CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Bestemmingsplan Vossenhol ong (6d bijlage 4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit; dorps bouwen)

Gemeenteraad 7 november 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan “Vossenhol ong. naast nr. 24”.25.429 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

1

NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT HILVARENBEEK

2

Inhoud NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT HILVARENBEEK

Dakkapellen ............................................................................................ 41

1 INLEIDING ................................................................................................... 4

Erfafscheidingen.................................................................................... 42

2 ACTUALISATIE ............................................................................................ 4

Dakopbouwen ........................................................................................ 43

3 WAT IS ER GEWIJZIGD? ............................................................................... 5

Overige toevoegingen aan het dak (dakramen, zonnepanelen en

4 DE NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT ALS ONDERDEEL VAN DE WET- EN

In opdracht van Gemeente Hilvarenbeek

installaties) ............................................................................................. 44

REGELGEVING ................................................................................................ 7

Agrarische Bebouwing.......................................................................... 45

5 EEN AANTREKKELIJKE (WOON)OMGEVING................................................ 8

Nieuwe ontwikkelingen ........................................................................ 45

6 HOOFDUITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT................................ 9

Serrestallen............................................................................................. 45

7 STRUCTUUR EN SYSTEMATIEK ................................................................11

Boogstallen ............................................................................................. 45

8 ALGEMENE CRITERIA ................................................................................16

Mestvergisters en mestsilo's .............................................................. 45

9 GEBIEDSCRITERIA .....................................................................................19

Tuinbouwkassen ................................................................................... 48

H1 en H2 Historische gegroeide woongebieden, .............................20

11 RECLAMECRITERIA ................................................................................. 49

Historisch dorpsgebied en historisch dorps bebouwingslint .......20

12 EXCESSENREGELING EN VRIJWILLIGE TOETSING .................................. 57

W1 architectonisch samenhangende bebouwing.............................23

BIJLAGEN ...................................................................................................... 63

W9 individuele bebouwing...................................................................24

Door: ir. J.P.A. Ahsmann en ir. P.M.G. Segers 2015

B1 industrie/bedrijventerrein .............................................................25 G1 Parken en sportcomplexen ............................................................26 G2 Buitenplaats, landgoed ...................................................................27 Kenmerken ..............................................................................................27 G3a agrarisch buitengebied, grootschalig: jong zandontginningslandschap .................................................................30 G3b agrarisch buitengebied, kleinschalig: beekdalen, kampen- en hoevenlandschap en oud zandontginningslandschap....................31 G4 Natuurgebied ....................................................................................33 G5 Recreatiepark en vakantiewoningen ............................................34 T4 op zichzelf staande bebouwing ....................................................35 10 OBJECTCRITERIA ....................................................................................36 Aanbouwen .............................................................................................37 Vrijstaande bijgebouwen .....................................................................39 Overkappingen.......................................................................................40

3

Foto titelblad: M. van Sprauwel

1 INLEIDING Dorps bouwen, welstand en erfgoed Hoe zie je of je in een dorp bent of in een stad? Stel, je wordt ergens gedropt, in een buitenwijk van Almere of in Groot Loo in Hilvarenbeek, zie je dan verschil? En zie je verschil tussen Goirle en Hilvarenbeek, tussen Diessen en Esbeek? De kans is groot dat je het ziet, maar het niet kunt benoemen. Wat is er zo eigen aan het bouwen in een dorp, aan het bouwen in een Brabants dorp, aan het bouwen in een Kempisch dorp? Die eigenheid, de identiteit van de gemeente, kan liggen in straatverloop, in materialen, in dakvormen en in nog heel veel andere dingen, maar ligt zeker in de aanwezigheid van kenmerkende oude gebouwen of nederzettingen, ons gebouwde erfgoed. Veel inwoners van de gemeente Hilvarenbeek hebben het idee dat het eigene van de gemeente aan het verdwijnen is, en vinden dat jammer. Met het manifest “Dorps Bouwen” heeft de Werkgroep Dorpsbehoud uiting gegeven aan die bezorgdheid en een aanzet gegeven voor een dorpsbrede discussie over identiteit, dorpse waarden, erfgoed en welstand. Deze Nota Ruimtelijke Kwaliteit is de weerslag van deze discussie.

De gemeente Hilvarenbeek heeft een welstandscommissie die elke 2 weken plannen beoordeelt, en een monumentencommissie die adviseert over plannen t.a.v. gemeentelijke en rijksmonumenten. De toetsingscriteria en het beoordelingsniveau die door de welstandscommissie worden gehanteerd, staan beschreven in de Welstandsnota zoals die vanaf 2004 wordt gebruikt. De monumentencommissie was de laatste jaren minder actief, maar adviseerde wel indien nodig. Voor het beoordelen van wijzigingen op, aan of bij monumenten werd in de meeste gevallen ook de rijksdienst (RCE) of het monumentenhuis om advies gevraagd.

2 ACTUALISATIE Het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit was toe aan actualisatie. De wetgeving is sinds het opstellen van de nota veranderd, zowel op het gebied van bouwen als monumentenzorg. De bebouwing is sinds het vaststellen van de nota verder ontwikkeld en is in sommige gebieden van karakter veranderd.

Hilvarenbeek is een gemeente om trots op te zijn. De gemeente is rijk aan historisch erfgoed. De sfeervolle historische linten die de verschillende dorpskernen met elkaar verbinden, de Vrijthof, de molen, verschillende karakteristieke kerken, de landgoederen de Utrecht, Gorp en Roovert, huis Groenendaal, etc.

Maar belangrijker is dat er maatschappelijk ook veel is veranderd. Enerzijds is de maatschappij zelfredzamer geworden, en is de verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen welzijn en leefomgeving meer op de voorgrond komen staan. Anderzijds (en misschien wel vanwege dit oprukkende individualisme) wordt de behoefte aan herkenbaarheid en identiteit sterker dan ooit gevoeld.

De identiteit van een gemeente wordt voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Deze is gegroeid door de eeuwen heen, aan ons “geschonken” door onze ouders om door te geven aan onze kinderen.

In Hilvarenbeek heeft dit geleid tot het vaststellen van uitgangspunten voor “Dorps Bouwen”, terwijl tegelijkertijd de mogelijkheden zijn onderzocht om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid te versimpelen, en individuele vrijheden te vergroten.

Het bewaren van deze kwaliteit is natuurlijk in de eerste plaats een taak en verantwoordelijkheid van de inwoners van Hilvarenbeek zelf. Maar ook de gemeente heeft hierin een stimulerende en waar nodig regulerende rol. 4

Er zijn dus 3 belangrijke redenen tot actualisatie van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid: 1. De veranderde wet- en regelgeving 2. De veranderingen in de ruimtelijke verschijningsvorm van de gemeente sinds het opstellen van het huidige beleid 3. De veranderingen in de samenleving, die enerzijds vragen om meer verantwoordelijkheid voor de burger en anderzijds om bescherming van het streek- en dorpseigene.

De nu voorliggende Nota Ruimtelijke Kwaliteit is hiervan de weerslag.

