10 Bestemmingsplan Holstraat 2A (07 Toelichting)
Tekst van het document
Provinciaal beleid - Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Regionaal Waterprogramma Noord-Brabant 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Noord-Brabant is op 3 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Noord- Brabant. Het Waterplan is onderverdeeld in vijf deelprogramma’s: Voldoende water: de provincie creëert beleidsinstrumenten en uitgangspunten voor een goed peilbeheer. Het tegengaan van de verzilting en voldoende water voor natuur vormen andere speerpunten. Schoon water: Zowel het afvalwater als het grond- en oppervlaktewater moeten zonder schadelijke stoffen (her)gebruikt kunnen worden. De provincie wil in het bijzonder aandacht besteden aan natuurgebieden en grondwaterbeschermingszones. Veilig water: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Vitale bodem: De sponswerking van de bodem is de laatste jaren afgenomen door verdichting. De provincie wil meer natuurinclusievere ruimtelijke ontwikkelingen faciliteren Klimaatadaptatie: de provincie zet zich scherp in op een klimaatbestendige en waterrobuuste provincie.
Deze constatering vertaald zich in het aanpassen van ons handelen op deze verandering, bijvoorbeeld het beperken van de hittestress en de aanpassing van ruimtelijke ontwikkelingen aan hevige buien. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Noord-Brabant.
27
In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van het waterschap. Beleidskader Waterschap De Dommel Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap De Dommel Op 24 november 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: − Droge voeten: Dit programma draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Verder vormt een toekomstbestendige waterhuishouding het beleidsuitgangspunt; − Voldoende water: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water dankzij opgaven natuurinclusiever oppakken; − Schoon water: Bij dit programma speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol met oog voor circulaire economie en energieneutraliteit. De aandacht wordt ook besteed aan water dat vrij van schadelijke chemicaliën moet worden. Huidige knel- en aandachtspunten zijn vervolgens in kaart gebracht. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen en onderverdeeld in werkrichtingen voor de komende jaren. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur Waterschap De Dommel 2015 en Besluit van het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel houdende algemene regels omtrent de vrijstelling van een vergunningplicht De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels.
Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. Volgens deze keur is het in beginsel verboden om zonder vergunning neerslag tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen, wanneer dat plaatsvindt door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte. Dit verbod geldt tenzij: − Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; − De toename van het verhard oppervlak maximaal .500 m² is, of; − De toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak;
28
− De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² tot en met 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: − De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; − De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; − Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Waterbeleid gemeente Hilvarenbeek Het waterbeleid van de gemeente Hilvarenbeek is onder andere vastgelegd in het “Riool- en waterprogramma 2022-2026’ In het Riool- en waterprogramma 2022-2026’ zijn er zes doelen opgenomen.
Doel 1 Doelmatige inzameling van het binnen het gemeentelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater Doel 2 Zo min mogelijk overlast voor de omgeving veroorzaken Doel 3 Transport van het ingezamelde afvalwater, hemelwater en grondwater naar een geschikt lozingspunt Doel 4 Voorkomen van ongewenste emissies naar oppervlaktewater, bodem en grondwater Doel 5 Doelmatig beheer en een goed gebruik van de gemeentelijke voorzieningen tegen de laagst maatschappelijke kosten Doel 6 Doelmatige maatstaf rioolheffing De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Gestreefd wordt dit te doen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten waarbij het hemelwater vanuit hygiënisch oogpunt (volksgezondheid) adequaat wordt ingezameld en afgevoerd. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. In een waterparagraaf moet worden nagegaan waar hemelwater kan worden ingezet voor de lokale waterhuishouding of voor infiltratie en aan welke eisen daarbij moet worden voldaan. Hiermee wordt het afstromend hemelwater behandeld in de voorkeursvolgorde en worden kansen op klimaatadaptatie ingevuld.
