09 Bestemmingsplan Vossenhol ong (6d bijlage 4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit; dorps bouwen)
Tekst van het document
Pleisterwerk of wit gevelschilderwerk is ook mogelijk · hellende daken zijn gedekt met keramische pannen · traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt · het kleurgebruik is traditioneel en terughoudend.
W1 architectonisch samenhangende bebouwing
Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Kenmerken Naast de historisch gegroeide gebieden bestaat het woongebied van de kernen uit planmatig ontworpen gebieden. In de steden zijn dit soms grote wijken met een specifieke eenduidige architectuur en stedenbouwkundige opzet; in de dorpen, zoals in Hilvarenbeek, zijn deze gebieden meestal gevarieerd ingericht, met kleine bouwstromen, en veel individuele woningbouw. Toch zijn er ook gebieden aan te wijzen met een specifieke architectonische architectuur en/of stedenbouwkundige samenhang, gebieden waar de ruimtelijke kwaliteit niet alleen ligt in de individuele architectonische expressie, maar vooral in het straatbeeld dat ontstaat door de samenhang of interactie van de verschillende gebouwen. Sommige van deze gebieden zijn voorbeelden van een specifieke, architectuurstroming of bouwstijl, die kenmerkend is voor een periode, zoals tuindorpen, de vooroorlogse wijkgedachte, het Nieuwe Bouwen, de Forumbeweging (de woonerven) of de thematische uitbreidingswijken uit de jaren negentig.
Deze gebieden vragen dan ook extra aandacht waar het gaat om toevoegingen in het straatbeeld.
Criteria Ligging · per erf of kavel is er één hoofdmassa · gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig/architectonisch patroon of geheel · gebouwen zijn met hun voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte · de individuele woning binnen een rij is een deel van het geheel · rooilijnen aan de voorzijde van rijen behouden · bijgebouwen staan bij voorkeur achter het hoofdgebouw en verstoren het ritme niet. Massa · clusters, rijen en gestapelde woningen kennen een sterke onderlinge samenhang maar hoeven niet eenvormig te zijn · woonhuizen bestaan uit een onderbouw van één of twee lagen met bij voorkeur een zadeldak. Afwijkende kapvormen of platte daken zijn echter niet uitgesloten · op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa · op- en aanbouwen worden per woningtype zoveel mogelijk eenvormig uitgevoerd.
Architectonische uitwerking · er wordt aansluiting gezocht bij het architectonisch tijdsbeeld van de wijk · er is ontwerpaandacht voor basisdetails en bij niet traditionele vormgeving is de detaillering zorgvuldig · bij rijenwoningen in de uitvoering de herhaling benadrukken · wijzigingen en toevoegingen zijn qua stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume of ensemble Materiaal- en kleurgebruik · het materiaal- en kleurgebruik is samenhangend · gevels zijn in hoofdzaak van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen, soms gepleisterd of 23
geschilderd in een lichte tint · plaatmateriaal alleen gebruiken als invulling van een kozijn of hekwerk · het kleurgebruik is terughoudend.
W9 individuele bebouwing
Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Kenmerken Vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling. Dat wil niet zeggen dat elke wijziging of toevoeging aan deze woningen mogelijk is en dat elke (vervangend) nieuwbouwplan kan voldoen aan redelijke eisen van welstand. De nadruk zal bij de toetsing van bouwplannen in deze gebieden liggen op de relatie met de directe belendingen, en de relatie met het bestaande gebouw zelf.
Architectonische uitwerking · qua schaal of schaalbeleving wordt rekening gehouden met de directe belendingen · er is ontwerpaandacht voor basisdetails en bij niet traditionele vormgeving is de detaillering zorgvuldig · wijzigingen en toevoegingen zijn qua stijl en afwerking afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik · het materiaal- en kleurgebruik is samenhangend · gevels zijn in hoofdzaak van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen, soms gepleisterd of geschilderd in een lichte tint · plaatmateriaal alleen gebruiken als invulling van een kozijn of hekwerk · het kleurgebruik is terughoudend.
Criteria Ligging · per erf of kavel is er één hoofdmassa · gebouwen zijn met hun voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte · rooilijnen aan de voorzijde van rijen behouden · bijgebouwen staan bij voorkeur achter het hoofdgebouw. Massa · woonhuizen bestaan uit een onderbouw van één of twee lagen met bij voorkeur een zadeldak. Afwijkende kapvormen of platte daken zijn echter niet uitgesloten · op- en aanbouwen als erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa
24
B1 industrie/bedrijventerrein
Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Kenmerken Bebouwing en omgeving Van oorsprong waren bedrijven gelegen langs de ontsluitingsroutes over het water en het spoor. Veel bedrijven waren gevestigd aan rivieren, kanalen, weteringen en de spoorlijn. Toen het vervoer over de weg een belangrijkere plek innam werd de afhankelijkheid van de waterwegen en het spoor kleiner. In de loop der jaren is er een duidelijke verschuiving te zien in de situering van de bedrijventerreinen. Meer bedrijven vestigden zich langs provinciale en rijkswegen. Tegenwoordig is de situering van een bedrijf op een goed bereikbare en vooral door veel mensen zichtbare locatie belangrijk geworden voor een ondernemer (o.a. in verband met naamsbekendheid). De bedrijven die gevestigd zijn op een hoeksituatie oriënteren zich vaak naar twee zijden. Langs de autosnelwegen zijn zogenaamde ‘zichtlocaties’ ontstaan. Nabij de grotere kernen en nabij autosnelwegen hebben zich de laatste decennia logistieke transportcentra ontwikkeld. Deze centra worden gebruikt voor het opslaan, laden en lossen van diverse goederen.
Het transport geschiedt met vrachtwagens. Naast deze grotere locaties zijn de kleinere bedrijvenlocaties nabij de kleinere kernen aanwezig. Hier zijn overwegend locale bedrijven gevestigd. Bebouwing op zich De bebouwing op de zichtlocaties zijn vaak dominant in uitstraling. De bebouwingsmassa’s hebben veelal een extravert karakter met het doel het oog van de voorbijganger te trekken. Dit kan door
middel van uitgesproken architectuur maar ook met behulp van grote uithangborden aan de gevel(s). De hoofdentree van de bedrijfsbebouwing is veelal met borden aangegeven, de hoofdentree is ook niet in alle gevallen ruimtelijke en architectonisch duidelijke vormgegeven. De bebouwing op de plaatselijke bedrijventerreinen bestaat veelal uit eenvoudige loodsen met een klein kantoor- en kantinegedeelte. De bebouwing van de logistieke transportcentra worden gekenmerkt door de aanwezigheid van grote opslagloodsen met rijen ‘loadingdocks’. In sommige gebieden zijn op de bedrijfspercelen bedrijfswoningen geplaatst. Vaak staan deze woningen aan de voorzijde van het bedrijfsperceel. Veelal is er bij de vormgeving van de bedrijfswoningen geen rekening gehouden met de beeldaspecten van de directe omgeving en de bedrijfsbebouwing. Hierdoor vormen de bedrijfswoningen vaak afwijkende elementen op een bedrijventerrein. Materiaal, detaillering en kleur Op de bedrijventerreinen komt in de gevels een zeer grote diversiteit aan materialen voor. Ook in detaillering en kleurgebruik zijn er grote verschillen te herkennen. Er is over het algemeen weinig samenhang in materialisering, detaillering en kleurgebruik tussen de verschillende bedrijfspercelen. Per perceel is deze eenheid vaak juist wel te herkennen.