3 WAT IS ER GEWIJZIGD? Dorpse Waarden, Dorps Bouwen De kenmerkende waarden van de bestaande bebouwing werden in de oude nota wel als uitgangspunt genomen, maar werden nauwelijks benoemd. In die zin onderscheidden de beschrijving en toetsingscriteria voor de bebouwing van de gemeente Hilvarenbeek zich niet of nauwelijks van die van buurgemeenten, dorps of stedelijk. In de nieuwe nota is “Dorpse Waarden” een kernbegrip. Met Dorpse Waarden wordt bedoeld: bebouwingskenmerken die als typerend en waardevol voor de plek worden gezien, en die te maken hebben met het dorpse of het landelijke karakter van de plek.

Structuur De structuur is sterk versimpeld. De oude welstandsnota bestond uit meerdere lijvige katernen die onderling naar elkaar verwezen en een aantal kaarten die niet online in te zien waren. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit is teruggebracht naar één overzichtelijk document en een digitale kaart.

Toetsingsniveaus De oude welstandsnota kende een indeling met 5 toetsingsniveaus, waarbij gebouwen op hoofd-, deel- en detailaspecten afhankelijk van het niveau streng, kritisch en/of licht worden getoetst. Een geplande wijziging aan een bouwwerk met welstandsniveau 1 (bijv. een cultuurhistorisch waardevol pand) werd daarbij streng beoordeeld. Een geplande wijziging aan een bouwwerk met welstandsniveau 5 (bijv. een loods op een bedrijventerrein) werd licht beoordeeld. De categorie welstandsvrij werd daarnaast ook nog toegepast en zou als 6e niveau kunnen worden gezien.

Deze systematiek met in feite 6 verschillende beoordelingsniveaus is voor burgers die er niet regelmatig mee werken te weinig inzichtelijk en te complex. Voor de commissie was het in praktijk niet altijd haalbaar om de beoogde gradatie van streng, kritisch en lichte toetsing op zoveel niveaus toe te passen. De nieuwe nota kent nog slechts 3 toetsingsniveaus: kritisch, licht en welstandsvrij (met excessenregeling). Het kritische niveau is te vergelijken met welstandsniveau 2 in de oude welstandsnota. Het lichte niveau is echter beduidend lichter dan de wijze waarop voorheen in de meeste gebieden werd getoetst, en is vergelijkbaar met het oude niveau 5. De introductie van grotere welstandsvrije gebieden betekent daarnaast een verdere versoepeling van het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Kritisch: gericht op behoud en versterking van kwaliteit en de karakteristiek van de bebouwing, of het tot stand brengen van een nieuwe karakteristiek. Dit niveau geldt voor de gebieden met Dorpse Waarden: -

Historisch dorpsgebied Historische linten Veldlinten en gehuchten Ensembles met architectonische waarde Landgoederen Individuele monumenten Parken

Deze gebieden zijn ook in de cultuurhistoriekaart veelal aangegeven als historische dorpsstructuur. Overige kritische gebieden: -

Ontwikkelingsgebieden (via beeldkwaliteitsplannen) De belangrijkste toegangswegen van de kernen

Licht: gericht op voorkomen van verrommeling. De verantwoordelijkheid voor kwaliteit wordt nadrukkelijk bij de initiatiefnemer gelegd. Het beleid is een richtlijn voor de initiatiefnemer, en een vangnet ter voorkoming van “ongelukken”.

5

Dit niveau geldt voor de meeste woonwijken en gemengde gebieden (dus ook waar bedrijvigheid aan ligt) en het overig landelijk gebied. Dit toetsingsniveau is dus beduidend lichter dan het toetsingsniveau voor deze gebieden in de oude welstandsnota. Welstandsvrij: gericht op tegengaan van excessen. In deze gebieden heeft ruimtelijke kwaliteit geen prioriteit, of zijn de bouwmogelijkheden zo beperkt dat bebouwing maar een kleine invloed op de openbare ruimte heeft. Er wordt alleen op excessen getoetst. Dit niveau geldt voor -

sport- en recreatiegebieden overige bedrijventerreinen (niet aan toegangswegen) natuurgebieden infrastructuur

De indeling in deze niveaus is leidend, en is tot stand gekomen door te kijken naar de betekenis van bouwplannen voor het publieke belang en de openbare ruimte. Doorgaande routes in de kernen hebben een hoger dan gemiddeld publiek belang, cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en landschappen eveneens.

Algemene criteria en beoordelingsaspecten In de oude nota werd een aantal algemene criteria genoemd, ontleend aan kwaliteitsprincipes voor architectuur, die de voormalig rijksbouwmeester Tjeerd Dijkstra ooit heeft opgesteld. Daarnaast werden abstracte beoordelingsaspecten opgesomd, die gekoppeld waren aan de verschillende toetsingsniveaus. In de nieuwe nota zijn deze samengevoegd tot een overzichtelijke set van 10 (algemene) criteria.

Bebouwingstypen De oude Welstandsnota uit 2004 kent 22 verschillende bebouwingstypen onderverdeeld in hoofdtypen en subtypen. In de nieuwe nota is dit teruggebracht tot 12 bebouwingstypen. Vooral in de kernen is het aantal bebouwingstypen sterk gereduceerd. De planmatig ontworpen gebieden zijn nu nog slechts in twee verschillende typen onderverdeeld: de gebieden met stedenbouwkundig/architectonische samenhang en de gebieden met individuele woningbouw. In het buitengebied is de onderverdeling in bebouwingstypen iets gedifferentieerd, om de welstandsnota beter te laten aansluiten bij de structuurvisie/omgevingsvisie voor het buitengebied.

eenvoudige en heldere regels voor de reclametoepassing in verschillende gebieden opgenomen.

Excessen In de oude welstandsnota werd gesteld dat vermeende excessen door de welstandscommissie zouden worden getoetst aan de algemene criteria. Deze criteria zijn voor het bepalen van ernstige strijd met redelijke eisen echter niet goed toepasbaar. Omdat nu voor grotere gebieden de reguliere welstandstoets achterwege zal blijven, wordt het belang van goede criteria groter voor de beantwoording van de vraag of iets een exces is.

Van sneltoetscriteria naar objectcriteria In de oude welstandsnota waren voor veel-voorkomende kleine bouwwerken specifieke, objectgerichte criteria opgenomen. Door de invoering van nieuwe wetgeving, waardoor veel bouwwerken vergunningvrij zijn geworden, zijn deze criteria verouderd. Bovendien bieden ze weinig mogelijkheden voor ambtelijke afhandeling. In de nieuwe nota is een andere systematiek gehanteerd waardoor eenvoudiger vast te stellen is welke plannen “altijd goed” zijn (en dus ambtelijk af te handelen zijn), en voor welke plannen een afweging noodzakelijk is. Alleen in dat laatste geval hoeft dan nog een welstandsadvies te worden gevraagd.

Evaluatie De Nota Ruimtelijke Kwaliteit zal periodiek worden geëvalueerd. Dan wordt bekeken in hoeverre de werkwijze moet worden aangepast. Leidt het beleid tot ongewenste ontwikkelingen? Of is het beleid in bepaalde gebieden, of voor bepaalde categorieën nog te kritisch? Worden de uitgangspunten van Dorps Bouwen effectief verwezenlijkt? Kan er wellicht meer ambtelijk worden afgehandeld? Welke beeldkwaliteitplannen kunnen worden ingetrokken? Wat wordt er dan opgenomen in de Nota voor dat gebied?

