10 bp Witvenstraat ong. (6 bijlage Toelichting)
Tekst van het document
De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit.
Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de Pagina 29 van 63
lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.
Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.
De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de Pagina 30 van 63
compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1. Voor de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning wordt 400 m² verhard oppervlak verwacht (100 m² woning, 200 m² erfverharding en 100 m² bijgebouw). De vereiste compensatie wordt berekend door het te verharden oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met de gevoeligheidsfactor en een waterschijf van 60 mm (0,060 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De benodigde compensatie binnen de planlocatie betreft dus: 400 x 1 x 0,06 = 24 m³.
Afbeelding 17 compensatiefactor kaart
Pagina 31 van 63
Afbeelding 18 uitsnede kaart GHG
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de planlocatie is 60-80 cm beneden maaiveld. Om de berging van water te waarborgen wordt aan het einde van het perceel een zaksloot over de breedte van het perceel gerealiseerd (ca. 26 m1). De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld ca. 50 cm (20 cm boven gemiddelde GHG). De zaksloot heeft een lengte van 26 m1 en een minimale breedte van 2 m1, waardoor circa 26 m3 waterberging ontstaat. Op onderstaande afbeelding is de locatie van de beoogde zaksloot weergeven. Tevens wordt voorzien in een noodoverlaat op de zaksloot / bergingsvoorziening. Dit om wateroverlast voor de omgeving te voorkomen wanneer de bergingsvoorziening gevuld is. Deze wordt met een verlaging in het maaiveld gekoppeld worden aan een nabijgelegen afvoerende watergang.
Afbeelding 19 uitsnede landschappelijk inpassingsplan met beoogde waterberging
Pagina 32 van 63
Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van nieuwbouw van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie 4.4.1 Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).
Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Op basis van onderstaande uitsnedes van provinciale en gemeentelijke cultuurhistorische kaarten is inzichtelijk gemaakt of er cultuurhistorische waarden in de omgeving aanwezig zijn. Uit de uitsneden blijkt dat in de omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg gezienafwezigheid van cultuurhistorische waarden in de omgeving.
Pagina 33 van 63
Afbeelding 20 Cultuurhistorische kaart Noord-Brabant
Pagina 34 van 63
Afbeelding 21 Cultuurhistorische kaart Hilvarenbeek 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn.
Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.
Pagina 35 van 63
Afbeelding 22 Uitsnede archeologische beleidskaart Hilvarenbeek
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 500 m² geen restricties. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is de planlocatie dan ook gelegen in een gebied met een archeologische verwachting waarvoor een ondergrens van 500 m² wordt gehanteerd voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Voor de ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk voor de bouw van de ruimte-voor-ruimte woningen met bijgebouw. Waarvan de totale bodemverstoring ruimschoots minder zal zijn dan 500 m². De ontwikkeling heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden.
Pagina 36 van 63
Conclusie Het plan beoogt bodemingrepen. De omvang hiervan overschrijdt echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.
Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten behoudens de emissie van stikstof. De afstand tot de beschermde gebieden is dermate groot dat overige relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen stikstofgevoelige deel van een Natura2000-gebied betreft Kempenland-West op circa 4,5 kilometer.
Afbeelding 23 dichtst gelegen Natura2000-gebied tot planlocatie
Pagina 37 van 63
Om de gevolgen ten aanzien van stikstofdepositie in beeld te brengen zijn berekeningen met Aerius gemaakt voor de gebruiksfase en voor de realisatiefase. Hierbij is uitgegaan van: Gebruiksfase De verkeersbewegingen zoals genoemd in paragraaf 2.5. Afgerond 9 verkeersbewegingen tot wanneer het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld bij de kruising met Lage Haghorst en kruising Sint Josefstraat. De nieuwe woning wordt gasloos gerealiseerd, in de berekening zijn dus geen verwarmingsbronnen zoals cv-installatie e.d. meegenomen. Realisatiefase Totaal verspreid over bouwfase 5 dagen (40 uur) mobiele kraan; uitgraven bouw Totaal verspreid over bouwfase 5 dagen (40 uur) laadschop; uitgraven bouw Totaal verspreid over bouwfase 5 dagen (40 uur) verreiker; bouw- werkzaamheden 1x per dag afvoer sloop / aanvoer bouwmateriaal per zwaar vrachtverkeer (worst-case) Dagelijks 4 ritten licht verkeer (bouwbedrijf/aannemersbedrijf) Alle bovenstaande berekening hebben geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de Aerius berekeningen.
Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de Pagina 38 van 63
verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door het planvoornemen wordt een woning gebouwd op een bestaand graslandperceel/voortuin. Het grasland wordt in de bestaande situatie regulier gemaaid en kort gehouden. Tevens is een strook bosplantsoen aanwezig. Het bosplantsoen betreft jong opschot met een stamdiameter < 15 cm. Deze strook blijft in beginsel behouden en staat het bouwen van de woning niet in de weg. Hieronder zijn foto’s van de bestaande situatie weergeven.
Afbeelding 21 Huidige situatie planlocatie als (voor)tuin
Pagina 39 van 63
Afbeelding 22 Overzichtfoto’s perceel
Afbeelding 23 Overzichtfoto perceel met Berk rechtsachter (te behouden)
Afbeelding 24 Aanwezige bosplantsoen noordzijde perceel, stamdiameter <15 cm, geen holtes of nesten aanwezig.
Pagina 40 van 63
Het perceel wordt momenteel gebruikt als tuin met gras. Ongewenste begroeiing (onkruid) wordt handmatig verwijdert en het bosplantsoen wordt jaarlijks bijgehouden en gesnoeid. Gezien het huidige gebruik van het perceel is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daarnaast ontbreekt het aan geschikt habitat. Het bosplantsoen heeft maar een beperkte oppervlakte zonder bodembedekking, de mogelijkheden als zijnde habitat of fourageergebied zijn voor beschermde of bijzondere soorten is hierdoor zeer gering. Door middel van de Effectenindicator Soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op www.synbiosys.alterra.nl is gekeken of de bouw van de woning en het wijzigen van de bestemming een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten en planten. De Effectenindicator van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit maakt daarbij gebruik van de meest actuele gegevens van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Conclusie Flora- en Faunascan De resultaten van deze scan zijn opgenomen in onderstaande afbeelding. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Wet Natuurbescherming door het planinitiatief onwaarschijnlijk is.
Afbeelding 25: Projectgebied Effectenindicator
Pagina 41 van 63
Afbeelding 26 Resultaat Effectenindicator
Conclusie Er is in de huidige situatie sprake van reguliere (voor)tuin bestaande uit grasland dat regulier wordt beheerd (gemaaid). Tevens blijkt uit de Effectenindicator soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) dat geen sprake is van de aanwezigheid van belangrijke nest- en/of verblijfplaatsen voor bedreigde soorten. Tevens is geen sprake van een habitat waar dergelijke soorten verwacht mogen worden. Het voortbestaan van individuele kwetsbare soorten, of kwetsbaar habitat, wordt door het voornemen niet bedreigt. Mogelijke effecten hebben geen directe of indirecte gevolgen op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en plantsoorten. Lokaal zullen niet specifiek beschermde diersoorten (muizen, konijnen, vogels) uit het plangebied trekken, op zoek naar een vervangende biotoop. Voor eventuele aanwezige soorten is in de omgeving voldoende vervangende biotoop aanwezig. Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art.
82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De te realiseren ruimte-voor-ruimte-woning betreft een geluidsgevoelig gebouw. De woning is gelegen aan de weg Witvenstraat. Deze weg betreft een erftoegangsweg tussen de kern van Haghorst en de weg Lage Haghorst. De weg betreft enkel een erftoegangsweg en géén dominante doorgaande weg of verkeersroute tussen de kern en Lage Haghorst. Aan de weg zijn circa 10 woningen gelegen. De verkeersintensiteit van de weg is hierdoor laag.
Pagina 42 van 63
In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt aangesloten bij de bestaande regels in het buitengebied voor het bouwen van een woning. Zo bepalen de regels dat de afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt bij het bouwen van een woning. Op basis van de huidige situatie is conform de Atlas van de leefomgeving sprake van een beter dan ‘goed’ (< 45 dB) woon- en leefklimaat aangaande geluid afkomstig van het wegverkeer ter plaatse van de beoogde woning.
Afbeelding 27 Actuele geluidsbelasting Atlas Leefomgeving < 45-50 dB
De maatgevende geluidbelasting op de nieuwe woning is bepaald middels Standaard Rekenmethode I van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De invoergegevens zijn bepaald middels de Infomil applicatie ‘VI Lucht en Geluid’ welke als bijlage zijn toegevoegd. De rekenmethode heeft geleid tot onderstaande geluidsniveau’s waarbij de correcties van artikel 110 Wgv nog niet zijn afgetrokken. Aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB wordt derhalve voldaan.
