10 Bestemmingsplan Groenstraat 32 Esbeek (7 Toelichting)
Tekst van het document
c. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
De in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden worden door de verblijfsrecreatieve functie niet onevenredig aangetast. De activiteit vindt plaats binnen een nieuw op te richten bijgebouw. Er zal geen bebouwing of functie worden gerealiseerd die aanwezige en bestaande waarden onevenredig aantasten.
Pagina 24 van 56
d. er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats;
Zoals omschreven zal de bed & breakfast gerealiseerd worden in een nieuw op te richten bijgebouw, behorende bij de beoogde Ruimte-voor-Ruimtewoning.
e. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
De schuren 2, 3 en 5, zoals afgebeeld op Afbeelding 3, zullen worden gesloopt. Overtollige agrarische bedrijfsbebouwing wordt derhalve gesloopt.
f.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
Het kleinschalig logeren leidt niet tot belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van omliggende (agrarische) bedrijven. Aan de Lage Mierdseweg 3 te Esbeek is een horecabestemming gelegen op een afstand van 250 meter van het plangebied. Conform de VNG-handreiking valt een restaurant/café/cafetaria/bar onder milieucategorie 1. Voor een bedrijf in deze milieucategorie geldt geen richtafstand in gemengd gebied. Overige nietveehouderij bedrijven zijn op ruimere afstand gelegen dan het horecabedrijf aan de Lage Mierdseweg 3. De dichtstbij gelegen veehouderij is gelegen aan de Groenstraat 23. Het dierenverblijf van de kleinschalige schapenhouderij aan de Groenstraat 23 is op een afstand van circa 86 meter van het bestaande gebouw, waarbinnen de bed & breakfast kamers gerealiseerd worden, aan de Groenstraat 32 gelegen. Er wordt dus aan de vaste afstanden in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer voldaan. Daarbij wordt opgemerkt dat uit vaste jurisprudentie blijkt dat een recreatieve voorziening niet geurgevoelig is, omdat er geen sprake is van permanent verblijf. Omliggende (agrarische) bedrijven zullen derhalve niet belemmerd worden door het kleinschalig logeren aan de Groenstraat 32 te Esbeek.
g. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
De eventuele verkeersaantrekkende werking zal bestaan uit aankomende en vertrekkende bezoekers van de bed & breakfast. Het bijgebouw is geschikt voor het verblijf van maximaal 6 personen. Deze zullen dus maximaal met 3 auto’s komen (2 personen per auto). De Groenstraat beschikt over voldoende capaciteit om een dergelijke toename in verkeersbewegingen af te wikkelen.
h. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
Er zullen maximaal 3 kamers van maximaal 2 personen per kamer gerealiseerd worden. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in totaal 3 parkeerplaatsen (2 personen per auto).
i.
het mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige waarden.
De in het gebied aanwezige waarden worden door de bed & breakfast niet onevenredig aangetast. De activiteit vindt plaats binnen een reeds bestaand gebouw. Er zal geen bebouwing of functie worden gerealiseerd die de aanwezige en bestaande waarden onevenredig aantasten. Uit bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 16.5.2 (binnenplanse afwijkingsbevoegdheid) voor het realiseren van een bed & breakfast in een vrijstaand bijgebouw. Enkel aan de voorwaarde zoals opgenomen in sub d kan niet worden voldaan, aangezien de bed & breakfast gerealiseerd zal worden in het nieuwe bijgebouw behorende bij de beoogde Ruimtevoor-Ruimtewoning.
Pagina 25 van 56
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat. Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 15 maart 2017; ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:348, van 17 april 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1253 en van 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Het initiatief betreft onder andere het in gebruik nemen van een voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Het gaat daarbij dus om een functiewijziging die verder geen milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving. Bovendien wordt er één extra woning met bijbehorende bijgebouwen mogelijk gemaakt. Het gebruik van het perceel wijzigt door het realiseren van twee reguliere burgerwoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het project voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat de oppervlakte aan bebouwing niet zal toenemen en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen.
Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de
Pagina 26 van 56
ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt de planlocatie in deels binnen ‘Attentiezone Waterhuishouding’, zie Afbeelding 8. Aan de voorwaarden die gelden voor deze aanduiding is in paragraaf 3.2.2 van de toelichting getoetst. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren.
Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun RWP stelt.
Pagina 27 van 56
Waterschap Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.
Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap de Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. ▪ Wat schoon is moet schoon blijven. De leefomgeving verandert en is het waterschap opzoek gegaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe het waterschap de doelen gaan bereiken. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap de Dommel keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Gemeente De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen bij de bewoner / eigenaar binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Het gemeentelijke beleid is erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Dit geldt zowel voor de particulier op eigen terrein als voor de openbare ruimte. Daarbij wil de gemeente de vrijstelling tot compensatie bij kleine toename in verhard oppervlak binnen de Keur voor een ontwikkeling, met dit gemeentelijk beleid teniet doen. Hiermee wil de gemeente knelpunten in het rioolstelsel mede oplossen door ook kleinere ontwikkelingen op particulier terrein hieraan bij te laten dragen. Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m² nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop
Pagina 28 van 56
naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Uit de legger van Waterschap De Dommel blijkt dat het plangebied is gelegen in de nabije omgeving van een A-watergang, zie Afbeelding 12. In de noordoosthoek van het plangebied is ook een Bwatergang gelegen, zie Afbeelding 13. Ook is het plan voor een klein deel gelegen binnen ‘Beschermd gebied’.
Afbeelding 12: Uitsnede keurkaart Waterschap De Dommel, plangebied zwart omcirkeld
Afbeelding 13: Uitsnede Legger Waterschap De Dommel, plangebied zwart omcirkeld
Pagina 29 van 56
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard van de bedrijfswoning en de overige gebouwen geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige werd er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m³ niet-verontreinigd hemelwater per m² verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf werd aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken werden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vonden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe konden leiden dat er stoffen in aanraking konden komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten of infiltreren in de bodem.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde waterhuishoudkundige situatie blijft het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool. Ook bij de nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor worden de nodige voorzieningen aangebracht en wordt de nieuwe woning aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het heeft de voorkeur om schoon hemelwater eerst te hergebruiken, te infiltreren of te bergen. Daarna, als laatste optie, zal het hemelwater worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een verwezenlijking van een ecologische verbindingszone langs de Hoogeindse Beek aan de Groenstraat 32 te Esbeek. Het gebied waar natuur wordt gerealiseerd ligt in het beekdal van de Hoogeindse Beek. Bij de ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken is rekening gehouden bij de ambities van de natuur en het landschap, zoals beschreven in het ‘Projectplan Waterwet – Hoogeindse Beek’ d.d. 26 november 2020.
De opgave voor de Hoogeindse Beek is om de verdroging van het beekdal tegen te gaan en de juiste hydrologische randvoorwaarden te creëren voor de natte natuurdoelen. Het streven is om het oude karakter van de beek terug te brengen door de oorspronkelijke beek te herstellen. Deze opgave is tevens in het Beheerplan van het Natura 2000-gebied ‘Kempenland - West’ opgenomen. De beek is een ecologische verbindingszone en dient als zone voor beekherstel. Het landschappelijk past binnen de hydrologische randvoorwaarden. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de A-watergang en de B-watergang worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing en erfverharding zullen worden verwijderd, het gaat hierbij om circa 485 m2 aan bebouwing inclusief de erfverharding. Hierdoor is er sprake van een ruime afname in oppervlakte verharding.
Zoals aangegeven geldt conform gemeentelijk beleid dat voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m² nieuw verhard oppervlak het uitgangspunt is dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing zal verdwijnen. Er zal in de beoogde situatie 485 m² gesloopt worden (schuur van 195 m², schuur van 260 m² en schuurtje van 30 m²). In de beoogde situatie zal echter ook een nieuwe woning met eventuele aanbouwen/uitbouwen/bijgebouwen mogelijk gemaakt worden. De totale oppervlakte van de nieuwe woning met eventuele bijgebouwen zal meer bedragen dan 250 m² aan nieuw verhard oppervlak.
Pagina 30 van 56
De exacte afmetingen van de beoogde Ruimte-voor-Ruimtewoning zal nog nader bepaald worden. Vooralsnog is in de beoogde situatie uitgegaan van 150 m² voor de woning. Tevens is een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 150 m² mogelijk. Het komt er dus op neer dat de maximale oppervlakte aan bebouwing (en dus puntbelasting door verharding) 300 m² zal zijn. Vanuit de gemeente geldt een bergingseis van 60 mm per m² verharding wanneer er sprake is van nieuwbouw. Op locatie zal een waterberging worden gerealiseerd. Aangezien de exacte afmetingen van de beoogde woning en de locatie van de waterberging nog nader zullen worden bepaald, is een bergingseis opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Zoals hiervoor reeds omschreven is er een bergingseis opgenomen in de regels van het bestemmingsplan, waardoor de opvang van hemelwater gewaarborgd is. De opvang van het hemelwater zal plaatsvinden middels het realiseren van infiltratie trappen of middels de aanleg van een poel/greppel. Met het realiseren van een hemelwaterberging zal rekening gehouden worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De hoogste grondwaterstand is weergegeven op Afbeelding 14. Ook met het realiseren van de woning wordt rekening gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand. De ontwateringsdiepte zal voldoende zijn door middel van een plaatselijke ophoging van het perceel.