Reclame In de oude welstandsnota waren geen regels opgenomen t.a.v. reclametoepassing. Reclame in de openbare ruimte is echter een gevoelig aspect en heeft grote invloed op de waardering van onze omgeving. Reclame heeft de neiging steeds groter te worden als daaraan geen grenzen worden gesteld. Anderzijds is het voor de ondernemer ook prettig te weten waaraan zijn reclame-uitingen en die van de buurman moeten voldoen. In deze nota zijn dan ook

6

4 DE NOTA RUIMTELIJKE KWALITEIT ALS ONDERDEEL VAN DE WET- EN REGELGEVING Op het moment van verschijnen van deze nota wordt de laatste hand gelegd aan de Omgevingswet. De nota loopt daar dus enigszins op vooruit. In deze paragraaf wordt de positie en functie van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit binnen deze nieuwe wet- en regelgeving toegelicht. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is de welstandsnota te beschouwen als een uitwerking van hetgeen t.a.v. welstand en monumenten in de WABO (Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht), de Woningwet en de Monumentenwet is gesteld. Verder zijn in de bouwverordening en de erfgoedverordening regels over de inrichting van de welstandsen monumententoets opgenomen. De Omgevingswet bundelt alle wetgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving. Zij zet in op een veilige, gezonde en aantrekkelijke woon-, werk- en verblijfsomgeving voor iedereen. Tegelijkertijd heeft de wetgeving tot doel om regeldruk te verminderen, de wet- en regelgeving transparanter te maken en de burger meer eigen verantwoordelijkheid te geven. Het is de verwachting dat ook de regels t.a.v. het (ver)bouwen, restaureren, uitbreiden en slopen van monumenten in de Monumentenwet, en de regels t.a.v. welstand in de Woningwet zullen worden opgenomen in de Omgevingswet.

Dat beleid wordt uitgewerkt in een Omgevingsplan. Dit plan gaat het vroegere bestemmingsplan vervangen, maar wordt ook breder, omdat daarin ook andere zaken worden geregeld. Het is op dit moment nog onduidelijk of per deelgebied een Omgevingsplan kan worden gemaakt, of dat het Omgevingsplan voor het gehele grondgebied moet gelden. Ook is nog niet duidelijk of alle sectorale uitvoeringsnota’s, beleidskaders e.d. ook in dit Omgevingsplan worden opgenomen, of dat ze daarnaast blijven bestaan. In het eerste geval zal de Nota Ruimtelijke Kwaliteit nog moeten worden ingepast in de opzet van het, nog te ontwikkelen, Omgevingsplan, maar het is waarschijnlijker dat deze plannen als losse uitwerkingen blijven voortbestaan. In de terminologie van de nieuwe wetgeving zullen deze plannen en nota’s waarschijnlijk Programma’s gaan heten. Deze nota zal in dat geval worden omgedoopt tot Programma Ruimtelijke Kwaliteit. Duidelijk is in elk geval dat de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zich richt op het derde speerpunt van de Omgevingswet: een aantrekkelijke omgeving. Dat begrip moet ruim worden gezien. Onder een aantrekkelijke omgeving verstaat de gemeente Hilvarenbeek in elk geval: 

Bij nieuwe wetgeving horen nieuwe beleidsinstrumenten en uitvoeringsinstrumenten. Rijk, Provincie en Gemeente zullen een Omgevingsvisie moeten opstellen. Deze visie, die nauw verwant is aan de vroegere Structuurvisie, zet de grote lijnen uit. Hierin worden doelen en ambities verwoord, die gebiedsgericht of sectoraal kunnen zijn, maar ook voor het gehele grondgebied en gericht op alle sectoren kunnen gelden.

  

Een omgeving waarin het verleden een herkenbare rol speelt. Het beschermen van de historische waarden en kwaliteiten, maar ook het inzetten van die kwaliteiten in de ontwikkeling. Een herkenbare (niet anonieme) omgeving. Het koesteren van de Dorpse Waarden, zoals die al eerder zijn beschreven. Een belangrijke rol spelen daarin de historische pleinen en linten. Een verzorgde omgeving. Het tegengaan van verrommeling en verval. Een fraaie omgeving. Architectuur: het realiseren van gebouwen die met zorg en aandacht zijn ontworpen, en iets bijdragen aan de beleving. Een afwisselende omgeving. Het voorkomen van saaiheid en eenvormigheid. 7

Als onderdeel van de Nota Ruimtelijke kwaliteit zullen de verschillende Beeldkwaliteitplannen een rol spelen om deze aantrekkelijke omgeving te bereiken. Deze plannen worden of zijn opgesteld voor gebieden die (her)ontwikkeld worden, of waar een specifieke ruimtelijke opgave ligt, zoals het aantrekkelijker maken van een in verval geraakt bedrijventerrein. De vastgestelde beeldkwaliteitplannen zijn dus onderdeel van de welstandsnota, maar hebben een beperkte geldigheidsduur. Het beeldkwaliteitplan kan na verloop van tijd, wanneer de ontwikkeling is voltooid, worden ingetrokken via een raadsbesluit. In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit wordt dan de verwijzing naar het desbetreffende beeldkwaliteitplannen verwijderd en vervangen door een passend bebouwingstype.

Verwijzingen  Waar in de structuurvisie, omgevingsvisie, bestemmingsplan of omgevingsplan wordt verwezen naar de welstands/gemeentelijke monumentencommissie, mag ook Ruimtelijke Kwaliteitscommissie worden gelezen.  Waar in de erfgoedverordening wordt verwezen naar de monumentencommissie mag ook Ruimtelijke Kwaliteitscommissie worden gelezen.

5 EEN AANTREKKELIJKE (WOON)OMGEVING Over de historische waarden en kwaliteiten Monumenten, historische structuren, karakteristieke linten en pleinen geven identiteit aan steden en dorpen. Een historische omgeving maakt niet alleen de geschiedenis leesbaar en (be)leefbaar, maar ook de ruimte waarin wij dagelijks verblijven. Ons erfgoed geeft eigenheid aan een plek en vergroot daardoor de herkenbaarheid. Dat erfgoed staat er al vele decennia, soms zelfs eeuwen, en geeft structuur aan onze omgeving. Het draagt in hoge mate bij aan de ruimtelijke kwaliteit van dorp en buitengebied. Het zijn herkenningspunten geworden. We zetten daarom in op het behoud van waardevol erfgoed. Dat betekent niet dat er een stolp over het erfgoed staat, maar vooral dat we het verleden gebruiken als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Het erfgoed geven we daarin nadrukkelijk een plek. Dit alles onder het motto: 'behoud door ontwikkeling', want zo kunnen we de kansen die er liggen benutten.

Over de historische pleinen en linten De historische pleinen en linten zijn nog steeds herkenbaar als eerste laag van ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek. Daarmee vormen ze een onmiskenbaar onderdeel van het weefsel van de gemeente. De geschiedenis van de pleinen en linten is voor de meeste inwoners geen geheim. Deze structuren verlenen identiteit en vormen een belangrijk onderdeel van ons collectieve geheugen. Hilvarenbeek kan trots zijn op de pleinen en linten; we moeten ze koesteren en er zorgvuldig mee omgaan. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie, landschap en de inrichting van de openbare ruimte zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Door bewust gebruik te maken van de identiteit van Hilvarenbeek behoudt de gemeente Hilvarenbeek haar eigenheid en kan een nieuwe gelaagdheid worden toegevoegd.

