10 bp Biestsestraat 26 (4 Toelichting)
Tekst van het document
Beleid gemeente Hilvarenbeek Voor het water heeft de gemeente binnen de bebouwde omgeving de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor het beheer van de overige, niet-primaire watergangen welke tot haar eigendom behoren. De gemeente Hilvarenbeek heeft het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (Vgrp) opgesteld waarin o.a. wordt beschreven hoe de gemeente invulling wil geven aan de zorgplicht en naar welke toekomstige situatie het streeft met betrekking tot de waterhuishouding. Deze situatie heeft de gemeente Hilvarenbeek uitgewerkt in 8 streefbeelden die hieronder worden benoemd. • oppervlaktewater en grondwater beheren van voldoende goede fysisch/chemische, ecologische en fysieke kwaliteit; •
water in een optimale kwantiteit, niet te veel en niet te weinig;
•
veilig water voor de volksgezondheid;
•
water dat bijdraagt aan een positieve beleving van de leefomgeving;
•
een doelmatig en duurzaam beheer van de afvalwaterketen;
•
inzameling en transport van afvalwater en hemelwater (riolering);
•
een beïnvloeding van riool en oppervlaktewater (interactie), die niet leidt tot wateroverlast;
•
de zuivering van het afvalwater inclusief slibverwerking.
De gemeente schrijft voor dat voor alle ruimtelijke plannen een watertoets uitgevoerd moet worden. Voor het verwerken van hemelwater is de voorkeurvolgorde van toepassing; infiltreren, retentie binnen het plangebied, retentie buiten het plangebied of berging in bestaand watersysteem. Bij uitbreidingen van het woongebied binnen de bebouwde kom eist de gemeente een compensatieberging van minimaal 60 mm bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 250 m2. Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 250 m2 stelt de gemeente geen compensatieverplichting. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap De Dommel volgt dat de locatie gelegen is binnen een attentiegebied en binnen een invloedsgebied Natura 2000. Het invloedsgebied Natura 2000 betreft een zeer ruim gebied en omvat grote delen van West-Brabant. Dit zijn de gebieden rond Natura 2000-gebieden waar significante effecten van de verruiming van agrarische grondwateronttrekking niet kan worden uitgesloten. Voorliggend initiatief betreft geen grondwateronttrekking. Derhalve is de ligging binnen dit invloedsgebied niet relevant voor het initiatief.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 24/50
Uitsnede Keurkaart waterschap De Dommel. De planlocatie is met een rode cirkel aangeduid. Bron: Waterschap De Dommel
Voor de attentiegebieden zijn de ‘natte natuurparels’ geprojecteerd, waaromheen een zone van gemiddeld 500 meter is getekend. Voor zover deze beschermingszones buiten de GHS-natuur zijn gelegen neemt het waterschap voor alle ingrepen ruimte voor maatwerk. Alleen déze beschermingszones worden op de keurkaart aangeduid met de naamgeving: ‘attentiegebieden’. In de ‘attentiezone waterhuishouding’ mogen ingrepen geen negatief hydrologisch effect hebben op de waterhuishouding. Als ingrepen wel een negatief effect hebben, is een vergunning niet mogelijk, tenzij er compensatie plaatsvindt. Het onderhavige initiatief betreft het inpandig verbouwen van een bestaand bouwwerk. Het initiatief zal geen negatief hydrologisch effect hebben op de waterhuishouding. Hemelwater Het voornemen bestaat uit het wijzigen van de functie van een voormalige kerk naar wonen. Met uitzondering van de sloop en op termijn herbouw van een bijgebouw zijn geen bouwwerkzaamheden voorzien. Ook wijzigingen in het verharde oppervlak zijn nu niet voorzien. De omvang van de te realiseren verhardingen is daarmee onbekend. Ter borging van de belangen van een goede waterhuishouding is in de regels vastgelegd dat bij het aanbrengen van verhard oppervlak met een omvang van meer dan 250 m 2 compenserende maatregelen gerealiseerd moeten worden.
