CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Bestemmingsplan Holstraat 2A (07 Toelichting)

Gemeenteraad 1 februari 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan “Holstraat 2A”.14.953 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Hilvarenbeek, Holstraat LLB-Woning

Gemeente Hilvarenbeek

Datum: 11 oktober 2023 Projectnummer: 210529 ID: NL.IMRO.0798.BPHolstraat2A-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2 2.3

Huidige situatie plangebied Aangrenzend bestemmingsplangebied “Holstraat 4” Toekomstige situatie plangebied

6 7 8

3

Beleid en regelgeving

10

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

10 12 13

4

Milieu- en omgevingsaspecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

Milieueffectrapportage Bodem Wegverkeerslawaai Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Molenbiotoop Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Stikstof

17 18 19 21 22 24 25 33 34 36 37 37 38 39

5

Wijze van bestemmen

40

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

40 42

6

Uitvoerbaarheid

43

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43

Bijlagen − Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Holstraat 2A te Hilvarenbeek, d.d. 11 augustus 2022 − Bijlage 2: Quick scan Bedrijven en Milieuzonering locatie Holstraat 2a, d.d. 18 oktober 2022 − Bijlage 3: Digitale Watertoets, d.d. 9 maart 2022 − Bijlage 4: Quick scan Natuur Hilvarenbeek, Holstraat 2a, d.d. 19 oktober 2022 − Bijlage 5: Onderzoek Stikstofdepositie LLB-woning Holstraat, Hilvarenbeek, d.d. 24 maart 2023 − Bijlage 6: Ontwerpboek Levensloopbestendige woning, d.d. 11 oktober 2023

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Het voornemen bestaat om aan de Holstraat in Hilvarenbeek tussen de panden aan de Holstraat 2 en 4 een levensloopbestendige woning te realiseren. Een levensloopbestendige woning is een woning die zo is gebouwd, dat de bewoners er hun hele leven in kunnen wonen. Zelfs als er zorg nodig is of als de bewoners slecht ter been zijn. Het gaat om één levensloopbestendige woning. Hoewel de realisatie van de levensloopbestendige woning past binnen de ter plaatse geldende bestemming ‘Wonen’ kan het planvoornemen in de huidige planologische kaders niet worden gerealiseerd. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze specifieke locatie aan de Holstraat tussen de panden aan de Holstraat 2 en 4 is derhalve noodzakelijk om het plan mogelijk te maken. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in de kern Hilvarenbeek behorende bij gelijknamige gemeente in de provincie Noord-Brabant. Het betreft de gronden die kadastraal bekend staan als gemeente Hilvarenbeek, sectie D, perceelnummer 3264. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Ligging plangebied (globaal geel omlijnd) in relatie tot de omgeving (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering geel omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Geldende bestemmingsplannen Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek’, dat is vastgesteld op 22 oktober 2009. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied al grotendeels de bestemming ‘Wonen’. Voor het plangebied is echter nog geen specifieke bouwaanduiding of maatvoering aangewezen voor een woning. Een klein gedeelte van het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Kern Hilvarenbeek’ welke op 26 juni 2013 is vastgesteld. Dit betreft de zuidwestelijke hoek van het perceel, en is vanwege de daar gesitueerde garageboxen bestemd met de bestemming “Verkeer - Verblijfsgebied”. Voor deze garagebox is wel een bouwvlak opgenomen in het voornoemde bestemmingsplan ‘Kern Hilvarenbeek’. In de geldende bestemmingsplannen ‘Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek’ en ‘Kern Hilvarenbeek’ is het plangebied voorts nog bestemd met de gebiedsaanduiding “vrijwaringszone - molenbiotoop”. Dit betekent dat het plangebied in de huidige situatie behalve voor de daar voorkomende bestemmingen “Wonen” en “Verkeer - Verblijfsgebied”, mede bestemd is voor het beschermen van het zicht op de aan de Doelenstraat 53 gelegen molen “De Doornboom” en de vrije windtoegang.