Elk (cluster van) bedrijfsgebouw(en) vormt een individuele eenheid en heeft een eigen identiteit.
Criteria Ligging · gebouwen zijn georiënteerd op de weg · representatieve, openbare en woonfuncties zijn naar de straat gericht · de rooilijnen kunnen verspringen ten opzichte van elkaar · opslag en parkeren vindt bij voorkeur uit het zicht plaats · grootschalig verharding van voorerven voor bijvoorbeeld inritten en hellingbanen is in principe ongewenst 25
Massa · gebouwen zijn in principe individueel en afwisselend · gebouwen zijn eenvoudig van opbouw en bestaan in principe uit blokvolumes Architectonische uitwerking · gebouwen hebben een representatieve voorgevel · de detaillering van de voorgevels is zorgvuldig · accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk · wijzigingen in stijl, maat en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik · voorgevels zijn van baksteen, een enkele keer gepleisterd of van een representatief plaatmateriaal · het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang
G1 Parken en sportcomplexen
De meeste parken en sportcomplexen zijn welstandsvrij. Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Kenmerken Bebouwing en omgeving Onder het dit bebouwingstypen vallen parken, groengebieden, sportcomplexen, begraafplaatsen en overige grotere gebieden met een gecultiveerd groen karakter. Stadsparken komen in veel gevallen voor op voormalige verdedigingslinies die aan het eind van de 19de eeuw zijn geslecht. Ook voormalige landgoederen zijn in het verleden als wandelpark voor het publiek opengesteld. Groengebieden komen verspreid in de dorpen en steden voor. Met name vanaf de jaren zestig werden ruime groene lobben in de stedenbouwkundige structuur opgenomen als scheiding tussen verschillende wijken of buurten. Sportcomplexen komen van oudsher voor aan de randen van kernen. Oudere sportcomplexen zijn later ingebouwd door nieuwere uitleggebieden en daardoor midden in de bebouwde kom komen te liggen. Op deze complexen is meestal bebouwing aanwezig in de vorm van kantines met kleedlokalen, sporthallen en tribunes.
De bebouwingen rondom het park, groengebied of sportcomplex hebben een ingetogen karakter om niet te dominant te zijn.
Bebouwing op zich De bebouwing in deze gebieden bestaat voornamelijk uit solitaire bebouwing. In de parken komen o.a. kiosken en voormalige landhuizen voor. In de groengebieden is slechts zelden sprake van bebouwing. In sommige gebieden zijn spelelementen geplaatst.
Op de sportcomplexen is meestal bebouwing aanwezig in de vorm van kantines met kleedlokalen, sporthallen en tribunes. De bebouwing bestaat vaan uit één laag met een plat dak. De bebouwing op een park, groengebied of sportcomplex vormen qua uitstraling een ensemble met de overige bebouwing op het perceel. Materiaal, detaillering en kleur De bebouwing in de stadsparken is veelal rijk gedetailleerd met ornamenten. De eventueel nog aanwezige landhuizen zijn veelal opgetrokken in baksteen. Voor de overige bebouwing wordt een verscheidenheid aan materiaal gebruikt (hout, metaal, glas, steen). Het kleurgebruik is overwegend sober. De bebouwing in de groengebieden beperkt zich overwegend tot spelobjecten. Deze bestaan vaak uit hout, metaal en/of kunststof. Veelal in vrolijke en heldere kleuren. Op de sportterreinen is vaak sprake van bebouwing van metselwerk, hout of van plaatmateriaal van kunststof of metaal. Er is veelal sprake van sober kleurgebruik
Criteria Ligging · het individuele gebouw binnen een cluster is deel van het geheel en voegt zich hier naar · bijgebouwen zijn ondergeschikt Massa · gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm · gebouwen hebben per cluster samenhang · er zijn zo min mogelijk dichte gevels aan de straat · aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw · geledingen in massa zijn wenselijk 26
Architectonische uitwerking · accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk · bijgebouwen zijn eenvoudiger maar net zo zorgvuldig gedetailleerd als de hoofdmassa · wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume Materiaal- en kleurgebruik · gevels zijn bij voorkeur van baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen · grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat · het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang
G2 Buitenplaats, landgoed
Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. De gemeente Hilvarenbeek kent 4 landgoederen: Gorp en Rovert, De Utrecht, Groenendaal en Annanina’s rust. Deze landgoederen zijn onderling zeer verschillend. De nota ruimtelijke kwaliteit onderscheidt de landgoederen van de overige bos- en natuurgebieden. Dit heeft te maken met het feit dat binnen de landgoederen, in overleg met de Provincie, onder bepaalde voorwaarden nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn, waar deze in de overige natuurgebieden vaak niet mogelijk zijn (de Utrecht en Gorp en Rovert). Voor de ontwikkelingen binnen de landgoederen zullen steeds beeldkwaliteitplannen of beeldkwaliteitsparagrafen worden opgesteld, die ook het ruimtelijk toetsingskader voor de welstands- en monumententoetsing vormen. Voor de kleinschalige ontwikkeling op de landgoederen de Utrecht en Gorp en Rovert is, in samenspraak met de Provincie, een supervisor aangesteld, die in overleg met de welstandscommissie toetst aan de beeldkwaliteitplannen.
Kenmerken Bebouwing en omgeving Landgoederen en buitenplaatsen kenmerken zich vaak door de statige panden die tezamen met het omliggende terrein een monumentale eenheid vormen. De laatste jaren wordt vanuit de rijksoverheid het aanleggen van nieuwe landgoederen gestimuleerd.
Bebouwing op zich Op de oudere buitenplaatsen en landgoederen is meestal de monumentenwet van toepassing. Deze stelt hoge eisen aan wijziging en onderhoud van de bebouwing. Bij de welstandsbeoordeling met betrekking tot beschermde buitenplaatsen en landgoederen wordt in principe uitgegaan van een zorgvuldige omgang met de historische waarde van de bebouwing en de aanleg van park- en bosgebied. Bij niet beschermde buitenplaatsen en landgoederen zal per geval bekenken moeten worden wat de kansen zijn voor behoud, herstel of aanpassing. Materiaal, detaillering en kleur De bebouwing is overwegend opgetrokken van baksteen en is rijk aan ornamenten. Het kleurgebruik is overwegend ingetogen.
