriënteren vleermuizen zich op lijnvormige elementen in het landschap zoals bomenlanen, kanalen en houtwallen. Dit gehele systeem van verbindingsroutes en foerageergebieden die het functioneren van de verblijfplaatsen voor hun specifieke functies mogelijk maakt wordt de functionele leefomgeving genoemd. Ingrepen binnen de functionele leefomgeving die het functioneren van de verblijfplaatsen aantasten worden door de wetgever gelijkgesteld aan de aantasting van verblijfplekken zelf. In deze zin is de functionele leefomgeving even strikt beschermd als de verblijfplekken.
Effectenbeoordeling Verwachtingskans De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis in Nederland die vrijwel overal binnen de bebouwde omgeving voorkomt en vrijwel zeker ook binnen of nabij het plangebied zal foerageren. De meeste waarnemingen hebben betrekking op deze soort. De laatvlieger is ook binnen de bebouwde omgeving ook een algemene soort, maar minder talrijk. Van de overige soorten die de NDFF-gegevens vermelden kunnen een aantal ook in bebouwing verblijven. De watervleermuis verblijft zowel in bebouwing als in holle bomen, maar foerageert voornamelijk boven open water. De algemene rosse vleermuis is een specifiek bewoner van holten
24
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
in bomen en daardoor voor zijn verblijfplekken afhankelijk van oude bomen van lanen, bossen en stadsparken. De soort kan foeragerend in of nabij het plangebied verwacht worden. Verblijfplekken Het plangebied bevat geen bebouwing en bomen die verblijf aan vleermuizen kunnen bieden. Binnen de directe omgeving buiten het plangebied kunnen alleen verblijfplekken onder de dakpannen van de woning op adres Emmerseweg 2 niet uitgesloten worden. Er zijn overhangende dakpannen die aangevlogen kunnen worden om verblijfplekken onder de dakpannen te bereiken. De stamresten van de oude schietwilg aan de achterkant van de woning bevatten gaten en holen die in principe verblijfplekken aan de rosse vleermuis kunnen verschaffen. Echter deze boom staat erg dicht op de bebouwing die op deze hoogte een grote serre bevat; de verstorende invloed vanuit de bebouwing, met name de hoge lichtbelasting vanuit de aanliggende serre, kunnen te hoog geacht worden om vestiging van verblijfplekken te verwachten. Ook kan verwacht worden dat de het zachte en vochtige wilgenhout te ver doorgerot is om stabiele verblijfsmogelijkheden te bieden. De rottingsholten zijn tamelijk groot en laten veel licht toe.
In het algemeen kan verwacht worden dat de afstand tot de voornoemde verblijfsmogelijkheden voldoende is om verstoring te mijden indien een aantal voorzorgsmaatregelen in acht genomen worden met betrekking tot lichtbelasting zowel in de uitvoerende fase als bij het ontwerpen van een lichtplan voor de nieuwe woning. Leefgebied Het complex van tuinen waarbinnen het plangebied ligt kan als meer dan gemiddeld van betekenis geacht worden als foerageergebied binnen het leefgebied van vleermuizen. Echter het groen dat in het kader van de ontwikkeling wordt geamoveerd is te gering wat betreft oppervlak en kwaliteit om van enige invloed te zijn op de kwaliteit van dit leefgebied. Zeker als in aanmerking genomen wordt dat het verlies van dit groen op den duur ruim gecompenseerd wordt. Als ook de verdere natuurontwikkeling op het ruime terrein achter Emmerseweg 2A in acht wordt genomen ligt een significante verbetering van dit leefgebied meer voor de hand. Uitgesloten kan worden dat de ontwikkeling een aantasting betekent van groenstructuren die van enige betekenis kunnen zijn als schakel binnen belangrijke lokale trek- en foerageerroutes. Conclusie Directe aantasting van verblijfplekken ten gevolge van de ontwikkeling kan geheel uitgesloten worden.
Om verstoring van mogelijke verblijfplekken in nabijgelegen bebouwing en, in meer in algemene zin, verstoring van foerageergebied van vleermuizen te voorkomen dienen zowel in de uitvoerende als gebruiksfase een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden in het bijzonder met het oog op een overmaat aan lichtbelasting. Zie hiervoor hoofdstuk 6.2.
4.3.4 Vogels Bescherming algemeen Alle vogels zijn Europees beschermd door middel van de Vogelrichtlijn. In de Wet natuurbescherming worden alle broedende vogels strikt beschermd. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is. Van een aantal vogelsoorten worden de nesten ook buiten het broedseizoen strikt beschermd (zie overzicht hieronder). Voor een verdere toelichting zie ook bijlage2.
Bescherming categorieën Soorten uit categorieën 1, 2, 3 en 4, verblijfplekken altijd jaarrond beschermd). Nesten jaarrond beschermd, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Soorten: Boomvalk, Buizerd, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart, Havik, Huismus, Kerkuil, Oehoe, Ooievaar, Ransuil, Roek, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Wespendief en Zwarte wouw. Soorten uit de categorie 5, jaarrond bescherming verblijfplekken optioneel Soorten: Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Bosuil, Brilduiker, Draaihals, Eidereend, Ekster, Gekraagde roodstaart, Glanskop, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Grote bonte specht, Hop, Huiszwaluw, IJsvogel, Kleine bonte specht, Kleine vliegenvanger, Koolmees, Kortsnavelboomkruiper, Oeverzwaluw, Pimpelmees, Raaf, Ruigpootuil, Spreeuw, Tapuit, Torenvalk, Zeearend, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart en Zwarte specht. Overige soorten: verblijfplekken alleen beschermd indien sprake is van een daadwerkelijk broedgeval Soorten: overige soorten.
