09 Ontginningsweg 32 (5 Toelichting)
Tekst van het document
indien er sprake is van een woonboerderijpand met cultuurhistorische waarde, niet zijnde een monument, waarvan de bouwkundige staat dermate slecht is dat volledige of nagenoeg volledige herbouw noodzakelijk is, kan splitsing gepaard gaan met herbouw, zij het dat door het herbouwde pand het cultuurhistorische waardevolle karakter dient te zijn gewaarborgd; Er is geen sprake van voorgenomen volledige of nagenoeg volledige herbouw. s. de splitsing dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma. De splitsing is passend binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma.
Pagina 28 van 61
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •
bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Beoordeling Gezien het historisch gebruik van de locatie en het feit dat er asbest op de locatie aanwezig is, is een voortoets (historisch onderzoek) en asbestinventarisatie uitgevoerd welke is toegevoegd als bijlage. Hiermee ligt de huidige situatie vast. In het onderzoek is aandacht aan de druppelzone van de daken besteed.
En daarmee ligt ook vast wat er in de toekomst, na het vaststellen van het bestemmingsplan, bij de sloop en de herontwikkeling van het plan moet worden onderzocht en eventueel gesaneerd.
Pagina 29 van 61
Bij uitvoering van het plan wordt de onderzoeksstrategie zoals opgenomen in de voortoets in de bijlage gevolgd. Hierdoor is zekergesteld dat eventuele verontreinigingen van de grond tijdig worden herkend en worden gesaneerd. Conclusie Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg. Door het in acht nemen van de gestelde voorwaarden wordt uiteindelijk voldaan aan de Wet bodembescherming. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt.
Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027.
Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Pagina 30 van 61
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen.
Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen.
Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
Pagina 31 van 61
• van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1.
Per nieuwe ruimte-voor-ruimte woning wordt 400 m² verhard oppervlak verwacht (100 m² woning, 200 m² erfverharding en 100 m² bijgebouw). Ten aanzien van het splitsen van de langgevelboerderij blijft het verhard oppervlak gelijk. In totaal ziet het plan dan op 800 m² “herontwikkelde” verharding. De vereiste compensatie wordt berekend door het te verharden oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met de gevoeligheidsfactor en een waterschijf van 60 mm (0,060 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De benodigde compensatie binnen de planlocatie betreft dus: 800 x 1 x 0,06 = 48 m³.
Pagina 32 van 61
De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de planlocatie is 60-80 cm beneden maaiveld. Om de berging van water te waarborgen wordt tussen de twee nieuw te realiseren ruimte-voor-ruimtekavels de bestaande zaksloot gebruikt en aangepast. De benutbare diepte voor retentie van hemelwater is vanaf maaiveld ca. 50 cm (20 cm boven gemiddelde GHG). De zaksloot heeft een lengte van 50 m1 en een minimale breedte van 2 m1, waardoor circa 50 m3 waterberging ontstaat.
Pagina 33 van 61
Zaksloot 50 m³
Uitsnede Landschappelijk inpassingsplan
Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van nieuwbouw van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie 4.4.1 Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).
Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Op basis van onderstaande uitsnedes van provinciale en gemeentelijke cultuurhistorische kaarten is inzichtelijk gemaakt dat de langgevelboerderij historische bouwkunst betreft. De Ontginningsweg is daarbij tevens aangewezen als ‘historische dorpsstructuur’. De weg is aangelegd tijdens de ontginning van Haghorst medio 1900 en wordt gekenmerkt wordt door de vele cultuurhistorische boerderijen aan het cultuurhistorische lint van de Ontginningsweg. Pagina 34 van 61
Cultuurhistorische kaart Noord-Brabant
Cultuurhistorische kaart Hilvarenbeek
Pagina 35 van 61
4.4.2 Criteria cultuurhistorische waarden Volgens de regels van de Interim omgevingsverordening en het bestemmingsplan dient de boerderij een cultuurhistorische waardevol pand te zijn om voor splitsing in aanmerking te komen. Dit is mogelijk als de boerderij vermeld staat op een gemeentelijke monumentenlijst of kaart historische bebouwing óf de cultuurhistorische waardenkaart 2010 van de Provincie Noord-Brabant. Beoordeling De langgevelboerderij is zowel opgenomen op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart als zijnde historische bebouwing alsmede op de cultuurhistorische waardenkaart 2010 van de Provincie NoordBrabant. Hierdoor is de boerderij voldoende cultuurhistorisch waardevol om te splitsen. Het opstellen van een redengevende omschrijving met (RCE) waardestelling is hierdoor niet noodzakelijk. Gezien met zekerheid, zonder waardestelling, al sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, is een herstelplan niet noodzakelijk (herstelplan is enkel noodzakelijk indien sprake is van een ‘matig cultuurhistorisch waardevolle’ bebouwing met 22 t/m 42 punten o.b.v. de RCE waardestelling). Ten aanzien van de langgevelboerderij is in het MIP rapport (uit 1993) de volgende beschrijving opgenomen.