Criteria Algemeen (Beleid dorps bouwen) 1. Er moet rekening gehouden worden met de ontstaanswijze. Voor cultuurhistorie is een inventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie vormt de basis voor de gebiedsindeling van de nieuwe welstandsnota. Behalve voor welstand moeten bouwplannen in het algemeen ook rekening houden met de ontstaanswijze. Zo moeten oude structuren in stand gehouden worden. 2. Iedere plek heeft zijn eigen karakteristiek. Bij plannen moet deze karakteristiek in beeld gebracht worden en het plan moet een positieve bijdrage leveren aan deze karakteristiek. Dit wil niet zeggen dat het plan een kopie van de bestaande situatie moet worden, maar wel dat het moet passen in de omgeving. 3. Bij bouwplannen is de maat en schaal van belang. In bestemmingsplannen is geregeld welke massa is toegestaan. Daarnaast moet de maat en schaal kloppen met de omgeving.
27
4. Op landgoederen vindt weinig herhaling plaats. Ieder gebouw is anders. Lange rijen dezelfde woningen passen niet bij dorps bouwen. Als ieder gebouw een eigen detaillering kent, ontstaat er variatie en variatie draagt bij aan het dorps karakter. Afwisseling is dus belangrijk. Dat betekent dat oud en nieuw naast elkaar kunnen staan. 6. De woningen zijn in beginsel grondgebonden. Appartementengebouwen dragen niet bij aan het karakter van een landgoed. 7. Op landgoederen kan beperkt functiemenging plaatsvinden. Dit betekent dat wonen, werken, lichte bedrijvigheid en maatschappelijke functies gemengd kunnen voorkomen. Daarbij moet de hindersituatie voldoen aan de regelgeving. 8. Er is een sterke relatie met het landschap. Door de beperkte omvang van de dorpen is het landelijk gebied altijd dichtbij. De relatie met het landschap moet zo groot mogelijk zijn. Dit kan door zichtrelatie maar ook functioneel (wegen en paden die doorlopen). 9. Er moeten voldoende parkeervoorzieningen zijn. Parkeren op eigen terrein heeft de voorkeur. Grootschalige parkeerterreinen moeten vermeden worden. 10. Materiaalgebruik wordt, indien nodig, geregeld in het beeldkwaliteitsplan.
G3 Agrarisch Buitengebied
De structuurvisie buitengebied van Hilvarenbeek3, in 2013 opgesteld door Pouderoyen Compagnons en vigerend d.d. ….. stelt t.a.v. de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied het volgende: “ … De visie buitengebied Hilvarenbeek richt zich op het behoud en waar mogelijk de versterking van de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het plangebied. Het gaat hierbij met name om kwaliteit voor aan het buitengebied gebonden functies (water, landbouw, recreatie, natuur, landschap) en voor de eveneens veelvuldig voorkomende niet-agrarische functies en wonen. De ruimtelijke kwaliteit wordt (conform de provinciale benadering) bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. De aanwezige landschappelijke waarden (inclusief cultuurhistorie) en natuurwaarden spelen hierbij een belangrijke rol. ….”
Landschapstypen gemeente Hilvarenbeek, zoals onderscheiden in de structuurvisie buitengebied 2013 3 Structuurvisie Buitengebied Hilvarenbeek, In opdracht van: Gemeente Hilvarenbeek, door: Pouderoyen Compagnons, Nijmegen, maart 2013
28
In het agrarisch buitengebied zijn de volgende landschappen te onderscheiden: Beekdalen (kleinschalig) Kampen- en Hoevenlandschap (kleinschalig) Oude zandontginningslandschap (kleinschalig) Jonge zandontginningslandschap (grootschalig) Verder zijn binnen deze landschappen een aantal bebouwingsconcentraties aanwezig. -
De Structuurvisie buitengebied maakt geen onderscheid tussen de, voor Hilvarenbeek kenmerkende, landgoederen en de overige natuurgebieden. Deze worden alle gevat onder “Bos- en Natuurgebieden”. De Structuurvisie heeft t.a.v. ontwikkelingsmogelijkheden de volgende standpunten: - Overal gelijke ontwikkelingsmogelijkheden, met uitzondering van LOG-locaties4; - Overal kwantitatief gelijke tegenprestaties bij een ontwikkeling; - Per locatie kwalitatief verschillende randvoorwaarden, afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en de ruimtelijke kenmerken van de omgeving. (zie hiervoor de gebiedsgerichte welstandscriteria hieronder) - RvR-ontwikkeling is als uitzondering niet overal mogelijk, maar alleen in de bebouwingsconcentraties zoals uitgewerkt in de bijlage van deze structuurvisie.
-
-
-
-
De schaal van de bebouwing afstemmen op de schaal van het landschap (kleinschalig landschap vraagt om kleinschalige bebouwing); De materiaaltoepassing afstemmen op de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied (alleen in de jonge ontginningen industriële materialen, in de overige gebieden behoudend materiaalgebruik); In de oude nederzettingslandschappen inspelen op de kenmerkende historische inrichting van erven. In de bebouwingsconcentraties (linten en clusters) is ruimte voor de bouw van RvR-woningen, met als uitgangspunt: herstel door ontwikkeling; voorkomen van versnippering en verrommeling; geen harde overgang tussen dorp en landschap.
Per deelgebied zijn in de structuurvisie buitengebied ruimtelijkekwaliteitscriteria opgesomd. Ze zijn dermate concreet dat ze de basis voor de welstandsadvisering vormen, de gebiedsgerichte welstandscriteria voor het buitengebied. Voor de welstandsnota zijn deze op sommige punten aangepast om de algemene ruimtelijke kwaliteitscriteria erin door te laten klinken, en om vrijblijvendheid te vermijden.
Dit leidt tot de volgende algemene ruimtelijke kwaliteitscriteria (kwalitatieve randvoorwaarden) voor bebouwing in het agrarisch buitengebied van Hilvarenbeek:
Deze term verwijst naar de provinciale herstructurering. Dit beleid is inmiddels “in de ijskast gezet”. 4
29
G3a agrarisch buitengebied, grootschalig: jong zandontginningslandschap Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. In de jonge zandontginningslandschappen liggen twee bebouwingslinten die in de cultuurhistoriekaart als waardevol zijn aangeduid. Dit zijn de Ontginningsweg en de Wijnhovenstraat, beide ten oosten van de kern Haghorst. Hier wordt het kritische welstandsniveau gehanteerd.
Criteria Nederzettingsvorm • De bebouwing is op logische wijze (rooilijn) en veelal verspreid langs de weg gesitueerd op grotere erven i.v.m. machinale inrichting; Het primaat ligt bij landbouw; ook grootschaliger ontwikkelingen zijn hier mogelijk. Vorm erf • De bouwblokken zijn in de regel regelmatig gevormd en vertonen een rationele karakteristiek. Lengte en breedte zijn in principe van gelijke orde en verlenen het bouwblok geen specifieke richting.