Afbeelding 14: Uitsnede kaart Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG)
Conclusie
Uit bovenstaande toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten met zich mee zal brengen voor wat betreft de waterhuishoudkundige situatie. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.
Pagina 31 van 56
Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.
Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ is bij het plangebied een Natuur Netwerk Brabant aanwezig, zie Afbeelding 15. In paragraaf 3.2.2 van deze toelichting is reeds aangetoond dat de waarden en kenmerken binnen de aanduidingen ‘Natuur Netwerk Brabant’ en ‘Natuur Netwerk Brabant – ecologische verbindingszone’ beschermd en versterkt worden.
Pagina 32 van 56
Afbeelding 15: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant Iov
4.3.2. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn ‘Kempenland-West’, ‘Regte Heide en Riels laag’ & ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ (BE). De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 1,5 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten
Pagina 33 van 56
kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3. In Bijlage 4 en Bijlage 5 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied KempenlandWest leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen vergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Pagina 34 van 56
Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Groenstraat 32 te Esbeek, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren en de te slopen gebouwen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op 13 april 2022 is door Brabant Eco B.V. een ecologische QuickScan uitgevoerd, zie Bijlage 6, waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora & fauna aanwezig zijn. Op basis van het veldonderzoek en de analyse kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie van extra veldonderzoek uit te voeren. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding.
Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Volgens het advies van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is het plangebied geschikt voor nestlocaties van broedvogels, leefgebied voor marterachtigen en als vliegroute voor vleermuizen. Om deze reden is een aanvullend onderzoek naar broedvogels, marterachtigen en vleermuizen uitgevoerd. Het onderzoek heeft plaatsgevonden tussen april en juli 2023 en is aangevuld op 20 juni 2024. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7 bij onderhavige toelichting. Uit een viervoudige check van de te slopen schuur blijkt dat er weliswaar twee nesten aanwezig zijn maar dat deze oud en niet in gebruik zijn. Uit nader onderzoek naar marterachtigen is gebleken dat in de te slopen schuur geen vaste rustof verblijfplaats van genoemde soorten aanwezig zijn. Door de geplande werkzaamheden is er weliswaar sprake van een tijdelijke beperkte verstoring van foerageergebied voor marters, maar dit heeft geen wezenlijk effect op de functionaliteit van de leefomgeving als geheel omdat er voldoende alternatieven in de directe omgeving overblijven. De voorgenomen ontwikkelingen zullen geen invloed hebben op vleermuizen. Er wordt geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetast, Ook worden er geen verblijfplaatsen aangetast.
Daarmee kan gesteld worden dat de duurzame instandhouding van de aangetroffen vleermuissoorten niet in gevaar komt. Er zijn geen vliegroutes, foerageergebieden of verblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Zodoende zijn er met de kap van de erfbeplanting geen verbodsartikelen overtreden van de Wet natuurbescherming en is een ontheffingsverzoek bij bevoegd gezag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de voorgenomen plannen niet nodig. Tijdens het overleg met de gemeente Hilvarenbeek en de ODMW op 18 juni 2024 kwam naar voren dat, voordat Van Dun en Brabant Eco betrokken zijn geweest bij de ontwikkeling, er enkele bomen in het NNB-gebied zijn verwijderd. Dit is in strijd met de natuurwetgeving. Om dit te compenseren is het beplantingsplan aangepast. Gezien het feit dat het plangebied tot een nat deel van het NNB-gebied behoord en omdat deze boom snel groeit is gekozen voor boswilg. Daarnaast is de boswilg een waardplant voor meerdere beschermde en algemene insectensoorten, waaronder de grote vos en de grote weerschijnvlinder. In overleg met ODMW mag de aanname worden gemaakt dat de bomen een kruin van 1.5 meter diameter zullen ontwikkelen indien de aangeplante bomen tenminste anderhalve meter hoog zijn bij het aanplanten. Met zeven bomen zou de oorspronkelijke situatie minimaal hersteld moeten zijn, zo niet verbeterd.