25
Ecologische quickscan – Herontwikkeling Emmerseweg 2 en 2A te Diessen
Bronnenonderzoek en waarnemingen Bronnenonderzoek De NDFF-gegevens melden uit de strikte beschermingscategorie binnen de 1 km-straal kerkuil, steenuil, gierzwaluw en huismus als soorten die hoofdzakelijk in bebouwing verblijven en torenvalk en grote gele kwikstaart als soorten die verblijf in bebouwing kunnen onderhouden. Als soorten uit de strikte beschermingscategorie die in bomen broeden worden binnen de 1 km-straal rond het plangebied ooievaar, buizerd, sperwer, boomvalk en ransuil vermeld. Waarnemingen Waarnemingen betroffen een aantal algemene tuinvogels als koolmees, houtduif, merel en roodborst. Er werden nergens nesten of verblijfplekken geconstateerd. Effectenbeoordeling Voor soorten uit de beschermingscategorie 1,2,3 en 4 zijn niet alleen de nesten, maar ook de rust en andersoortige verblijfplekken als rust- en winterverblijven jaarrond beschermd. Ook bij tijdelijke afwezigheid geldt deze bescherming. Deze bescherming geldt niet alleen tegen de directe fysieke aantasting van de verblijfplekken maar ook tegen de verstoring daarvan. De bescherming geldt tevens het functionele leefgebied voor de instandhouding van de verblijfplekken, zoals essentieel foerageergebied en trek- en verplaatsingsroutes. Voor categorie 5 is deze bescherming optioneel indien de instandhouding van de soort bedreigd wordt, b.v. door gebrek aan nestgelegenheid.
Voor de categorie overige vogels geldt de bescherming alleen als er daadwerkelijk sprak is van een broedgeval. Verblijfplekken in bebouwing (categorie 1,2,3 en 4) Uit deze zwaarste (strikte) beschermingscategorie vallen een aantal soorten die als uitgesproken cultuurvolgers gelden en voor hun verblijfsmogelijkheden geheel afhankelijk van bebouwing zijn. Binnen een landelijke omgeving met kleinschalige bebouwing betreffen dit huismus, kerkuil en steenuil. Deze soorten zullen het grote oppervlak aan landbouwgronden vermijden en zich verplaatsen en voedsel zoeken binnen de beschutting van de bebouwde linten en langs groenstructuren. Tijdens het veldbezoek werden geen soorten uit deze categorie waargenomen. Bij inspectie van de nabijgelegen bebouwing die o.a. de dakgoten betroffen, werden geen aanwijzingen van nestelplekken van huismussen geconstateerd. Bebouwing die verblijf aan uilen kan bieden ontbreekt binnen de omgeving. Er wordt in het kader van de projectontwikkeling geen bebouwing geamoveerd waardoor directe schade aan verblijfplekken van soorten die hoofdzakelijk in of aan bebouwing verblijven niet mogelijk is. In het groen werden nergens sporen geconstateerd die erop wijzen dat uilen binnen en nabij het plangebied rustplekken en uitkijkposten onderhouden.
Echter dit sluit niet uit dat huismus, kerkuil en steenuil binnen de directe omgeving foerageren en het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van deze soorten. De voorgenomen kleinschalige projectontwikkeling betekent naar verwachting echter geen aantasting van dit leefgebied die op enige manier significant kan zijn. Wel dienen enige voorzorgsmaatregelen genomen worden om de lichtbelasting te beperken met het oog op foeragerende nachtdieren. De voorgenomen nieuwe groene inrichting en natuurontwikkeling op naburig terrein zal op den duur een verbetering van het leefgebied van genoemde soorten betekenen. Jaarrond beschermde verblijfplekken in bomen (categorie 1,2,3 en 4) Naast soorten die in of aan bebouwing broeden valt ook binnen deze beschermingscategorie een brede groep van voornamelijk roofvogels die voor hun nestgelegenheid van bomen afhankelijk zijn. Een soort als de ransuil maakt altijd gebruik van oude nesten van andere vogels. Andere soorten anders dan roofvogels uit deze beschermingscategorie zijn roek en ooievaar. De roek is een koloniebroeder en de ooievaar wijkt ook uit naar menselijke bouwwerken als hoogspanningsmasten en schoorstenen. Nesten van de meeste soorten uit deze groepen konden op basis van hun zichtbaarheid binnen het plangebied al snel uitgesloten worden.
Uitgezonderd van de sperwer kennen de soorten een dusdanig landschapsgebruik dat het plangebied hooguit van een marginale betekenis is binnen hun habitatgebied. Er werden binnen het plangebied en de invloedsfeer van de ingrepen geen nesten van sperwer of sporen die daarop wijzen geconstateerd. Jaarronde bescherming van de verblijf optioneel catg.5