• De overheersende nokrichting van met name de grotere bouwvolumes (schuren en stallen) is haaks op de weg, daarnaast is ook een parallelle opstelling t.o.v. de weg mogelijk. Er is in ieder geval sprake van een eenduidige nokrichting per erf; • Buitenopslag bij voorkeur op een onopvallende, terugliggende plek op het erf en zo mogelijk inpassen met beplanting; • Voedersilo’s zoveel mogelijk verdekt opstellen, bv. achter de gebouwen en zo min mogelijk in zicht vanaf de weg, volgens bebouwingspatroon; • Sleufsilo’s zoveel mogelijk uitwendig aanaarden. Bebouwing Woonhuis: • Eenduidige, heldere bouwvorm; • Eigentijdse bouwtrant, in aansluiting op het zakelijk-rationele milieu; • Naast traditionele, is ook toepassing van eigentijdse bouwmaterialen zoals beton, staal, glas en plaatmateriaal denkbaar; • Gebruik van gedekte kleuren op grotere oppervlakken, met lichte accenten (kozijnen, daklijsten, boeiboorden, etc.). Bedrijfsbebouwing: • De schaal van de bebouwing is niet gebonden aan traditionele vormen en typen. Form follows function; • Eenduidige heldere bouwvorm; • In principe toepassing van zadeldak met flauwe dakhelling en lage goot; • Gebruik van gedekte kleuren op grotere oppervlakken; • Silo’s zoveel mogelijk groepsgewijs bundelen.
Inrichting erf • De woningen/woongedeelten zijn primair op de weg (of in de richting van de weg) gericht en liggen veelal op enige afstand van de weg; • Bedrijfsgebouwen liggen in principe in de tweede lijn, achter de achtergevelrooilijn;
30
Uitgangspunt Eventuele uitbreiding
G3b agrarisch buitengebied, kleinschalig: beekdalen, kampen- en hoevenlandschap en oud zandontginningslandschap Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Criteria Algemeen (Beleid dorps bouwen) 1. Er moet rekening gehouden worden met de ontstaanswijze. Voor cultuurhistorie is een inventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie vormt de basis voor de gebiedsindeling van de nieuwe welstandsnota. Behalve voor welstand moeten bouwplannen in het algemeen ook rekening houden met de ontstaanswijze. Zo moeten oude structuren in stand gehouden worden. 2. Iedere plek heeft zijn eigen karakteristiek. Bij plannen moet deze karakteristiek in beeld gebracht worden en het plan moet een positieve bijdrage leveren aan deze karakteristiek. Dit wil niet zeggen dat het plan een kopie van de bestaande situatie moet worden, maar wel dat het moet passen in de omgeving. 3. Bij bouwplannen is de maat en schaal van belang. In bestemmingsplannen is geregeld welke massa is toegestaan. Daarnaast moet de maat en schaal kloppen met de omgeving. 8. Er is een sterke relatie met het landschap.
Door de beperkte omvang van de dorpen is het landelijk gebied altijd dichtbij. De relatie tussen de kernen en het landschap moet zo groot mogelijk zijn. Dit kan door zichtrelatie maar ook functioneel (wegen en paden die doorlopen). 10. Materiaalgebruik wordt, indien nodig, geregeld in het beeldkwaliteitsplan.
Nederzettingsvormen Beekdalen: De bebouwing, op een informele wijze (rooilijn) langs de weg gesitueerd, vormt een “open” lint, met ruime doorzichten naar de achterliggende akker aan de ene zijde en het beekdal aan de andere zijde. Ook komt solitaire bebouwing voor.
Inrichting erf kampen en hoeven en oude ontginningen • Een overheersende nokrichting is niet aan de orde; met de plaatsing van (ook de grotere) bouwvolumes wordt ingespeeld op de specifieke situatie. Indien het hoofdgebouw een langgevelboerderij is, dan liggen de bouwvolumes veelal parallel aan de weg;
Kampen en Hoeven: De bebouwing is op informele wijze (rooilijn) en veelal verspreid langs de weg gesitueerd. Ook komt solitaire bebouwing voor, die veelal direct aan de weg, of incidenteel in het vrije veld aan een insteekwegje ligt.
Bebouwing Woonhuis: • Qua positionering en uitstraling het hoofdgebouw van het bouwblok. • Bebouwingshoogte overwegend in één bouwlaag met kap; • Eenduidige, heldere bouwvorm; • Toepassing van zadeldak (of varianten met wolfseinden, schildkap, e.d.); • Traditionele bouwtrant, in aansluiting op historisch (landschappelijk) milieu; afwijkingen hierop zijn slechts mogelijk, wanneer deze een hoogwaardige toevoeging aan de ruimtelijke kwaliteit vormen. • Toepassing van traditionele bouwmaterialen zoals baksteen, hout, keramische pan, e.d.; • Gebruik van gedekte kleuren op grotere oppervlakken, met lichte accenten (kozijnen, daklijsten, boeiboorden, etc.).
Oude zandontginningslandschap: Net als bij kampen en hoeven op informele wijze, maar veelal dicht bij de weg. Vorm erf Vooral bij de Kampen en Hoeven zijn de bouwblokken vaak onregelmatig gevormd en voegen zich naar de situatie. Hierbij wordt ingespeeld op bestaande landschapselementen in de directe omgeving. In de oude ontginningen relatief vaker een gestrekt erf langs de weg. Inrichting erf beekdalen • De woningen/woongedeelten zijn primair op de weg (of in de richting van de weg) gericht; • Bedrijfsgebouwen liggen in principe achter het hoofdgebouw, c.q. achter de achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning, tenzij dit situatief niet mogelijk of logisch is; • De overheersende nokrichting van met name de grotere bouwvolumes (schuren en stallen) is haaks op de weg; • Buitenopslag bij voorkeur op een onopvallende, terugliggende plek op het erf en zo mogelijk inpassen met beplanting; • Voedersilo’s zoveel mogelijk verdekt opstellen, bv. achter de gebouwen en zo min mogelijk in zicht vanaf de weg; • Sleufsilo’s zoveel mogelijk uitwendig aanaarden. 31
Traditionele (woon)boerderijen • bij aanpassing of wijziging dient zorgvuldig te worden omgegaan met de cultuurhistorische kenmerken. • Het verschil tussen het woon- en bedrijfsgedeelte dient uitwendig zichtbaar te blijven • De karakteristieke aspecten, de bouwmassa en de geveloriëntatie dienen te worden gehandhaafd • Dakkapellen bij (langgevel-)boerderijen zijn zeer ondergeschikt en zorgvuldig ontworpen • Dakramen zijn op de scheiding van riet en dakpannen niet toegestaan • Schoorstenen van (langgevel-)boerderijen dienen op de oorspronkelijke plaats te worden gehandhaafd
• De gevelopeningen van stal- deel- en mestdeuren in hoofd- en bijgebouw dienen te worden gehandhaafd • bestaand ‘bijzonder’ metselwerk in karakteristieke bebouwing moet gehandhaafd worden Bedrijfsbebouwing: • Kleinschaligheid: de bedrijfsbebouwing past bij de schaal van het landschap; • Eenduidige heldere bouwvorm; • In principe toepassing van zadeldak met lage goot; • daken van bedrijfsgebouwen worden niet met overwegend vlakke damwandprofielen afgedekt maar met platen met een (traditioneel) golfplaatprofiel. Toepassing van damwandpanelen (sandwichpanelen, ecopanelen etc.) alleen toegestaan indien de golflengte en hoogte van de profilering hetzelfde is als van golfplaten • Gebruik van gedekte kleuren op grotere oppervlakken, geen glimmende of spiegelende materialen; • Silo’s zoveel mogelijk groepsgewijs bundelen. · • Voersilo’s, mestplaten en opslagtanks staan zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare weg • grootschalige verharding van voorerven voor bijvoorbeeld inritten en hellingbanen is ongewenst
Beekdalen
Oude zandontginningslandschap (kleinschalig)
Uitgangspunt Eventuele uitbreiding Uitgangspunt Eventuele uitbreiding
Kampen- en Hoevenlandschap (kleinschalig)
Uitgangspunt Eventuele uitbreiding 32
G4 Natuurgebied Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd.