Over het tegengaan van verrommeling en verval De participatiemaatschappij vraagt ook in de ruimtelijke ordening om een meer terughoudende rol van de overheid. Burgers en ondernemers hebben er zelf belang bij dat hun omgeving, hun pand of eigendom, er verzorgd en aantrekkelijk uit ziet. Toch kan het voorkomen dat bepaalde ontwikkelingen een sterk negatieve invloed op de omgeving hebben. In die gevallen kan de gemeente ingrijpen op basis van een excessenbeleid.

Over architectuur Een aantrekkelijke omgeving wordt niet alleen gemaakt door behoud van bestaande waarden, maar ook door toevoegen van nieuwe waarden. Het is meer dan ooit nodig dat we (bouw)plannen realiseren die een meerwaarde bieden aan hun omgeving. In een dichtbevolkt land als het onze is het noodzakelijk om zorgvuldig om te gaan met de inrichting van de gebouwde omgeving. Architectuur heeft tenslotte ook een maatschappelijk belang; nieuwe gebouwen worden als het ware ‘eigendom’ van de gemeenschap. Dat vergt een verantwoordelijkheid van initiatiefnemers, een goede samenwerking met de partijen in de gemeente en veelal maatwerk van de gemeente. Een gebouw moet zich immers goed voegen in zijn omgeving. De schaal, kwaliteit en uitstraling van de bebouwing, de functies in de bebouwing en de relatie tussen het openbare gebied en de bebouwing moeten goed op elkaar zijn afgestemd. Het streven naar een zekere 'menselijke maat' en een 'context gebonden aanpak' staan centraal bij ontwikkelingen. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit legt de verantwoordelijkheid voor deze kwaliteiten meer dan voorheen bij de initiatiefnemer, de burger en de ondernemer. De regels en criteria zijn veel minder gedetailleerd en veel globaler, en vooral, er zijn veel minder regels.

De gemeente Hilvarenbeek biedt daarmee meer vrijheid voor experiment, collectief-private ontwikkelingen en individualiteit, waar dat maar kan. In de beeldkwaliteitplannen voor nieuwe gebieds-ontwikkelingen zal de gemeente zich vooral richten op het bereiken van eigenheid en karakter door 8

stimulerende en prikkelende richtlijnen, en niet door dwingende conformerende regels.

Over afwisseling In dorpen is weinig herhaling te vinden. Ieder gebouw is anders. Lange rijen dezelfde woningen passen niet bij dorps bouwen. Als ieder gebouw een eigen detaillering kent, ontstaat er variatie en variatie draagt bij aan het dorps karakter. Afwisseling is dus belangrijk. Dat betekent overigens ook dat oud en nieuw naast elkaar kunnen staan. In een gemeente met kleine kernen, zoals de gemeente Hilvarenbeek, is het gevaar van een saaie en doodse omgeving niet groot. Omdat elke nieuwe ontwikkeling op zich een beperkte omvang heeft, zal eentonigheid niet snel de kop opsteken. Ook in de uitbreidingswijken is kleinschaligheid en afwisseling van woningtypen en bouwstijlen eerder regel dan uitzondering. Die saaiheid vormt wel een gevaar voor het buiten-gebied. De schaalvergroting in de landbouw bedreigt de eigenheid van streken en landschappen, en heeft al veel van die eigenheid doen verdwijnen. De Nota Ruimtelijke Kwaliteit besteedt daarom specifiek aandacht aan de landschapsstructuren die kenmerkend zijn voor Hilvarenbeek, en baseert zich daarbij op de structuurvisie Buitengebiedi uit 2013.

6 HOOFDUITGANGSPUNTEN RUIMTELIJKE KWALITEIT Structuurvisie: de grote lijnen De gemeente Hilvarenbeek heeft 2 structuurvisies laten opstellen, een integrale visie voor het gehele grondgebied en een aparte visie voor het buitengebied. De integrale visie uit 20101 stelt onder meer: “…De gemeente ziet het behouden van de ruimtelijke karakteristiek van haar gemeente als haar basisverantwoordelijkheid. Hierbij hanteert zij onderstaande criteria voor het buitengebied: - Behouden van robuuste natuurgebieden en ecologische verbindingszones; - Het behouden van het divers karakter op de overgangen tussen buitengebied en de dorpen. - Het behouden van de cultuurhistorische waarden in het gebied. (…) … De gemeente beoordeelt het initiatief op alle vijf thema’s van de structuurvisie. (i.e RUIMTELIJK KARAKTER, WOON EN WOONOMGEVING, WELZIJN EN VOORZIENINGEN, ECONOMIE EN WERKEN, MOBILITEIT EN BEREIKBAARHEID) Initiatieven van derden, die het

ruimtelijk karakter van de dorpen en het buitengebied verstoren, zullen niet worden ondersteund. De gemeente zal bij het afwegen van deze ondersteuning in algemene zin rekening houden met het volgende: initiatieven moeten de ruimtelijke structuur niet verstoren. Dit wil zeggen dat moet worden voorkomen dat  grote schaalverschillen in bouwhoogte, bouwmassa, gevelindeling en architectuurvorm met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt;  de visuele relatie van de dorpen met het landelijk gebied zullen verdwijnen;

door ontwikkelingen of verkoop van groen zal een versnippering van de groenstructuur en een verkleining van de openheid, in de dorpen ontstaan.

In het buitengebied dient voorkomen te worden dat:  ontwikkelingen het robuuste karakter van het landschap en ecologische verbindingszones verstoren (voorkomen van versnippering en verrommeling);  ontwikkeling de overgang tussen dorp en landschap harder maken;  ontwikkelingen ertoe leiden dat dorpen aan elkaar groeien of de ruimte tussen de dorpen te klein wordt om de kernspecifieke kwaliteiten los van elkaar te kunnen blijven benoemen.” De structuurvisie heeft als uitgangspunt bij bedreigingen ten aanzien van wonen en woonomgeving: “De gemeente zal eigenaren actief aanspreken op verlies van kwaliteit van de woning en de woonomgeving. De gemeente is zelf de eerst verantwoordelijke voor het openbare deel van de fysieke woonomgeving.” In de structuurvisie wordt een aantal instrumenten genoemd voor de uitvoering van het beleid. Ten onrechte wordt hierin de welstandsnota of de Nota Ruimtelijke Kwaliteit niet genoemd. In de bijlage “relevante beleidsnota’s” wordt overigens de welstandsnota wel genoemd. De huidige Nota Ruimtelijke Kwaliteit, die deze nota vervangt, maakt gebruik van de input van de beide structuurvisies t.b.v. de sturing op Omgevingskwaliteit. Bij de start van de formulering van het huidige beleid zijn de volgende uitgangspunten vastgelegd:

1 Structuurvisie Hilvarenbeek in opdracht van: Gemeente Hilvarenbeek, vastgesteld 25 februari 2010, door BRO, Boxtel

9

Algemene hoofduitgangspunten 1. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid moet een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. 2. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid moet worden toegespitst op de betekenis van bouwplannen voor het publieke belang en de openbare ruimte. Hoe minder de betekenis, hoe lichter de eisen t.a.v. de ruimtelijke kwaliteit. 3. De uitwerking van dit beleid moet niet leiden tot overbodige regels, maar aandacht geven waar dat moet en meer vrijheid bieden waar dat kan. 4. Toetsing en –advisering is afgestemd op de welstandsniveaus, en zo efficiënt mogelijk ingericht. 5. Toetsing op, en advisering over welstand en cultuurhistorische aspecten wordt zoveel mogelijk integraal uitgevoerd. 6. De nota ruimtelijke kwaliteit is gebaseerd op actuele weten regelgeving en afgestemd op overig ruimtelijk beleid, zoals de structuurvisie of omgevingsvisie. 7. De cultuurhistoriekaart en de uitgangspunten daarvoor vormen de basis voor de gebiedsindeling van de nieuwe nota ruimtelijke kwaliteit. De gebieden met Dorpse Waarden hebben een kritisch toetsingsniveau, de overige gebieden een licht toetsingsniveau. Enkele gebieden zijn vrijgesteld van toetsing.

