10 bp Biestsestraat 26 (4 Toelichting)
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Biestsestraat 26” te Biest-Houtakker Gemeente Hilvarenbeek
datum projectnummer
20 oktober 2022 202023
Bestemmingsplan “Biestsestraat 26” te Biest-Houtakker
Aveco de Bondt BV Boschstraat 35, 4811 GB Breda Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 www.avecodebondt.nl
Gemeente Hilvarenbeek Toelichting
project projectnummer projectleider
versie fase auteur
Bestemmingsplan Biestsestraat 26 Biest-Houtakker 202023 Marcel Volbeda
5.0 Ontwerp Marcel Volbeda
paraaf gecontroleerd
Wilrik Hengstmengel
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerende bestemmingsplan Leeswijzer
1 1 1 2 2
2 2.1 2.2 2.3
Huidige en beoogde situatie Huidige situatie Beoogde situatie Verkeer en parkeren
3 3 3 5
3 3.1 3.2
Beleidskader Inleiding Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’ 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3.3.1 Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling 3.3.3.2 Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies 3.3.3.3 Artikel 3.26: Attentiezone waterhuishouding Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Hilvarenbeek 3.4.2 Woonvisie 2020-2030 3.4.3 Concept-Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030
7 7 7 7 8 9 10 10 11 12 13 14 16 17 17 18 19
Planologisch relevante (milieu)aspecten Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie 4.6.1 Natuurgebieden 4.6.2 Flora en fauna Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid 4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid 4.9.2 Transport en externe veiligheid 4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Luchtkwaliteit
21 21 21 22 26 28 29 29 30 32 33 36 36 37 37 37
3.3
3.4
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
4.7 4.8 4.9
4.10
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
4.11 4.12
Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
40 40
5 5.1 5.2 5.3
Juridische plantoelichting Inleiding Opbouw van de regels Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels 5.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 5.3.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels 5.3.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
43 43 43 43 43 44 44 45
6 6.1 6.2 6.3
Economische uitvoerbaarheid Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid
47 47 47 47
7 7.1 7.2 7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Omgevingsdialoog Zienswijzen
49 49 49 49
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Historisch bodemonderzoek RCE Preadvies Voortoets stikstof Quickscan Wet natuurbescherming Aanvullend onderzoek Marterachtigen, Uilen en Vleermuizen Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verslag omgevingsdialoog, 24 februari 2021 Verslag omgevingsdialoog, 29 april 2022
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
De ontwikkeling heeft betrekking op voormalige kerk, de Sint Antonius van Padua kerk, aan de Biestsestraat 26 te Biest-Houtakker. De kerk is aan zijn religieuze functie onttrokken. De initiatiefnemer wenst de functie van de kerk te wijzigen in woonruimten en in de toekomst mogelijk een kantoor/atelier. De kerk is aangewezen als Rijksmonument en de functiewijziging draagt bij aan het behoud van dit cultuurhistorisch waardevol gebouw.
Luchtfoto locatie. Het plangebied is met een rode contour aangegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2020
De gemeente Hilvarenbeek heeft in haar brief d.d. 11 december 2019 aangegeven medewerking te willen verlenen aan het veranderen van de functie naar wonen. Medewerking wordt verleend door middel van een herziening van het geldende bestemmingsplan. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen in het centrum van Biest-Houtakker. De Bieststestraat vormt onderdeel van de hoofdontsluiting van het dorp. De kerk grenst aan de achterzijde aan het buitengebied. Zowel aan de noord- als zuidzijde wordt het plangebied begrenst door woningen. Aan de overzijde van de Biestsestraat liggen ook
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 1/50
woningen alsmede een horecabedrijf. Het plangebied bestaat uit de kadastrale gronden gemeente Hilvarenbeek, sectie B, nummers 1553 en 1555. 1.3
Vigerende bestemmingsplan
Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Kern Biest-Houtakker” en hebben de gronden de bestemming ‘Maatschappelijk’. De kerk is voorzien van een bouwvlak en de functieaanduiding ‘religie’. Het plein voor de kerk en een bestaande parkeervoorziening zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. Over de gronden ten oosten van de kerk en over een deel van de kerk ligt een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone natte natuurparel’. Verder zijn alle gronden voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog’.