De locatie beschikt over voldoende buitenruimte om een eventueel noodzakelijk voorziening te kunnen realiseren. Huishoudelijk afvalwater Het afvalwaterriool van de nieuwe functies zal worden aangesloten op het bestaande riool. Mochten er in de toekomst alsnog bouwwerkwerkzaamheden nodig zijn dan zal, om verontreiniging van het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen, geen gebruik gemaakt worden van niet uitlogende materialen. Uitzondering hierop is indien het behoud van de Rijksmonumentale waarde hierom vraagt.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 25/50
Conclusie Op grond van de watertoets kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingen in het plangebied geen belemmering vormen voor de waterhuishouding. 4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Met een gele ster is het plangebied weergegeven. Bron: kaarten.brabant.nl, 2020
Beoordeling Het plangebied is deels gelegen binnen het cultuurhistorisch waardevol gebied (tuin) en deels in de cultuurhistorische landschappen. De cultuurhistorische waarde wordt gevonden in het open akkercomplex met de bolle ligging en het esdek ten noord-oosten van Biest-Houtakker. Deze waardering ligt over de tuin behorende bij de kerk en het gebruik zal niet noemenswaardig wijzigen ten opzichte van het huidige gebruik.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 26/50
Het cultuurhistorisch landschap bestaat uit een ensemble van oud en jonge landgoederen. Bijzonder voor dit landschapstype zijn de middeleeuwse hoeven en buurtschappen die de kern vormden van de oude landgoederen. Het beleid is gericht op het behoud en beter beleefbaar maken van deze kwaliteiten. De schaal van het plangebied is echter te klein om hier een wezenlijke bijdragen aan te leveren. De Biestestraat zelf is een oude weg met redelijke hoge waarde. De loop en inrichting van de weg zal geen verandering ondergaan als gevolg van het voorliggend planvoornemen. Het initiatief heeft geen effect op deze waarde. De Sint Antonius van Padua kerk zelf is aangewezen als Rijksmonument. De beschrijving in het monumentenregister luidt als volgt: De kerk is een driebeukige kruisbasiliek met een schip van drie traveeën en een transept. Aan de westkant een vierkante toren met uurwerk en luidklokken geflankeerd door traptorens en vijfzijdige kapellen. Aan de noordkant is deze toegewijd aan St. Jozef en aan de zuidkant aan H. Antonius van Padua. Het priesterkoor is eveneens geflankeerd door vijfzijdige kapellen. Aan de noordkant de doopkapel en aan de zuidkant de Mariakapel. De sacristie bevindt zich aan de zuidoostkant van de kerk. Zadeldaken voorzien van kapellen. De zijbeuken hebben platte daken. Op de viering van de kerk een achtzijdig angelustorentje met luidklok.
De toren, traptorens en kapellen hebben torendaken. Alle daken zijn gedekt met natuursteen leien. Het opgaande werk bestaat uit roodpaarse handgevormde baksteen gemetseld in kruisverband met natuursteentoepassing voor afzaten en muurbeëindigingen. Siermetselwerk onder dakrand. Boven het ingangsportaal een beeld van de patroonheilige van de kerk. In de grote spitsboogvensters baksteen traceringen. In het priesterkoor zeven gebrandschilderde glas-in-lood vensters. Hiervan zijn er drie in neogotische stijl uit 1913. Links: H. Juliana de Cornillon; midden: H. Hart verschijnt aan Maria Margaretha Alacoque en rechts: H. Paschalis Baylon. De andere vier uit 1948 met voorstellingen van de vier evangelisten. Tot het interieur behoren o.a. een neogotische hardstenen doopvont uit ca. 1913 met koperen deksel en een waarschijnlijk 16de-eeuws houten Spaans Mariabeeld. De waardering van het Rijksmonument luidt als volgt: De kerk is van algemeen belang. Het gebouw heeft cultuurhistorisch belang als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van het katholicisme in het zuiden en de vorming van kerkdorpen in het begin van de 20ste eeuw. Het is tevens van belang als voorbeeld van de typologische ontwikkeling van de dorpskerk. Het heeft architectuurhistorisch belang door de stijl en de detaillering en is tevens van belang als voorbeeld van het oeuvre van de architect Margry.