Gebiedsafhankelijke hoofduitgangspunten Voor de bestaande gebieden met Dorpse Waarden gelden de uitgangspunten zoals geformuleerd in de nota Dorps bouwen uit 2013ii: 

Bestaande waarden en structuren behouden en versterken. Door rekening te houden met bestaande waarden en structuren kunnen nieuwe bouwplannen een toegevoegde waarde zijn in de omgeving en wordt geen afbreuk gedaan aan het bestaande dorpse karakter. Dit wil tevens zeggen dat vernieuwing mogelijk is. Moderne architectuur kan bijvoorbeeld best, ook naast oude waardevolle elementen, zo lang er maar rekening gehouden wordt met de aanwezige kwaliteiten. Op die manier wordt de dorpse structuur versterkt. Rekening houden met maat en schaal van nieuwe bouwplannen. De maat en schaal van bebouwing is erg belangrijk voor de verschijningsvorm. Materiaalgebruik en vormgeving kunnen heel anders zijn, maar door de schaal in verhouding met de omgeving te laten zijn, ontstaat vaak toch een bij elkaar passend geheel. De maatvoering van bebouwing is bepaald in bestemmingsplannen. In nieuwe bestemmingsplannen moet hier rekening mee gehouden worden. Bij bouwplannen rekening houden met de passendheid in de omgeving. Een bouwplan staat niet op zichzelf. Hetzelfde bouwplan op een andere plek kan ineens heel anders zijn. Het is erg bepalend in welke omgeving iets staat. Bij het maken van een bouwplan moet daarom altijd rekening gehouden worden met de omgeving.

Ruimtelijke kwaliteit zo vroeg mogelijk in de planontwikkeling te bespreken. In de huidige situatie komt de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwplan pas aan de orde bij de welstandstoets bij de vergunningverlening. Dit betekent dat het bouwplan dan al helemaal uitgewerkt is terwijl er nog niet over de ruimtelijke kwaliteit is gesproken. Door de discussie hierover eerder te voeren, kan er bij het uitwerken van het bouwplan rekening mee gehouden worden. Hierdoor zijn de verwachtingen aan de voorkant duidelijk. Dit levert voordeel op voor de initiatiefnemer en ook voor de gemeente. Het planvormingstraject kan soepeler verlopen omdat er meer duidelijkheid is. Dit scheelt tijd en geld. En discussie achteraf wordt voorkomen.

Voor ontwikkelingsgebieden geldt als uitgangspunt: Het beleid met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit moet de ambities van de gemeente voor het gebied weergeven in heldere en goed gefundeerde beeldkwaliteitseisen, geformuleerd in een beeldkwaliteitplan. Ook bij nieuwe ontwikkelingen liggen de uitgangspunten en regels in de nota Dorps Bouwen uit 2013 aan de basis van het beeldkwaliteitplan.

Voor de overige gebieden (woon- en werkgebieden en buitengebied buiten de gebieden met Dorpse Waarden) geldt als uitgangspunt: Het beleid is gericht op het voorkomen van verrommeling en het tegengaan van excessen.

10

7 STRUCTUUR EN SYSTEMATIEK STRUCTUUR De kern van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit bestaat uit kaartmateriaal en toetsingscriteria. De kaarten tonen de welstandsniveaus en de gebiedstypen. Er zijn vijf soorten criteria. De algemene criteria, de gebiedscriteria, de objectcriteria voor veel voorkomende bouwplannen en de reclamecriteria. Daarnaast zijn er criteria voor het bepalen van excessen opgenomen (excessenregeling).

a. Algemene criteria De algemene criteria liggen ten grondslag aan alle criteria en zijn de kern van het welstandsbeleid. Ze bepalen in hoofdlijnen wanneer en op welke aspecten wordt getoetst. Ze zijn minder concreet dan de overige criteria. Soms voldoet een plan niet aan de gebiedscriteria, de objectcriteria of de reclamecriteria of deze criteria zijn niet toereikend voor een goede beoordeling. Dit kan het geval zijn bij een bijzondere functie, afwijkend gebouw of een bijzonder architectonisch ontwerp. Het kan ook zijn dat door de bijzonderheid van een gebied de gebiedscriteria niet toereikend zijn. Voor al deze gevallen zijn de algemene criteria opgenomen. In de praktijk betekent dit dat de ruimtelijke kwaliteit van het plan op grond van deze criteria wordt beoordeeld en dat de kwaliteiten van het plan aan de hand hiervan overtuigend kunnen worden aangetoond. Het niveau van „redelijke eisen van welstand‟ ligt in deze gevallen uiteraard hoog. Het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt of als er veel waarde aan de omgeving wordt gehecht.

b. Gebiedscriteria Het hele gemeentelijke grondgebied is ingedeeld in verschillende “bebouwingsstypen‟. Op de welstandskaart is te zien tot welk type gebied een bepaalde locatie behoort en in hoofdstuk 9 zijn de bebouwingstypen kort beschreven. Een bebouwingstype vertoont samenhang in de verschijningsvorm van de bebouwing, in de stedenbouwkundige opzet of in het landschap. Voor de gebieden met een licht toetsingsniveau zijn de objectcriteria en de algemene criteria het beoordelingskader. Voor gebieden met een kritisch toetsingsniveau zijn daarnaast ook gebiedsspecifieke criteria opgenomen. Deze gebieden zijn veelal bepalend voor de identiteit van de gemeente en hier zullen vaak Dorpse Waarden in het geding zijn. De gebiedscriteria dagen de planindieners uit zich te laten inspireren door de omgeving. c. Objectcriteria Deze criteria zijn bedoeld voor de toetsing van veel voorkomende kleine bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen, dakkapellen en erf- of perceelafscheidingen, enz. Verder zijn ook criteria opgenomen voor standaardbouwopgaven in het buitengebied, zoals stallen en schuren, silo’s en kassen. De objectcriteria hebben betrekking op de vorm, de maatvoering, het materiaalgebruik en de kleur van het bouwwerk. Deze criteria gelden voor de hele gemeente. d.

Reclamecriteria In deze nota zijn ook criteria opgenomen voor reclame, zowel voor gevelreclame als voor vrijstaande reclame. Het doel daarvan is de ruimtelijke kwaliteit van een omgeving te waarborgen, door het voorkómen van hinder voor de omgeving en van escalatie.

e. Excessenregeling Tot slot kunnen ook achteraf gebouwen die in extreme mate afwijken (excessen) worden beoordeeld. Het moet dan gaan om bouwwerken waarvan de negatieve invloed op de omgeving zonneklaar is. Bijvoorbeeld doordat sprake is van slecht 11

materiaalgebruik, sterk afwijkend of contrasterend kleurgebruik of te opvallende reclame-uitingen. De excessenregeling voorziet dan achteraf in het ongedaan maken of herstellen van de schadelijke gevolgen van het bouwwerk. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar het bouwwerk laten verwijderen of aanpassen.