aanpassingen van de gebouwen is de bestaande materiaal- en kleurgebruik het uitgangspunt. Het kleur gebruik dient afgestemd te zijn op de directe omgeving. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk mits passend binnen de karakteristiek van de omgeving.
Criteria Ligging · bebouwing staat solitair in het groen · de samenhang met het aangrenzende landschap wordt verkregen door een zorgvuldige inpassing van het gebouw Massa · gebouwen zijn individueel en afwisselend · bebouwing sluit qua schaal maat en schaal aan op de directe omgeving · woningen bestaan overwegend uit één bouwlaag met kap · op-, aan- en uitbouwen aan woningen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa · bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en hebben een eenvoudige vorm
Kenmerken Bebouwing en omgeving Natuurgebieden worden gekenmerkt door de beschermde status die ze genieten. Vaak worden deze gebieden beheerd door instanties zoals Staatsbosbeheer, Stichting Natuurmonumenten en het Brabants Landschap. Van overheidswege wordt de situering van nieuwe bebouwing tegengegaan ter bescherming van het natuurgebied. Bij eventuele bebouwing dient het karakter van het omliggende natuurgebied niet te domineren.
Architectonische uitwerking · gebouwen zijn eenvoudig gedetailleerd
Bebouwing op zich In deze gebieden komt vrijwel geen bebouwing voor. Op enkele plaatsen is nog bebouwing aanwezig die geplaatst is voordat het gebied een beschermde status kreeg. Deze bebouwing heeft vaak de verschijningsvorm van een boerderij bestaande uit één laag met een kap. Ook zijn er vaak enkele gebouwen aanwezig ten behoeve van natuureducatie, voorlichting en onderhoud. Deze gebouwen hebben vaak een zeer duidelijk natuurvriendelijk en ecologisch verantwoord karakter.
Materiaal- en kleurgebruik · de kleuren zijn traditioneel en terughoudend en zijn in harmonie met de natuur · gevels en daken van gebouwen worden niet met damwandprofielen afgewerkt
Materiaal, detaillering en kleur De bebouwing die gebouwd is voordat het gebied de status kreeg van natuurgebied heeft vaak de verschijningsvorm van een boerderij. Vaak zijn de gevels opgetrokken van steen en bestaat de bebouwing uit één laag met een kap. De bebouwing die geplaatst is ten behoeve van het natuurgebied (bebouwing ten behoeve van natuureducatie, voorlichting en onderhoud) is vaak opgetrokken van hout en bestaat uit één laag. Bij wijzigingen of 33
G5 Recreatiepark en vakantiewoningen Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. De meeste recreatie- en vakantieparken zijn als welstandsvrij aangemerkt. Hiervoor gelden alleen de criteria in de excessenregeling.
Gebouwde voorzieningen voor deze terreinen dienen zo mogelijk geheel in het landschap te worden opgenomen, mede door onopvallende kleuren en materiaalgebruik en een juiste beplanting.
Kenmerken Bebouwing en omgeving Binnen dit thema vallen naast de projectmatig opgezette recreatieparken (de Beekse Bergen) ook de parken waar in eigen beheer vakantiewoningen kunnen worden gebouwd. De recreatieparken en zogenaamde bungalowparken zijn veelal rondom een klein centrum met voorzieningen gelegen. De woonbebouwing is veelal geclusterd in kleinere eenheden die ontsloten worden door kronkelende wegen en wandelpaden. De parken zijn meestal op zichzelf gelegen en naar binnen gekeerd. De bebouwing vormt qua uitstraling een ensemble met de overige bebouwing op het park. Bebouwing op zich De vakantiewoningen zijn vaak vrijstaand of geschakeld geplaatst maar ook rijwoningen en appartementencomplexen komen voor. Vaak is bij de entree van het terrein een gebouw geplaatst in een afwijkende vorm. Hier is vaak de receptie geplaatst. Materiaal, detaillering en kleur De gevels bestaan meestal uit metselwerk of hout. Criterium
34
T4 op zichzelf staande bebouwing Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd.
Kenmerken Op zichzelf staande bebouwing is bebouwing die zich qua typologie, en vaak ook qua schaal onttrekt aan de omliggende (woon-) bebouwing. Het gaat hier vaak om openbare gebouwen, gebouwen met een godsdienstige functie, of gebouwencomplexen als winkelcentra, instituten en kazernes. Verder zijn verzorgingstehuizen, musea, theaters en bioscopen e.d. voorbeelden van op zichzelf staande bebouwing.
Criteria Door de diversiteit van deze categorie bebouwing zijn geen gebiedsspecifieke criteria te geven. De Algemene Criteria zullen bij de beoordeling van dit bebouwingstype worden gehanteerd.
35
10 OBJECTCRITERIA Inleiding De objectcriteria bevatten criteria voor veel voorkomende bouwplannen die een grote mate van standaardisatie kennen zoals dakkapellen, erfafscheidingen en bijgebouwen. In dit hoofdstuk zijn de algemeen geldende objectcriteria per type bouwwerk gerangschikt. Bij de objectcriteria gaat het om objectieve criteria die de planindiener vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid geven. De objectcriteria kunnen worden gezien als een verzameling standaardoplossingen die in elk geval geen bezwaren zullen oproepen. Met de invoering van de WABO (Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht) en het Bor (Besluit omgevingsrecht) zijn de mogelijkheden voor vergunningsvrije bouwactiviteiten aanzienlijk verruimd. Voor welke bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist, staat in het Besluit omgevingsrecht omschreven. De objectcriteria blijven buiten beschouwing wanneer sprake is van een vergunningvrije bouwactiviteit, tenzij er in het kader van de excessenregeling moet worden getoetst op ernstige strijd met redelijke eisen van welstand.