Uitsnede bestemmingsplan. Plangebied is met een rode contour aangegeven. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020
Naast het bestemmingsplan “Kern Biest-Houtakker” vigeert nog een zogenaamd paraplubestemmingsplan. Het betreft hier het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018”. Dit bestemmingsplan verwerkt het gemeentelijk parkeerbeleid en de daarbij behorende parkeernormen in de diverse onderliggende bestemmingsplannen. Verder is het voorontwerp bestemmingsplan “Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek” gepubliceerd. In dit plan is aan de kerk de gebiedsaanduiding ‘overige zone – historische dorpsstructuur’ toegekend. Deze aanduiding richt zich op het behoud, beheer en herstel van de oude historische structuur. 1.4
Leeswijzer
In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 de huidige en de beoogde situatie voor het plangebied toegelicht. In hoofdstuk 3 is het planvoornemen getoetst aan het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 heeft betrekking op de planologisch relevante (milieu)aspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aan de orde en in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 2/50
2
Huidige en beoogde situatie
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen in het oosten van de kern Biest-Houtakker aan de hoofdweg door het dorp. Alle nieuwbouw in het dorp heeft ten westen van de Biestsestraat plaatsgevonden. De hoofdstraat en de kerk ligt daardoor op de oostelijke rand van de kern. In het verleden zouden alle voorzieningen van het dorp zich rond de kerk geconcentreerd hebben. Heden ten dagen zijn er, met uitzondering van een restaurant, alleen woningen in de nabijheid van het plangebied aanwezig. In het noordelijk deel van de kern zijn nog een aantal bedrijven aanwezig alsmede een school. De parochie ontstond in 1913, toen werd ook de kerk gebouwd. In 1922 werd deze ingewijd. Hij was aan Antonius van Padua gewijd omdat het gebouw deels uit het Sint-Antoniusfonds (de Bossche Kerkbouwstichting) was betaald. Het kerkje is gebouwd als een neogotische kruisbasiliek en ontworpen door Jos Margry. De kerk bevat een Sint-Antoniuskapel en een reliek van de heilige Antonius. De processie, die ter ere van deze heilige werd gehouden, is afgeschaft in 1972. Op zondag 9 juni 2013 vond de laatste eucharistieviering plaats in deze kerk. De voormalige rooms-katholieke kerk is aangewezen als een Rijksmonument, evenals de naastgelegen voormalige pastorie (Biestsestraat 24). De monumentale waarde van het gebouw komt nader aan bod in paragraaf 4.4.
Ten oosten van de kerk staat nu een vrijstaand bijgebouw van slechte kwaliteit. Ten noorden van de kerk ligt een doodlopende afsplitsing van de Biestsestraat. Langs deze aftakking liggen aan weerszijden openbare parkeerplaatsen. In totaal liggen hier 17 parkeerplaatsen op het terrein van de kerk. Aan de overzijde liggen nog eens 13 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen vervullen een rol voor zowel de aanliggende begraafplaats als het restaurant. De kerk zelf is momenteel in gebruik als antiekwinkel. 2.2
Beoogde situatie
Het planvoornemen voorziet in het realiseren van vijf wooneenheden in de kerk plus de mogelijkheid om een kantoorunit te realiseren. Op de begane grondlaag zijn drie wooneenheden voorzien, op de eerste verdieping twee wooneenheden en nog één wooneenheid op de tweede verdieping. Op de begane grond is ook voorzien in de mogelijkheid om een kantoor/atelier te realiseren. Eén wooneenheid krijgt de beschikking over de tuin behorende bij de kerk. De overige appartementen krijgen de beschikking over een patio/tuin. De bouwwerkzaamheden vinden uitsluitend in de kerk plaats. Het uitwendige van de kerk blijft in principe onaangeroerd tenzij een aanpassing noodzakelijk is in het kader van het geschikt maken van de kerk als woning. Dit aspect wordt nader uitgewerkt bij de bouwvergunning. Dergelijke aanpassingen zijn alleen toegestaan indien deze verenigbaar zijn met de monumentale waarde van de kerk.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 3/50
Begane grondlaag. Bron: Bureau013, 2022
Eerste verdieping. Bron: Bureau013, 2022
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 4/50
Tweede verdieping. Bron: Bureau013, 2022
In de nieuwe situatie blijft het plein voor de kerk ongewijzigd. Het plein blijft openbaar toegankelijk. Hetzelfde geldt voor de huidige parkeerplaats aan de noordzijde van het plangebied. Het gebruik als antiekwinkeltje is inmiddels beëindigd. De toegang tot de begraafplaats blijft ongewijzigd. Aan de oostzijde is nog een vrijstaand bijgebouw aanwezig. Dit gebouw is van zeer slechte kwaliteit en zal gesloopt worden. Het voorliggend plan voorziet in de mogelijkheid om één vrijstaand bijgebouw te realiseren ten behoeve van de te realiseren woning. 2.3
Verkeer en parkeren