29
De gemeente Hilvarenbeek gaat in haar beleid verder dan het beleid voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO) zoals opgenomen in de keur van het waterschap, voornamelijk in bestaand gebied kunnen ontwikkelingen bijdragen aan een klimaatbestendig rioolstelsel. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld aan compensatie, richt dit aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak met een compensatieverplichting vanaf 250 m2. In paragraaf 4.3 van het hemel- grondwaterbeleid Hilvarenbeek wordt onder inbreidingen woongebied en nieuw verhard oppervlak verstaan een ruimtelijke ontwikkeling waarbij bebouwing en verharding worden gebouwd binnen de bebouwde kom. Bij kleinere plannen, waarbij de openbare ruimte niet wordt (her)ingericht, betekent dit kort weg dat iedereen het hemelwater op eigen terrein moet opvangen, bufferen, hergebruiken, of infiltreren. Pas als dat totaal niet mogelijk is mag het water afgevoerd worden naar openbaar terrein. De gemeente moet dan de zorgplicht overnemen maar mag daarvoor wel alle kosten doorberekenen. Afwentelen op ander particulier terrein is niet toegestaan. Om calamiteiten te voorkomen is het vaak wel toegestaan om een overloopsysteem aan te brengen naar openbaar terrein.
Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd en de gemeentelijke eisen voor de verschillende fasen van het project, zie onder: Dimensioneringsgrondslagen inbreidingen en nieuw verhard oppervlak (<2.000 m2 en >250 m2) − Kenmerk aanpassing: toename nieuw verhard oppervlak tussen 250 m² en 2.000 m²; − Eis hemelwaterafvoer: bui 10 (T=10, 35,7 mm); − Ontwerp compensatieberging: minimaal 60 mm op basis van de themakaart Keur; − Lediging: lediging van de voorziening in circa 24 uur. Toetsing De watertoets van waterschap De Dommel bestaat uit het opmaken van een waterparagraaf, met daarin de afwegingen van de waterhuishoudkundige aspecten rondom het planvoornemen. Het waterschap geeft naar aanleiding hiervan een wateradvies. SAB heeft een watertoets3 uitgevoerd in het kader van het onderhavige bestemmingsplan. Deze watertoets is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Met het opstellen van de watertoets wordt getoetst hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met hemelwater. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 430 m2. In de huidige situatie is het gebied vrijwel geheel onbebouwd, er is enkel een schuur/garage aanwezig aan de straatzijde, met een oppervlakte van 35 m2.
In de beoogde situatie wordt één levensloopbestendige woning met groen dak beoogd met een oppervlak van circa 100 vierkante meter, welke meer dan de helft van deze verharding beslaat. In onderstaande tabel zijn de huidige en beoogde verhardingsoppervlakte van het perceel weergegeven.
3
Waterschap De Dommel (2022). Watertoets. Datum 9 maart 2022. 30
Huidig m²
Toekomstig m²
Daken
35
Terrein verharding Onverhard terrein Totaal
0 395 430
Circa 280 (waaronder 100 m2 groendak) Circa 75 Circa 75 430
Huidige en beoogde verdeling verhard oppervlakte
Uitvoering van de keur van waterschap De Dommel leert dat er geen verplichtingen zijn richting het waterschap. De gemeente stelt nog wel de volgende eisen, zoals ook omschreven onder het kopje ‘Waterbeleid gemeente Hilvarenbeek’: Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m2 nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. Met daarbij de volgende eisen: − Eis hemelwaterafvoer: bui 10 (T=10, 35,7 mm); − Ontwerp compensatieberging: minimaal 60 mm op basis van de themakaart Keur ; − Lediging: lediging van de voorziening in circa 24 uur; Verder word het afvalwater gescheiden aangeleverd op de perceelsgrens. Waterveiligheid Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn echter geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een dijkringgebied. Op basis van de risicokaart blijkt dat de kans op overstroming van het plangebied zeer gering is.