Het altijd-goed-kader beschrijft een of meer “standaardoplossingen” die in bijna alle situaties aanvaardbaar zullen zijn. Gevallen die binnen dit kader vallen hoeven niet aan de welstandscommissie te worden voorgelegd en krijgen automatisch een positief advies. Bij plannen die niet binnen het altijd-goed-kader vallen is een kwalitatieve afweging op basis van het afwegingskader noodzakelijk. De gemeente kan besluiten het plan voor te leggen aan de welstandscommissie wanneer twijfel bestaat over het plan of op verzoek van de aanvrager. De commissie adviseert op basis van het afwegingskader en de algemene criteria. Met deze opzet speelt het welstandsbeleid in op het vervallen van de verplichte inschakeling van een welstandscommissie of stadsbouwmeester voor de welstandstoets. Op 1 maart 2013 is, door een wijziging in het besluit omgevingsrecht, de verplichting tot het raadplegen van een commissie of stadsbouwmeester omgezet in een bevoegdheid.
Toepassing Van deze criteria kan worden afgeweken als ze aantoonbaar niet toepasbaar zijn op de situatie, of als het bouwwerk geen, of een duidelijk positieve invloed op de omgeving heeft. In dat geval wordt teruggegrepen op de algemene criteria. Om een snelle afhandeling mogelijk te maken zijn de objectcriteria per categorie bouwwerk steeds opgesplitst in een “altijd-goed”-kader en een afwegingskader. Het altijd-goed-kader bevat vooral meetbare criteria, het afwegingskader bevat alleen kwalitatieve criteria.
36
Aanbouwen Hieronder vallen ook aangebouwde bijgebouwen. Veel aanbouwen (met name in achtertuinen van woningen) zijn van rechtswege niet vergunningplichtig. Indien echter sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand (een welstands-exces) kan ook tegen vergunningvrije aanbouwen repressief worden opgetreden. In die gevallen wordt teruggegrepen op de excessenregeling. Aan de straat, in voortuinen of zijtuinen:
Altijd-goed-kader:
Afwegingskader:
A. De aanbouw is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde aanbouw bij een soortgelijk gebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De aanbouw past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitplan van toepassing is. c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. Materialen en kleuren sluiten aan bij het hoofdgebouw. e. De gootlijn blijft onder de gootlijn van het hoofdgebouw. f. De aanbouw is plat afgedekt of heeft een kap met dezelfde dakhelling als het hoofdgebouw. g. Vóór de voorgevel: de aanbouw staat in de woningscheiding of minimaal 50 cm uit de woningscheiding. h. Vóór de voorgevel: de aanbouw heeft een rechthoekige plattegrond. i. Vóór de voorgevel: de aanbouw is niet breder dan de helft van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw. j. Vóór de voorgevel: de aanbouw is niet gekoppeld met andere toevoegingen aan het hoofdgebouw. k. Tegen de zijgevel: de aanbouw blijft minimaal 1 meter achter de voorgevel. l. Bij een plat dak: de hoogte van een boeiboord is afgestemd op de hoogte van de aanbouw. 10% of minder is een goede richtlijn.
Plaatsing/situering: 1. De aanbouw is qua plaatsing ondergeschikt aan het hoofdgebouw. 2. De plaatsing is logisch i.v.m. gebruik 3. De plaatsing belemmert het vrije uitzicht op de straatruimte of op waardevolle objecten in de omgeving niet. 4. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). Maat en schaal: 1. De aanbouw is qua massa-uitstraling ondergeschikt aan de massavorm van het hoofdgebouw. 2. De aanbouw past bij de schaal van het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritme geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving: 1. De vormgeving van de aanbouw geeft uitdrukking aan de bestemming of functie. 2. De vormgeving past bij het hoofdgebouw: stijl en karakter sluiten aan op die van het hoofdgebouw, of vormen daarop een evenwichtig contrast. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrastwerking sprekender of krachtiger wordt. 3. Het bestaande blijft herkenbaar, of gaat op in een nieuw, vanzelfsprekend en evenwichtig geheel. 4. De aanbouw op zichzelf heeft een evenwichtige massavorm. Dit geldt met name voor de verhoudingen tussen dak en gevel. Materiaaltoepassing: 1. De materialen passen bij het hoofdgebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast
37
kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld en de architectonische expressie van het geheel. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt. 2. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd. Kleurtoepassing: 1. De kleuren passen bij het hoofdgebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld en de architectonische expressie van het geheel. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt.
Niet aan de straat, in achtertuinen: 1. aanbouwen lager dan 5 meter zijn in de meeste gevallen vergunningvrij en hoeven niet aan redelijke eisen van welstand te worden getoetst. 2. Aanbouwen hoger dan 5 meter dienen qua massavorm op de massavorm van het hoofdgebouw te worden afgestemd. Dit hoeft niet in te houden dat de massavorm van de aanbouw de massa van het hoofdgebouw imiteert, maar wel dat deze er een logische vormrelatie mee heeft.
38
Vrijstaande bijgebouwen Veel vrijstaande bijgebouwen (met name in achtertuinen van woningen) zijn van rechtswege niet vergunningplichtig. Indien echter sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand (een welstands-exces) kan ook tegen vergunningvrije bijgebouwen repressief worden opgetreden. In die gevallen wordt teruggegrepen op de excessenregeling.
Afwegingskader: Plaatsing/situering: 1. De plaatsing is logisch i.v.m. gebruik. 2. De plaatsing belemmert het vrije uitzicht op de straatruimte of op waardevolle objecten in de omgeving niet. 3. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). Maat en schaal:
Aan de straat, in voortuinen of zijtuinen: Altijd-goed-kader: A. Het bijgebouw is een herhaling van een vergund, gerealiseerd bijgebouw bij een soortgelijk hoofdgebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. Het bijgebouw past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitplan van toepassing is. c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. Materialen en kleuren sluiten aan bij het hoofdgebouw. e. De gootlijn blijft onder de gootlijn van het hoofdgebouw. f. Het bijgebouw is plat afgedekt of heeft een kap met dezelfde dakhelling als het hoofdgebouw.
beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt. 2. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd. Kleurtoepassing: 1. De kleuren passen bij het hoofdgebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van de architectonische expressie. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt.
1. Het bijgebouw is qua massa-uitstraling ondergeschikt aan de massa van het hoofdgebouw. 2. Het bijgebouw past bij de schaal van het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritme geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving: 1. Een bijgebouw van 5 meter of hoger is qua massa- en kapvorm op het hoofdgebouw afgestemd. 2. De vormgeving van het bijgebouw geeft uitdrukking aan de bestemming of functie. 3. De vormgeving past bij het hoofdgebouw: stijl en karakter sluiten aan op die van het hoofdgebouw, of vormen daarop een evenwichtig contrast. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrastwerking sprekender of krachtiger wordt. Materiaaltoepassing: 1. De materialen passen bij het hoofdgebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van de architectonische expressie. Dit is het geval wanneer het 39
Niet aan de straat, in achtertuinen: Bijgebouwen hoger dan 5 meter zijn qua massavorm op de massa van het hoofdgebouw afgestemd. Dit hoeft niet in te houden dat de massavorm van het bijgebouw het hoofdgebouw imiteert, maar er een logische vormrelatie mee heeft.