Verkeer Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de nieuwbouw, dienen de kengetallen uit de ASVV 2012 van het CROW te worden geraadpleegd. Het plangebied is gelegen in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’ en te typeren als ‘weinig stedelijk’ gezien de stedelijkheidsgraad op basis van CBS gegevens. De te realiseren wooneenheden zijn als volgt gecategoriseerd ter bepaling van hun verkeersgeneratie: • koop huis tussen/hoek, 7,8 motorvoertuigen per etmaal; • 2x huur, appartement, duur, 6,4 motorvoertuigen per etmaal; • 2x huur, appartement, middelduur, 4,5 motorvoertuigen per etmaal; • kantoor van 50 m2 BVO, 9,6 motorvoertuigen per etmaal per 100 m2 BVO. De verkeersgeneratie komt daarmee uit op 7,8 + 12.8 + 9 + (9,6/2) = 34,4 extra motorvoertuigen per etmaal.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 5/50
De woningen en het kantoor worden ontsloten via de Bieststestraat, de hoofdontsluiting van de kern BiestHoutakker. De verkeersgeneratie van de beoogde functies is altijd lager dan het oorspronkelijk gebruik als kerk. Het verwerken van het gegeneerde verkeer zal daarmee geen problemen ondervinden. Parkeren Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. De gemeente heeft haar parkeerbeleid neergelegd in het Parkeerbeleidsplan 2015-2020.
Op grond van dit beleid gelden de volgende normen: • koop huis tussen/hoek, 2,4 parkeerplaatsen; • 2x huur, appartement, duur, 2,3 parkeerplaatsen per appartement; • 2x huur, appartement, middelduur, 1,8 parkeerplaatsen per appartement • kantoor van 50 m2 BVO, 2,8 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. De parkeerbehoefte komt daarmee op 2,4+(2x2,3) + (2x1,8) + (2,8/2) = 12 parkeerplaatsen. Op eigen terrein zijn reeds 17 parkeerplaatsen aanwezig. Er is daarmee voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde parkeergelegenheid en het plan is daarmee uitvoerbaar. Verder moet ook het voormalige en officieel bestemde gebruik als kerk in ogenschouw genomen worden. De parkeerbehoefte van de kerk waar naar schatting 200 à 300 personen in aanwezig kunnen zijn vraagt al om een groter aantal parkeerplaatsen. De verplichting om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid is geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. Eventuele toekomstige ontwikkelingen moeten getoetst worden aan deze regel (artikel 11 van deze regels).
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 6/50
3
Beleidskader
3.1
Inleiding
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. 3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.
Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Voorliggend plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, is van toepassing op onderhavig plan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 7/50
Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro) Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen.
Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Voorliggend plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen en het radarstation op vliegbasis Woensdrecht. Rondom deze radarstations mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP.
Ligging van het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen en Woensdrecht. De blauwe aanwijzer toont de ligging van het plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 8/50
Onderhavig plangebied is daarnaast gelegen in het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht. In het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht geldt ter hoogte van Biest-Houtakker een maximale bouwhoogte van 113 meter voor alle bouwwerken. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en de Rarro van toepassing, aangezien er bij onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels, zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art.
3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast.
Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 9/50
a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige bestemmingsplan voegt ter plaatse van het plangebied vijf extra wooneenheden en de mogelijkheid om een kantoor/atelier te realiseren planologisch toe. De ontwikkeling is reeds gelet op de kleinschalige omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is doorlopen. De ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. 3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’ Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.
De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het onderhavige planvoornemen heeft raakvlakken met de ambities uit de Omgevingsvisie. Het ziet op woningrealisatie binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 10/50
Biest-Houtakker. Het waarborgt duurzaam ruimtegebruik door herontwikkeling van een bestaande locatie. Daarmee draagt realisatie van het plan bij aan de totstandkoming van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en biedt het duidelijk een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving. Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant. 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014 Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening.
Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant. Beoordeling Het plangebied is in de SVRO gelegen binnen de stedelijke structuur, aangeduid als ‘Kernen in het landelijk gebied’. Op de gronden die aangewezen zijn als kern in het landelijk gebied wordt voorzien in de lokale behoefte voor verstedelijking inzake wonen, werken en voorzieningen. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma. In de kernen in het landelijk gebied worden woningen gebouwd voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van ‘migratiesaldo – nul’. De provincie legt de nadruk op zorgvuldig ruimtegebruik waarbij de provincie de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag wil afremmen. Dit betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Het accent ligt dan ook op inbreiden en herstructureren.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 11/50
Uitsnede Structurenkaart uit Structuurvisie Ruimtelijke Ordening met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020
Met voorliggend planvoornemen worden vijf extra wooneenheden en een kantoorunit mogelijk gemaakt in een Rijksmonumentale kerk binnen de stedelijke structuur van de kern Biest-Houtakker. Het plan draagt, gezien de ligging van het plangebied, met de voorziene bestemmingsplanwijziging bij aan de concentratie van verstedelijking binnen de bestaande stedelijke structuur alsmede aan het behoud van een cultuurhistorisch waardevol object. Regionale afstemming met betrekking tot het woningbouwprogramma wordt nader getoetst in paragraaf 3.3.3. Conclusie Voorliggend initiatief is passend binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening 2014 van de provincie Noord-Brabant. 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 12/50
De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Interim omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’ en ‘Attentiegebied waterhuishouding’. De tuin behorende bij de kerk ligt in de aanduidingen ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. In de tuin zijn geen bijzondere ontwikkelingen voorzien en blijft als tuin functioneren. De belangen vertegenwoordigt door deze aanduidingen zijn niet in het geding. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’.
Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 3.5 t/m 3.8 Iov. De toetsing wordt hierna uitgevoerd. 3.3.3.1 Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.
Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het toevoegen van vijf wooneenheden en een kantoorunit in een bestaand Rijksmonumentaal gebouw, de voormalige rooms-katholieke Sint Antonius van Padua kerk in het bestaand stedelijk gebied van Biest-Houtakker. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov, mits passend binnen de woningbouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald en mits de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. De woningbehoefte van de regio ‘Hart van Brabant’ bedraagt in de periode 2020-2030 in totaal 21.595 woningen. Voor de gemeente Hilvarenbeek bedraagt dit aantal voor deze periode 570 woningen. De planvoorraad van de regio ‘Hart van Brabant’ bedraagt in de periode 2020-2029 een totaal van 19.875 woningen. Voor de gemeente Hilvarenbeek bedraagt de planvoorraad in dezelfde periode 755 woningen. Voor Hilvarenbeek is de dekking van de planvoorraad met 132% derhalve ruimschoots voldoende, terwijl voor dit voor de regio als geheel met 92% onvoldoende is (idealiter minimaal 130%). Uit onderverdeling van de planvoorraad naar redelijk harde capaciteit (t/m 2024) en de zachte plancapaciteit (2025-2030) blijkt dat de meeste gemeenten vooral in de periode tot 2025 veel plannen in de planvoorraad hebben zitten en de periode daarna beduidend minder.
Ook voor Hilvarenbeek
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 13/50
is dit het geval. Voor de gemeente Hilvarenbeek staan, op basis van de aangehaalde “Woonvisie Hilvarenbeek 2020 – 2030”, de volgende vier thema’s centraal: 1. Inspelen op de grote woningvraag: naast inbreiding wordt ook ingezet op uitbreidingslocaties; 2. Voldoende betaalbare (huur)woningen; 3. Aanpak bestaande woningvoorraad; 4. Wonen met zorg. Met betrekking tot de woningbouwprognose blijkt dat de actualisering van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2020 een lagere behoefte laat zien dan dat in de gemeente Hilvarenbeek als vraag ervaren wordt. De planvoorraad overschrijdt in kwantitatieve zin de provinciale prognoses voor Hilvarenbeek maar kan daarmee wel bijdragen aan de regionale behoefte. Het programma voor de komende 5 jaar komt overeen met de kwalitatieve verdeling van het streefprogramma zoals dat bij de woonvisie is vastgesteld.