4

Uitsnede juridisch-planologische situatie ter plaatse van het plangebied (globaal rood omlijnd) (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Naast de bestemmingsplannen ‘Woongebieden en bedrijventerreinen, Hilvarenbeek’ en ‘Kern Hilvarenbeek’ gelden ter plaatse ook twee thematische bestemmingsplannen respectievelijk ‘Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek’ en het ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’. Met ‘Parapluplan Cultuurhistorie Hilvarenbeek’ wordt juridisch-planologisch vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor onder andere het slopen en bouwen alleen wordt verleend indien voldoende rekening wordt gehouden met de ‘cultuurhistorische elementen’ zoals die door de gemeenteraad van Hilvarenbeek op 26 juni 2013 zijn vastgesteld. Bij deze ‘cultuurhistorische elementen’ moet worden gedacht aan bestaande beeldbepalende bebouwing, en historische dorpsstructuren. Het ‘Parapluplan Parkeren Hilvarenbeek 2018’ geldt als opvolger voor de op 1 juli 2018 vervallen (stedenbouwkundige) bouwvoorschriften uit de toenmalige bouwverordening. Dit plan is vastgesteld op 8 juni 2018 en voorziet sindsdien in de geldende richtlijnen waaraan de gemeentelijke parkeernormen kunnen worden getoetst. Met het plan kan de gemeente Hilvarenbeek bij nieuwbouwplannen / wijzigingen van het gebruik of andere ruimtelijke besluiten eisen stellen aan het aantal parkeerplaatsen en hierbij toetsen aan haar actuele parkeerbeleid en de daarbij horende parkeernormen.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie plangebied Hilvarenbeek Hilvarenbeek is de hoofdkern van de gemeente Hilvarenbeek. De kern heeft een centrumfunctie voor de omliggende kernen. Hilvarenbeek is tevens de grootste kern van de gemeente. Op 1 januari 2021 woonden er 15.698 mensen in de gemeente Hilvarenbeek waarvan 8.495 in Hilvarenbeek zelf. De kern Hilvarenbeek bestaat uit het centrum, oude linten, woongebieden en twee bedrijventerreinen. Ten noorden van het centrum liggen de woonwijken De Elst, Elsakkers, Doelakkers en de in aanbouw zijnde wijk Loosche Akkers. Ten zuiden van het centrum liggen de woonwijken Molenakkers en Drie Eilanden. Ten noorden en oosten van het centrum liggen twee bedrijventerreinen en dragen respectievelijk de namen Slibbroek en Bukkum. Plangebied Op het perceel gelegen tussen de panden aan de Holstraat 2 en 4 te Hilvarenbeek bevindt zich een onbebouwd woonperceel met een zeer beperkte ruimtelijke uitstraling. Het gehele plangebied kent een matige ruimtelijke kwaliteit en wordt gekenmerkt door verwilderd groen. Het perceel is geheel omsloten door bebouwing. Aan de zuidzijde, aan de Holstraat, wordt het plangebied omsloten door een stenen muur van circa 1.80 meter hoog en door twee garageboxen. Deze twee garageboxen vertegenwoordigen geen esthetische of beeldbepalende kwaliteiten. De westzijde van het plangebied wordt eveneens omsloten met een stenen muur.

Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de (opslagruimtes van) de bebouwing aan de Doelenstraat. De bebouwing aan de Doelenstraat waar het plangebied aan grenst kenmerkt zich door winkelpanden met bovenwoningen. In de zuidwestelijke hoek van het plangebied grenst deze aan een aan de Holstraat gelegen woonhuis. Al met al kan gesteld worden dat de huidige situatie van het perceel in schril contrast staat met het prettige en goed onderhouden (straat)beeld elders in de omliggende kern van Hilvarenbeek inclusief de aangrenzende percelen. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.

Impressie huidige situatie plangebied gezien vanaf de Holstraat (Bron: Google Streetview)

6

2.2

Aangrenzend bestemmingsplangebied “Holstraat 4” Direct ten westen van het plangebied ligt het perceel aan de Holstraat 4, dat Kadastraal bekend staat als D-6678. Op 9 juli 2020 is voor dit perceel het bestemmingsplan “Holstraat 4” (NL.IMRO.0798.BPHolstraat4-VG01) vastgesteld. De aanleiding van dit bestemmingsplan was de beoogde realisatie van 8 grondgebonden eengezinswoningen. Deze 8 eengezinswoningen zijn gerealiseerd op de plek waar voorheen een in onbruik geraakt jongerencentrum gevestigd was. Dit jongerencentrum had in de laatste jaren voor de sloop een verwaarloosd uiterlijk.

