CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 bp Nijssenstraat 4 (3 bijlage 2a Toelichting)

Gemeenteraad 11 mei 2022, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan “Nijssenstraat 4, Haghorst”.24.141 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

24

Om het erf zorgvuldig landschappelijk in te passen zal een aardewal met gebiedseigen beplanting aan de noord-, oost- en zuidzijde van het erf worden gerealiseerd. De exacte uitwerking van deze inpassing is opgenomen in Bijlage 1 behorende bij de Regels van dit bestemmingsplan. Er wordt in ieder geval aangesloten bij het rechtlijnige karakter van het landschap. Met de vormgeving van het bouwvlak, de situering van de gebouwen en met de realisatie van de landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek.

3.2.3

Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ voor het plangebied vigerend. De beoogde ontwikkeling om het bouwvlak van vorm te veranderen is niet rechtstreeks mogelijk binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Middels een wijzigingsbevoegdheid uit het vigerend bestemmingsplan zou de vormverandering van het bouwvlak in grote lijnen mogelijk gemaakt kunnen worden. De gemeente heeft aangegeven dat het een vereiste is dat de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – overige veehouderijen’ wordt verwijderd. Het is dan niet langer meer mogelijk om op locatie bedrijfsmatig een veehouderij te exploiteren. Voor het verwijderen van deze aanduiding zijn geen binnenplanse mogelijkheden opgenomen in het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan kan dan ook om deze reden niet toegepast worden. Verder wordt middels dit bestemmingsplan de maximale oppervlakte van 500 m2 aan groepsaccommodatie en 150 m2 aan bed & breakfast vastgelegd. Hierdoor is het noodzakelijk om de totale beoogde situatie vast te leggen middels een partiële herziening van het bestemmingsplan.

3.2.4

Regionale werkafspraken Landschapsinvesteringsregeling

In de LIR is opgenomen als categorie 2:

Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist). - Voor zover de locatie gelegen is in het gemengd landelijk gebied, als bedoeld in de Verordening ruimte 2014 (reeds Interim omgevingsverordening Noord-Brabant): vergroten agrarisch bouwvlak tot 1,5 ha; - Vormverandering van een (agrarisch) bouwvlak of van een bestemmingsvlak (zonder afwijking van de geldende bouwregels); - Omschakeling agrarisch bedrijf van de ene agrarische bedrijfsvorm naar een andere agrarische bedrijfsvorm (omvang bouwvlak onveranderd); - Nevenactiviteiten, verbrede landbouwactiviteiten en tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders bij een agrarisch bedrijf binnen bestaand bestemmingsvlak, maar buiten bestaande bebouwing; De ontwikkeling past binnen deze omschreven gevallen. Op grond van de categorie indeling volgens de regionale werkafspraken is een landschappelijke inpassing van de locatie voldoende bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

25

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder bestemmings/wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde bedrijfsvoering geen negatieve effecten heeft op Natura 2000gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. Voor het houden van melk- en kalfkoeien en/of vrouwelijk jongvee, zijn in D14 grenswaarden opgenomen van respectievelijk 200 melk- en kalfkoeien en 340 vrouwelijk jongvee of de combinatie 340 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Ook voor het houden van schapen zijn in D14 grenswaarden opgenomen van respectievelijke 2000 schapen. Met dit bestemmingsplan wordt het bouwvlak van het agrarisch bedrijf van vorm veranderd. In totaal zullen er nog 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien, of maximaal 50 stuks schapen, of een verdeling tussen deze diersoorten (waarbij de maximale ammoniakemissie niet hoger is dan een van deze maximale varianten) op locatie worden gehuisvest (ondergeschikt aan de recreatie- en zorgactiviteiten). Er is dus geen sprake van overschrijding van de grenswaarden.

Een akkerbouwbedrijf komt niet voor in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. Er geldt voor deze bedrijfstak dus geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Het besluit op een m.e.r.-beoordeling kan worden beschouwd als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel stelt dat een beslissing inzake een procedure ter voorbereiding op een besluit niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbenden los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

26

Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geven aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het College van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen. Middels deze toelichting op het bestemmingsplan heeft tevens een m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Deze toelichting kan dan ook tevens worden beschouwd als m.e.r.beoordelingsnotitie. Analoog aan artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een m.e.r.beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Dit maakt het mogelijk dat het College in één vergadering besluit over de m.e.r.beoordeling en om het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Beide zaken liggen dan tegelijk ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het College wordt verzocht om bij het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan tevens een besluit te nemen op de m.e.r.-beoordeling.

