CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 bp Akkerstraat 17 (3 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Akkerstraat 17, Biest-Houtakker"17.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit betekent dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. In de beoogde situatie is sprake van een afname in verhard oppervlak als gevolg van de sanering van een gedeelte van de bestaande bedrijfsgebouwen. Ter plaatse worden een nieuwe teeltondersteunende kas en waterbassin gerealiseerd. Ten noorden van het bouwvlak wordt 5,0 hectare aan containervelden met een bijbehorende retentievoorziening aangelegd. De realisatie van het nieuw aan te leggen waterbassin en de retentievoorziening hoeven niet meegenomen te worden in de berekening van de toename in verhard oppervlak. Uit Tabel 1 volgt dat er met het initiatief derhalve per saldo sprake is van een toename in verhard oppervlak van 50.450 m2.

Tabel 1: Overzicht verhard oppervlak Bebouwing Rundveestallen Sleufsilo’s Teeltondersteunende kas Containervelden Totaal

Afname

Toename 1.715 m2 2.690 m2

- 4.405 m2

4.855 m2 50.000 m2 54.855 m2

Omdat de toename in verhard oppervlak meer bedraagt dan 10.000 m 2 dient er conform artikel 13 van de Beleidsregels van de Brabant Keur een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater in op te vangen. Deze compensatieplicht bestaat uit een HNO-buffer van minimaal 600 m3 per hectare toename in verhard oppervlak. Dit betekent dat de HNO-buffer een capaciteit moet hebben van minimaal 3.027 m3 (50.450 m2 x 600 m3/ha). Op de kwekerij zal al het hemelwater wat op het verhard oppervlak valt worden opgevangen in het te realiseren waterbassin (4.180 m3) en de aan te leggen retentievoorziening (920 m3). De retentievoorziening wordt uitgevoerd conform de Algemene regels van de Brabant Keur voor lozingsconstructies (artikel 13). Een pomp zorgt ervoor dat 2.110 m3 HNO-water uit het waterbassin vertraagd - met een maximale afvoersnelheid van 2l/s/ha - wordt afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. Hierdoor hebben de retentievoorziening (920 m3) en het waterbassin (2.110 m3) gezamenlijk voldoende capaciteit om te dienen als HNO-buffer. Hiervoor is in totaal namelijk een capaciteit van minimaal 3.027 m3 voor nodig. De rest van de capaciteit van het waterbassin (2.070 m3) wordt gebruikt om hemelwater in op te slaan dat kan worden toegepast voor de irrigatie van de containervelden. In Afbeelding 14 is de uitvoering van het waterbassin schematisch weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

23

Afbeelding 14: Schematische uitvoering waterbassin Aanvullend moet er voor de opvang van (verontreinigd) water dat terecht komt op de containervelden voldaan worden aan de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van artikel 3.87, derde lid, van het Activiteitenbesluit moet 500 m 3/ha containerveld worden opgevangen in een aparte kwaliteitsberging voor gietwatergebruik. Dit gietwater moet worden hergebruikt binnen de inrichting. Er mag namelijk geen lozing van vervuild water plaatsvinden. De beoogde containervelden hebben een omvang van 5 ha. Dit betekent dat de kwaliteitsberging een capaciteit moet hebben van minimaal 2.500 m3. De bestaande mestkelder onder de loods gaat dienen als kwaliteitsberging. Vanzelfsprekend zal deze hiervoor eerst worden gereinigd. De kelder heeft een inhoud van 2.695 m3. Deze voorziening beschikt dus over voldoende capaciteit om te dienen als kwaliteitsberging. Het gietwater dat hierin opgeslagen wordt, zal worden hergebruikt in de teeltondersteunende kas en op de containervelden. In Afbeelding 15 is de uitvoering van de kwaliteitsberging schematisch weergegeven.

Afbeelding 15: Schematische uitvoering kwaliteitsberging De teeltondersteunende kas is een nullozer. Het afvalwater dat in de kas ontstaat loopt vervolgens via goten/leidingen naar een inpandige pompput, waarna dit water naar de kelder wordt afgevoerd. Ook het condenswater uit de kas komt via dezelfde wijze in de kelder terecht. Al het water dat in de kas wordt toegepast of ontstaat na condenseren, recirculeert derhalve via een gesloten systeem tussen kelder en kas. In de beoogde situatie blijft dus uitsluitend het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool. De huisvesting voor seizoensarbeiders zal hier ook op aangesloten worden. In totaliteit zal hierdoor de maximale aanvoer vanuit de inrichting van 1.000 liter per uur echter niet worden overschreden. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie. De B- en C-watergangen in de omgeving van het plangebied zullen als zodanig is stand worden gehouden. Ten opzichte van deze watergangen zullen de beschermingszones in acht worden genomen.