SYSTEMATIEK Het toetsingsniveau (kritisch, licht of geen toetsing) bepaalt niet alleen het ambitieniveau van de gemeente voor het gebied, maar ook de wijze waarop wordt getoetst. Plannen in een gebied met toetsingsniveau “kritisch” worden altijd aan de commissie ruimtelijke kwaliteit voorgelegd, die de plannen toetst aan de algemene criteria en de gebiedscriteria. In gebieden met een licht toetsingsniveau kan worden gekozen voor afhandeling onder verantwoordelijkheid of mandaat, en wordt alleen aan de objectcriteria en de algemene criteria getoetst. Een beoordeling op de excessenregeling zal wel weer altijd aan de volledige commissie worden voorgelegd. Wanneer een plan wordt ingediend zal allereerst worden bekeken of het met de objectcriteria kan worden afgehandeld. Is dit niet het geval dan wordt het plan aan de algemene criteria getoetst, en in gebieden met een kritisch toetsingsniveau ook aan de gebiedscriteria. In gebieden met een beeldkwaliteitsplan zijn de beeldkwaliteitseisen hierin te beschouwen als de gebiedscriteria. Reclame wordt getoetst aan de reclamecriteria, en ook aan de algemene criteria, wanneer het reclameobject ook als een bouwwerk moet worden beschouwd. Monumenten, beeldbepalende panden en het beschermde dorpsgezicht zijn altijd onderhevig aan een kritische welstandstoets.

Monumenten en beschermde dorpsgezichten worden bovendien beoordeeld in het kader van de Erfgoedwet. Naastgelegen bouwwerken kunnen ingedeeld zijn in een kritisch of licht toetsingsniveau. Om te voorkomen dat de naastgelegen bouwwerken een negatieve uitstraling hebben naar de monumentale panden kan, hoewel het betreffende bouwwerk voldoet aan de toetsingscriteria, er een negatief welstandsadvies volgen. Op grond van de Woningwet behoort ook de omgeving van een monumentaal pand op een kritische manier te worden behandeld. In deze situatie is een gedegen motivering van de welstandscommissie vereist. 12

DRIE NIVEAUS:

Kritisch: Gericht op behoud en versterking van kwaliteit en de karakteristiek van de bebouwing, of het tot stand brengen van een nieuwe karakteristiek Gebieden: Gebieden met Dorpse Waarden -

Historisch dorpsgebied Historische pleinen en linten Veldlinten en gehuchten Ensembles met architectonische waarde Landgoederen Individuele monumenten Parken

Overige kritische gebieden -

Ontwikkelingsgebieden (d.m.v. beeldkwaliteitsplannen) Hoogwaardige bedrijventerreinen

13

Licht: Gericht op het voorkómen van verrommeling

Gebieden: -

Woonwijken: architectonisch samenhangende woningbouw Woonwijken: individuele woningbouw overig landelijk gebied

14

Welstandsvrij: gericht op het tegengaan van excessen.

Gebieden: -

sport- en recreatiegebieden overige bedrijventerreinen natuurgebieden infra

15

8 ALGEMENE CRITERIA De criteria in dit hoofdstuk vormen de kern van het toetsingskader van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Een aantal criteria verwijst op de een of andere manier naar de omgeving van het bouwwerk. Deze wordt beschreven in hoofdstuk 9, Gebiedscriteria. In ontwikkelingsgebieden met een beeldkwaliteitsplan zijn daarnaast ook concrete gebiedspecifieke criteria vastgesteld.

1. Redelijkheid

Ruimtelijke Kwaliteitseisen wegen zwaarder naarmate de invloed van de bouwactiviteit op de omgeving groter is. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit houdt bij de toets rekening met die invloed. Uiteraard geldt dit ook de andere kant op: hoe geringer de invloed van een bouwactiviteit op de omgeving, de omwonenden en de voorbijgangers, hoe lager de eisen die aan het plan worden gesteld. Aan een plan dat niet of nauwelijks zichtbaar is voor omwonenden en passanten, worden geen welstandseisen gesteld. De commissie dient in eerste instantie te kijken naar de invloed op openbaar toegankelijk gebied. Als het woongenot van omwonenden echter in gevaar komt zal dit zeker worden meegewogen. De invloed van een bouwwerk op zijn omgeving wordt bepaald door de afstand tot de openbare weg, de zichtbaarheid vanaf openbare weg en vanaf omliggende percelen, de mate van openbaarheid (drukke doorgaande weg of stille doodlopende straat) en de omvang van de ingreep in relatie tot het totaalbeeld.

Dit criterium staat niet op zich: het bepaalt hoe zwaar de overige 9 criteria wegen bij de toetsing.

3. Afstemming op de belendingen

In gebieden met toetsingsniveau “kritisch” is een hogere aandacht voor de kwaliteit van ruimtelijke ingrepen gevraagd, omdat deze gebieden cultuurhistorisch waardevol zijn, een groter belang voor de gemeenschap hebben, of omdat ze kwaliteitsverbetering behoeven.

Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een omgeving met een sterke samenhang in verschijningsvorm wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging de samenhang geen geweld aan doet.

2. Afstemming op het gebiedskarakter

Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied met een specifiek karakter wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging past in dit gebied. Het gebiedskarakter is beschreven in de gebiedsuitwerking en de bebouwingstypen of in een beeldkwaliteitsplan. Hoe sterker de karaktereigenschappen van het gebied, hoe hoger de eisen m.b.t. afstemming. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. Afstemming kan ook worden gevonden in een vertaling van kenmerken in een nieuwe vorm. Een bewust toegepast contrast kan ook een tot een passende invulling leiden. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Hoe groter de afwijking is, hoe duidelijker de positieve bijdrage aan de omgeving ervaarbaar moet zijn.

16

Hoe groter de samenhang tussen de gebouwen en bouwwerken onderling, hoe zwaarder dit criterium weegt. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. In de meeste gevallen is dit zelfs niet wenselijk. Een omgeving moet zich kunnen ontwikkelen. Een zekere mate van variatie is ook in een samenhangende omgeving goed mogelijk.

4. Afstemming op het eigen karakter

Bij verbouwingen, uitbreidingen en wijzigingen aan bestaande objecten wordt rekening gehouden met het karakter van het bestaande object. Afstemming kan worden bereikt door “in stijl” te bouwen, maar ook door een afgewogen contrast te introduceren. Verder kan afstemming worden bereikt door de verschijningsvorm van het gehele object in het plan mee te nemen, waardoor een nieuwe, interne samenhang ontstaat.

5. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een begrijpelijke relatie heeft met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is. Vormgeving heeft zijn eigen samenhang en logica, maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

6. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld) Stijlelementen en typologische eigenschappen worden op een zinvolle, begrijpelijke en samenhangende wijze gebruikt. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Een bouwwerk wordt verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties

is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving is het vaak beter te laten zien wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd.

7. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Met helderheid en complexiteit wordt ook bedoeld: regelmaat en variatie, eenvoud en veelvormigheid, ritme en afwijking, structuur en verbijzondering. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. Een te grote complexiteit leidt tot onrust en verwarring, een te grote helderheid tot saaiheid en schraalheid. Helderheid en complexiteit hebben elkaar nodig: zonder regelmaat geen variatie. Een verbijzondering is alleen ervaarbaar in relatie tot de regelmatige structuur.