Tabel 1 Overzicht woningbouwprognose. Bron: Perspectief op wonen en woningbouw 2021
Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid op het brede vlak van ‘wonen’ opnieuw bepaald. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat voor alle inkomensgroepen voldoende mogelijkheden zijn om een passende woning te vinden. Voor kleine huishoudens, ouderen en starters (huishoudens met een laag inkomen) is het van belang dat er voldoende betaalbare woningen beschikbaar zijn in de gemeente. Onderhavig initiatief voorziet echter in een niettraditioneel woonmilieu en is zonder meer uniek te noemen. Het wonen in een kerk voorziet in een nieuw soort woonmilieu. Het initiatief komt eveneens tegemoet aan de kwantitatieve opgave van ongeveer 500 woningen de komende tien jaar. Voor een uitgebreide toetsing aan de Woonvisie 2020-2030 wordt verwezen naar paragraaf 3.4.2. Verder wordt verwezen naar paragraaf 3.4.3 waar ingegaan wordt op het concept-uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030. Het onderhavig plangebied is opgenomen als inbreidingslocatie in het uitvoeringsprogramma. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov N-B.
3.3.3.2 Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov N-B) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 14/50
Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: • nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; • er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaardecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied ‘Stedelijk Gebied’ of een bestaand bouwperceel.
De ontwikkeling van de woningen vindt plaats binnen een bestaand gebouw en binnen het bestaand stedelijk gebied, derhalve binnen bestaand ruimtebeslag; b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 15/50
c.
Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het beoogde bouwvlakken voor de woningen is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven.
Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Het planvoornemen heeft geen negatief effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2 van deze toelichting. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Het planvoornemen ziet toe op woningbouw. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief een belangrijke bijdrage gaat leveren aan het behoud en beschermen van een Rijksmonumtaal gebouw. Door de beoogde functiewijziging wordt verloedering en verpaupering van de fraaie Sint Antonius van Papua kerk voorkomen. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de regels van artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8 zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. 3.3.3.3 Artikel 3.26: Attentiezone waterhuishouding 1.
Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Het beoogde gebruik van de bouwwerken en gronden gelegen onder deze aanduiding is wonen. Wonen heeft in principe geen negatief effect op de hydrologische instandhoudingsdoelen. De werkzaamheden zoals genoemd onder 2. zijn in de regels behorende bij dit plan niet zonder meer toegestaan. Dergelijke activiteiten zijn alleen met een omgevingsvergunning toelaatbaar conform artikel 5 ‘Waterstaat – Attentiezone waterhuishouding’.
Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.26 Iov N-B.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 16/50
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Hilvarenbeek Toetsingskader Op 25 februari 2010 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Structuurvisie Hilvarenbeek vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. Uiteraard wil de gemeente ontwikkelingen voorkomen die afbreuk doen aan de toekomst van de gemeente. Ontwikkelingen die het goed wonen, leven en werken ondersteunen en verbeteren wil de gemeente kunnen faciliteren en stimuleren. Bij sommige van deze ontwikkelingen zal de gemeente zelf als initiatiefnemer fungeren, bij andere ontwikkelingen is de gemeente afhankelijk van initiatieven van derden, zoals ondernemers, woningcorporaties, instellingen en burgers. In de structuurvisie wordt eerst voor de gehele gemeente een visie gegeven met betrekking tot het ruimtelijke karakter, wonen en de woonomgeving, welzijn en voorzieningen, economie en werken en mobiliteit en bereikbaarheid. In de uitvoeringsparagraaf van de structuurvisie zijn deze aspecten per kern beschreven. Beoordeling Het ruimtelijk karakter van de zes dorpen en het buitengebied van de gemeente vormt een belangrijk onderdeel van een goede woon- en leefomgeving en daarmee van het woongenot in Hilvarenbeek.
De gemeente streeft ernaar om het ruimtelijk karakter van de diverse dorpen en het buitengebied te behouden, maar ook daar waar mogelijk te versterken. Voor het beoordelen van initiatieven van derden zijn de beleidsuitgangspunten uitgewerkt in toetsingscriteria per kern. Het plangebied is ingedeeld in de centrum-zone van Biest Houtakker. Voor het centrumgebied dienen woonontwikkelingen passen binnen de algemene woonvisie. Zie hiervoor paragraaf 3.4.2 waar ingegaan wordt op de Woonvisie 2020-2030.