4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provinciaal Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is het plangebied niet gelegen in een aanduiding, zie Afbeelding 12.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

27

Afbeelding 12: Uitsnede Iov kaart grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.

Zoals weergegeven is in Afbeelding 13 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

28

Afbeelding 13: Uitsnede PMWP Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

29

Gemeente Het gemeentelijk beleid ten aanzien van afvoer en verwerking van hemelwater is in het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ uitgewerkt. Dit document behoort als bijlage toe aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017-2021. De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijk, doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particulier terreinen bij de bewoner / eigenaar binnen grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Daarnaast is het beleid van de gemeente erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Voor het buitengebied heeft de gemeente Hilvarenbeek als beleid dat het afvalwater en het hemelwater zo veel mogelijk ontkoppeld moet worden en bij voorkeur op eigen gronden kan infiltreren en/of bergen alvorens af te voeren naar het oppervlaktewater.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Dit betreft het afvalwater uit de bedrijfsgebouwen. Het vuilwater afkomstig van de vaste mestopslag wordt opgevangen in een opvangput bij het mestbassin. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m 3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-housekeeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. In de beoogde situatie blijft het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool.

Het vuilwater afkomstig van de vaste mestopslag en van de sleufsilo wordt middels kolken richting een opvangput bij het mestbassin geleid. Hier wordt het water een aantal keer per jaar uit gepompt en afgevoerd. Bij de bouw van de beoogde aardappel/uien bewaarplaatsen zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht pvc. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De handreiking watertoets van De Dommel schrijft voor dat bij bestemmingsplanwijzigingen mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak van 500 m2. Bij bovengenoemde geldt steeds dat het om een toename van het verhard oppervlak ten opzichte van de feitelijke bestaande situatie.

Tabel 1: Toename verhard oppervlak

Verhard oppervlak

Verhard oppervlak bestaande situatie

Verhard oppervlak in de beoogde situatie

Toename verhard oppervlak t.o.v. bestaand

9.681 m2

12.290 m2

2.609 m2

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

30

Afbeelding 14: Verharding bestaande situatie conform luchtfoto

Afbeelding 15: Verharding beoogde situatie

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

31

In de beoogde situatie is er een toename van circa 2.609 m2 verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande verharde situatie. Omdat er een toename van verharding is dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m)

m3)

=

toename

verhard

oppervlak

(m2)

x

De toename verhard oppervlak is berekend op basis van het gehele verharde oppervlak. Dit is dus alle bebouwing en alle erfverharding. Totaal dus 2.609 m2 toename verhard oppervlak. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval De Dommel verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 16 blijkt is er voor de locatie aan de Nijssenstraat 4 een gevoeligheidsfactor van ½ (Gemiddeld) van toepassing.

Afbeelding 16: Uitsnede kaart ‘gevoeligheidsfactor’ Keur De Dommel De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 2.609 m2 x 0,5 x 0,06 = 78,3 m3 Als mitigerende maatregel wordt en retentievijver aangelegd ten zuiden van de nieuwe bebouwing. Belangrijk voor het gebruik van een retentievijver is dat enkel de ruimte boven de GHG meetelt als retentie. Voor het bepalen van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand wordt gebruik gemaakt van

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

32

twee diverse bronnen, namelijk een grondwaterstandenkaart afkomstig van de Bodematlas Provincie Noord-Brabant en een grondwatertrappenkaart 2018 afkomstig van de WUR. Door het hanteren van twee verschillende kaarten kan een betere inschatting gemaakt worden van de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied. In Afbeelding 16 is een uitsnede van de provinciale kaart uit de bodematlas weergeven. Hierop blijkt dat ter plaatse van de beoogde locatie van de retentievoorziening een GHG is van 40-60 centimeter tot 60-80 centimeter onder maaiveld. De grondwatertappenkaart in Afbeelding 17 geeft ter plaatse van het plangebied een grondwatertrap Vlo (dit staat voor een GHG van 40-80 centimeter onder maaiveld). Gelet op deze informatie kan gesteld worden dat gemiddeld sprake zal zijn van een GHG van 60 centimeter onder maaiveld. Om de benodigde capaciteit van 78,3 m3 te kunnen realiseren is het van belang, gelet op de hoogste grondwaterstand, dat er een vijver wordt aangelegd met een oppervlakte van (78,3 m3/0,6) = 130,5 m2. Zoals benoemd zal de retentievijver over deze gehele oppervlakte dus in ieder geval 60 centimeter diep zijn. Bij de werkelijke uitvoering zal initiatiefnemer ervoor kiezen om de retentievijver aan de achterzijde dieper dan de minimale 60 centimeter te maken om te borgen dat er water in de vijver blijft staan.