Pagina 36 van 61
Ten aanzien van het planvoornemen is de Adviescommissie Cultuurhistorie van gemeente Hilvarenbeek nog om aanvullend advies gevraagd, welke stelt dat: De beschrijving van het MIP vertaald naar de waarderingscriteria; Cultuurhistorische waarde; Belang van het object als bijzondere uitdrukking van een geografische, landschappelijke en historischruimtelijke ontwikkeling; 20e eeuwse ontginning, gelegen aan ontginningsweg. Gaafheid en herkenbaarheid; Belang van het object wegens de materiele, technische en constructieve gaafheid; gaaf pand. Belang van het object als nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie; ontginningsboerderij ca. 1930. 4.4.3 Cultuurhistorische beeldkwaliteit De typerende ligging, massa en situering van de langgevelboerderij in het ontginningslandschap is het meest beschermingswaardig. De ligging, situering en massa van de boerderij worden derhalve verankerd in onderhavig plan. Onderstaande foto’s geven een weergave van de te beschermen beeldkwaliteit van de langgevelboerderij. Tevens is als bijlage een beeldkwaliteitsplan opgenomen welke de huidige waarden beschrijft.
Voorgevel met stalramen, en rechte hoge staldeuren
Ensemblewaarde met voortuin, zadeldak met zwarte muldenpannen
Voordeur op zijgevel, ensemblewaarde met voortuin
kruisverband metselwerk, muurankers en muizentand onder zinken dakgoot
Pagina 37 van 61
Getoogde zesruit stalramen, muuranker, rollaag plint
bijgebouw met eveneens zwarte muldenpannen en werf met gebakken klinker (ensemblewaarde)
Raamvensters en kozijnen, kruisverband metselwerk, rollaag boven en onder
4.4.4 Borging cultuurhistorische waarden In het bestemmingsplan is reeds de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ opgenomen die de bovengenoemde bestaande cultuurhistorische waarde van de boerderij beschermd. In het voorliggende plan wordt deze dubbelbestemming wederom opgenomen, waardoor de voornoemde cultuurhistorisch beeldkwaliteit beschermd blijft. Specifiek is sprake van onderstaande kenmerken welke als volgt worden geborgd in onderhavig plan. - de typerende ligging, massa en situering van de langgevelboerderij in het ontginningslandschap (borging middels planverbeelding); - ensemblewaarde met voortuin met lage knip/scheerhaag, vaste planten en solitaire boom (borging middels landschappelijk inpassingsplan); - de langgevelboerderij is uitgevoerd met baksteen met muizentand, rollaag bij dropels, hardsteen dorpels (borging middels beeldkwaliteitsplan als bijlage bij bouwregels); - getoogde staldeur en rechte hoge staldeuren (borging middels beeldkwaliteitsplan als bijlage bij bouwregels); - de muurankers in het woongedeelte (borging middels beeldkwaliteitsplan); Pagina 38 van 61
-
de indeling van de voorgevel in een typerend woon- en stalgedeelte, waaronder de stalramen en de staldeur (borging middels beeldkwaliteitsplan); voordeur woongedeelte op zijgevel van de boerderij (borging middels beeldkwaliteitsplan).
Hieronder is de beoogde splitsing weergeven.
Splitsing voorzijde boerderij
Achterzijde
Pagina 39 van 61
Conclusie Het planvoornemen versterkt de omliggende cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7).
Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.
Pagina 40 van 61
Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 2.500 m² geen restricties. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is de planlocatie dan ook gelegen in een gebied met een archeologische verwachting waarvoor een ondergrens van 2.500 m² wordt gehanteerd voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Voor de ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk voor de bouw van de ruimte-voor-ruimte woningen met bijgebouw. Waarvan de totale bodemverstoring ruimschoots minder zal zijn dan 2.500 m². De ontwikkeling heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Pagina 41 van 61
Conclusie Het plan beoogt bodemingrepen. De omvang hiervan overschrijdt echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.
Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen Natura2000-gebied betreft Kempenland-West op 2,2 kilometer. Om de gevolgen ten aanzien van stikstofdepositie in beeld te brengen zijn berekeningen met Aerius gemaakt voor de gebruiksfase en voor de realisatiefase. Hierbij is uitgegaan van: Gebruiksfase De verkeersbewegingen zoals genoemd in paragraaf 2.5. Voor de bestaande woning 1 cv-installatie meegenomen à 2,2 kg NOx/jr (3.300 m3 gasverbruik). Voor overige woningen geen verwarmingsbronnen zoals cv-installatie e.d. Realisatiefase (62,35 kg/j NOx) 5 dagen (40 uur) mobiele kraan; slopen en uitgraven bouw 5 dagen (40 uur) laadschop; slopen en uitgraven bouw 5 dagen (40 uur) verreiker; saneren asbest, slopen, overige werkzaamheden 1x per dag afvoer sloop / aanvoer bouwmateriaal per zwaar vrachtverkeer (worst-case) Dagelijks 4 ritten licht verkeer (bouwbedrijf/aannemersbedrijf) Controleberekening (155 kg/j NOx) Ter controle is een berekening gemaakt met een puntbron in het plangebied en een uitstoot van 155 kg/j NOx, zijnde 2,5 keer meer dan de realisatiefase.
De controleberekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. Alle bovenstaande berekening hebben geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Pagina 42 van 61
Conclusie Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een relevante toename van emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de Aerius berekeningen. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.
Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Voor het planinitiatief is op 17 mei 2021 een veldbezoek en quickscan flora en fauna uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De rapportage hiervan is opgenomen in de bijlage.
Uit de quickscan blijkt dat er geen aanleiding is voor aanvullend flora- of faunaonderzoek en zonder voorziene problemen begonnen kan worden met de geplande werkzaamheden. Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ en de Wet Natuurbescherming staat het planvoornemen niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de
Pagina 43 van 61
Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Voor het planvoornemen is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd dat is toegevoegd als bijlage. De geluidsbelasting wisselt binnen het plangebied van “goed” tot “matig”. De mindere milieukwaliteit doet zich met name voor ter hoogte van de voorgevels. Aan de achterzijde waar een langer verblijf buiten op het terras mag worden verwacht is bij alle woningen sprake van een goede milieukwaliteit.
Alle woningen beschikken over een geluidluwe zijde en hierdoor ook over een geluidluwe buitenruimte. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het plan ziet toe op de realisatie van woningen. Bij één van de woningen wordt een kleinschalige agrarische neventak (zonder vee) toegestaan waarbij het bijgebouw van de woning geschikt moet zijn voor de stalling van tractor met werktuigen voor het onderhoud van de te behouden agrarische gronden (huiskavel).
Op basis van de VNG-handreiking betreft dit hoogstens een milieucategorie 2 activiteit met een adviesafstand van 30 meter indien gelegen in een ‘rustige woonwijk’. De planlocatie is niet gelegen in een ‘rustige woonwijk’, maar in het buitengebied met op circa 75 meter afstand een paardenhouderij en op korte afstand van een 60 kilometer per uur weg. Het gebied is hierdoor te typeren als gemengd gebied. De ‘adviesafstand’ kan hierdoor met een afstandstrap worden verlaagd naar 10 meter. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het een nevenfunctie bij een woonbestemming betreft met een beperkte grootte. Een adviesafstand van 10 meter in hoofdzakelijk agrarisch georiënteerd buitengebied is daarmee ruim voldoende om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen.
Pagina 44 van 61
De adviesafstand van 10 meter wordt geborgd door het opnemen van een functieaanduiding waar de “agrarische nevenactiviteit” is toegestaan en door het opnemen van een bouwvlak per ruimte-voorruimtewoning. De agrarische nevenactiviteit is hierdoor enkel toegestaan op minimaal 10 meter van de erfgrens aan de zijde van de andere ruimte-voor-ruimte woning. De overige beoogde bestemming zijn niet milieubelastend, maar enkel milieugevoelig. Ontwikkelingsmogelijkheden en hinder van omliggende bedrijven In de omgeving van het plangebied, binnen een straal van 300 meter, zijn enkel de (veehouderij)bedrijven Ontginningsweg 34 en Ontginningsweg 11 gelegen. Ten aanzien van het aspect ‘geur’ is voor deze bedrijven is de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.10. De VNG-adviesafstand en de werkelijke afstanden tot de planlocatie zijn in onderstaande tabel en afbeelding weergeven. Locatie Ontginningsweg 34
Omschrijving VNG Adviesafstand Werkelijke afstand Paardenhouderij 50 meter 75 meter /zorgboerderij Ontginningsweg 11 Houden van varkens* 200 meter 210 meter *in het bestemmingsplan is de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ opgenomen. Op locatie worden echter sinds de melding Activiteitenbesluit van 17-6-2015 geen varkens meer gehouden. Voor de volledigheid echter getoetst aan de adviesafstand conform het planologisch kader.