Afbeelding 28 Berekende geluidsbelasting
Gezien de verkeersintensiteit minimaal is, én 15 meter afstand gehouden moet worden tot de as van de weg bij de realisatie van de woning worden de waarden vanuit de Wet geluidhinder voldoende in acht genomen. Daarbij is sprake van een beter dan ‘goed’ woon- en leefklimaat in de huidige situatie ten aanzien van wegverkeerslawaai. In de nabije toekomst zijn hierin geen veranderingen te verwachten. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Pagina 43 van 63
4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het realiseren van één ruimte-voor-ruimte woning. Een woning wordt niet gezien als een milieubelastende functie, enkel als een milieugevoelige functie. Op onderstaande afbeelding zijn de omliggende bedrijven weergeven met het van toepassing zijnde bedrijfstype.
Wilhelminadijk 6 Bedrijf t/m cat. 3.2 Wilhelminadijk 7c
De Voorste Welder 2-4-6 Bedrijft t/m cat. 3.1 Witvenstraat 23A VAB
Witvenstraat 23B Paardenhouderij
Afbeelding 29: Omliggende bedrijfsfuncties Zoals afgebeeld bestaan de milieubelastende functies in de omgeving uit agrarische en niet-agrarische bedrijven. Op relatief korte afstand is sprake van een bedrijventerrein waar bedrijven tot milieucategorie 3.1 en 3.2 zijn toegestaan. Tevens is op dit bedrijventerrein sprake van een vergunde inrichting voor het accepteren, opslaan en sorteren van gemengd bouw- en sloopafval, het opslaan van gesorteerde afvalstoffen, de opslagcapaciteit van puin en granulaat verhogen en het inpandig breken van puin, zeven van grond en asbesthoudende grond en puin. Gezien de aanwezige bedrijvigheid in de omgeving is het gebied te typeren als zijnde een “gemengd gebied” op grond van de VNG-publicatie. Pagina 44 van 63
In onderstaande tabel zijn de omliggende bedrijven weergeven alsmede de richtafstanden overeenkomstig de VNG-handreiking, waarbij één afstand en de werkelijke afstand van de rand van het bouwvlak tot de gevel van de beoogde woning. Locatie Wilhelminadijk 6
Omschrijving VNG Bedrijf t/m cat. 3.2
Adviesafstand 50 meter
Werkelijke afstand 200 meter
De Voorste Welder 2-4-6 Wilhelminadijk 7c (nog niet gerealiseerd)
Bedrijf t/m cat. 3.1
30 meter
60 meter
Inpandige puinbrekerij (24.000 ton p/jr). Zeven van grond 10.000 ton p/jr.
110 meter
Witvenstraat 23B
Paardenhouderij
Niet genoemd in VNGpublicatie. Een puinbrekerij tot 100.000 ton p/jr heeft een richtafstand van 200 meter 30 meter
Witvenstraat 23A
Agrarisch (nietveehouderij)
10 meter
220 meter
107 meter
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de voorgeschreven adviesafstand behoudens de vergunde inrichting op Wilhelminadijk 7c, dit wordt in de paragraaf hieronder verder toegelicht. Voor de overige bedrijven in de omgeving mag worden aangenomen dat ter plaatse van de woning geen onaanvaardbare hinder is te verwachten. Tevens worden omliggende bedrijven niet aangetast in hun toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden. 4.9.1 Wilhelminadijk 7c Haghorst Op 17 januari 2003 is voor de locatie Wilhelminadijk 7c een milieuvergunning verleend voor het in werking hebben van een inrichting voor het inpandig opslaan, be- en verwerken van bouw- en sloopafval; het opslaan en zeven grond en het opslaan en inpandig zeven van asbesthoudende grond en puin. Tot op heden is nog geen uitvoering gegeven aan deze milieuvergunning. Het is echter aannemelijk dat de beoogde bedrijfsvoering van invloed is op het woon- en leefklimaat bij de beoogde nieuwe woning, dit wordt hieronder verder toegelicht. Het beoogde bedrijf op Wilhelminadijk 7c wordt niet gehinderd in zijn bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden omdat andere burgerwoningen reeds dichterbij zijn gelegen.