Dit geeft een natuurlijk karakter aan de inrichting van het gebied. In Afbeelding 19 is een principedoorsnede van de te realiseren retentievijver opgenomen.

Afbeelding 17: Uitsnede GHG kaart Bodematlas NB

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

33

Afbeelding 18: Uitsnede grondwatertrappenkaart 2018 WUR

Afbeelding 19: Principedoorsnede retentievijver Zoals aangegeven moet op basis van de toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied een retentievijver worden aangelegd waarin het schoon hemelwater wat op deze oppervlakte valt kan worden geborgd. Dit voorkomt dat het hemelwater wat op deze oppervlakte valt versneld wordt afgevoerd naar het omliggende slotensysteem. Enerzijds kan dit leiden tot overbelasting bij piekbuien en anderzijds bevorderd dit ook niet de grondwaterstanden. Het is namelijk zaak om zoveel mogelijk hemelwater op een natuurlijke wijze te laten infiltreren in de bodem, wat nadelige effecten tijdens droge periode kan beperken. Het hemelwater van de bestaande daken en erfverharding zal grotendeels ongewijzigd blijven afwateren naar het omliggende slotensysteem. Immers, het beleid bepaald niet dat dit water ook richting de retentievijver moet worden geleid. De bestaande situatie leidt niet tot overlast. Voor het gemak worden dan ook alle nieuwe bedrijfsgebouwen gerekend tot de nieuwe afwateringssituatie van het hemelwater (2.792 m2). Voor de technische uitvoering is dit namelijk het gemakkelijkste te regelen. Aan de dakvlakken van de nieuwe bedrijfsgebouwen worden dakgootjes bevestigd die het hemelwater leiden naar de retentievijver ten zuiden van de nieuwe bedrijfsgebouwen. Zodoende wordt al het hemelwater wat op de nieuwe dakvlakken valt geloosd in

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

34

de retentievijver, waarna het op een natuurlijke wijze kan infiltreren in de bodem. Dit draagt bij aan de droogteaanpak in Brabant. Indien het voorkomt dat de retentievijver de regenval niet kan verwerken zal het water afstromen naar de akker ten zuiden van het bouwperceel. Deze is immers lager gelegen dan het bouwperceel waardoor geen overlast ontstaat op het erf. De gewenste ontwikkeling is derhalve eveneens in overeenstemming met het hemel- en grondwaterbeleid van de gemeente Hilvarenbeek. De retentievoorziening wordt voorzien van een overstort naar een bestaande sloot zodat ook tijdens langdurige regenval het hemelwater geborgen kan worden zonder dat de gronden rondom de retentievoorziening onder water komen te staan wat overlast kan veroorzaken. Ten aanzien van het aspect water zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. Er wordt voldaan aan de richtlijnen van het waterschap, provincie en de gemeente. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Zoals in Afbeelding 20 is weergegeven is er geen NNB aanwezig in of in de nabijheid

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

35

van het plangebied. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 20: Uitsnede Iov kaart natuur en stiltegebieden 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 3,2 kilometer ligt, zie Afbeelding 21. Ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 4,5 kilometer ligt Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

36

Afbeelding 21: Nabij gelegen Natura 2000-gebieden Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

37

onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf heeft een vergunning Natuurbeschermingswet (thans wet natuurbescherming) van 12-92013. (C2061174/3465168). Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan betreft geldt die vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als uitgangssituatie. Opgemerkt dient te worden dat deze uitgangssituatie niet overeenkomt met de feitelijk gerealiseerde situatie. In het kader van dit bestemmingsplan is dan al bepaald wat de feitelijke uitgangssituatie dient te zijn. Deze feitelijke uitgangssituatie wordt afgezet tegenover de beoogde situatie. In de AERIUS-invoergegevens opgenomen in Bijlage 1 is de gehele feitelijke uitgangssituatie uiteengezet. In de beoogde situatie is er met diverse activiteiten sprake van stikstofdepositie.