Structuurvisie kern Biest-Houtakker. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 17/50
Conclusie De ontwikkeling past binnen de kaders van de structuurvisie. Ten aanzien van het wonen is het beleid uit de structuurvisie vervangen door de Woonvisie 2020-2030. 3.4.2 Woonvisie 2020-2030 Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid op het brede vlak van ‘wonen’ opnieuw bepaald. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat voor alle inkomensgroepen voldoende mogelijkheden zijn om een passende woning te vinden. De praktijk van de laatste jaren is dat de gemeente Hilvarenbeek met een sterk vestigingsoverschot te maken heeft. Dit zorgt voor een toenemende druk op de woningmarkt. Het gaat daarbij vaak om kapitaalkrachtige gezinnen. Het gevolg is dat starters hierdoor het onderspit delven. Ze hebben vaak te weinig vermogen om te concurreren op de woningmarkt met doorstromers en gezinnen. Daarnaast constateert de gemeente dat steeds meer senioren overwegen om de komende periode te gaan verhuizen. Daarbij is het wel van belang dat er voldoende passend woningaanbod voor deze doelgroep voorhanden is. Veel ouderen zoeken een kleine, levensloopgeschikte woning. Het liefst een grondgebonden woning met een tuintje. Een groep die vaak tussen wal en schip in valt op zoek naar een betaalbare huurwoning, is de groep spoedzoekers zonder urgentieverklaring.
Dit zijn bijvoorbeeld mensen die in een scheiding liggen of jonge starters, die niet lang genoeg ingeschreven staan om voor een sociale huurwoning in aanmerking te komen. Dit soort spoedzoekers krijgt vaak geen urgentieverklaring, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem. Ook voor deze doelgroep wil de gemeente voldoende geschikte woningen realiseren. De gemeente Hilvarenbeek vindt het belangrijk dat er voor alle doelgroepen in de samenleving een plek is om te wonen in Hilvarenbeek. Jong, oud, rijk, arm, met of zonder beperkingen moet hier een woning naar zijn of haar wensen en mogelijkheden kunnen vinden. Dit houdt in dat de gemeente de komende jaren vooral woningen willen toevoegen in marktsegmenten die nu nog te beperkt aanwezig zijn. Het gaat dan om kleine woningen met één, hooguit twee slaapkamers, zodat een huishouden de woning ook weer gaat verlaten bij gezinsuitbreiding en de woning weer beschikbaar komt. Beoordeling Als onderbouwing voor de woningbouwopgave in de woonvisie is in het voorjaar van 2019 een woningbehoefteonderzoek in de gemeente Hilvarenbeek uitgevoerd. De respons van de enquête in het dorp BiestHoutakker was 21% onder de zelfstandige huishoudens en 33% onder de starters. Bewoners geven speerpunten aan voor het woonbeleid van de gemeente. Een daarvan is het gebrek aan goedkope koopwoningen (tot €285.000,-).
Dit leidt ertoe dat het voor mensen die uit de sociale huurwoning naar een koopwoning willen verhuizen lastig is om een woning te vinden. Dit belemmert de doorstroming.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 18/50
Grafiek ‘Gewenste woning naar eigendom en prijsklasse (2019). Bron: Woonvisie 2020-2030, gemeente Hilvarenbeek.
In de voormalige kerk worden vier huurappartementen gerealiseerd en één woning voorzien van een riante tuin. Het planvoornemen biedt een uniek woonmilieu daar het gaat om het hergebruik van een bijzonder pand. De ouderdom van de kerk en daarmee de aard van het bouwwerk maakt het pand niet geschikt voor de doelgroep senioren. De ontwikkeling is wel interessant door het aparte woonmilieu. Het behoud van het Rijksmonumentale pand voor toekomstige generaties is van maatschappelijk belang. Conclusie Voorliggend planvoornemen biedt een uniek woonmilieu en draagt bij aan het behoud van een cultuurhistorisch waardevol object. 3.4.3 Concept-Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030 Toetsingskader Bij de vaststelling van de ‘Woonvisie 2020-2030’ is ook een uitvoeringsprogramma opgesteld. Het Uitvoeringsprogramma legt de wijze uit waarop inbreidings-initiatieven worden beoordeeld. Het Uitvoeringsprogramma geeft nu nog een globaal beeld van het aantal en type woningen per kern. Wat vooral zichtbaar wordt zijn de kansrijke locaties per kern. Kansrijk in die zin dat de locatie geschikt wordt bevonden voor woningbouw en dat de invulling stedenbouwkundig inpasbaar is of inpasbaar kan worden gemaakt. Beoordeling In Biest-Houtakker zijn twee locaties ingebracht en beiden zijn positief beoordeeld. Eén van deze locaties betreft het onderhavige plangebied.