Oude situatie ter hoogte van de “Holstraat 4” (links) en in het bestemmingsplan “Holstraat 4” beoogde nieuwe situatie (rechts). (Bron: Architectenbureau Van Der Geld, 2019)

Met de realisatie van 8 eengezinswoningen en de stedenbouwkundige inpassing die hierbij is aangehouden, veranderde het uiterlijk van de Holstraat van een stenige en smalle straat tot een meer aantrekkelijk woonstraatje. De achterzijde van de 8 grondgebonden eengezinswoningen is in het bestemmingsplan “Holstraat 4” bestemd met de bestemming “Verkeer - Verblijfsgebied”. Dit maakte de komst van parkeerplaatsen en een keerlus mogelijk met een directe verbinding tot de Holstraat. In de navolgende paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop voorliggend plan qua beoogde indeling naadloos op bestemmingsplan “Holstraat 4” aansluit. Vanuit esthetisch oogpunt vormt voorliggend bestemmingsplan een logisch vervolg op de ontwikkelingen die in bestemmingsplan “Holstraat 4” centraal staan. Beide plannen bevorderen een betere woon- en verblijfkwaliteit in de Holstraat die qua bebouwing een vriendelijker aangezicht biedt voor dit gedeelte van de dorpskern van Hilvarenbeek. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met de vaststelling van beide bestemmingsplannen zorgen eveneens voor een gevarieerd straatbeeld, zoals ook in de hiernavolgende paragraaf naar voren komt.

Voorliggend plan sluit hiermee zowel aan op de bestemming ‘Wonen’ in het huidige bestemmingsplan, als op de nieuwe situatie aan de westzijde van het plangebied die met de vaststelling van bestemmingsplan “Holstraat 4” mogelijk is gemaakt.

7

2.3

Toekomstige situatie plangebied Het voornemen bestaat om het plangebied gelegen aan de Holstraat een kwaliteitsimpuls te geven door hier een nieuwe levensloopbestendige woning met inpandige parkeerplaatsen te realiseren. De buitenruimte tussen de beoogde levensloopbestendige woning en de Holstraat wordt ingericht als tuin. De levensloopbestendige woning bestaat uit 1 bouwlaag met een maximum bouwhoogte van circa 5,5 meter, hetgeen een noemenswaardig groot contrast vormt ten opzichte van de aangrenzende bouwhoogtes in de omgeving. Doordat de beoogde bouwhoogte van beperkte hoogte is, en niet boven de resterende bebouwing uit zal steken, conflicteert het planvoornemen niet met de in het huidige plangebied aanwezige molenbiotoop. Aan de zijde van de Holstraat is een nieuwe en als zodanig herkenbare entree voorzien, die toegang biedt tot de tuin en de levensloopbestendige woning. De bestaande verouderde ommuring zal worden vervangen tot een uniforme afbakening die goed past bij de moderne architectuur van de levensloopbestendige woning. De twee garageboxen zullen worden gesloopt. De beoogde gelijkvloerse opzet van het plan waarin de omsloten tuin voor een hofjesstructuur vormt, sluit ruimtelijk goed aan bij toekomstige bewoners die er bewust voor kiezen om in een levensloopbestendige woning te wonen.

Tevens krijgt het straatbeeld van de Holstraat qua architectuur een kwaliteitsimpuls door de uniforme, maar hoogwaardige en fris ogende entree en ommuring in vergelijking met de huidige situatie. Materiaalkeuze van de ommuring past qua kleur en sfeer goed aan bij belendende bebouwing in de Holstraat en geeft een warme uitstraling. Daarnaast past de kleinschalige ontwikkeling functioneel gezien goed in de schil rondom het centrumgebied, omdat in dit gebied nu ook sprake is van een op elkaar aansluitende en centrum-dorpse mix aan woningtypes. Een impressie van de toekomstige woning is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Een levensloopbestendige woning, waarvan de realisatie mogelijk wordt gemaakt door voorliggend bestemmingsplan, wordt soms ook wel een seniorenwoning genoemd. De term ‘seniorenwoning’ kan echter verwarrend zijn. Want ook jonge, fitte en vitale mensen kunnen in een seniorenwoning wonen. De aanduiding ‘levensloopbestendig’ is daarom vaak relevanter. Een levensloopbestendige woning is met het oog op de bestaande en brede doelgroep per definitie een toekomst bestendige woning. De beoogde levensloopbestendige woning is voorzien van een eetkeuken, een huiskamer, een installatie-/bergruimte, badkamer, drie slaapkamers en een inpandige parkeerruimte die plaats biedt aan twee auto’s.