Het heeft ensemblewaarden vanwege de bijzondere situering, verbonden met de ontwikkeling van het kerkdorp. Het is gaaf bewaard gebleven en is tevens van belang als voorbeeld van een uit particuliere fonsen tot stand gekomen kerkbouwactiviteit en vanwege de inventaris. De bescherming van de monumentale waarde is door de formele aanwijzing als Rijksmonument voorbehouden aan de Erfgoedwet. Het is niet toegestaan om in het bestemmingsplan regels op te nemen voor eenzelfde doel als welke geregeld is in de Erfgoedwet. Deze wet ziet er op toe dat het toekomstig gebruik en eventueel (ver)bouwwerkzaamheden recht doen aan de monumentale waarde. Het voornemen is daar voorgelegd aan de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (RCE). Het preadvies is opgenomen in bijlage 2 bij de toelichting. De omgevingsvergunning bouwen zal getoetst worden door de RCE.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 27/50
Op Biestsestraat 24 is de voormalige pastorie behorende bij de kerk. Ook deze is als Rijksmonument aangewezen. Het betreffende pand is bouwkundig verbonden met de kerk maar heeft een andere eigenaar en is reeds voorzien van een woonbestemming. Het pand maakt verder geen onderdeel uit van het voorliggend initiatief. De beoogde ontwikkeling heeft ook geen negatieve effecten op het pand. In het plangebied en directe omgeving zijn verder geen andere cultuurhistorische waarden aangeduid die met het planvoornemen geschaad kunnen worden. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee dan ook geen belemmering voor de voorziene ontwikkeling. Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor het planvoornemen. 4.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
De gemeente Hilvarenbeek heeft op 27 september 2012 de gemeentelijke archeologische beleidskaart met bijbehorende beleidsuitgangspunten vastgesteld. Voor de bescherming van de archeologische waarden kent de gemeente diverse dubbelbestemmingen toe. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft voorliggend plangebied een middelhoge archeologische verwachting. Als ondergrens wordt voor deze categorieën een oppervlakte aangehouden van 2.500 m2 en een diepte van 50 centimeter. Deze waardering wijkt af van de vigerende bestemming welke nog uitgaat van een hoge verwachtingswaarde. De vastgestelde beleidskaart is van latere datum dan het vigerend bestemmingsplan. In het onderhavige bestemmingsplan is deze verwachting bijgesteld en de grenzen gehanteerd conform de archeologische beleidskaart.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 28/50
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Hilvarenbeek. Bron: gemeente Hilvarenbeek, 2012
Beoordeling Het beoogde voornemen betreft het inpandig verbouwen van de kerk naar vijf wooneenheden en een kleine kantoorunit. Ingrepen in de grond zijn in principe niet voorzien anders dan de sloop van het bestaand vrijstaand bijgebouw en de vervangende bouw van een bijgebouw. Het voorliggend bestemmingsplan staat de bouw toe van maximaal 100 m2 aan bijgebouwen. De maximale maat van 2.500 m2 zal niet gehaald worden waardoor archeologisch onderzoek nu niet aan de orde is. In het onderhavig bestemmingsplan wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting middel’ opgenomen. Conclusie Het aspect archeologie is door het hanteren van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting middel geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.6
Ecologie
4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 29/50
Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied in Nederland betreft de ‘Kempenland-West’, welke is gelegen op een afstand van circa 1,3 kilometer. Het betreft hier met name de loop van de beek Reusel. Het dichtstbijzijnde grotere Natura 2000-gebied is ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. De afstand hier bedraagt circa 4,4 km. Natura 2000gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van het juridisch-planologisch mogelijk maken van vijf extra woningen en mogelijk een kantoorunit in een bestaand gebouw.
Om het effect van de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect stikstof op omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage van deze voortoets is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Met behulp van het programma AERIUS is inzichtelijk gemaakt of er effecten zijn afkomstig van de ontwikkeling op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.2 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.