Denk hierbij onder andere aan de huisvesting van 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 zoogkoeien (indien sprake is van 50 schapen of een verdeling hiertussen, dan ligt de stikstofemissie met zekerheid lager), de transportbewegingen behorende bij het akkerbouwbedrijf, verwarmen van de gebouwen, de transportbewegingen behorende bij de recreatie- en zorgtak, de verkeersbewegingen behorende bij de opslag van de vaste mest en drijfmest en het realiseren van de loodsen. In de AERIUSinvoergegevens opgenomen in Bijlage 1 is de gehele beoogde situatie uiteengezet. Middels de vernieuwde AERIUS-calculator is een verschilberekening uitgevoerd met de feitelijke uitgangssituatie en de beoogde situatie. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in Bijlage 2, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. Voor dit bestemmingsplantraject zijn er dan ook geen belemmeringen.

Overige storingsfactoren

De beoogde vormverandering van het bouwvlak en de beoogde bouw van de loodsen leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor.

De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

38

is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Nijssenstraat 4, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van het om te vormen bouwvlak en de te realiseren bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Er worden verder geen gebouwen gesloopt waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig zouden kunnen zijn.

Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormen voor de beschermde diersoorten. Met de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’, ‘inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

39

Afbeelding 22: Uitsnede kaart 'Effectenindicator soorten' Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet Natuurbescherming. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Gezien er op locatie wat vee gehouden zal blijven worden wat ondergeschikt is aan de recreatie- en zorgtak, wordt hierna het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.

4.4.1

Kwetsbare gebieden

De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

40

Afbeelding 23: Uitsnede kaart Wav gebieden, plangebied met rood omcirkeld Zoals in Afbeelding 23 is te zien ligt het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak. Echter kan worden opgemerkt dat juist ten opzichte van de vergunde situatie, het bedrijf fors afneemt in ammoniakuitstoot. In de vergunde situatie mogen op locatie 200 stuks melk- en kalkkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee gehouden worden. Dit wordt niet gerealiseerd en de bedrijfsmatige veehouderij wordt gesaneerd. Er zullen op locatie 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien gehouden worden ten dienste van de recreatie- en zorgtak.

4.4.2

Besluit emissiearme huisvesting

Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting (vastgesteld voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). In bijlage 1 van het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). In de beoogde situatie worden 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 stuks zoogkoeien gehuisvest. Voor beide zijn geen maximale emissiewaarden in het Besluit emissiearme huisvesting opgenomen. De categorie schapen komt niet voor in het Besluit emissiearme huisvesting. Ten aanzien van het aspect ammoniak zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.5 Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de hobbydieren. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten.

Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

41

aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Nadat de vormverandering van het bouwvlak is geregeld zal een nieuwe melding Activiteitenbesluit worden ingediend om alle nieuwe activiteiten binnen de inrichting aan te geven. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient enkel te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In de beoogde situatie wordt geen nieuwe bebouwing opgericht waarvan het gebruik gericht is op verblijf van mensen voor 2 uur of langer. Het gebruik van de werktuigenbergingen en de bewaarplaatsen voor de akkerbouwproducten is niet gericht op het verblijf van mensen voor 2 uur of langer. De uitbreiding van de verblijfsrecreatie annex zorgverlening vindt plaats binnen gebouwen waar op dit moment al sprake is van deze activiteiten en/of de bedrijfswoning. Er wordt hier dus geen nieuw gebruik waar mensen langer dan 2 uur kunnen verblijven gerealiseerd.

Een verkennend bodemonderzoek is binnen het plangebied dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.6.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de kaart behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 24.

Afbeelding 24: Uitsnede cultuurhistorie en aardkunde kaart Iov Tevens moet worden opgemerkt dat het gebouw waarin de groepsaccommodatie, zorgverlening en B&B is gesitueerd, conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ heeft. Deze gronden zijn bestemd voor de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op deze gronden is uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan. Met dit bestemmingsplan blijft dit gebouw in de huidige staat behouden. Er wordt met het initiatief geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke en functionele karakteristiek van dit gebouw/de gronden.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

42

Zoals benoemd wenst initiatiefnemer de groepsaccommodatie/zorgverlening en bed and breakfast verder uit te breiden. Deze uitbreiding zal plaatsvinden in dit bestaand cultuurhistorisch waardevol gebouw. Hierbij blijven de cultuurhistorisch waardevolle elementen behouden. Om dit alles mogelijk te maken zal later een separaat vergunningstraject worden doorlopen. Opgemerkt kan worden dat het initiatief geen afbreuk doet aan cultuurhistorisch waardevolle elementen en gebieden in de omgeving en dat er ten aanzien van cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor dit initiatief.