De uitgang van deze inpandige parkeerruimte leidt tot de keerlus die gerealiseerd kon worden met de vaststelling van het in de vorige paragraaf benoemde bestemmingsplan “Holstraat 4”. Door de inpandige parkeerruimte die in de levensloopbestendige woning is voorzien hoeven de toekomstige bewoners geen gebruik te maken van parkeerplaatsen in de buurt. In paragraaf 4.11 “verkeer en parkeren” wordt verder ingegaan op de toekomstige verkeersintensiviteit als gevolg van de in voorliggend plan beschreven ontwikkeling, en de hierbij horende parkeerbalans en parkeerdruk. Een algemeen uitgangspunt bij de totstandkoming van het plangebied is dat het zo groen en klimaat adaptief mogelijk ingericht moest worden. Hierbij is gestreefd naar het realiseren van zo veel mogelijk groen en voor een zo goed mogelijke afvloeiing

8

van het hemelwater wat daarbij zo veel mogelijk via een natuurlijke weg de bodem kan infiltreren. De levensloopbestendige woning is voorzien van een groen dak. Dit levert een bijdragen aan het beperken van hittestress en voorziet in mogelijkheden voor waterberging. Al met al wordt zo voorzien in een prettige, kwaliteitsvolle en duurzame inrichting van het plangebied.

9

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing De ontwikkeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls ten opzichte van de huidige functie. Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan aspecten als duurzaamheid en klimaatadaptatie, onder andere door middel van een groen dak van de beoogde levensloopbestendige woning. Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige woning, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. 10

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, dan dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige bestemmingsplan maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van één levensloopbestendige woning mogelijk. De ontwikkeling is reeds gelet op de kleinschalige omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. Conclusie Rijksbeleid Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

11

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’ Op 14 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie vastgesteld genaamd ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’. De Omgevingsvisie is overheid bindend en loopt vooruit op de invoering van de Omgevingswet die verwacht wordt in 2023. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave binnen de Omgevingsvisie is het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast bevat de visie ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaatbestendig Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het gaat om de volgende kernwaarden: − meerwaarde-creatie; − technische en sociale innovatie; − kwaliteit boven kwantiteit; − steeds beter; − proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. Toetsing Met voorliggend plan wordt een verwilderd en matig onderhouden perceel herontwikkeld tot een kleinschalige levensloopbestendige woning.

Binnen het plan is aandacht voor het behoud van de groene kwaliteit en wordt voorzien in een klimaat adaptieve inrichting van het plangebied. Door de groene, ruimtelijke opzet van het plangebied wordt voldaan aan de opgaven van de Brabantse Omgevingsvisie. Verder past de levensloopbestendige woning bij de toenemende behoefte aan duurzaamheid in woon carrières in de provincie Noord-Brabant. Dit maakt dat het plan niet in strijd is met de doelstellingen van de omgevingsvisie.

3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de Brabantse Omgevingsvisie hebben provinciale staten de visie op de fysieke leefomgeving verwoord. Met de totstandkoming van de Interim omgevingsverordening zijn de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samengebracht. Dit betekent dat de regels uit de Interim omgevingsverordening betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter en is vooral bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen. Uitgangspunt van de Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening.

12

Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). Toetsing In algemene zin geldt voor ontwikkelingen dat voldaan moet worden aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 3.5). Dit bestaat uit het rekening houden met een zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6), de waarden in een gebied (artikel 3.7) en meerwaardecreatie (artikel 3.8). Aangezien de ontwikkeling is voorzien in bestaand stedelijk gebied en voldoet aan de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking geldt dat sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik. Ook wordt de ontwikkeling ingepast in de bestaande ruimtelijke structuur van Hilvarenbeek en sluit deze aan op de aard, schaal en maat van haar omgeving. Zo wordt rekening gehouden met de groene kwaliteit van de omgeving en wordt deze daar waar mogelijk versterkt.

Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan zaken als klimaatadaptatie zoals het groene dak van de levensloopbestendige woning. Dit maakt dat de ontwikkeling in lijn is met de regels uit de Interim omgevingsverordening. Conclusie Provinciaal beleid Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Hilvarenbeek 2010 De gemeente Hilvarenbeek wil een gemeente zijn met veel dynamiek. Op 25 februari 2010 heeft de gemeente de Structuurvisie Hilvarenbeek vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente regie voeren op de ontwikkelingen en processen die voor de toekomst van Hilvarenbeek van belang zijn. De gemeente tracht ontwikkelingen te voorkomen die afbreuk doen aan de toekomst van de kern Hilvarenbeek en van de overige kernen binnen de gemeente. Daarnaast zijn er ontwikkelingen en tendensen op het vlak van duurzame energie, de vergrijzende bevolking en de behoefte om langer thuis te kunnen wonen die ook in de gemeente Hilvarenbeek een rol spelen. Dat alles tegen de achtergrond van een aantrekkelijke, herkenbare ruimtelijke karakteristiek van de gemeente Hilvarenbeek en de regionale positionering. Hierom is er in de structuurvisie een structuurvisiekaart opgenomen met uiteenlopende gebiedstyperingen en hun ruimtelijke uitgangspunten. Het plangebied ligt op de structuurvisiekaart voor Hilvarenbeek in een gebied dat is aangeduid als ‘woongebied dorps’. Voor deze woonwijken/woongebieden zijn een aantal criteria voor nieuwe ontwikkelingen geformuleerd: − Initiatieven moeten de ruimtelijke structuur niet verstoren.

Dat wil zeggen dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte en bouwmassa met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt; − Nieuwe woningen dienen grondgebonden te zijn; 13

− Voldaan moet worden aan de algemene beleidsuitgangspunten zoals beschreven in de beleidsmatrix; − Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen dient voldaan te worden aan het gestelde in de woonvisie in algemene zin.

Zoneringskaart behorend bij de Structuurvisie van de gemeente Hilvarenbeek. De globale locatie van het plangebied is zwart omkaderd. (Bron: Structuurvisie gemeente Hilvarenbeek)

Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van een gebied dat in de Hilvarenbeekse structuurvisie is aangewezen als “woongebied dorps” en grenst aan het gebied “verbindend lint”. In Beide gebieden zijn veel grondgebonden woningen aanwezig. Bovendien wordt de levensloopbestendige woning ingepast in een bestaand perceel waarbij geen hinderlijk contrast optreedt met afwijkende bouwhoogtes. Dit maakt dat de ontwikkeling in lijn is met de regels uit de structuurvisie. 3.3.2

Nota Ruimtelijke Kwaliteit, 2016 In 2016 heeft de gemeente Hilvarenbeek een welstandsnota opgesteld met als doel het beleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, neergeschreven in de Welstandsnota 2004, te actualiseren. De kenmerkende waarden van de bestaande bebouwing zijn in de oude nota als uitgangspunt genomen, maar werden nauwelijks benoemd. In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit staat het kernbegrip ‘Dorpse Waarden’ centraal, waarmee de bebouwingskenmerken die als typerend en waardevol voor de plek gezien worden bedoeld en die te maken hebben met het dorpse of het landelijke karakter van

14

de plek. Het toetsingsniveau bepaalt niet alleen het ambitieniveau van de gemeente voor het gebied, maar ook de wijze waarop wordt getoetst. In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit worden drie toetsingsniveaus gehanteerd, namelijk de kritische, de lichte en geen toetsing. Voor het plangebied is de kritische toetsing van kracht. Het plangebied is namelijk gelegen in de directe nabijheid van een gebied dat in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit is aangewezen als ‘historisch gegroeide woongebieden’ binnen H1 ‘historisch dorpsgezicht’. De historische dorpsgebieden vormen een waardevol gebied voor de huidige gemeente. De historische dorpsgebieden vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde. Tevens vormen ze belangrijke schakels binnen het netwerk van wegen en ondersteunen ze de ruimtelijke oriëntatie binnen de gemeente. De bebouwing is nagenoeg aaneengesloten, waardoor de achterterreinen een ‘besloten wereld’ vormen (zoals het is verwoord in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit). Vanuit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit wordt binnen de als H1 aangewezen gebieden gestuurd op een perceelsgewijze opbouw; waarbij de samenvoegingen van percelen niet gewenst zijn. De bouwmassa’s en gevelopbouw dient voorts te harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied. De gevels dienen een verticale geleding te hebben en moeten bij voorkeur zijn voorzien van een stenen plint.