8. Schaal en maatverhoudingen

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van

17

maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave, maar ook de omgeving stelt zijn eisen aan de schaal. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

9. Materiaal, textuur, kleur

Materiaal- en kleurkeuze dienen logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, en kleur het

karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Als materialen en kleuren te veel losstaan van de omgeving van het bouwwerk kan de ruimtelijke samenhang met die omgeving verdwijnen en de omgeving een rommelig of onrustig karakter krijgen.

10. Detaillering

Detaillering van randen en overgangen dient logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Een detail kan het architectonische concept van een gebouw maken of breken. Specifieke detaillering is vaak verbonden aan een bouwperiode of een gebouwtype. Dit is voor de “leesbaarheid” van een gebouw van groot belang. Detaillering bepaalt bovendien in belangrijke mate de schaal van een gebouw. Door een goede detaillering kan ook een groot gebouw herbergzaam overkomen (De menselijke maat).

18

9 GEBIEDSCRITERIA Inleiding De bebouwde omgeving bestaat uit verschillende gebieden met elk een eigen karakteristiek. Er is landelijk een onderscheid gemaakt in een 5-tal gebiedshoofdgroepen:

G3b agrarisch buitengebied, kleinschalig: beekdalen, kampen- en hoevenlandschap en oud zandontginningslandschap G4 natuurgebied G5 recreatiepark / vakantiewoningen Bijzondere bebouwingstypen T4 op zichzelf staande bebouwing

- Historisch gegroeide woongebieden (H); - Planmatig ontworpen woongebieden (W); - Bedrijvengebieden (B); - Groene gebieden (G); - Gebieden met bijzondere bebouwingstypen (T). In Hilvarenbeek zijn deze gebiedshoofdgroepen onderverdeeld in bebouwingstypen, waarbij zoveel mogelijk aangesloten is bij de landelijke IMWE-codering2: Historische gegroeide woongebieden: H1 historisch dorpsgebied H2 (historisch) dorps bebouwingslint Planmatig ontworpen woongebieden: W1 architectonisch samenhangende bebouwing W9 individuele bebouwing Bedrijvengebieden B1 industrie/bedrijventerrein Groene gebieden: G1 parken en sportcomplexen G2 buitenplaats, landgoed (veelal bosgebied) G3a agrarisch buitengebied, grootschalig: jong zandontginningslandschap InformatieModel Welstand, een model dat is ontwikkeld om, parallel aan IMRO, landelijk uniforme standaarden voor codering van gebieden te hanteren. 2

19

H1 en H2 Historische gegroeide woongebieden, Historisch dorpsgebied en historisch dorps bebouwingslint Deze criteria zijn alleen van toepassing wanneer de betreffende bouwlocatie in een gebied met kritisch welstandsniveau ligt. Ligt de locatie in een gebied met een licht welstandsniveau, dan zijn alleen de algemene criteria en de objectcriteria van toepassing. De gebiedscriteria moeten in dat geval als ontwerprichtlijn worden beschouwd. Criteria Algemeen (Beleid dorps bouwen) 1. Er moet rekening gehouden worden met de ontstaanswijze. Voor cultuurhistorie is een inventarisatie uitgevoerd. Deze inventarisatie vormt de basis voor de gebiedsindeling van de nieuwe welstandsnota. Behalve voor welstand moeten bouwplannen in het algemeen ook rekening houden met de ontstaanswijze. Zo moeten oude structuren in stand gehouden worden. Dorpen zijn bijna altijd ontstaan vanuit een plein of een lint. Deze pleinen en linten moeten de hoofdstructuur van het dorp blijven. 2. Iedere plek heeft zijn eigen karakteristiek. Bij plannen moet deze karakteristiek in beeld gebracht worden en het plan moet een positieve bijdrage leveren aan deze karakteristiek. Dit wil niet zeggen dat het plan een kopie van de bestaande situatie moet worden, maar wel dat het moet passen in de omgeving. 3. Bij bouwplannen is de maat en schaal van belang. In bestemmingsplannen is geregeld welke massa is toegestaan.

Daarnaast moet de maat en schaal kloppen met de omgeving. 4. In dorpen vindt weinig herhaling plaats. Ieder gebouw is anders. Lange rijen dezelfde woningen passen niet bij dorps bouwen. Als ieder gebouw een eigen detaillering kent, ontstaat er variatie en variatie draagt bij aan het dorps karakter. Afwisseling is dus belangrijk. Dat betekent dat oud en nieuw naast elkaar kunnen staan. 5. Van oudsher is er in de dorpen weinig openbaar groen aanwezig. Alleen de belangrijke pleinen en linten zijn begeleid met

bomen en ander groen. Het meeste groen in de dorpen is privégroen. Kleine groenstroken horen in eerste instantie niet in een dorp thuis. In latere uitbreidingswijken vinden we ze wel vaak terug en daar hoort het zogenaamde kijkgroen wel bij. In de centra echter niet. Alleen op de meest markante plekken en in privétuinen of om structuren te begeleiden. Voor de gemeente Hilvarenbeek betekent dit dat privégroen aanwezig moet zijn bij woningen, dat belangrijke straten moeten worden begeleid met bomen en dat buiten de centra groenstroken en wijkgroen (groter dan een groenstrook evt. met bankje, speelvoorzieningen etc.) gewenst zijn. 6. De woningen zijn in beginsel grondgebonden. Appartementen dragen niet bij aan het dorpse karakter. Er kan sprake zijn van woningen boven een winkel bijvoorbeeld, maar dan ziet het gebouw er niet uit als een appartementencomplex. 7. In het dorp vindt functiemenging plaats. Dit betekent dat wonen, werken, lichte bedrijvigheid en maatschappelijke functies gemengd in de dorpen gesitueerd zijn. Daarbij moet de hindersituatie voldoen aan de regelgeving. 8. Er is een sterke relatie met het landschap. Door de beperkte omvang van de dorpen is het landelijk gebied altijd dichtbij. De relatie met het landschap moet zo groot mogelijk zijn. Dit kan door zichtrelatie maar ook functioneel (wegen en paden die doorlopen). 9.

Er moeten voldoende parkeervoorzieningen zijn. Zowel in het centrum als bij woningen. Parkeren op eigen terrein heeft de voorkeur. Grootschalige parkeerterreinen moeten vermeden worden. 10. Materiaalgebruik wordt, indien nodig, geregeld in het beeldkwaliteitsplan.