Conclusie De gemeente Hilvarenbeek heeft een afweging gemaakt van geschikte woningbouwlocaties in Hilvarenbeek. Het plangebied is gelegen op een kansrijke locatie voor woningbouw. Voorliggend planvoornemen is passend binnen het ‘Concept-Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2020-2030’.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 19/50
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 20/50
4
Planologisch relevante (milieu)aspecten
4.1
Inleiding
Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2
Bodem
Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Het plangebied is in de bestaande situatie bestemd voor religieuze maatschappelijke functies. Door de beoogde functiewijziging naar wonen is het noodzakelijk om een historisch vooronderzoek uit te voeren. Door Milon is een Historisch bodemonderzoek uitgevoerd.
Het rapport van 14 oktober 2020 is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 21/50
Uit het historisch onderzoek blijkt dat op de locatie geen andere functie aanwezig is geweest. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Hilvarenbeek blijkt dat de onderzoeklocatie is gelegen in een gebied waarin de bodemkwaliteit op onbelaste percelen naar verwachting voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen. De onderzoekslocatie is gelegen in de bodemfunctieklasse wonen. Naar opgave van de opgevraagde omgevingsrapportage is ter plaatse van de onderzoekslocatie een ondergrondse huisbrandolie-tank aanwezig (geweest). Hierover is navraag gedaan bij de gemeente Hilvarenbeek. Bij de gemeente zijn geen gegevens bekend aangezien deze dateren van voor 1987. Tijdens de inspectie van het terrein zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op de (voormalige) aanwezigheid van een ondergrondse tank. Voor het overige zijn zover bekend of nabij de onderzoekslocatie geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. Tevens zijn binnen de onderzoekslocatie geen aanwijzingen waargenomen die kunnen duiden op een verontreiniging met asbest. Vervolgonderzoek conform NEN 5470 is in principe ter plaatse van de olietank nodig. Echter door het ontbreken van een exacte locatie en het ontbreken van aanwijzingen voor de locatie wordt een verkennend onderzoek niet zinvol geacht.
Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3
Waterhuishouding
Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP). Het RWP is de strategische basis voor het Brabantse water- en bodembeleid en -beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het Regionaal Water en Bodem Programma 2022–2027 integreert de milieu- en de wateropgave.
Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De ambitie van het RWP luidt: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Om deze ambitie te bereiken werkt het RWP 5 beleidsopgaven uit: 1. Voldoende water (o.a. Europese KRW-doelen); 2. Schoon water (o.a. Europese KRW-doelen); 3. Waterveiligheid; 4. Vitale bodem; 5. Klimaatadaptatie.
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 22/50
Beleid waterschap De Dommel Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangsprincipes ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Daarnaast wordt er in het Waterbeheersplan 2022-2027 ingespeeld op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen). • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Een goede regulatie van het beschikbare water is hierin belangrijk. • Schoon water: dit behelst het voorkomen dat relatief schoon regenwater vermengd raakt met “vies” water waardoor het onbruikbaar is voor hergebruik. Waterschap De Dommel toetst een ruimtelijk plan op 8 onderwerpen de ‘uitgangspunten watertoets’: 1. Voorkomen van vervuiling. 2. Wateroverlast vrij bestemmen. 3. Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO). 4. Vuil water en hemelwater scheiden. 5. Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer. 6. Waterschapsbelangen. 7. Meervoudig ruimtegebruik. 8. Water als kans.
In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van het bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 ‘Verbod afvoer door verhard oppervlak’). De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De waterschappen hebben bij de Keurregels enkele hydrologische uitgangspunten opgesteld voor het afvoeren van hemelwater. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d.
de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
datum referentie
20 oktober 2022 202023_AdB_RAP_0001_v5.0
P 23/50
b.
c.
de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.