De gevels dienen in principe uit rode of bruine bakstenen te bestaan maar pleisterwerk of wit gevelschilderwerk is ook mogelijk. Toetsing De beoogde levensloopbestendige woning is beoogd op een bestaande, door bestaande bebouwing ingesloten perceel. Omdat de levensloopbestendige woning uit slechts één bouwlaag bestaat is de verstoring op de omliggende ‘dorpse waarden’ zoals bedoeld in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit nihil. Het architectonische ontwerp van de levensloopbestendige woning is zorgvuldig vormgegeven en behoudt een “binnenplaatsstructuur” tussen de bestaande panden. De levensloopbestendige woning zelf wordt voorzien van een sheddak waarmee in een subtiele verwijzing is voorzien naar het aan de zuidkant van de Holstraat gelegen historische industriepand aan de Holstraat 1. De in de huidige situatie aanwezige garageboxen, die geen esthetische waarden vertegenwoordigen, worden gesloopt en vervangen door een met wit pleisterwerk bedekte gevelwand met een nette entree. Het ontwerp en de daaruit voortkomende uitstraling van het planvoornemen zijn zo optimaal mogelijk ingepast in de huidige omgeving van het plangebied. 3.3.3

Woonvisie 2020-2030 Op 4 juli 2019 heeft de gemeente Hilvarenbeek de Woonvisie 2020-2030 vastgesteld. Hiermee heeft de gemeente haar beleid binnen het beleidsveld van ‘wonen’ opnieuw bepaald. In de Woonvisie 2020-2030 benadrukt de gemeente dat de gemeente Hilvarenbeek de laatste jaren met een sterk vestigingsoverschot te maken heeft. Dit zorgt voor een toenemende druk op de woningmarkt. Het gevolg is wel dat starters afkomstig uit de gemeente Hilvarenbeek hierdoor het onderspit delven. Ze hebben vaak te weinig vermogen om te concurreren op de woningmarkt met doorstromers en gezinnen.

15

Daarnaast ziet de gemeente Hilvarenbeek dat steeds meer senioren overwegen om de komende periode te gaan verhuizen. Daarbij is het wel van belang dat er voldoende passend woningaanbod voor deze doelgroep voorhanden is. “Veel ouderen zoeken een kleine, levensloopgeschikte woning. Het liefst een grondgebonden woning met een tuintje.” Woonvisie 2020-2030 Gemeente Hilvarenbeek

In de Woonvisie 2020-2030 wordt tevens stilgestaan de plannen die bestaan voor woningbouw op inbreidingslocaties. Door deze plannen te ontwikkelen kan er in een substantieel deel van de kwalitatieve woningvraag van woningen voorzien. Echter merkt de gemeente ook dat een belangrijk deel van de kwalitatieve vraag niet of nauwelijks op kleine inbreidingslocaties is te realiseren. Hierbij wordt in de Woonvisie 2020-2030 gerefereerd aan de behoefte voor grondgebonden woningen. Gesteld wordt tevens dat potentiële inbreidingslocaties niet onbeperkt zijn, en dat er bij de invulling ervan, zoveel mogelijk rekening gehouden moet worden met behoud van het huidige zo gewaardeerde dorpse woonmilieu. Daarvoor moet er een goede balans tussen bebouwing en openbare ruimte (met name groen) aanwezig blijven Toetsing De woonvisie geeft aan dat er een toename naar de vraag van levensloopbestendige woningen zal ontstaan binnen de gemeente. En dat er creatief maar zorgvuldig moet worden omgegaan op de beschikbare locaties waar inbreiding tot de mogelijkheden behoort. Voorliggend plan levert een bijdrage aan het beantwoorden van de toenemende vraag in dit woontype. Daar komt bij dat de ontwikkeling op een inbreidingslocatie is voorzien, waarbij een combinatie wordt gemaakt met het verbeteren van de kwaliteiten ter plaatse. Zo worden ook kansen benut om de bestaande woonomgeving te versterken.