Overkappingen Afwegingskader: Deze criteria gelden voor alle overkappingen, dus zowel luifels en terrasoverkappingen als carports. Veel overkappingen (met name aan de achterkant van woningen) zijn van rechtswege niet vergunningplichtig. Indien echter sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand (een welstandsexces) kan ook tegen vergunningvrije overkappingen repressief worden opgetreden. In die gevallen wordt teruggegrepen op de excessenregeling. Aan de straat, in voortuinen of zijtuinen: Altijd-goed-kader: A. De overkapping is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde overkapping bij een soortgelijk gebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De overkapping past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitplan van toepassing is. c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. Materialen en kleuren sluiten aan bij het hoofdgebouw of de overkapping bestaat grotendeels uit duurzaam transparant materiaal. e. De gootlijn blijft onder de gootlijn van het hoofdgebouw. f. De overkapping is plat afgedekt of heeft een kap met dezelfde dakhelling als het hoofdgebouw. g. De dakrand is niet hoger dan 30 cm. h.
Een overkapping aan de zijkant is niet breder dan de halve breedte van de straatgevel van het hoofdgebouw (bij een woning van 6 meter breed kan een overkapping van 3 meter breed). i. Aan de voorkant: de overkapping is niet verbonden met andere toevoegingen voor de voorgevel.
Niet aan de straat, in achtertuinen:
Plaatsing/situering: 1. De plaatsing is logisch i.v.m. gebruik. 2. De plaatsing belemmert het vrije uitzicht op de straatruimte of op waardevolle objecten in de omgeving niet. 3. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). Maat en schaal: 1. De overkapping is qua massa-uitstraling ondergeschikt aan de massa van het hoofdgebouw. 2. De overkapping past bij de schaal van het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritme geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving: 1. De overkapping heeft een open karakter. 2. Een overkapping hoger dan 3 meter is qua vormgeving op het hoofdgebouw afgestemd. Materiaaltoepassing: 1. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd. Kleurtoepassing: 2. De kleuren passen bij het hoofdgebouw: ze zijn neutraal of ze zijn erop afgestemd.
40
Overkappingen hoger dan 5 meter zijn qua hoofdvorm op de massa van het hoofdgebouw afgestemd. Dit hoeft niet in te houden dat de overkapping het hoofdgebouw imiteert, maar wel dat de overkapping er een logische vormrelatie mee heeft.
Dakkapellen
Afwegingskader:
2. De materialen zijn kwalitatief op het gebouw en de omgeving afgestemd.
Plaatsing/situering: Deze criteria gelden voor alle dakkapellen. Veel dakkapellen (met name aan de achterkant van woningen) zijn van rechtswege niet vergunningplichtig. Indien echter sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand (een welstandsexces) kan ook tegen vergunningvrije dakkapellen repressief worden opgetreden. In die gevallen wordt teruggegrepen op de excessenregeling.
1. Een dakkapel staat evenwichtig op het dakvlak. 2. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). Maat en schaal:
Altijd-goed-kader: A. De dakkapel is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde dakkapel op een soortgelijk gebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De dakkapel past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitplan van toepassing is. c. Het gebouw is geen monument. d. Materialen en kleuren sluiten aan bij het gebouw. e. De dakkapel is plat afgedekt. f. De dakkapel is maximaal 3m breed bij 1,5m hoog buitenwerks. g. De afstand tot dakranden is minimaal 1 meter, en de dakkapel blijft 1 meter onder de nok van het dak. h. De afstand tot andere dakkapellen bedraagt minimaal 1 meter.
3. Een dakkapel is qua massawerking ondergeschikt aan de massa van het gebouw. 4. Een dakkapel past bij de schaal van het gebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritmering geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving: 1. Bij samenhangende straatwanden of ensembles is afstemming op de bestaande dakkapellen noodzakelijk (bv. als alle dakkapellen een kap hebben, ook een kap toepassen) 2. De vormgeving past bij het gebouw: stijl en karakter sluiten aan op die van het gebouw, of vormen daarop een evenwichtig contrast. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrastwerking sprekender of krachtiger wordt. Materiaaltoepassing: 1. De materialen passen bij het gebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt.
41
Kleurtoepassing: 1. De kleuren passen bij het gebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt. (denk aan donkere zijwangen of de toepassing van gekleurd glas als puivulling.
Erfafscheidingen Deze criteria gelden voor alle erfafscheidingen, maar vooral voor erfafscheidingen op hoeksituaties. Veel erfafscheidingen (met name tussen woningen in) zijn van rechtswege niet vergunningplichtig. Indien echter sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand (een welstandsexces) kan ook tegen vergunningvrije erfafscheidingen repressief worden opgetreden. In die gevallen wordt teruggegrepen op de excessenregeling.
Altijd-goed-kader: A. De erfafscheiding is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde erfafscheiding bij een soortgelijk gebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De erfafscheiding past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitsplan van toepassing is. c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. In aandachtsgebieden: de erfafscheiding bestaat uit open gaaswerk of open spijlenhekwerk al dan niet in combinatie met een gemetselde voetmuur en penanten, uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw, of een volledig gemetselde erfafscheiding uitgevoerd in hetzelfde materiaal als het hoofdgebouw. e. In beheergebied: bij voorkeur open gaaswerk of open spijlenhekwerk in combinatie met beplanting. Een hoogwaardige, neutraal vormgegeven erfafscheiding van houten schermen is ook mogelijk. (geen togen, geen ongekantrechte delen, geen vlechtschermen).
f. De hoogte van de erfafscheiding is maximaal 2 meter en blijft onder de gootlijn van het aansluitende gebouwdeel. g. Een hoge gebouwde erfafscheiding blijft minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. h. Een gesloten erfafscheiding heeft aan de straat een ononderbroken lengte van maximaal 15 meter. Bij grotere lengtes is een ritmering d.m.v. verspringingen of afwisseling met groen noodzakelijk. i. Een perceel zonder bebouwing: eenvoudige afrastering (houten palen en draad of gaas) van maximaal 1.50m hoogte. Geen gesloten erfafscheiding.
Maat en schaal: 1. De erfafscheiding past bij de schaal van het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritme geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving: 1. Buitengebied: de vormgeving is afgestemd op het karakter van de omgeving: in het buitengebied dienen dichte gebouwde erfafscheidingen te worden vermeden; een open weidelandschap vraagt om laag draad- gaas- of hekwerk in neutrale kleuren; in bosgebied kan dit wat hoger zijn. Puntdraad boven ooghoogte is vanwege het afstotende karakter niet gewenst. 2. Bebouwde kom: de vormgeving is neutraal of past bij het hoofdgebouw: stijl en karakter sluiten aan op die van de hoofdmassa. Materiaaltoepassing: 1. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd.