Met de beoogde ontwikkeling vinden er dus geen ruimtelijke ingrepen plaats die een negatief effect op de waterhuishouding zullen hebben.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

24

4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 16. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

25

Afbeelding 16: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Regte Heide & Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft ‘Kempenland West’, waarvan een uitloper op een afstand van circa 1,9 km van het plangebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige habitattype is echter gelegen in het Natura-2000 gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, op een afstand van 4,9 km van het plangebied. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

26

spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grotere afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Planologisch gezien is hiervoor de bestaande, legaal aanwezige, situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingplan de uitgangssituatie. Met het initiatief vinden geen ontwikkelingen plaats die ten opzichte van de bestaande bedrijfssituatie een toename in stikstofdepositie tot gevolg kunnen hebben. Conform de vigerende vergunning d.d. 18-042-006 mogen er op het bedrijf 129 melk- en kalfkoeien, 109 stuks vrouwelijk jongvee en 40 vleeskalveren tot 8 maanden gehouden worden. Gezamenlijk emitteren deze dieren 2.296,6 kg NH3 per jaar. Daar dit de bestaande, legaal aanwezige, situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan betreft geldt die vergunning planologisch gezien als uitgangssituatie. In de beoogde situatie wordt de rundveehouderij volledig gesaneerd.

De locatie wordt her ontwikkeld tot een kwekerij voor vollegronds- en plantgoed. In de realisatiefase zullen sloop, nieuw- en verbouwwerkzaamheden slechts tijdelijk stikstofemissie teweeg brengen. In de gebruiksfase vindt uitsluitend nog stikstofemissie plaats via stookinstallaties binnen de inrichting en als gevolg van verkeersbewegingen binnen, van en naar de inrichting. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen (tijdelijke) toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS twee verschilberekening gemaakt; één tussen de uitgangssituatie en de realisatiefase van het plan en één tussen de uitgangssituatie en de gebruiksfase van het plan. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3. In Bijlage 4 en Bijlage 5 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Aangezien de realisatiefase en de gebruiksfase separaat van elkaar plaatsvinden kan worden geconcludeerd dat het initiatief met zekerheid geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving zal hebben.

Overige storingsfactoren

Gezien de grote afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ‘KempenlandWest’ zal het initiatief verder niet leiden tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief geen sprake is van een negatief effect voor Natura 2000-gebieden. Daar voor wat betreft de stikstofdepositie sprake is van zogenaamde ‘interne saldering’ is op grond van de Wet natuurbescherming echter wel een omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Deze zal worden aangevraagd alvorens de beoogde situatie als zodanig in gebruik wordt genomen. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

27

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen/renoveren bebouwing en aan te leggen containervelden, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Vanwege het ontbreken van geschikte water- of landbiotopen voor vissen, amfibieën en reptielen is de aanwezigheid van deze diersoorten uitgesloten. De gronden waar de containervelden worden gerealiseerd zijn tot op heden altijd in gebruik geweest als landbouwgronden. Door intensief gebruik door woelen, ploegen en dergelijke ten behoeve van afwisselende teelten zijn hier geen beschermde of bijzondere soorten te verwachten.

Ten behoeve van algemene broedvogels geldt altijd dat tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 juli). Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermde soorten. Foeragerende vleermuizen rondom het plangebied zijn niet uit te sluiten. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groenstructuren en straatverlichting. Het buitengebied en de rand van de bebouwde kom dienen hoofdzakelijk als jacht en rustgebieden omdat daar de meeste insecten leven. Het plangebied ligt in het buitengebied. Het effecten van het initiatief op lijnvormige groenstructuren en straatverlichting zijn echter dermate gering dat negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen op voorhand uit te sluiten zijn. De te saneren bebouwing is ongeschikt als zomer-, kraam- paarverblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De daken van de gebouwen bestaan uit enkellaags gladde platen. Boeiborden, ruimten onder gevelplaten of andere holten en nissen die door vleermuizen gebruikt kunnen worden zijn afwezig.