In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 30/50
jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Om inzichtelijk te maken of beschermde soorten gebruik maken van (de bebouwing in) het plangebied heeft Veldbiologische Werken in november 2020 een quickscan soortenbescherming uitgevoerd voor het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 van deze toelichting. Uit de bevindingen van het veldbezoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en de toetsing van resultaten aan relevante wetgeving blijkt dat bij onderhavige ontwikkeling mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op de volgende beschermde soorten: • •
•
marterachtigen – kerktuin (aanwezigheid en functioneel gebruik plangebied en directe omgeving); vleermuizen: − gebouwgebonden Vleermuizen – kerkgebouw (aanwezige soorten, aantallen, verblijfslocatie en functioneel gebruik (kraamverblijf, zomerverblijf, paar-/baltsverblijf, (massa-)winterverblijf); − boombewonende Vleermuizen – boomholtes kerktuin (aanwezige soorten, aantallen, verblijfslocatie en functioneel gebruik (kraamverblijf, zomerverblijf, paar-/baltsverblijf, (massa-)winterverblijf); kerkuil – kerkgebouw (aanwezigheid en functioneel gebruik kerkuilenkast).
Te allen tijde dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen en werkzaamheden zoveel als mogelijk buiten het broedseizoen te laten plaatsvinden. De bestaande bebouwing kan worden gesloopt zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor beschermde soorten. Op 15 oktober 2021 is het aanvullend onderzoek naar Marterachtigen, Uilen en Vleermuizen uitgevoerd. Het betreffende rapport is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Hieronder worden de conclusies uit het aanvullend onderzoek weergegeven. Marterachtigen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat alleen de oostzijde van de tuin (grenzend aan agrarisch gebied) incidenteel gebruikt wordt door Steenmarter (passerend). Het plangebied vormt geen jachtgebied voor marterachtigen. In potentie geschikte schuilplaatsen worden niet benut. Afwezigheid van marterachtigen is te verklaren door frequente aanwezigheid van Huiskatten gedurende de gehele dag en nacht. Bij verwezenlijking van de voorgenomen plannen valt redelijkerwijs uit te sluiten dat marterachtigen (incl. leefgebied) geschaad worden. Uilen (Kerkuil) Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het plangebied niet gebruikt wordt door uilen. De aanwezige nestkast van Kerkuil is niet meer in gebruik (sinds 2019). Bij verwezenlijking van de voorgenomen plannen valt redelijkerwijs uit te sluiten dat uilen (vaste nest-, rust- en verblijfplaatsen) geschaad worden.
Vleermuizen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het kerkgebouw gebruikt wordt als zomerverblijf en als baltsplaats/paarverblijf van Gewone dwergvleermuis. Het betreffen zeven verblijfsplaatsen die zowel als zomerverblijf alswel als baltsplaats/paarverblijf gebruikt worden. Van deze verblijfsplaatsen worden enkele tevens gebruikt als klein winterverblijf. Deze verblijfsplaatsen bevinden zich aan de buitenzijde van het kerkgebouw achter houten dakranden bij dakgoten. De zolder en toren van het kerkgebouw wordt gebruikt als winterverblijf van vleermuizen (gewone dwergvleermuis).