4.6.2

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Hilvarenbeek is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud van de middelhoge en hoge verwachtingswaarde. Indien er bij bouwwerkzaamheden bodemroeringen nodig zijn eist het bevoegd gezag dat er een archeologisch rapport wordt overlegd om vast te stellen dat de eventuele archeologische waarden niet worden verstoord. Dit geldt bij bouwwerkzaamheden die groter zijn dan 2.500 m2 en dieper zijn dan 0,50 m onder het maaiveld. In de toekomstige situatie worden 1 bewaarplaats voor aardappelen/uien en 1 machine/werktuigenberging, 1 loods en 1 afhang gebouwd. De totale oppervlakte van deze gebouwen bedraagt circa 3.147 m2. Echter zullen deze loodsen niet over deze gehele oppervlakte de grond in worden gebouwd. Op enkele plaatsen worden poeren de grond in geslagen.

De totale oppervlakte van deze poeren blijft ruimschoots onder de 2.500 m2, waardoor deze grenswaarde niet wordt overschreden. Uit de huidige tekeningen komt naar voren dat de betonvloer overal 15 centimeter dik wordt. Aan de randen van de bewaarloods wordt hier een isolatie onder aangebracht van 10 á 15 centimeter dik. Het verdichtzandpakket wat oftewel onder de betonvloer of oftewel onder het isolatiepakket komt, is maximaal 20 centimeter dik. Op de diepste plekken, dus daar waar ook een isolatielaag in de grond wordt aangebracht, is dus sprake van maximaal 45/50 centimeter diepte werkzaamheden. Onder enkel de betonvloer, dus over de grootste oppervlakte, is sprake van 35 centimeter diepte werkzaamheden. Deze fundering is voldoende voor de opslag van aardappelen/uien en voor het betreden van zwaar materiaal. Er is dus, met uitzondering van de poeren, geen sprake van grondbewerkingen dieper dan 45/50 centimeter onder maaiveld. Bij de vloeren is dus wel sprake van een groter oppervlak dan 2.500 m2, maar geen sprake van een grondbewerkingen dieper dan 45/50 centimeter. Hierdoor wordt de grenswaarde van grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter onder maaiveld niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd. Hierbij opgemerkt dat in het kader van dit bestemmingsplan voorliggende informatie bekend is.

Ten tijde van de benodigde aanvragen omgevingsvergunningen, voor de bouw van de nieuwe gebouwen, zal concreet beoordeeld kunnen worden of een archeologisch onderzoek achterwege kan blijven. In dat stadium is ook de opbouw met poeren en vloeren pas als definitief te beschouwen. Voor nu kan een inschatting worden gegeven dat onderzoek (in dit stadium) dus nog achterwege kan blijven. In de regels behorende bij dit bestemmingsplan is met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ geborgd dat bij de toekomstige vergunningaanvragen getoetst wordt aan dit beleid. Tevens kan worden opgemerkt dat ter plaatse van deze beoogde gebouwen in het verleden ook sleufsilo’s hebben gelegen. De gronden zijn hierdoor met de bouw en sloop van deze bouwwerken al enigszins verstoord geraakt. Daarnaast zijn de omliggende gronden altijd in het verleden in gebruik geweest als landbouwgrond. Hierbij geldt ook dat door landbouwwerkzaamheden zoals diepploegen en –woelen de gronden naar alle waarschijnlijkheid verstoord geraakt zijn. Gezien hetgeen hier beschreven wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. In de

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

43

bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Derhalve is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor het initiatief. 4.7 Landschappelijke inpassing Het buitengebied van Hilvarenbeek wordt gekenmerkt door een diversiteit aan typen landschappen. Er vindt een grote afwisseling plaats in het gebruik van het landschap en de activiteiten die hierin plaatsvinden; landbouw, natuur, recreatie, wonen bedrijvigheid, enz. De kenmerken van de landschapstypen vormen de basis voor de inrichting van een erf/gebouwen. Dit houdt in dat bij de aanleg van nieuwe beplanting aangesloten dient te worden bij de kenmerken van het gebied. Het plangebied is gelegen in het ‘jonge ontginningslandschap’. Deze uitgestrekte landbouwgebieden worden gekenmerkt door een rationele opbouw en een regelmatige relatief grootschalige verkaveling. Het patroon van wegen en waterlopen is regelmatig van vorm en systematisch opgezet. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de ‘Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant’ van toepassing. Vormverandering van het agrarisch bouwvlak is in dit afsprakenkader opgenomen als een categorie 2 ontwikkeling. Met dit initiatief moet dus een goede landschappelijke inpassing worden geborgd.