Zelfs bij een dijkdoorbraak zal het plangebied niet onder water lopen. Oppervlaktewater Uit de legger van het Waterschap blijkt dat er geen watergangen in (de directe omgeving van) het plangebied gelegen zijn. Ook zijn er geen watergangen in eigendom van de gemeente aanwezig in en rond het plangebied. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Hemelwater De totale verharding die na realisatie van de beoogde ontwikkeling ontstaat bedraagt 355 m2, dat betreft 280 m2 dak en 75 m2 verhard terrein. De benodigde berging vanuit het waterschap bedraagt 60 mm over de toegevoegde verharding. Dit komt neer op 21,3 m3 waterberging voor het plangebied.. Een belangrijk onderdeel is het zoveel mogelijk toepassen van waterdoorlatende verharding en het realiseren van een groen dak. Het dak helpt niet alleen bij hittebestendigheid, maar zorgt ook voor het bergen
31
en verwerken van hemelwater. Zoals eerder omschreven dient de totale hemelwaterafvoer hiervan bij piekbuien 35,7 mm te zijn. Een deel van deze wateropvang wordt voorzien door 100 m² groen dak aan te leggen. Op basis van het beleid van de gemeente wordt een vlak vegetatiedak gezien als een voorziening die minimaal 30 mm hemelwater over een oppervlak kan vasthouden. Er kan dus 3 m3 worden geborgen op basis van 100 m2 groendakoppervlak. Voor dit plan betekent dat een berging van netto 18,3 m3 (21,3 – 3) moet worden gerealiseerd. Dit kan in de vorm van infiltratievoorziening. Op basis van de GHG moet het waterbergingsoppervlak minimaal 12 m2 zijn. Ter plekke van de ontwikellocatie wijst het bodemonderzoek dat de bodemgesteldheid voornamelijk uit zand bestaat. Dit wordt ook bevestigd door andere bodemonderzoeken die al eerder in de buurt werden uitgevoerd. Voor zandgronden zijn infiltratievoorzieningen in de vorm van infiltratiekratten mogelijk. Op basis van 12 m2 oppervlak en een vereiste berging van 18,3 m3 volstaan twee infiltratiekratten van 1200x620x420 mm (met een capaciteit van circa 600L-300*2) om aan de normen te voldoen. Het plangebied heeft met circa 75 m² aan onverharde bodem, grondwater op minimaal 1,5 m diepte, en een goede doorlaatbaarheid van de bodem (zandgrond is bijvoorbeeld beter dan klei), een ruimschoots toereikende waterberging en lediging.
In het voorliggende plan is daarbij ook bewust rekening gehouden met de afvoer van hemelwater. Waterkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. Om te voorkomen dat het hemelwater wordt vervuild worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Hemelwater wordt daarmee bij de verdere planuitwerking in beschouwing genomen zodat het duurzaam wordt verwerkt. Daarmee zal de ontwikkeling hydrologisch neutraal zijn. Het hemelwater wordt geborgd op eigen terrein en heeft enkel bij piekbuien een overloop naar de kolken op straat. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen.
Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per persoon. Bij de levensloopbestendige woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp wordt er één woning gerealiseerd, waar eerder géén woning was aangesloten op de riolering. Dit komt overeen met een toename van circa 0,3 m3/dag. De berekening is gebaseerd op basis van gemiddelden en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden.
32
De aansluiting op het riool gebeurt in afstemming met de gemeente. Conclusie Het planvoornemen vertegenwoordigt geen verplichtingen richting het bevoegde waterschap. Wel moet het waterschap tijdig op de hoogte worden gesteld van het planvoornemen in een adviserend overleg. Het aspect water vormt verder echter geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen mits er rekening wordt gehouden met het voorgaande.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur4, welke als bijlage 4 is opgenomen bij deze toelichting, onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Kempenland-West ligt op enige afstand van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Kempenland-West is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Daarom is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn in een aparte rapportage besproken.
Deze rapportage wordt verder toegelicht in paragraaf 4.14. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.
4
SAB (2022). Quick scan Natuur Hilvarenbeek, Holstraat 2a, versie 2. Projectnummer 210529. Datum: 19 oktober 2022. 33
In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.9
Archeologie Algemeen In het Verdrag van Malta (1992), ook wel het Verdrag van Valetta genoemd, wordt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is opgesteld omdat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate onder druk stond. Het hoofddoel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. In de Nederlandse wetgeving is het Verdrag van Malta sinds 1 juli 2016 verwerkt in de Erfgoedwet. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (waaronder bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Mw 1988). De gemeente kan daartoe in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).
Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan ten aanzien van het aspect archeologie een ruimtelijk kader worden bepaald. De gemeente Hilvarenbeek heeft dan ook een
34
gemeentelijk archeologiebeleid welke is gekoppeld aan een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. Toetsing Conform de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek geldt voor het plangebied een middelhoge / onbekende archeologische verwachting die wordt getypeerd als beleidscategorie 6. Indien bouwwerkzaamheden met een omvang van meer dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm worden uitgevoerd, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het planvoornemen blijft ruimschoots binnen deze gestelde bovengrens. Het beleidsadvies dat verder nog voortkomt uit de archeologische verwachtings- en beleidskaart is om de archeologische waarden in situ te bewaren. Evenwel is het planvoornemen met het oog op de geldende situatie in het plangebied vrijgesteld van de verplichting om een verder archeologisch onderzoek uit te voeren naar aanleiding van het planvoornemen.