H1 Historisch Dorpsgebied De gemeente Hilvarenbeek kent 2 historische dorpsgebieden: 20

-

-

het gebied rondom het Vrijthof, met de uitlopers in de Gelderstraat, Wouwerstraat, Koestraat, Varkensmarkt en Paardenstraat. Een groot deel van dit gebied is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het gebied rondom de kerk van Diessen (Kerkstraat, Torenlaan, Heuvelstraat)

Kenmerken Bebouwing en omgeving Veel dorpen zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. Iedere regio heeft zijn eigen typen zoals brinkdorpen, esdorpen en de gestrekte langstraatdorpen. Daarnaast zijn er ook dorpen met een andere ontstaansgeschiedenis zoals marktplaatsen, strategische vestigingen of nederzettingen met een meer industriële oorsprong. De oude dorpsgebieden kenmerken zich door relatief open en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een zekere variatie. Binnen deze gebieden zijn vaak nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen en met name langs kruisingen van belangrijke wegen komt verdichting voor. Er komen veelal verschillende functies voor in de historische dorpsgebieden zoals wonen, detailhandel en verschillende ambachten. De historische dorpsgebieden vormen een waardevol gebied voor de huidige gemeenten. De historische dorpsgebieden vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde. Tevens vormen ze belangrijke schakels binnen het netwerk van wegen en ondersteunen ze de ruimtelijke oriëntatie binnen de gemeente. Bebouwing op zich De bebouwing in de historische dorpsgebieden is zeer divers van vorm en karakter. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één of twee lagen met een kap, en is

perceelsgewijs ontstaan. De bebouwing is (nagenoeg aaneengesloten, waardoor de achterterreinen een besloten wereld vormen. Samenvoegingen van individuele bouwmassa’s komen nagenoeg niet voor. Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken in baksteen, het dak is bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is zeer divers, ornamenten (aparte rollagen, metseltechnieken, luiken e.d.) komen voor. Er is overwegend gebruik gemaakt van sobere, rustige en donkere kleuren. Verder komen incidenteel wit gepleisterde of geschilderde gevels voor.

Criteria Ligging · het dorpse en historische karakter van de gebieden behouden en versterken · de rooilijnen verspringen ten opzichte van elkaar · de bebouwing is grotendeels aaneengesloten of nagenoeg aaneengesloten, maar wel perceelsgewijs ontwikkeld. · hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte. Massa · perceelsgewijze opbouw; samenvoegingen van percelen zijn niet gewenst. · gebouwen zijn in het algemeen individueel en afwisselend · de bouwmassa’s en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied · gebouwen hebben overwegend een a twee bouwlagen met kap · de begane grondlaag van het gebouw is afgestemd op de geleding, ritmiek en stijl van de gevel

· de gevel van de bovenbouw is afgestemd op de hoofdmassa · aan-, op- en uitbouwen komen zelden voor aan de straatzijde, vanwege de aaneengesloten bebouwingsstructuur. Erkers, luifels en overkappingen zijn alleen voorstelbaar wanneer ze passen in het tijdsbeeld van de bestaande bebouwing. · bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume en staan achter de hoofdmassa’s

Architectonische uitwerking · de detaillering is zorgvuldig · fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, belijning en baksteenpatronen in het gevelvlak · gevels hebben een verticale geleding · gevels zijn bij voorkeur voorzien van een stenen plint · daken hebben een houten overstek of een gemetselde beëindiging · dakkapellen, lijsten en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa Materiaal- en kleurgebruik · materiaalgebruik is traditioneel. · gevels zijn in principe van rode of bruine baksteen. Pleisterwerk of wit gevelschilderwerk is ook mogelijk · hellende daken zijn gedekt met keramische pannen · traditioneel Hollandse houten kozijnen en profileringen vormen het uitgangspunt · het kleurgebruik is traditioneel en terughoudend.

21

H2 (HISTORISCH) DORPS BEBOUWINGSLINT In de kernen Hilvarenbeek, Diessen, Baarschot en Biest-Houtakker komen historisch dorpse bebouwingslinten voor. In de andere twee kernen is geen sprake van historische bebouwingslinten. In Hilvarenbeek zijn dit de Gelderstraat en de Diessenseweg, een deel van de Paardenstraat en de Doelenstraat. In Diessen is dit het zuidelijk deel van de Molenstraat, een groot deel van de Willibrordusstraat en Julianastraat, en een stukje van de Heuvelstraat ten Noorden van het dorpshart. In Baarschot vrijwel de hele Baarschotsestraat, en in BiestHoutakker de Biestsestraat en het Vossenhol.

oorspronkelijke bebouwingsmassa wordt dit niet als storend ervaren Bebouwing op zich De bebouwing in de historische bebouwingslinten is zeer divers van karakter. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. Samenvoegingen van individuele bouwmassa’s komen zelden voor en zijn dan vaak een verstoring van het straatbeeld. De bebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen met langskap. Soms is er sprake van intensievere bebouwing richting het centrum. De percelen zijn smaller en de woningen hebben veelal een dwarskap. Kenmerkend is de brede en lange massa waarbij horizontaliteit bepalend is voor de opbouw van de gevel. De raamopeningen zijn echter verticaal opgebouwd.

Kenmerken Bebouwing en omgeving Historische bebouwingslinten zijn de eerste bebouwingsconcentraties langs historische verbindingswegen. Rond een aantal van deze linten hebben zich de huidige dorpen en steden ontwikkeld. Meestal is het lint langs een belangrijke route ontstaan. De bebouwing is perceelsgewijs tot stand gekomen waardoor een wisselend straatbeeld is ontstaan. De rooilijn is dikwijls individueel bepaald en hierdoor verspringend. De bebouwingsstructuur is open, met veel doorzichten naar het achterliggende gebied. De huidige mate van open- en geslotenheid is leidend voor veranderingen. De openbare ruimte, de straat en de begeleidende bomen enerzijds en anderzijds de voortuinen of de aanstrating en stoep zijn bepalend in het straatbeeld en zorgen voor de samenhang. Hierdoor vormen de perceelsgewijze, individuele invullingen één straatwand terwijl ze onderling veel van elkaar verschillen. De kavels hebben vaak diepe achtertuinen en kleine of geen voortuinen. Woningen, kleine ambachtelijke werkplaatsen, winkels, horeca en boerderijen zijn de diverse functies die je aantreft in de lintbebouwing. Soms heeft een functieverandering plaatsgevonden. Als dit heeft plaatsgevonden met behoud van de

Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, soms gestukadoord, het dak is bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is afhankelijk van de ontstaansperiode. Men treft diverse ornamenten, detailleringen in het metselwerk (strek- en rollagen) en diverse gevelbeëindigingen aan. Kenmerkend is het contrast tussen de kleur van het metselwerk en die van de kozijnen.

Criteria Ligging · het dorpse en historische karakter van de gebieden behouden en versterken · de rooilijnen verspringen ten opzichte van elkaar · de bebouwing is halfopen, met doorzichten naar het achtergebied, en perceelsgewijs ontwikkeld. · hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte. 22

Massa · perceelsgewijze opbouw; samenvoegingen van percelen zijn niet gewenst. · gebouwen zijn in het algemeen individueel en afwisselend · de bouwmassa’s en gevelopbouw harmoniëren met het dorpse karakter van het gebied · gebouwen hebben overwegend een a twee bouwlagen met kap · de begane grondlaag van het gebouw is afgestemd op de geleding, ritmiek en stijl van de gevel · de gevel van de bovenbouw is afgestemd op de hoofdmassa · aan-, op- en uitbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa · bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume Architectonische uitwerking · de detaillering is zorgvuldig · fijne detaillering wordt benadrukt in kleine elementen als gootklossen, belijning en baksteenpatronen in het gevelvlak · gevels hebben een verticale geleding · gevels zijn bij voorkeur voorzien van een stenen plint · daken hebben een houten overstek of een gemetselde beëindiging · dakkapellen, lijsten en dergelijke zijn zelfstandige ondergeschikte elementen en in maatvoering en architectuur afgestemd op de hoofdmassa Materiaal- en kleurgebruik · materiaalgebruik is traditioneel. · gevels zijn in principe van rode of bruine baksteen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14732223/1