Zo sluit voorliggend plan aan bij de ontwikkelingen en ambities zoals verwoord in de gemeentelijke woonvisie. Conclusie Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

16

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Het planvoornemen moet naast de kaders zoals gesteld in de Awb en het Bro ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r . Getoetst dient te worden of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. De milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), vormen toetsingskaders om de belangen van het milieu zo goed mogelijk in beeld te brengen voorafgaande de besluitvorming van ruimtelijke plannen en projecten. Hierbij gaat het echter wel alleen om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1 Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2 Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3 Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Het voornoemde Besluit m.e.r. is sinds 1 april 2011 inhoudelijk gewijzigd.

De belangrijkste aanleidingen hiervoor was de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en een uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). De inhoudelijke wijziging van het Besluit m.e.r. heeft gevolgen voor het hiervoor benoemde criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium is dat bepaalt of er wel of geen me.r.(-beoordeling) uit moet worden gevoerd. Zelfs indien een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan het belangrijke gevolgen hebben ten nadele van nabijgelegen kwetsbare natuurgebieden. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleinschalige, in omvang beperkte projecten (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Er wordt hierbij gekeken naar de criteria die zijn opgenomen in de bijlage III van de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Toetsing In het planvoornemen is er sprake van nieuwbouw van 1 levensloopbestendige woning. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit

17

betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van 1 woning. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Voorts is in de overige omgevingsaspecten in voorliggend bestemmingsplan stilgestaan bij de omgevings- en milieuaspecten. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen naar voren gekomen. Ook hieruit blijkt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Van de voornoemde criteria geldt voorts voor het derde criterium dat het planvoornemen niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Ook met betrekking tot dit derde criterium is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Er is, ook bezien de overige uitgevoerde omgevingsonderzoeken voor de omgeving van het plangebied, geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.

Conclusie Onderhavig planvoornemen voorziet niet in activiteiten waarbij een verplichting bestaat tot het opstellen van een MER of het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Bovendien blijkt uit de uitgevoerde toetsing dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt namelijk dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag hierin geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem

18

Toetsing Ten gunste van de voorgenomen ontwikkelingen is een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd in het plangebied met als doel inzicht te verkrijgen in de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Dit verkennend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Op basis van het hiervoor benoemde verkennend bodemonderzoek is het volgende geconcludeerd − de bodemopbouw bestaat uit matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand; − plaatselijk bevat de bodem in de bovengrond sporen baksteen of beton. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; − in de bovengrond zijn analytisch licht verhoogde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink en PAK (10 van VROM) aangetoond; − in de ondergrond zijn analytisch geen verhoogde gehalte aangetoond boven de achtergrondwaarde; − in het grondwater is analytisch een licht verhoogd gehalte barium aangetoond; − de hypothese, de locatie is ‘onverdacht’ dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek tonen voorts geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek naar de aard, omvang en risico’s van de tijdens onderhavig onderzoek aangetoonde verontreinigingen.

De gronden zijn geschikt bevonden voor de woonfunctie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Wegverkeerslawaai Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen. In artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) is opgenomen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht dient te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

1

De Klinker (2022). Verkennend bodemonderzoek Holstraat 2A te Hilvarenbeek. Rapportnummer K2220218. Datum: 11 augustus 2022. 19

− de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh –het Besluit geluidhinder– zoals gewijzigd op 4 april 2012); − de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; − functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meter aan weerszijden van de weg 350 meter 600 meter 350 meter 400 meter 200 meter 250 meter

In Artikel 74 lid 2 Wgh wordt geregeld dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een levensloopbestendige woning in een gebied welke niet is gelegen in een op basis van de Wet geluidhinder geldende onderzoekszone (wegen met een snelheidsregime van ten minste 50 km/u). Ook een akoestisch onderzoek in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is niet noodzakelijk omdat nabij het plangebied geen doorgaande wegen liggen met naar verwachting hoge verkeersintensiteiten.

Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

20

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden.