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 31/50
Ander functioneel gebruik van het kerkgebouw door Gewone dwergvleermuis of andere vleermuissoorten werd niet vastgesteld. Tuin en omgeving van het kerkgebouw wordt gebruikt als foerageerplaats en als vliegroute. Deze situatie wordt niet aangetast bij verwezenlijking van de voorgenomen plannen. De voorgenomen plannen betreffen inpandige omvorming van het kerkgebouw tot wooneenheden, waarbij toren, zolder en buitenzijde van het kerkgebouw ongewijzigd blijven. Bij uitvoering van de voorgenomen plannen worden geen overmatig geluiden/trillingen veroorzaakt. Aangezien de vastgestelde verblijfsplaatsen bij uitvoering van de voorgenomen plannen niet worden geschaad en/of verstoord is overtreding van de wet natuurbescherming uit te sluiten. De achterliggende tuin zal in zijn huidige hoedanigheid in stand worden gehouden. Plaatselijk wordt dunning toegepast en zal dood hout worden verwijderd. Aantasting van vliegroutes en foerageerplaatsen is redelijkerwijs uit te sluiten. Bij uitvoering van de voorgenomen plannen worden de onderzochte soorten niet geschaad en/of verstoord. Hierdoor is overtreding van de wet natuurbescherming uit te sluiten. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie De beoogde ontwikkeling ondervindt geen belemmering in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 32/50
Beoordeling Voor onderhavig plangebied is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van De Roever milieuadvies is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Voor de volledige onderbouwing en motivering wordt kortheidshalve naar de bijlage verwezen. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van het rapport. Het plangebied is niet gelegen binnen de toetsingszones langs wegen. Hierdoor wordt automatisch voldaan aan de Wet geluidhinder. In het kader van de goede ruimtelijke ordening en de beoordeling van het woon- en leefklimaat dient de cumulatieve geluidbelasting op de gevels als gevolg van diverse 30 km/uur-zone wegen berekent te worden. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 54 dB. De maximaal toelaatbare geluidbelasting in een woning is 33 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 54 - 33 = 21 dB. Bij de overige gevels is de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k lager (op gelijke wijze te bepalen). De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘zeer goed’ tot ‘redelijk’. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen zal aangetoond moeten worden dat het binnenniveau de 33 dB niet overschrijdt. 4.8
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Voor onderhavig plangebied is enerzijds geïnventariseerd welke bedrijven of inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied voor overlast kunnen zorgen op de nieuwe woning en anderzijds of onderhavige ontwikkeling kan leiden tot het beperken van deze bedrijven of inrichtingen in hun bedrijfsvoering. De VNG-handreiking omschrijft twee omgevingstypen; het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied én het omgevingstype gemengd gebied. Het initiatief wordt gerealiseerd in een woonwijk in de kern Biest-Houtakker. Het plangebied wordt omringd door bestaande woningen.
Voorliggend plangebied en de directe omgeving kunnen worden getypeerd als een rustige woonwijk. Beschouwd is welke milieuhinderlijke activiteiten, zoals genoemd in de VNG-handreiking, in de omgeving van het plangebied zijn gelegen: • ten noord-oosten ligt de begraafplaats; • Biestsestraat 39 restaurant; • Vossenhol 11 loonwerkbedrijf en veehouderij. Een begraafplaats valt volgens de VNG-handreiking onder milieucategorie 1. In een omgevingstype ‘rustige woonwijk’ dient deze tenminste 10 meter aan te houden tot een gevoelige functie. De afstand van de begraafplaats tot aan de kerk bedraagt ca. 37,5 meter en voldoet daarmee ruimschoots.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 33/50
Het restaurant valt volgens de VNG-handreiking ook onder milieucategorie 1. De afstand bedraagt hier circa 34 meter en voldoet ruimschoots. Het loonwerkbedrijf en de veehouderij, bestaande uit varkens en runderen ligt op circa 16 meter vanaf het bouwvlak van het bedrijf tot aan het plangebied. Hiermee wordt niet voldaan aan de aan te houden afstand van de VNG-handreiking. Deze benoemt een aan te houden afstand van 50 meter voor het loonwerkbedrijf en 200 meter vanuit de varkenshouderij. Voor het loonwerkbedrijf speelt met name het aspect ‘geluid’ een rol en vanuit de veehouderij het aspect ‘geur’. De nieuwe ontwikkeling van vijf wooneenheden en een kantoorunit vormt geen belemmering voor het bestaande bedrijf aan de Vossenhol 11. Het betreffende bedrijf wordt rondom reeds omgeven door andere woonbestemmingen die reeds aanwezig waren ten tijde van de acceptatie van de melding. Zo grenzen de woonbestemmingen van Biestsestraat 24 en 22 direct aan het agrarisch bouwvlak. Voor met name het loonwerkonderdeel van het bedrijf geldt het algemene principe dat er geen onaanvaardbare hinder mag optreden op omliggende gevoelige functies. Daar er reeds woningen dichterbij gelegen zijn maakt dat de onderhavige ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de huidige bedrijfsvoering.