Omdat de daken die worden gesloopt niet zijn geïsoleerd zijn temperatuurschommelingen in de winterperiode te groot om een stabiele temperatuur voor overwinterende vleermuizen te kunnen garanderen. Dit maakt de locatie tevens ongeschikt als winterverblijfplaats. Van de rundveestal wijzigt alleen het gebruik. Deze zal in de beoogde situatie namelijk gebruikt worden als loods en huisvesting voor tijdelijke seizoensarbeiders. Ten behoeve van dit gebruik zullen uitsluitend inpandige renovaties plaatsvinden. Indien noodzakelijk worden hiervoor Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

28

omgevingsvergunningen aangevraagd. Bij vergunningsvrije activiteiten zal de wettelijke zorg voor in het wild levende dieren en planten in acht worden genomen. Hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, zullen niet beschadigd, vernield of verstoord worden. Hiermee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Met in acht neming van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief geen schadelijke effecten op beschermde natuurwaarden te verwachten zijn. Volledigheidshalve kan door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekeken worden of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘slopen en/of asbest verwijderen’, ‘overig bouwwerk bouwen’ en ‘inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen.

Afbeelding 17: Uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

29

Afbeelding 18: Conclusie ‘Effectenindicator soorten’ Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief worden binnen het plangebied geen houtopstanden geveld, uitsluitend aangeplant. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.

Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. De bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied brengt geen humane risico’s teweeg, omdat de bestaande bedrijfsvoering geen bodemrisico teweeg heeft gebracht. Ter plaatse van het bouwvlak is tot op heden altijd een rundveehouderij gevestigd geweest. Op een veehouderij vinden doorgaans (mogelijk) wel bodembedreigende activiteiten plaats. Zoals het opslaan van mest, voer en kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken en afgesloten kasten werd het bodembedreigende risico ter plaatse verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

30

is het bodemrisico nog verder teruggebracht. De gronden ter plaatse van de containervelden zijn altijd in gebruik geweest als landbouwgronden. Hier is ten alle tijden voldaan aan de milieuregels inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen. Derhalve is er geen sprake van een verontreiniging van de gronden door de huidige activiteiten. Met het initiatief blijft de locatie gebruikt worden ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Er wordt alleen nieuw gebruik gerealiseerd waar mensen twee uur of langer gaan verblijven ter plaatse van de gewenste huisvesting voor tijdelijke seizoensarbeiders. De huisvesting wordt gerealiseerd in ruimten die tot nu toe altijd in gebruik zijn geweest als hygiënesluis, machinekamer, tanklokaal en melkstal. Deze ruimten zijn allemaal uitgevoerd met vloeistofdichte betonvloeren. De melkput met een inhoud van 17,65 m3 - die in de melkstal aanwezig was – is inmiddels verwijderd, opgevuld met schone gele grond en eveneens afgestort met een vloeistofdichte vloer. Het keuringsbewijs van de aangevoerde grond is overlegd aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. Deze werkzaamheden hebben vergunningsvrij plaatsgevonden op basis van artikel 3, lid 8 van bijlage II van de Bor. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem.

Ten behoeve van de huisvesting voor seizoensarbeiders vinden verder ook uitsluitend inpandige (vergunningsvrije) bouwwerkzaamheden plaats. Voor bouwwerkzaamheden waarvoor op grond van bijlage 2 van de Bor geen omgevingsvergunning benodigd is, hoeft ook geen verkennend bodemonderzoek te worden aangeleverd. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.1.2 blijkt uit de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Iov, dat het plangebied niet in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied ligt, zie Afbeelding 6. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Ook uit de cultuurhistoriekaart van de gemeente Hilvarenbeek blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied, zie Afbeelding 19. De Akkerstraat betreft een weg die tussen 1840 en 1900 gerealiseerd is. Aan de cultuurhistorische waarde van deze weg zal geen afbreuk worden gedaan aangezien de opritten van het bedrijf naar deze weg niet wijzigt. Zoals reeds uiteen is gezet zal de grens van het plangebied aan deze weg worden versterkt met landschapselementen om een verbindend element langs de kromme akkerweg in het landschap te vormen. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