Afwegingskader:
Kleurtoepassing:
Plaatsing/situering: 1. De erfafscheiding is qua plaatsing ondergeschikt aan het hoofdgebouw. 2. De plaatsing is logisch i.v.m. gebruik. 3. De plaatsing belemmert het vrije uitzicht op de straatruimte of op waardevolle objecten in de omgeving niet. 4. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). 42
1. De kleuren passen bij het hoofdgebouw: ze zijn neutraal of ze zijn erop afgestemd.
Dakopbouwen Een dakopbouw is een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van een hellend dak zodat het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Een dakopbouw is voor het straatbeeld vaak zeer bepalend. De gemeente streeft er naar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan dakopbouwen te voorkomen. Dakopbouwen moeten passen bij het karakter van de omgeving. Ze moeten op zorgvuldige en professionele manier worden geplaatst en moeten worden gemaakt van duurzame materialen. Bij meerdere dakopbouwen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen. Daskopbouwen zijn vrijwel altijd vergunningplichtig
Afwegingskader: Monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten: 1. dakopbouwen in het zicht zullen het aanzicht sterk negatief beïnvloeden en zijn hier niet geschikt.
Kleurtoepassing: Overige situaties: Plaatsing/situering: 1. Een dakopbouw is qua plaatsing ondergeschikt aan het dakvlak van het hoofdgebouw. 2. De plaatsing past in de kenmerkende bebouwingsstructuur van de omgeving (zie bebouwingstypenkaart en gebiedsbeschrijving in het hoofdstuk “Gebiedscriteria”). Maat en schaal:
Altijd-goed-kader: A. De dakopbouw is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde dakopbouw bij een soortgelijk gebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De dakopbouw past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitsplan van toepassing is. c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. de dakopbouw heeft dezelfde hellingshoek als de hoofdkap en steekt daar maximaal 100cm bovenuit. e. de dakopbouw wordt ingeklemd door schoorstenen, staat minimaal 90 cm uit de dakrand of is uitgevoerd als een verhoging van de zijgevel (hetzelfde materiaal).
geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt. 2. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd.
1. Een dakopbouw is qua massa-uitstraling ondergeschikt aan de massa van het hoofdgebouw. 2. Een dakopbouw past bij de schaal van het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritmering geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving: 1. De vormgeving past bij het hoofdgebouw: stijl en karakter sluiten aan op die van de hoofdmassa, of vormen daarop een evenwichtig contrast. Dit contrast staat in dienst van het totaalbeeld. Materiaaltoepassing: 1. De materialen passen bij het hoofdgebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld. Dit is het geval wanneer het beeld van het 43
1. De kleuren passen bij het hoofdgebouw: ze zijn hetzelfde of ze zijn erop afgestemd. Accent en contrast kunnen worden ingezet, maar wel in dienst van het totaalbeeld. Dit is het geval wanneer het beeld van het geheel door de contrast- of accentwerking sprekender of krachtiger wordt. (denk aan donkere zijwangen of de toepassing van gekleurd glas als puivulling).
Overige toevoegingen aan het dak (dakramen, zonnepanelen en installaties) Deze criteria gelden voor toevoegingen aan het dak, anders dan dakopbouwen. Veel toevoegingen aan het dak zijn van rechtswege niet vergunningplichtig. Indien echter sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand (een welstandsexces) kan ook tegen vergunningvrije toevoegingen aan het dak repressief worden opgetreden. In die gevallen wordt teruggegrepen op de excessenregeling.
Afwegingskader: Monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten: 1. Zonnepanelen in het zicht zullen het aanzicht sterk negatief beïnvloeden en zijn hier niet geschikt. 2. Dakramen steken niet buiten het dakvlak uit en zijn beperkt van omvang. 3. Installaties zijn slechts voorstelbaar wanneer deze vanaf openbaar toegankelijk gebied niet in het zicht liggen. Overige situaties: Maat en schaal: 1. De toevoeging past bij de schaal van het hoofdgebouw. Daarmee wordt bedoeld dat de maatvoering, profilering, ritme geen storend contrast met het bestaande oproepen. Vormgeving:
Altijd-goed-kader: A. De toevoeging is een herhaling van een vergunde, gerealiseerde toevoeging bij een soortgelijk gebouw in de omgeving, of B. Het plan voldoet aan de volgende criteria: a. De toevoeging past binnen de bouwregels van het bestemmingsplan. b. Het plan voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, indien er een beeldkwaliteitsplan van toepassing is. c. Het hoofdgebouw is geen monument. d. Bij hellende daken: de toevoeging ligt evenwijdig aan het dakvlak en steekt daar maximaal 10 cm bovenuit. e. Bij platte daken: de toevoeging is niet hoger dan de afstand tot de dakrand.
1. Installaties die goed zichtbaar zijn, zijn als een samenhangend geheel vormgegeven, bijvoorbeeld door toepassing van een scherm of omkasting. 2. Aanbeveling: zonnepanelen zo gelijkmatig mogelijk over het dakvlak verdelen, een eenvoudig vlak vormen. Materiaaltoepassing: 1. De materialen zijn kwalitatief op het hoofdgebouw en de omgeving afgestemd. Kleurtoepassing: 1. De kleur van installaties is neutraal en eenduidig.
44
Agrarische Bebouwing De agrarische bebouwing in Hilvarenbeek kent vele gezichten. In het grootschalige open landschap rond de is de bebouwing betrekkelijk jong, en ontstaan langs rechte ontginningswegen. De bedrijven hebben een rationele opzet en zijn in de loop der tijd steeds grootschaliger geworden. Het Kampen- en Hoevenlandschap is kleinschalig. Hier bevinden zich veel natuurgebieden, en daartussen dorpen en oude akkercomplexen. De agrarische bebouwing is gaandeweg steeds meer zijn oorspronkelijke functie aan het verliezen, en de agrarische bedrijven in deze gebieden zijn veelal kleinschalig. Een veel voorkomend historisch boerderijtype in Hilvarenbeek is de langgevelboerderij, als doorontwikkeling van het Hallehuis. Veel van deze panden, maar lang niet alle, zijn monument.
Nieuwe ontwikkelingen In de landbouw heeft zich een technisch-economische ontwikkeling voorgedaan. Het betreft de mechanisering, automatisering en intensivering van de steeds minder grondgebonden productie in het landelijk gebied. Voor de verschillende bedrijfstypen zijn min of meer algemene productiecriteria gaan gelden die in de bedrijfsmiddelen (gebouwen en machines) en inrichting van de gronden zichtbaar worden. Door een toenemende schaalvergroting van productie en bedrijven neemt de schaal van de gebouwen navenant toe. Dit levert verschillen op tussen oud en nieuw. Het economisch produceren heeft tot gevolg dat standaard bedrijfsgebouwen opgebouwd uit geprefabriceerde onderdelen het beeld gaan bepalen. Serrestallen en boogstallen zijn voorbeelden van die ontwikkeling, maar ook mestvergisters en silo’s. Gemeentelijk beleid moet ook aan nieuwe vormen ruimte bieden, zolang dit landschappelijk en cultuurhistorisch verantwoord is. Omvang en functioneel gebruik worden in het bestemmingsplan geregeld. Het welstandsbeleid is