Uitsnede van de archeologische beleidskaart met het plangebied rood omcirkeld (Bron: Gemeente Hilvarenbeek)
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
35
4.10
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De provincie Noord-Brabant kent voor het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen een toetsingskader waaraan ruimtelijke ontwikkelingen getoetst moeten worden. Dit toetsingskader wordt gevormd door de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Op deze kaart staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Sinds 2010 hebben cultuurhistorische vlakken op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart een verplichte doorwerking voor gemeenten. Hierom is het beleid van de gemeente ten opzichte van cultuurhistorische waarden eveneens van belang ten opzichte van het planvoornemen. Het beleid van de gemeente Hilvarenbeek ten aanzien van het aspect cultuurhistorie is weergeven op de gemeentelijke Cultuurhistoriekaart. De cultuurhistoriekaart geeft de aanwezige cultuurhistorische waarden weer voor de gemeente. De meeste waarden zijn ook opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
Toetsing Uit de gemeentelijke cultuurhistoriekaart is op te maken dat de planontwikkeling in de molenbiotoop ligt van molen ‘De Doornboom’ aan de Doelenstraat 53. Het planvoornemen wordt hiernavolgend in paragraaf 4.11 getoetst aan de aanwezigheid van de molenbiotoop. Het plangebied ligt, behalve in de molenbiotoop, niet in een gebied dat wordt aangeduid met een specifieke gebiedsaanduiding. Wel ligt het op de grens met een gebied dat is aangeduid als ‘historische dorpsstructuur’. Over deze aanduiding wordt in de cultuurhistorische waardenkaart aangegeven dat het centrum van Hilvarenbeek een coherent geheel betreft van historische stedenbouw, bestaande uit het Vrijthof (marktplein), welke deel uitmaakt van het rijksbeschermde dorpsgezicht Hilvarenbeek, en de aansluitende delen van de Paardenstraat, Kapittelstraat, Schorsmolenpad, Achter de Kerk, Van Hirtumpad, Varkensmarkt, Gelderstraat, Koestraat, Dekanij en Wouwerstraat. Het Vrijthof wordt omzoomd door een straat waaraan overwegend twee-laags, aaneengesloten bebouwing is gelegen. Hoewel het plangebied net buiten de bestaande gebiedsaanduiding ‘historische dorpsstructuur’ valt kan wel worden gesteld dat de beoogde bouwstijl in lijn is met de bebouwing in de directe omging. De architectuur van de levensloopbestendige woning refereert aan het aan de overkant van de Holstraat gelegen historische industriepand aan de Holstraat 1.
Voorts vormt de opzet van de levensloopbestendige woning evenmin een verstoring van de bestaande historische kwaliteiten in de dorpskern van Hilvarenbeek: het bestaat uit slechts een bouwlaag en is ingepast achter bestaande bebouwing. Evenmin is er sprake van verstoorde historische zichtlijnen die met het planvoornemen worden doorkruist dan wel worden weggenomen.
36
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Molenbiotoop Algemeen Op de in de paragraaf 4.10 benoemde cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en de cultuurhistoriekaart van de gemeente Hilvarenbeek ligt het plangebied in een molenbiotoop voor molen ‘De Doornboom’, welke is gelegen aan de Doelenstraat 53. Ter bescherming van het zicht op de molen en de vrije windtoegang is een regeling opgenomen in het bestemmingsplan “‘Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek”. In artikel 21.1.2 van dit plan is het toetsingskader voor de molenbiotoop opgenomen. De gronden ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone - molenbiotoop” zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beschermen van het zicht op de molen en de vrije windtoegang. Bouwen is op deze gronden toegestaan met inachtneming van de volgende regels: a Binnen 100 m van de molen mag geen bebouwing of beplanting, hoger dan 3,72 m worden opgericht; b Tussen de 100 m en de 400 m van de molen mag de hoogte van bebouwing en beplanting niet hoger zijn dan 3,72 m vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk dan wel de beplanting en de molen. Toetsing In het plangebied wordt bebouwing opgericht tot een afstand van circa 340 m van de molen. De maximale bouwhoogte in het plangebied mag dus een hoogte bedragen van 3,72 m + (1/30 x 340) = 11,33 m.