31

Afbeelding 19: Uitsnede Cultuurhistoriekaart Hilvarenbeek 4.5.2

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). ). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op 27 september 2012 is door de gemeenteraad van Hilvarenbeek de gemeentelijk archeologische beleidskaart met bijbehorende beleidsuitgangspunten vastgesteld. Voor de bescherming van de archeologische waarden zijn in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ aan de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde de volgende dubbelbestemmingen toegekend: - 'Waarde - Archeologie 1' betreft gronden met een hoge verwachtingswaarde (cat. 4) vanwege vindplaatsen van jager/verzamelaars in bestaand natuurgebied; - 'Waarde - Archeologie 2' betreft gronden met een middelhoge verwachtingswaarde (cat. 6) vanwege vindplaatsen van jager / verzamelaars buiten natuurgebieden; - 'Waarde - Archeologie 3' betreft gronden met bekende archeologische waarden en archeologische vindplaatsen (cat. 3); - 'Waarde - Archeologie 4' betreft gronden met bekende archeologische waarden, AMK terreinen, historische kern (na amendement allemaal cat. 1). Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn op bovengenoemde archeologische verwachtingsgebieden een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden van toepassing dat toeziet op de bescherming van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden.

Indien werkzaamheden zoals graven toch plaats dienen te vinden, zal onderzocht moeten worden of ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn. Een vergunning wordt vereist wanneer de ingreep groter is dan een bepaalde omvang. Deze voorwaarde hangt samen met de archeologische (verwachtings-) waarde van het gebied. Dit is in onderstaande Tabel 2 uitgewerkt.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

32

Tabel 2: Voorwaarde bij archeologische verwachtingswaarde Archeologische verwachtingswaarde Waarde – Archeologie 1 Waarde – Archeologie 2 Waarde – Archeologie 3 Waarde – Archeologie 4

Omvang ingreep Oppervlakte > 500 m2 Diepte > 50 cm Oppervlakte > 2.500 m2 Diepte > 50 cm Oppervlakte > 100 m2 Diepte > 50 cm Diepte > 40 cm

De gronden ter plaatse van het bouwvlak hebben grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend gekregen. De overige gronden van het plangebied zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. In de beoogde situatie worden er ter plaatse van het bouwvlak geen nieuwe gronden geroerd. De beoogde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd ter plaatse van de reeds bestaande bebouwing. Hier zijn de gronden reeds verstoord door het bouwrijp maken en het doen van afgravingen ten behoeve van de funderingen en de mestkelders. Het bodemarchief is hier dus reeds verstoord. De kans op aanwezigheid van archeologische informatie ter plaatse is dus nihil. Ten behoeve van de beoogde containervelden worden er geen grondbewerkingen uitgevoerd dieper dan 0,5 m beneden maaiveld. Dit is goed te zien op de principedoorsnede van een containerveld hieronder. Gezien het huidige agrarische gebruik (ploegen e.d.) worden deze gronden al jaren lang tot deze diepte geroerd. In de bovenste grondlaag zijn dan ook geen archeologische waarden te verwachten.

Afbeelding 20: Principedoorsnede containerveld Hieruit kan worden geconcludeerd dat voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden voor de dubbelbestemming t.b.v. de potentieel aanwezige archeologische waarden. Eventueel aanwezige archeologische informatie zal niet onevenredig worden aangetast. Een nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ter bescherming van de potentieel aanwezige archeologische informatie worden de dubbelbestemmingen overgenomen in dit bestemmingsplan. 4.6 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen.

Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

33

-

Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).

Het plangebied is conform de definitie in de VNG-publicatie gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Met het initiatief wordt een rundveehouderij her ontwikkeld tot een kwekerij voor vollegronds- en plantgoed. Ten behoeve van de bedrijfsvoering wordt daarbij huisvesting voor tijdelijke seizoensarbeiders gerealiseerd. Dit betekent enerzijds dat voor het beoogde bedrijf de richtafstand ten opzichte van omliggende gevoelige objecten in acht moet worden genomen. Omgekeerd mag de beoogde huisvesting voor seizoensarbeiders geen onevenredige belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Bouwvlak Conform de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ behoren de bedrijfsgebouwen van akkeren tuinbouwbedrijven tot milieucategorie 2. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 30 meter. De tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders is als zodanig niet opgenomen in de handreiking. Er wordt derhalve aangesloten bij de categorie ‘Hotels en pensions met keuken’. Voor deze milieucategorie geldt een maximale richtafstand van 10 meter.