Daarbij valt de vergunning reeds onder het overgangsrecht voor gebruik op basis van het huidige bestemmingsplan en wordt het bedrijf hierdoor reeds door het bestaande bestemmingsplan in zijn mogelijke ontwikkeling beperkt. Noodzakelijke bedrijfshal en keerwanden Op onderstaande afbeelding is een uitsnede weergeven van de plattegrondtekening behorende bij de verleende milieuvergunning. Om uitvoering te kunnen geven aan de milieuvergunning dient allereerst een bedrijfshal te worden opgericht van 9,35 m hoogte met een diepte van 2 m onder maaiveld. Tevens dienen keerwanden van 2 m hoog te worden gerealiseerd aan de oostzijde van de inrichtingsgrens. Wanneer deze bouwwerken zijn gerealiseerd is er richting de planlocatie Witvenstraat ongenummerd sprake van een geheel dove gevel van 9,35 m hoog. Aan de oostgrens van de inrichting wordt een keerwand van 2 m hoog gerealiseerd waardoor ook hier sprake is van een geluidsdempende voorziening.
Pagina 45 van 63
Afbeelding 30 uitsnede plattegrondtekening milieuvergunning Wilhelminadijk 7c
Tussen de inrichting Wilhelminadijk 7c en de planlocatie is sprake van meerdere geluidsgevoelige objecten, namelijk de bedrijfswoning Voorste Welder 6 (volgens de milieuvergunning van 7c behoort deze woning niet tot de inrichting). Het kantoor/werkplaats Voorste Welder 4. De burgerwoning Witvenstraat 18 en 29. En de burgerwoningen Witvenstraat 25, 27 en 29 zijn gezien de vergunde bedrijfsopzet op Wilhelminadijk 7c dichterbij de inrichting gelegen dan de beoogde woning op de planlocatie.
Wilhelminadijk 7c
planlocatie Afbeelding 31 Omliggende woningen tussen planlocatie en inrichting op Wilhelminadijk 7c
In de milieuvergunning van het bedrijf Wilhelminadijk 7c zijn onderstaande voorschriften opgenomen ten aanzien van het voorkomen van geluidshinder voor de omgeving. Voor de woning Pagina 46 van 63
Witvenstraat 18 moet voldaan worden aan de norm van 37 dB(A). Bij de bestaande woning Witvenstraat 29 moet worden voldaan aan 36 dB(A) in de dagperiode. De beoogde woning komt op eenzelfde hoogte te liggen als de twee voornoemde burgerwoningen. Op basis van de VNG-publicatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, uitgaande van het gebiedstype “gemengd gebied” als sprake is van maximaal: - 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal piekgeluiden; - 50 dB(A) verkeersaantrekkende werking. Gezien de opgenomen vergunningsvoorschriften voor Wilhelminadijk 7c en de maximale norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 36 dB(A) op de woning Witvenstraat 29 en 37 dB(A) op Witvenstraat 18 mag met zekerheid worden aangenomen dat de geluidsbelasting op de nieuwe beoogde woning minder zal bedragen dan 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Ook in geval van de 12 keer per jaar dat puin wordt gebroken en gezeefd mag het geluidsniveau niet meer bedragen dan 45 dB (A). Tevens is doormiddel van vergunningsvoorschrift 2.1.3 zekergesteld dat het piekgeluid niet meer dan 70 dB(A) mag bedragen op omliggende woning. Geluidshinder afkomstig van verkeersaantrekkende werking is ter plaatse van de beoogde woning niet voorstelbaar gezien het verkeer naar Wilhelminadijk 7c wordt ontsloten via de Wilhelminadijk.
Met zekerheid kan daarom gesteld worden dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Afbeelding 32 Uitsnede vergunningvoorschriften
Pagina 47 van 63
4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom.
Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.
Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
4.10.1 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant kan de achtergrondbelasting van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 3 tot 7 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie.
Pagina 48 van 63
Afbeelding 33: Kaart achtergrondbelasting planlocatie (Bron: ODZOB, peildatum februari 2021)
Omliggende veehouderijen Binnen een straal van 400 meter zijn geen stallen van veehouderijen aanwezig. Op basis van bovenstaande afbeelding is op te maken dat de veehouderijen, welke dieren houden met een geuremissiefactor, te weten Frankentraat 2 en Emmerseweg 24 het meeste van invloed zijn op de planlocatie.