Het bedrijf dient verder te voldoen aan de maximale geluidbelasting zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit dan wel heeft maatwerkvoorschriften opgelegd gekregen om een acceptabel geluidsniveau op de bestaande woningen in de omgeving te garanderen. Daar de kerk verder weg ligt dan de bestaande woningen is het in redelijkheid te concluderen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. Ten aanzien van het aspect geur is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ontwikkeling levert ook geen beperking op voor het veehouderij onderdeel van het bedrijf op Vossenhol 11. De oorspronkelijke bestemming van de kerk maakt het reeds een geurgevoelig object. Verder zijn geurgevoelige objecten reeds dichter bij het bedrijf gelegen dan de kerk. Dit houdt in dat bij de vergunningverlening voor het bedrijf Vossenhol 11 al rekening moest worden gehouden met de aanwezigheid van de geurgevoelige functies in de omgeving. Waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de kerk. Op grond van artikel 3.48 ‘veehouderij in stedelijk gebied’ van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is het niet toegestaan dat het bedrijf nog verder uitbreidt in oppervlak (3.48 lid 1 sub a) en in gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (artikel 3.48 lid 1 sub b en c).
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 34/50
Uitsnede achtergrondbelasting 2013. Het plangebied is met een gele ster aangeduid. Bron: gemeente Hilvarenbeek, 2013
In 2013 heeft een evaluatie van het gemeentelijk geurbeleid plaatsgevonden. Het gemeentelijk geurbeleid is sindsdien onveranderd gebleven. Onderdeel van deze evaluatie is ook een kaart met de geurbelasting in de gemeente in 2013. Door het restrictieve beleid van zowel provincie als gemeente voor veehouderijen in of nabij kernen kan de geuremissie van het bedrijf alleen maar afgenomen zijn. De hieronder weergegeven is daarmee voldoende representatief. Het plangebied ligt op de grens van de contour met een geurbelasting van 0-3 ouE/m3 en 3- 6 ouE/m3. Hiermee is de milieukwaliteit ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als zeer goed tot goed. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 35/50
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Uitsnede van de risicokaart. Met een gele ster is het plangebied weergegeven. Bron: www.risicokaart.nl, 2020
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Het plangebied valt niet onder een 10-6-risicocontour. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied ruimschoots buiten de invloedssfeer van Bevi-inrichtingen is gelegen. De dichtstbijzijnde inrichting is een gasontvangststation aan de Biestsedijk. Het plangebied ligt op een afstand van circa 615 meter tot dit bedrijf. Voor deze installatie is de afstand tot het plangebied meer dan voldoende om geen effect te hebben. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 36/50
4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen.
Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Op circa 435 meter afstand ligt de gastransportleiding Z-522-10. Voor deze leiding zijn geen plaatsgebonden of groepsrisico afstanden gegeven. De ligging van de leiding heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling.
Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid. 4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 37/50
De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 38/50
Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van vijf extra woningen en een kantoorunit. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat voor het aspect luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd.
Uitsnede NSL-monitoringstool PM10 en NO2-concentratie. Het plangebied is met een gele ster aangeduid. Bron: nsl-monitoring.nl, 2020
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 39/50
4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; a. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; b. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; d. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een 1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én
leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 40/50
kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van vijf wooneenheden en een kantoorunit. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de Clijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1.