Binnen een afstand van 30 meter van het bouwvlak van de kwekerij zijn geen gevoelige objecten van derden gelegen. Het bedrijf is dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. Containervelden Voor wat betreft containervelden zijn in de VNG-handreiking geen richtafstanden opgenomen. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen of overdrachtsmaatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen, zoals het aanplanten van een dichte haag. In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. Aan de overzijde van de weg ten opzichte van de containervelden, bij het agrarisch bedrijf aan de Akkerstraat 30, is een bedrijfswoning gelegen. De afstand tussen het beoogde containerveld en deze woning is circa 20 meter. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter.

Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Op de beoogde containervelden worden planten opgekweekt in potten. Het betreffen dus grondgewassen. Derhalve zal altijd neerwaarts bespoten worden, nooit verticaal. Daarnaast maakt initiatiefnemer gebruik van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

34

Bovendien worden rondom het containerveld landschapselementen aangebracht in de vorm van een beukenhaag en landschapsbomen. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de bedrijfswoning aan de Akkerstraat 30 reikt. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de containervelden op gepaste afstand van gevoelige functies in de omgeving zijn gelegen. Omgekeerde werking In de directe omgeving van het plangebied zijn qua bedrijvigheid uitsluitend veehouderijen gelegen. Om te bepalen of de huisvesting voor seizoensarbeiders mogelijk een belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven is het aspect geur maatgevend. Op dit aspect wordt in navolgende paragraaf nader in gegaan. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft de bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven.

Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Dit betekent dat een nieuw geurgevoelig object geen onevenredige inbreuk mag maken op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving. In de directe omgeving van het plangebied zijn twee veehouderijen gelegen waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Deze bedrijven zijn gelegen aan de Akkerstraat 30 te Biest-Houtakker en aan de Molenakkerstraat 15 te Moergestel. Op beide locaties worden varkens gehouden. Voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld geldt een geurcontour die in acht moet worden genomen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv geldt voor een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij echter dat de afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van zo’n object, wanneer gelegen binnen de bebouwde komt, ten minste 100 meter moet bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Het plangebied is gelegen in het buitengebied.

Dit betekent dat de afstand van de bedrijfswoning tot de veehouderijen in de omgeving minimaal 50 meter moet zijn. De afstand tussen de bedrijfswoning en het bouwvlak van de veehouderij aan de Akkerstraat 30 te Biest-Houtakker is 60 meter. De afstand tussen de bedrijfswoning en het bouwvlak van de veehouderij aan de Molenakkerstraat 15 te Moergestel is 165 meter. Er kan dus worden voldaan aan de gestelde vaste afstanden in de Wgv. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat een huisvesting voor seizoensarbeiders niet geurgevoelig is, omdat er geen sprake is van permanent verblijf. De huisvesting is gericht op het bieden van (nacht)verblijf voor beperkte duur, te weten een periode van maximaal twaalf achtereenvolgende weken. De Raad van State overweegt dan ook dat van permanent of daarmee gelijk te stellen gebruik voor menselijk verblijf geen sprake is, zie ABRvS 11 januari 2012, nr. 201104200/1/H1 (ECLI: NL.RVS.2012.BV0553), inzake een kampeerboerderij. Er is met de beoogde ontwikkeling dus met zekerheid geen sprake van een onevenredige belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijvigheid in de omgeving ten aanzien van het aspect geur.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

35

4.8 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de Akkerstraat. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. De huisvesting voor seizoensarbeiders hoeft niet betrokken te worden in de besluitvorming. Vaste jurisprudentie hierover is dat (nacht)verblijven voor tijdelijk verblijf geen geluidsgevoelige objecten zijn, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). Er kan dus worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

4.9 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Het plangebied is gelegen aan de Akkerstraat. Een verharde weg die in zuidelijke richting leidt tot de kern Biest-Houtakker. In noordelijke richting wordt de weg ontsloten door de Molenakkerstraat. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen van en naar de inrichting af te wikkelen. De ontwikkeling zal namelijk slechts een geringe verkeersaantrekkende werking hebben. In de bestaande situatie vinden er ten behoeve van de rundveehouderij immers ook veelvuldig verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats, zoals voor de aanvoer van voer en de afvoer van mest, melk en vee. Er dient tevens voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeerbeleid van de gemeente Hilvarenbeek is vervat in het Parkeerbeleidsplan 2015-2020. Hierin is vastgelegd dat er voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied voorzien moet zijn in minimaal 2,8 parkeerplaatsen per woning. Bij de bedrijfswoning zijn vier parkeerplaatsen als zodanig ingericht. Hier wordt dus ruimschoots voldaan aan de norm.