Zoals te zien op het landschappelijk inpassingsplan, opgenomen als Afbeelding 4 en Bijlage 1, zullen er (extra) 7 boswilgen worden aangeplant. De voorgenomen plannen hebben daarom geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve geen overtreding van de Wet natuurbescherming tot gevolg. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor onderzochte diersoorten is niet nodig.
Pagina 35 van 56
Verder zijn in het onderzoek de volgende aanbevelingen opgenomen: - Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. - De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten.
- Er kunnen vogels broeden in het plangebied. Werkzaamheden die een verstorend effect op broedende vogels veroorzaken dienen daarom plaats te vinden buiten het broedseizoen (broedseizoen loopt van globaal half maart tot half juli). - Bij onvoorziene omstandigheden dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 16. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Pagina 36 van 56
Afbeelding 16: Uitsnede kaart aardkundige en cultuurhistorische waarden Iov, plangebied omcirkeld
De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Uit Afbeelding 17 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen ‘Indicatieve Archeologische waarden’ met een hoge trefkans. In de volgende paragraaf wordt het aspect archeologie nader toegelicht. Daarnaast is de locatie gelegen langs een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Vanwege de ligging aan de Groenstraat is het plangebied een zichtlocatie vanuit deze weg. De beoogde positionering van de nieuwe woning sluit aan bij de bebouwing aan de Groenstraat. De toe te voegen woning doet geen afbreuk aan de bebouwing in de omgeving. De waarde van de historisch geografische lijn wordt derhalve niet aangetast.
Pagina 37 van 56
Afbeelding 17: Uitsnede CHW-viewer Noord-Brabant
4.4.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Conform de regels van ‘Waarde – Archeologie 2’ dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 meter een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarden van de gronden in voldoende mate zijn vastgesteld. In de beoogde situatie vindt geen sloop en geen nieuwbouw van bouwwerken met een oppervlakte meer dan 2.500 m² plaats. Een archeologisch onderzoek is derhalve voor de beoogde ontwikkeling niet noodzakelijk. De aanwezigheid van archeologische waarden wordt zeer gering geacht. Bovendien is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen conform het vigerende bestemmingsplan, zodat mogelijke archeologische waarden niet onevenredig kunnen worden aangetast. 4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven.
Pagina 38 van 56
Er is daarom door Moerdijk Bodemsanering B.V. op 3 juni 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 8. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.6. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.
De planlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte.
Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Bovendien wordt de locatie aan de noordzijde landschappelijk inpast, waarbij een ecologische zone wordt ingericht. In deze zone worden onder andere landschapsbomen en een houtwal aangeplant. Tevens zijn er reeds landschapsbomen aanwezig. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste woning reikt. Ten westen van het plangebied is een voormalige agrarische bedrijfslocatie aanwezig. De gronden rondom deze woning zijn in gebruik als tuingrond. Het plangebied heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.
Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Pagina 39 van 56
De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging.
In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. agrarische bedrijfsfuncties. Aan de Groenstraat 34 en aan de Groenstraat 21 zijn voormalige agrarische bedrijfsbestemmingen gelegen, dus voor deze locaties hoeft niet aan de richtafstanden getoetst te worden. Aan de Groenstraat 23 is een kleinschalige schapenhouderij gelegen en aan de Groenstraat 25 en Groenstraat 30 zijn paardenhouderijen gelegen. Deze veehouderijen vallen conform de VNG-handreiking onder milieucategorie 3.1, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter geldt. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. Deze veehouderijen zijn op een afstand van meer dan 30 meter van de (beoogde) woning gelegen. De bestaande woning op de planlocatie (Groenstraat 32) is tevens reeds dichterbij de schapenhouderij (Groenstraat 23) en de paardenhouderij (Groenstraat 25) gelegen dan de beoogde Ruimte-voor-Ruimtewoning. Hierdoor dient al rekening te worden gehouden met de bestaande woning. De beoogde Ruimte-voor-Ruimtewoning zal niet leiden tot (extra) belemmeringen. Daarnaast zal de afstand tussen de beoogde woning en de bedrijven groter zijn dan 30 meter. Ten slotte wordt in de volgende paragraaf geconcludeerd dat voldaan kan worden aan het aspect geur.