een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van vijf woningen en een kantoorunit binnen de bestaande stedelijke structuur. Hiermee blijft de ontwikkeling ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Verder is categorie D11.2 van toepassing enkel in het geval dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het gebruik van het perceel verandert van een religieuze functie naar een woonfunctie. De vijf te realiseren woningen en een kantoorunit binnen het bestaande (kerk)gebouw maakt dat de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling beperkt is. Er is derhalve geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 van categorie D11.2. Toetsing van het planvoornemen aan het Besluit m.e.r. kan achterwege blijven. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 41/50
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Ook is het niet nodig om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 42/50
5
Juridische plantoelichting
5.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2
Opbouw van de regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het gemeentelijke handboek. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3
Regels
5.3.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 43/50
5.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Een regel hoeft niet alle elementen te bevatten, dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is erop gericht om de bouw van maximaal vijf wooneenheden en een kantoorunit in de Sint Antonius van Padua kerk mogelijk te maken. Regels worden gegeven voor het gebruik voor wonen met de daarbij behorende voorzieningen. Artikel 4 Waarde – Archeologische verwachtingswaarde middel De dubbelbestemming heeft tot doel de te verwachten archeologische waarden te beschermen. De dubbelbestemming heeft voorrang boven de andere geldende bestemmingen, en legt beperkingen op aan deze onderliggende bestemmingen. Ten eerste mag binnen de dubbelbestemming in beginsel niet worden gebouwd. Hiervan kan worden afgeweken indien door middel van onderzoek aangetoond wordt dat er geen archeologische belangen in het geding zijn.
Artikel 5 Waterstaat – Attentiezone waterhuishouding Deze dubbelbestemming is bedoeld voor de bescherming van de waterhuishouding in verband met het Natuur Netwerk Brabant. Een aantal werkzaamheden, zoals het verzetten van grond van meer dan 100 m 3 of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, de aanleg van drainage, het verlagen van de waterstand en het aanbrengen van verhardingen groter dan 100 m2 is pas toegestaan als daar een vergunning voor is verleend 5.3.3
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel geeft de algemene regels voor het ondergronds bouwen weer. Tevens is geregeld hoe om te met geringe overschrijdingen van bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt al het gebruik dat afwijkt van het toegelaten gebruik in de bestemmingen als strijdig aangemerkt.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 44/50
Dit artikel bestaat uit algemene afwijkingen; er wordt een aantal zaken genoemd waarbij het bevoegd gezag bevoegd is om een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van de afwijking. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft de mogelijkheid om bestemmingsgrenzen in beperkte mate te wijzigen indien de realisatie van de toegekende bestemmingen hierom vraagt. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is de waarborging opgenomen ten behoeve van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied. Tevens is hier geregeld dat voorzien dient te worden in voldoende compensatieberging bij het toenemen van de verharding boven de 250 m2. 5.3.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 12 Overgangsrecht In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wabo, overgenomen. Het betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen.
Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 13 Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 45/50
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 46/50
6
Economische uitvoerbaarheid
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 6.2
Toepassing Grondexploitatiewet
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien de ontwikkeling een verbouwing tot maximaal 10 wooneenheden betreft. 6.3
Economische uitvoerbaarheid
De anterieure kosten alsmede eventuele kosten met betrekking tot planschade zullen verhaald worden door middel van een anterieure overeenkomst. Deze wordt gesloten alvorens het bestemmingsplan als ontwerp ter visie wordt gelegd.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 47/50
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 48/50
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De resultaten van het vooroverleg zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting. 7.2
Omgevingsdialoog
De initiatiefnemer heeft tweemaal een omgevingsdialoog gehouden met de omwonenden. Als bijlage 7 is het verslag van het eerste gevoerde omgevingsdialoog (24 februari 2021) opgenomen. Als bijlage 8 is het verslag van de tweede omgevingsdialoog (29 april 2022). De initiatiefnemers hebben gekozen voor een tweede overleg ronden als gevolg van het verstrijken van de tijd en het enigszins wijzigen van de plannen. De omwonenden hebben overwegend positief gereageerd op het voorliggend initiatief. In de opgenomen verslagen wordt ingegaan op de ingebrachte punten en aangegeven hoe hier mee omgegaan is. De opmerkingen hebben geen aanleiding gegeven om het onderhavige bestemmingsplan aan te passen. Eén bewoner heeft zorgen geuit over privacy. Hiermee zal rekening gehouden worden bij de verdere technische uitwerking van de plannen. 7.3
Zienswijzen
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 49/50
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 50/50