Voor een bedrijf dat is gelegen in het buitengebied en behoort tot de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief /bezoekersextensief (loods/opslag/transportbedrijf)’, wordt een parkeernorm van 1,3 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. De beoogde loods heeft in een omvang van 1.402 m2. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 18,2 parkeerplaatsen. Daarbij zal ook voor de huisvesting van seizoensarbeiders voorzien moeten worden in parkeergelegenheid. Voor nietzelfstandige kamerhuur wordt een parkeernorm van 0,3 per kamer voorgeschreven. Er wordt huisvesting geboden aan maximaal 6 seizoensarbeiders. Dit betekent dat er voor de seizoensarbeiders voorzien moet worden in minimaal 1,8 parkeerplaatsen. Ten zuidoosten van de beoogde teelt ondersteunende kas wordt ruim voldoende erfverharding aangelegd om te kunnen voorzien in minimaal 20 parkeerplaatsen. Hiermee wordt dus voldaan aan de gemeente parkeernormen. Het initiatief vormt dus geen belemmering voor wat betreft het aspect verkeer en parkeren. 4.10 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht.

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

36

milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in het de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1 Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met het initiatief wordt een rundveehouderij her ontwikkeld tot een kwekerij voor vollegronds- en plantgoed. Voor deze functie dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Om de verkeersaantrekkende werking van de kwekerij te bepalen wordt aangesloten bij de CROW.

Voor een bedrijf dat is gelegen in het buitengebied en behoort tot de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief /bezoekersextensief (loods/opslag/transportbedrijf)’, wordt een weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van 3,9-5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. De beoogde loods heeft in een omvang van 1.402 m2. Dit resulteert in een in een weekdaggemiddelde van 79,9 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Vanuit een worst-case benadering wordt aangenomen dat hiervan het aandeel vrachtverkeer 75% bedraagt. Uit de berekening van de NIBM-tool, Afbeelding 21, blijkt dat bij dergelijke verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

37

Afbeelding 21: Berekening NIBM-tool 4.10.2 Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,43 μg/m3, voor PM2,5 12,36 μg/m3 en voor NO2 14,92 μg/m3, zie Afbeelding 22.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

38

Afbeelding 22: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, betreffen: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

39

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.11.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart, zie Afbeelding 12, blijkt dat de meest nabij gelegen risicovolle inrichting Molenakkerstraat 12 te Moergestel betreft. Deze inrichting is gelegen op een afstand van circa 435 meter van het bouwvlak van het plangebied. Ter plaatse is een bovengrondse propaantank van 5 m3 aanwezig. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 10 meter. Aan deze afstand kan dus ruimschoots worden voldaan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) In de gemeente Hilvarenbeek is van niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen geen sprake. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over weg, spoor of water. Op basis hiervan is een groepsrisicoverantwoording op grond van het Bevt dus niet noodzakelijk.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied zijn vier buisleidingen van de Gasunie gelegen, zie Tabel 2. Het bouwvlak van het plangebied is buiten de plaatsgebonden risicocontour van deze gasleidingen gelegen, maar voor wat betreft drie van de vier leidingen binnen het invloedsgebied. Gezien er met de ontwikkeling echter geen bijzonder kwetsbaar object wordt opgericht, de afstand tot alle drie de buisleidingen meer dan 200 meter bedraagt en er met de ruimtelijke ontwikkeling geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied worden toegevoegd, mag voor de ontwikkeling het standaardadvies incl. de standaard groepsrisicoverantwoording van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant worden gehanteerd (zie Bijlage 6).

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

40

Tabel 3: Overzicht leidingen Gasunie Leiding Z-522-10 A-525 A-526 A-527

PR 10-6 contour 180 m 180 m -

Invloedsgebied 95 m 430 m 490 m 490 m

Afstand tot bouwvlak 360 m 350 m 360 m 450 m

Afbeelding 23: Uitsnede risicokaart Nederland Conclusie

Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. 4.12 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 23). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.

Toelichting bestemmingsplan – Akkerstraat 17 te Biest-Houtakker

41

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.

Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’; - Bouwvlak; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – permanente teeltondersteunende voorziening’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – huisvesting tijdelijke werknemers’; - Gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, aldus vastgesteld d.d. 13 maart 2014. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Voor wat betreft de regels is zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hilvarenbeek 2014, reparatieplan’, aldus vastgesteld d.d. 7 maart 2017. Er hebben alleen wijzigingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10046321/1