Aan de Lage Mierdseweg 3 te Esbeek is een horecabestemming gelegen op een afstand van 250 meter van het plangebied. Conform de VNG-handreiking valt een restaurant/café/cafetaria/bar onder milieucategorie 1. Voor een bedrijf in deze milieucategorie geldt geen richtafstand in gemengd gebied. Overige niet-veehouderij bedrijven zijn op ruimere afstand gelegen dan het horecabedrijf aan de Lage Mierdseweg 3. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden en dat sprake is van een verantwoorde afstand tussen de beoogde reguliere burgerwoningen en omliggende bedrijven. 4.8. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: 1. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? 2.
Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
Pagina 40 van 56
4.8.1. Omgekeerde werking
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is en blijft de vrijkomende agrarische bedrijfswoning een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf behorende tot een veehouderij en de gevel van zo’n object, wanneer gelegen binnen de bebouwde komt, ten minste 100 meter bedragen. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 50 meter. Hetzelfde geldt voor de beoogde nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning. Op grond van artikel 14, tweede lid, gelden de vaste afstanden namelijk ook voor objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd: ▪ op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij, ▪ in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij, en ▪ in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. De planlocatie ligt buiten de bebouwde kom. Binnen een afstand van 50 meter van de nieuwe Ruimtevoor-Ruimtewoning liggen geen veehouderijen, zie Afbeelding 18. De bestaande, om te zetten bedrijfswoning is wel binnen een afstand van 50 meter gelegen van een agrarische bedrijfsbestemming (Groenstraat 23 – kleinschalige schapenhouderij met 24 schapen).
De stal waar de schapen gehouden worden ligt echter op een afstand van meer dan 75 meter en de bestaande bedrijfswoning is in de bestaande situatie al een geurgevoelig object, waarvoor aan de vaste afstanden voldaan moet worden, waardoor omliggende bedrijven niet onevenredig worden beperkt. De nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woonbestemming is op een afstand van meer dan 50 meter van de bedrijfsbebouwing aan de Groenstraat 23 gelegen, zie Afbeelding 19. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
Groenstraat 30
Groenstraat 23
Groenstraat 36
Groenstraat 25
Groenstraat 27a Afbeelding 18: Omliggende veehouderijen, bron: kaartbank.brabant.nl
Pagina 41 van 56
Afbeelding 19: 50-meter lijn om bouwvlak nieuw ruimte-voor-ruimte woonkavel
4.8.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Groenstraat 23. Dit betreft een kleinschalige schapenhouderij. Uit vorige paragraaf blijkt al dat de nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning op voldoende afstand van deze schapenhouderij is gelegen. Voor de bestaande, om te zetten bedrijfswoning wordt niet voldaan aan de richtafstand tot de agrarische bedrijfsbestemming van de kleinschalige schapenhouderij, maar er wordt wel ruimschoots aan de richtafstand voldaan tot aan het dierenverblijf. Er is geen mogelijkheid om deze afstand korter te maken dan 50 meter, aangezien deze voormalige bedrijfswoning al een geurgevoelig object is voor de stallen. Er zijn geen intensieve veehouderijen in de nabije omgeving gelegen. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied nader te beschouwen wordt gebruik gemaakt van de Achtergrond geurbelastingkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Als bronnenbestand is een export van het Bestand Veehouderijen Brabant opgenomen met als peildatum maart 2022 en kan daartoe als vrij recentelijk en accuraat worden beschouwd.
Uit Afbeelding 20 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de kwaliteit van de leefomgeving goed is, waardoor in de beoogde situatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd zal zijn.
Pagina 42 van 56
Afbeelding 20: Uitsnede kaart Achtergrond geurbelasting ODZOB
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.9.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.
Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen.
Pagina 43 van 56
Het initiatief betreft het creëren van één nieuwe Ruimte-voor-Ruimtewoning en het omzetten van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts twee reguliere burgerwoningen mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBMgrens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.9.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt tevens 40 μg/m3. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 13,44 μg/m3, voor PM2,5 6,989 μg/m3 en voor NO2 8,313 μg/m3, zie Afbeelding 21 tot en met Afbeelding 23. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 21: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5, plangebied omcirkeld
Pagina 44 van 56
Afbeelding 22: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, plangebied omcirkeld
Afbeelding 23: Uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2, plangebied omcirkeld
4.10. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen.
Pagina 45 van 56
In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen het geluidszone van de Groenstraat en de Lage Mierdseweg. Binnen de geluidszone van deze weg(en) is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten De vrijkomende bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Met het initiatief wordt ook een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een Ruimtevoor-Ruimtewoning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K+ Adviesgroep op 4 mei 2022, zie Bijlage 9. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. Het is dus niet nodig om hogere grenswaarden vast te stellen.