De gemeente Hilvarenbeek heeft met het ‘Landschapsontwikkelingsplan’ een breed gedragen landschapsvisie. Het bouwvlak wordt functioneel en rechtlijnig gevormd, waarbij de lange zijde is gekoppeld aan de aangrenzende weg. Om aan te sluiten bij de karakteristieken van het jonge ontginningslandschap wordt het erf omzoomd door erfbeplanting rondom alle zijden van het bouwvlak. Middels het realiseren van een aardewal, waarbij aan de bovenzijde en buitenzijde van de aardewal beplanting wordt aangebracht, kijken de bewoners van het achterliggende recreatiegebied de “Stille Wille” niet meer tegen/op het bedrijf. Voor een uniforme gebiedsbeschrijving en de exacte uitwerking van het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar Bijlage 1 van de Regels behorende bij dit bestemmingsplan. 4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid.

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

44

Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Enkel op korte afstand is het recreatiegebied de “Stille Wille” gelegen. Tevens is er weinig verstoring door verkeer aangezien de locatie ligt aan een doodlopend landweggetje. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Met het initiatief wordt een vormverandering van het bouwvlak mogelijk gemaakt. Diverse bewoners van het recreatiegebied de “Stille Wille” hebben aangegeven dat ze graag het bedrijf wat verder van hun woningen af gesitueerd zouden zien. Met deze vormverandering van het bouwvlak wordt tegemoetgekomen aan deze wens. Het huidige bouwvlak ligt ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning aan de “Stille Wille” op circa 26 meter. Met de vormverandering wordt deze afstand naar 84 meter gebracht. Naast de vormverandering van het bouwvlak en de realisatie van de akkerbouwloodsen zijn er geen veranderingen (met bebouwing) op locatie. Aan de oostzijde van dit bouwvlak worden drie nieuwe loodsen (gefaseerd) gerealiseerd ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten. Conform de VNGhandreiking geldt voor de categorie ‘akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’ milieucategorie 2 op basis van het geluid.

Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 30 meter wanneer de activiteit is gelegen in rustig buitengebied. Het nieuw bouwvlak is gesitueerd op een afstand van 84 meter van de meest dichtstbijzijnde gelegen woning. Ten eerste kan dus worden opgemerkt dat er ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden op basis van de akkerbouwactiviteiten. Ten tweede kan worden geconcludeerd dat de afstand van het nieuwe bouwvlak tot gevoelige objecten ten opzichte van de bestaande situatie fors toeneemt. Dit is een positief gegeven in het kader van bedrijven en milieuzonering. Zoals eerder in deze toelichting is vermeld wordt de bedrijfsmatige veehouderij op locatie gesaneerd. Ten behoeve van de recreatie- en zorgactiviteiten worden er maximaal 15 stuks vrouwelijk jongvee en 15 zoogkoeien gehouden, of maximaal 50 stuks schapen, of een verdeling tussen deze diersoorten. Deze worden gehuisvest in de bestaande stallen. Met dit bestemmingsplan worden deze twee specifieke stallen (locatie) in combinatie met het maximum aantal vee vastgelegd middels een functieaanduiding. Conform de VNG-handreiking geldt voor het houden van rundvee milieucategorie 3.2 op basis van geur. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 100 meter. Het houden van schapen behoort tot de categorie ‘fokken en houden van overige graasdieren’ en daarmee milieucategorie 3.1.

Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter op basis van geur. De functieaanduiding, daar waar enkel dit hobbymatig rundvee gehouden kan worden, is gesitueerd op een afstand van 133 meter van de meest dichtstbijzijnde gelegen woning. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Als aanvulling kan worden opgenomen dat vanuit de Wet geurhinder en veehouderij vaste afstanden gelden ten opzichte van geurgevoelige locaties, tenzij de gemeente zelf een geurverordening heeft vastgesteld. De gemeente Hilvarenbeek heeft een verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld op 12 januari 2012. De verordening is in werking getreden op 13 januari 2012, waarna er nog een wijziging heeft plaatsgevonden op 22 september 2012. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Vanuit de gemeentelijke geurverordening geldt dat de afstand tussen een veehouder waar maximaal 50 dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object ten minste 50 meter moet bedragen. Zoals benoemd bedraagt de afstand vanaf het bouwvlak tot het dichtstbij gelegen geurgevoelig object ten minste 84 meter en de afstand van de stal tot het geurgevoelig object ten minste 133 meter. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de afstanden conform de gemeentelijke geurverordening en de Wgv.

Ten aanzien van het houden van maximaal 50 schapen is een voorgrondberekening geur uitgevoerd. Deze is verder beschreven in paragraaf 4.9 van deze toelichting. Ook dit leidt niet tot een belemmering van het plan, daar wordt voldaan aan de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving. De groepsaccommodatie, de zorgverlening en de bed & breakfast zijn allen gesitueerd binnen de bestaande gebouwen. De uitbreiding naar respectievelijke 500 m 2 en 150 m2 is enkel mogelijk binnen deze gebouwen, vastgelegd middels een functieaanduiding. Conform de VNG-handreiking geldt voor ‘kampeerterreinen, vakantiecentra’ de milieucategorie 3.1. De activiteiten op locatie t.b.v. recreatie en zorg zijn hier enigszins aan verwant. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 50 meter. De functieaanduiding, daar waar enkel deze recreatie- en zorgactiviteiten mogen plaatsvinden’, is

Bestemmingsplan – Nijssenstraat 4 te Haghorst

45

gesitueerd op een afstand van 124 meter van de meest dichtstbijzijnde gelegen woning. Er word dus voldaan aan de richtafstand. Tot slot moet nog worden opgemerkt dat er binnen het plangebied sprake is van een mestbassin voor de opslag van mest van derden, voor de aanwending op eigen landbouwgronden. Met dit bestemmingsplan wordt de locatie en de maximale opslagcapaciteit van dit mestbassin vastgelegd middels een functieaanduiding. Gelet op de oppervlakte van het bassin geldt conform de VNGpublicatie een richtafstand van 200 meter. Dit is op basis van het aspect geur. De functieaanduiding, daar waar dit mestbassin is toegestaan, ligt op een afstand van 100 meter van de meest dichtstbijzijnde gelegen woning. In de navolgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Doordat dit mestbassin bestaand en al (enkele jaren) vergund is, en dat geborgd wordt dat dit mestbassin niet dichter bij de gevoelige objecten kan worden gesitueerd, is er geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de beoogde bedrijvigheid op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving is gelegen. Nogmaals wordt benadrukt dat ten opzichte van de bestaande situatie de afstand van het bouwvlak tot aan gevoelige objecten toeneemt, wat een positief gegeven is in het kader van bedrijven en milieuzonering.

Naast dat de activiteiten op locatie ‘milieubelastend’ zijn in het kader van bedrijven en milieuzonering, zijn de groepsaccommodatie, de zorgverlening en de bed & breakfast te typeren als ‘milieugevoelig’. Om aan te tonen dat bedrijven in de omgeving voldoende zekerheid hebben dat deze functies hun ontwikkelingsmogelijkheden niet aantasten, moet worden getoetst aan de afstand tussen de gevoelige functie en omliggende bedrijven. Dit betreft de toetsing aan ‘omgekeerde werking’. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Ten eerste kan worden opgemerkt dat de uitbreiding van de recreatieve en zorgverlenende nevenactiviteiten plaats vinden in gebouwen waar reeds deze nevenactiviteiten al plaatsvinden en waar de huidige bedrijfswoning is gesitueerd. In deze is het gebouw dan ook niet aan te wijzen als een nieuw (geur)gevoelig object, daar ten aanzien van bedrijven van derden al voldaan moest worden aan de afstanden zoals opgenomen in de VNG-handreiking. Voor de volledigheid wordt toch aangetoond wat de afstand van tussen omliggende bedrijven (niet-veehouderij) en het bouwvlak in het plangebied betreft. De dichtstbijzijnde (niet-veehouderij) bedrijvigheid betreft het vakantiepark ‘De Stille Wille”, wat behoort tot milieucategorie 3.1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11457489/1