21

Toetsing Het planvoornemen betreft de realisatie van één levensloopbestendige woning welke centraal gelegen is in de dorpskern van Hilvarenbeek. De ministeriële regeling NIBM kwantificeert de (N)IBM-grens voor deze functie. Een bouwplan van deze omvang draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Er hoeft geen aanvullend onderzoek naar de blootstelling aan luchtverontreiniging plaats te vinden. Wat betreft de blootstelling kan worden gesteld dat uit de saneringstool bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) duidelijk wordt dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in het plangebied tussen 2008 en 2022 onder de grenswaarden liggen. Er is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Vanuit het beginsel van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is voor onderhavig plan onderzoek gedaan 2 naar de aanwezige functies in de nabijheid van onderhavig plangebied. De resultaten hiervan zijn hiernavolgend toegelicht.

2

SAB (2022). Quick scan bedrijven en milieuzonering locatie Holstraat 2a. Projectnummer 210529. Datum: 18 oktober 2022. 22

Toetsing De ontwikkellocatie ligt langs de Holstraat in Hilvarenbeek, aan de rand van de kern. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich vooral woningen. Ten zuiden van de ontwikkellocatie bevindt zich het centrum van Hilvarenbeek met hier en daar gebouwen met maatschappelijke functies. Ten noorden van het plangebied ligt verder nog een dienstverlenend gebouw en ten westen een speeltuin. Ten oosten van de locaties bevinden zich enkele winkels langs de Doelenstraat. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is daarom in zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van een afwisseling van functies. De omgeving is dan ook een gebied met een matige functie menging en kan daarom worden getypeerd als een ‘gemengd gebied’. De richtafstanden voor gemengd gebied worden derhalve in deze quick scan gehanteerd. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-procedure met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect ‘gevaar’). Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. ‘Wonen’ betreft geen hinder-veroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing van de woningen richting de omgeving noodzakelijk is.

Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feitelijk gezien zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd in de quick scan bedrijven en milieuzonering die voor onderhavig plan is uitgevoerd. Deze quick scan is opgenomen in bijlage 2 van onderhavig plan. Ten aanzien van hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling op de omliggende hindergevoelige functies wordt geconcludeerd dat geen hinderveroorzakende functie mogelijk wordt gemaakt. Ter plaatse van de ontwikkellocatie is derhalve een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat voor de meeste omliggende gronden voldaan wordt aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. Op het adres Doelenstraat 5 met bestemming ‘Centrum-2’ wordt er niet aan voldaan. Aangrenzend aan en boven de locatie zijn reeds woningen gesitueerd. De nieuwe woning is op een significant grotere afstand dan deze twee woningen gelegen.

De nieuwe woning kan in dit kader de vestiging van een maatschappelijke doeleinde niet meer belemmeren dan de twee bestaande woningen reeds zullen doen. Nader onderzoek is dus niet nodig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen bedrijf in de directe omgeving is met een richtafstand die een belemmering op kan leveren voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend initiatief en dat de beoogde ontwikkeling geen beperking stelt voor andere functies in de omgeving.

23

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek of een lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Toetsing Bij het bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De afstand tot de dichtstbijzijnde gevaarlijke inrichting is ongeveer 600 meter, het betreft een tankstation met LPG-opslag.

Deze afstand is voldoende groot waardoor van gevaarlijke situaties geen sprake is. In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante inrichtingen aanwezig in het kader van het Bevi.

24

Uitsnede van de Risicokaart. Het plangebied is aangegeven met de zwarte ster. Het tankstation met LPG-opslag is aangegeven met een rode driehoek. Bron: risicokaart.nl, 2021

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7

Water Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument ‘de Watertoets’. Europese kaderrichtlijn water (2000) De Kaderrichtlijn Water biedt het instrumentarium om oppervlaktewater en grondwater in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht te beschermen en te verbeteren. Ook het bevorderen van een duurzaam watergebruik, op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen en de afzwakking van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte vormen belangrijke doelstellingen. Om deze doelen te realiseren, reikt de richtlijn diverse instrumenten aan, zoals maatregelenprogramma's, stroomgebiedbeheersplannen, monitoringverplichtingen en economische analyses van het watergebruik inclusief de kostenterugwinning van waterdiensten.

25

Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: − Klimaatadaptatie; − Waterveiligheid; − Zoetwater; − Grondwater; − Scheepvaart.

26

Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgettaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13738497/1