210 m 75 m
Op basis van de afstand tussen de beoogde nieuwe woningen en de omliggende bedrijven kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende bedrijven niet gehinderd in hun ontwikkeling uitgaande van de adviesafstanden van de VNG-publicatie. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het
Pagina 45 van 61
vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd.
Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.
Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
4.10.1 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant kan de achtergrondbelasting van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 3 tot 7 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie.
Pagina 46 van 61
Kaart achtergrondbelasting planlocatie (Bron: ODZOB, peildatum februari 2021)
4.10.2 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) In de omgeving van het plangebied zijn meerdere veehouderijen aanwezig, veelal melkvee- of paardenhouderijen waarvoor een vaste afstand van toepassing is. De meest dominante veehouderij met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, is de veehouderij op Ontginningsweg 15. Op de afbeelding hieronder is deze veehouderij weergegeven. De veehouderij is op circa 500 meter van de planlocatie gelegen.
Ontginningsweg 15 (14.499 ou/s)
De voorgrondbelasting afkomstig van de veehouderij is berekend op het worst-case emissiepunt van de veehouderij (met defaultparameters) tot de dichtst gelegen woning in het plangebied. Uit Pagina 47 van 61
onderstaande geurberekening, zie onderstaand, blijkt een geurbelasting van 0,8 ouE op het plangebied.
Gemaakt op: 5-04-2022 20:28:36 Rekentijd: 0:00:03 Naam van het bedrijf: Ontginningsweg 15 Berekende ruwheid: 0,14 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Ontginningsweg 15
143 270
389 656
5,0
5,0
0,50
4,00
14 499
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2
GGLID RvR Ontgw. 32
Xcoordinaat 142 798
Ycoordinaat 389 715
Geurnorm 14,0
Geurbelasting 0,8
Met een geurbelasting van 0,8 ouE op het plangebied wordt voldaan aan de landelijke én gemeentelijke geurnomen van zowel de bebouwde kom als het buitengebied. De veehouderij op Ontginningsweg 34 is het meest van invloed voor de individuele geurhinder op de planlocatie ten aanzien van de veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor. De locatie betreft een paardenhouderij waar tevens enkele stuks rundvee worden gehouden. Voor de locatie zijn onderstaande dieraantallen vergund (melding Activiteitenbesluit + OBM d.d. 8-1-2020).
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderij Op locatie worden enkel dieren gehouden waarvoor een vaste afstand van 50 meter dient te worden aangehouden vanaf het emissiepunt van de stal volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens dient volgens de Wgv een afstand van 25 meter aangehouden te worden vanaf de gevel van de stal. Pagina 48 van 61
De ruimte-voor-ruimte woningen zijn gelegen op een minimale afstand van 75 meter van de rand van het bouwvlak van Ontginningsweg 34. Op basis van artikel 14 van de Wgv dient de afstand buiten de bebouwde kom tussen een ruimte-voor-ruimtewoning en een veehouderij minimaal 50 meter te bedragen. Hierdoor wordt voldaan aan de minimale afstanden ten aanzien van de Wgv. De veehouderij wordt derhalve niet beperkt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Beoordeling woon- en leefklimaat Daarnaast dient tevens bepaald te worden of sprake is van een “aanvaardbaar” woon- en leefklimaat. Hiervoor is op basis van artikel 4 van de Wgv eveneens een afstand van 50 meter tot een veehouderij van toepassing buiten de bebouwde kom. Met een afstand van 75 meter wordt ook hier ruimschoots aan voldaan en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de ruimte-voor-ruimte woning. Tevens wordt voldaan aan de adviesafstand van 50 meter ten aanzien van paardenhouderijen op basis van de VNG-handreiking. Conclusie Het plan ziet toe op de realisatie van woningen, zijnde geurgevoelige objecten. Bij de beoogde ruimtevoor-ruimte woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij worden omliggende veehouderijbedrijven niet beperkt in hun ontwikkeling. Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg.