De maximale hoogte van de levensloopbestendige woning blijft ruim onder deze hoogte. Derhalve kan gesteld worden dat met de ontwikkeling van de levensloopbestendige woning op ongeveer 340 meter van molen ‘De Doornboom’, deze molen voldoende vrijewindtoegang houdt. Voorts wordt het zicht op de molen ook niet onevenredig belemmerd door de realisatie van het planvoornemen. Conclusie De vrije windtoegang naar de molen en het zicht op de molen wordt niet onevenredig belemmerd met het oprichten van bebouwing in het plangebied. De ligging in de molenbiotoop vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12
Kabels en leidingen Er zijn in en rondom het plangebied geen kabels en leidingen die eventuele belemmeringen vormen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
37
4.13
Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Holstraat welke kan worden bereikt via de keerlus van het in paragraaf 2.2 beschreven woonerf direct ten westen van het plangebied. Als gevolg van de toevoeging van de levensloopbestendige woning is slechts sprake van toevoeging van één woning ten opzichte van de juridisch-planologisch vigerende situatie. De toename van het aantal verkeersbewegingen is hiermee zeer gering. Volgens de CROW-rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ zal er door het planvoornemen sprake zijn van circa 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De bestaande omliggende wegen kunnen deze beperkte verkeerstoename goed verwerken. Parkeren Op 29 november 2014 is de “Reparatiewet BZK” inwerking getreden. Deze wet stelt het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld een nieuwe woning dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. Conform het beleidsbeginsel ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient al bij de vaststelling van een bestemmingsplan te worden aangetoond dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036,r.o. 5.3).
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende ‘Parkeerbeleidsplan 2015–2020’, vastgesteld op 16 juli 2015 door de gemeenteraad van Hilvarenbeek. Het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het planvoornemen is afhankelijk van de ligging en samenstelling van de gemeente. Er wordt daarom onderscheid gemaakt in de zogenaamde stedelijkheidsgraad van de gemeente. Hilvarenbeek valt onder de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’. Naast de stedelijkheidsgraad is het ook van belang om te kijken naar de ligging van de locatie binnen de kern. Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van de gemeente, maar is niet gelegen in het centrum, en behoort daarom tot het gebied ‘rest bebouwde kom’. Uitgaande van de gemeentelijke parkeernormen bedraagt de parkeerbehoefte voor de levensloopbestendige woning maximaal 2 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied van de levensloopbestendige woning zijn twee parkeerplaatsen voorzien, waarmee de parkeerbehoefte op eigen terrein, inpandig kan worden opgelost. Dit is zelfs nog het geval, als er rekening wordt gehouden met de parkeerbehoefte die in het parkeerbeleidsplan 2015-2020 wordt gerekend voor bezoekers en welke 0,33 bedraagt.
Er kan dus worden gesteld dat met het planvoornemen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd en dat er geen sprake is van een toenemende parkeerdruk in de directe omgeving van het plangebied ten gevolge van het planvoornemen. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
38
4.14
Stikstof Algemeen Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State over stikstof is het momenteel voor ruimtelijke ontwikkelingen noodzakelijk aan te tonen dat er op het gebied van stikstof geen sprake is van significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Hiernavolgend wordt ingegaan op het stikstofonderzoek dat is uitgevoerd naar de aan stikstof te relateren aspecten met betrekking tot het onderhavig planvoornemen. Daarna wordt geconcludeerd of het aspect stikstof, een belemmering vormt voor het onderhavig plan . Toetsing In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanleg- en de gebruiksfase5. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Uit deze berekening blijkt dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder het Wnb registratieset. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
5
Ordito B.V. (2023). Onderzoek stikstofdepositie LLB-woning Holstraat, Hilvarenbeek, 24 maart 2023. 39
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat voor de bestemmingen wordt aangesloten bij de systematiek voor “Kern Hilvarenbeek”. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.
40
5.1.3
Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
5.1.4
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Een regel hoeft uiteraard niet alle voornoemde elementen te bevatten. Dit kan en mag per bestemming verschillen. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld.
41
3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2.2
De specifieke bestemmingen De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. Dit bestemmingsplan kent de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor het wonen in maximaal 1 vrijstaande woning. Tevens zijn deze gronden bestemd voor aan huis verbonden beroepen, paden, al dan niet inpandige parkeerplaatsen die ondergeschikt zijn aan de woonbestemming erven en tuinen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Waarde - Archeologie 4 De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ is opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied.
42
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: − de bouw van een of meer woningen; − de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; − de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; − de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; − de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m2. Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. Er zijn met deze ontwikkeling geen kosten voor de gemeente gemoeid. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
43
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage liggen. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
44