Frankenstraat 2 (36.331 ou/s) Emmerseweg 24 (23.140 ou/s) Afbeelding 34 Omliggende veehouderijen
Emmerseweg 24 ligt op een afstand van circa 370 meter en Frankenstraat 2 op een afstand van 500 meter. Gezien de windrichting (vaak zuidwesten wind) en dat op Frankenstraat 2 in verhouding tot de afstand meer geuremissie is vergund dan op Emmerseweg 24 is bepaald dat Frankenstraat 2 het meest dominant is voor de ontwikkeling. Zoals uit paragraaf 4.10.2 zal blijken is de berekende geurbelasting dermate laag dat ook voor Emmerseweg 24 mag worden aangenomen dat deze de geurnorm van 7 niet overschrijdt.
Pagina 49 van 63
4.10.2 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Ten aanzien van veehouderijen met dieren waarvoor gèèn geuremissiefactor is vastgesteld, is de veehouderij op Witvenstraat 23B het meest van invloed voor de individuele geurhinder op de planlocatie. De locatie betreft een paardenhouderij waarvoor (op grond van de Wgv) een vaste afstand van 50 meter aangehouden dient te worden ten opzichte van een woning in het buitengebied. De paardenhouderij is op 107 meter gelegen van de beoogde woning. Ten aanzien van veehouderijen met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld is de veehouderij op Frankenstraat 2 het meest relevant. Op deze veehouderij is een geuremissie vergund van 36.331 Ou/s. Om de geurbelasting op de planlocatie te bepalen is een geurberekening gemaakt met V-Stacks Vergunning ten opzichte van het worst-case emissiepunt van het bouwvlak van Frankenstraat 2. Voor de berekening zijn onderstaande uitgangspunten genomen.
Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 3-12-2021 10:43:05 Rekentijd: 0:00:02 Naam van het bedrijf: Frankenstraat 2 Berekende ruwheid: 0,18 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Worstcase EP Frstr.2
141 594
389 355
5,0
5,0
0,50
4,00
36 331
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5
GGLID Witvenstraat N Witvenstraat O Witvenstraat Z Witvenstraat W
Xcoordinaat 142 035 142 053 142 036 142 021
Ycoordinaat 389 605 389 566 389 550 389 594
Geurnorm 7,0 7,0 7,0 7,0
Geurbelasting 2,7 2,6 2,7 2,8
Pagina 50 van 63
N W
O Z Afbeelding 35 en 36: Worstcase emissiepunt Frankenstraat 2
Immissiepunten planlocatie
Uit de berekening blijkt de geurbelasting maximaal 2,8 ouE is, zijnde een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij worden niet geschaad door het planvoornemen gezien meerdere burgerwoningen dichter zijn gelegen tot de veehouderij. Tevens wordt de norm van 7 ouE, uit de gemeentelijke geurverordening, niet overschreden. Conclusie Het plan ziet toe op de realisatie van een woning, zijnde geurgevoelige objecten. Bij de beoogde ruimte-voor-ruimte woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij worden omliggende veehouderijbedrijven niet beperkt in hun ontwikkeling. Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.
Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Pagina 51 van 63
Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 500 meter van de planlocatie zijn geen stallen van varkenshouderijen gelegen. Op circa 950 meter is een pluimveehouderij gelegen (Emmerseweg 16) voor deze pluimveehouderij is momenteel een bestemmingsplan in voorbereiding ter sanering van de locatie. Op basis van het toetsingskader is het bereken van een afstand groter dan 500 meter voor pluimveehouderijen niet aan de orde. Verder zijn binnen 1 kilometer geen pluimveehouderijen gelegen.
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid.
Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (6 km) • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (4,6 km) • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (5 km) • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (4,2 km) • Tuldensedijk 7 Esbeek (6,8 km) • Hoekje 9 Diessen (2,2 km) • Esbeeksedijk 4 Diessen (4,7 km) • Frankenstraat 2 Haghorst (500 meter) • Ontginningsweg 15 Haghorst (1,2 km) De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij (Frankenstraat 2) tot het plangebied bedraagt 510 meter zoals gemeten in onderstaande afbeelding. Pagina 52 van 63
Afbeelding 37 Afstand tot Frankenstraat 2
Dit is buiten een straal van 500 meter. De geitenhouderij op Ontginningsweg 15 is gelegen op 1,2 kilometer. Overige geitenhouderijen zijn ruim verder dan 2 kilometer van de planlocatie gelegen. Tussen de toe te voegen wooneenheden en de geitenhouderij zijn meerdere woningen gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is op locatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zowel op basis van geur als op endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Het plan ziet er op toe dat een veehouderij-locatie wordt weggenomen, waardoor eveneens toekomstige nadelige gezondheidseffecten worden weggenomen. Door het saneren van een varkensbedrijf tegen de bebouwde kom worden endotoxine op de bebouwde kom weggenomen. Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij zijn meerdere (burger)woningen gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat, hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Uit toetsing aan het stappenplan blijkt dat enkel niet voldaan kan worden aan stap 5a, daar geitenhouderijen binnen 2 km tot het plangebied zijn gelegen. Aan de overige stappen kan worden voldaan. Indien niet voldaan kan worden aan stap 5, besluit het bevoegd gezag of de gezondheidssituatie aanvaardbaar is, waarbij het de mogelijkheid heeft om een advies bij de GGD op te vragen en de resultaten van deze beoordeling kan betrekken. Omdat wel aan stap 5b (toekomstig geen pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten) en 5c (geen overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom) en gelet op de ruime afstand tot de geitenhouderijen, wordt het opvragen van advies bij de GGD niet noodzakelijk geacht. De gezondheidssituatie binnen het plangebied wordt in relatie tot veehouderijen aanvaardbaar geacht. De geitenhouderijen liggen op ruime afstand van het plangebied. Pagina 53 van 63
4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute, namelijk de A58 gelegen op circa 3 kilometer.
In verband met het vervoer van toxische stoffen geldt een invloedsgebied op de A58 van 4 kilometer. Om die reden dient getoetst te worden aan artikel 7 Bevt, waarbij een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid gegeven dient te worden in relatie tot het toxisch scenario. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio opgesteld, derhalve is deze toegevoegd in de bijlage. De overige risicobronnen in de omgeving zijn: - DPO-leiding (op ca. 120 m.) - PRB-leiding (op ca. 1 km.) De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstanden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.
Pagina 54 van 63
Afbeelding 38: Uitsnede Risicokaart.nl 4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald Pagina 55 van 63
(overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
4.13.1 Beoordeling NIBM In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Indien het planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool, waarbij de verkeersgeneratie uit paragraaf 2.5 is aangehouden.
Pagina 56 van 63
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
18
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Afbeelding 39 : NIBM-tool met dagelijkse verkeersbewegingen
4.13.2 Woon- en leefklimaat Conform onderstaande actuele pm10 en pm2,5 kaart is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range die de normen van pm10 respectievelijk pm2,5 niet overschrijdt. Gezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht. Het woon- en leefklimaat voldoet aan de normen zoals hierboven beschreven.
Afbeelding 40: PM2,5 – 2019 concentratie van 10-11 microgram
Pagina 57 van 63
Afbeelding 41: PM10 – 2019 concentratie van 18-19 microgram
4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als
Pagina 58 van 63
uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(- beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.
Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woning binnen een relatief kleine omvang. Derhalve wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r.
Pagina 59 van 63
5 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2 Opbouw bestemmingsplan In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen dient vast te stellen, waarbij ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’ de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruiken en bebouwen van gronden. De Wro en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat een nadere uitwerking uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Een bestemmingsplan bestaat in ieder geval uit een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Een bestemmingsplan dient bovendien ten aanzien van de planologische mogelijkheden en beperkingen eenvoudig raadpleegbaar te zijn. Daarom zijn er standaarden vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening, waarmee plannen op een vergelijkbare wijze worden opgebouwd en gevisualiseerd. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) biedt bindende standaarden voor de opbouw en de regels en de verbeelding van een bestemmingsplan. Bij onderhavig plan worden deze standaarden gevolgd. Daarbij dienen de volgende bestemmingsplannen als basis voor het onderhavige plan: - ‘Buitengebied’ (vastgesteld 13-3-2014) - ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’ (vastgesteld 7-3-2018) - ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018 (vastgesteld 8-11-2018)
Pagina 60 van 63
6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2 Economische uitvoerbaarheid De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en Gemeente Hilvarenbeek draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van eventuele planschade. De plankosten worden verhaald via een tussen de gemeente Hilvarenbeek en de initiatiefnemer gesloten anterieure overeenkomst. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.