4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld.
Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. Pagina 49 van 61
De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter / 500 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 250 meter van de planlocatie is geen varkenshouderij gelegen en binnen 500 meter geen pluimveehouderij. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld.
Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid. Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig, met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (3,2 km) • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (2,7 km) • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (2,9 km) • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (4 km) • Tuldensedijk 7 Esbeek (3,7 km) • Hoekje 9 Diessen (1,4 km) • Esbeeksedijk 4 Diessen (2,8 km) • Frankenstraat 2 Haghorst (1,2 km) • Ontginningsweg 15 Haghorst (500 m) De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij tot het plangebied bedraagt circa 500 meter (Ontginningsweg 15). Dit is buiten een straal van 250 meter. De geitenhouderij op Frankenstraat 2 is gelegen op 1,2 kilometer. Overige geitenhouderijen zijn ruim verder dan 2 kilometer van de planlocatie gelegen. Tussen de toe te voegen wooneenheden en de geitenhouderij zijn meerdere woningen gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is op locatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zowel op basis van geur als op endotoxine.
Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Het plan ziet er op toe dat een veehouderij-locatie wordt weggenomen, waardoor eveneens toekomstige nadelige gezondheidseffecten worden weggenomen. Door het saneren van een varkensbedrijf tegen de bebouwde kom worden endotoxine op de bebouwde kom weggenomen. Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij zijn meerdere (burger)woningen gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woonPagina 50 van 61
en leefklimaat, hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
Beoordeling De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute, namelijk de A58 gelegen op circa 3 kilometer. In verband met het vervoer van toxische stoffen geldt een invloedsgebied op de A58 van 4 kilometer. Om die reden dient getoetst te worden aan artikel 7 Bevt, waarbij een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid gegeven dient te worden in relatie tot het toxisch scenario. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio opgesteld, derhalve is deze toegevoegd in de bijlage. De overige risicobronnen in de omgeving zijn: - DPO-leiding (op ca. 120 m.) - PRB-leiding (op ca. 1 km.) De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstanden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.
Pagina 51 van 61
Uitsnede Risicokaart.nl
4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald Pagina 52 van 61
(overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.
Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Indien het planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. Deze beredenering wordt tevens ondersteund door onderstaande berekening met de NIBM-tool, waarbij de verkeersgeneratie uit paragraaf 2.5 is aangehouden.
Pagina 53 van 61
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
34
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,03
PM10 in μg/m3
0,01
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Conform onderstaande actuele pm10 en pm2,5 kaart is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range die de normen van pm10 respectievelijk pm2,5 niet overschrijdt. Gezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht.
Pm2,5 kaart: concentratie van 10-11 microgram
Pagina 54 van 61
Pm10 kaart: concentratie van 18-19 microgram 4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: Pagina 55 van 61
1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd.
Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 gesproken over de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het onderhavig plan voorziet in de sanering van een veehouderijbedrijf, splitsing van de langgevelboerderij en realisatie van twee ruimte-voor-ruimte woningen binnen een relatief kleine omvang. Derhalve wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject of de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Daarbij, naar het oordeel van de Afdeling kan de ontwikkeling van twee woningen in het buitengebied, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is.
Een (vormvrije) m.e.r.beoordeling (en aanmeldnotitie) behoeft daarom niet te worden uitgevoerd. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. 4.16 Spuitzone’s In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
Pagina 56 van 61
Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: • Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.).
Bij voorliggend initiatief worden de woonkavel omzoomd door een houtwal aan de zuidoostzijde en zijn de agrarische percelen aan deze zijde in eigendom van initiatiefnemer. Aan de noordkant is een weg gelegen tussen het plangebied en de agrarische gronden. Tevens staan de beoogde woningen op een zekere afstand van de grenzen van de woonkavels. Daarbij zullen de bijgebouwen bij de woningen een afschermende werking hebben. In de omgeving zijn nieuwe activiteiten met toepassing van bestrijdingsmiddelen voor de boomteelt niet rechtstreeks mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Hiervoor moet een afwijkingsbesluit worden genomen waarbij ook getoetst moet worden op een goede ruimtelijke ordening en gevoelige functies. Gezien het huidige gebruik in de omgeving, de grondeigenaren van omliggende gronden en de kenmerken van het gebied is een dergelijke activiteit ook niet reëel te verwachten. Gezien deze omstandigheden kan geconcludeerd worden dat er, voor wat betreft de spuitzone, een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden in het plangebied.
Pagina 57 van 61