09 Bestemmingsplan Herziening Inpassingsplan Recreatiepark Beekse Bergen 2023 (4a bijlagen bij de toelichting)
Tekst van het document
Het dient te leiden tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: « Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? « In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? « In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? « Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
7
Ibid.
8
Huizer S Muller 2016.
10
3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: Aantal boringen: » Verkennende fase » Karterende fase
Boorgrid: » Verkennende fase » Karterende fase Diepte boringen » Verkennende fase
»
Karterende fase
Boormethode: » Verkennende fase » Karterende fase Bemonstering: » Verkennende fase » Karterende fase Profielput
87 Maximaal 769. Gezien de resultaten van het verkennende booronderzoek bleken 404 geplande karterende boringen in een gebied met omgewerkte bodem te liggen, zodat er uiteindelijk 365 zijn verricht. Verspreid over het plangebied, ca. 14/ha In raaien met onderlinge boorafstand van 10 m, afstand tussen de raaien is 8 m. Minimaal 30 cm in de C-horizont van het dekzand, circa 120 cm -mv. 3006 van de boringen is doorgezet tot maximaal 400 cm -mv om de mogelijke aanwezigheid van de Alleradlaag aan te tonen. Afhankelijk van de diepteligging van het potentieel archeologisch relevant niveau. Edelmanboor met diameter 7cm en guts met diameter 3cm Edelmanboor met diameter 15 cm Versnijden en verbrokkelen Zeven over een zeef met een maaswijdte 3 x 3 mm Verspreid over het terrein worden profielputten van 50 cm x 50 cm verricht. De maximale diepte bedraagt 80 cm.
De methode van het karterend booronderzoek is gebaseerd op Rapportage Archeologische Monumentenzorg 197: 'Optimale strategieën voor het opsporen van Steentijdvindplaatsen met behulp van boordonderzoek. Een statistisch perspectief.' De gekozen strategie heeft een betrouwbaarheid van 7 5 0 voor het opsporen van vindplaatsen met een vondststrooiïng van overwegend vuursteen, een lage vondstdichtheid (40-80 per m ) en een oppervlakte van 200-1000 m . Vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleinere omvang, alsmede lineaire vindplaatsen en puntelementen kunnen hiermee niet worden gekarteerd. Voor het opsporen van laat-prehistorische vindplaatsen bestaande uit een vondstrooiing van hoofdzakelijk aardewerk voldoet deze methode echter ruimschoots. 2
2
9
10
De bodemtextuur en archeologische indicatoren worden beschreven volgens SBB 5.1 van het NITG-TNO waarin ondermeer de standaard classificatie van bodemmonsters volgens NEN5104 wordt gehanteerd. De X- en Y-coördinaten worden ingemeten met een GPS met een nauwkeurig¬ heid van 2 m. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHN-beelden. 11
Op representatieve locaties zijn profielputjes gegraven van 50 x 50 cm in ieder geval tot minstens 30 cm in de C-horizont. De bodem in de putjes wordt uitgezeefd in lagen van 25 cm. De bodemopbouw van de profielputjes wordt bodemkundig en lithologisch beschreven. 12
3.1.3
Monsternameplan
Indien relevant voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen zouden archeologische indicatoren, indien deze tijdens het verkennende booronderzoek werden aangetroffen, worden bemonsterd en indien mogelijk worden gedetermineerd.
9
Verhagen et al 2 0 1 1 .
1 0
Tol, et al. 2012.
11
Bosch 2005; Normalisatie-Instituut 1989.
1 2
Kortlang 2015.
11
3.2
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Savanne en gracht
3.2.1 Veldinspectie Het plangebied Savanne en gracht bevindt zich direct ten westen van de camping van de Beekse Bergen en direct ten zuiden van de autosafari. Een zeer klein gedeelte in het uiterste noorden bevindt zich op het terrein van de autosafari. De locatie van de beoogde gracht is uitgezet door middel van een meetlint. Het plangebied zelf is, met uitzondering van een geëgaliseerd perceel grasland in het zuidoosten, bebost gebied. Ingesloten in het plangebied (maar er geen deel van uitmakend) bevindt zich een (gegraven) waterpartij. Ten tijde van de uitvoering van het veldonderzoek was er sprake van een relatief hoge waterstand. Dit blijkt uit het feit dat de aan de waterkant aanwezige bank en afvalbak bijna volledig onder water stonden (zie afb. 3). Naar schatting was de waterstand ca. 1 m hoger dan normaal; het is aannemelijk dat de grondwaterstand in het plangebied eveneens relatief hoog was.
Afb. 3: Impressie van plangebied
ter hoogte van het oostelijke gedeelte van de waterpartij, genomen richting het noorden.
3.2.2 Resultaten verkennend booronderzoek De boorgegevens worden gepresenteerd in Bijlagen 4 en 5. De locaties van de boringen zijn weergegeven op Bijlage 1. In het plangebied zijn 85 verkennende boringen verricht. De boringen met de nummers 9 en 10 zijn niet verricht wegens de aanwezigheid van een hoge kunstmatige heuvel (uitkijktoren), waar niet doorheen geboord kon worden.
12
De boringen zijn verricht met een combinatie van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een zandguts. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondiepe ondergrond tot de diepst geboorde diepte van 220 cm - m v grotendeels uit zwak siltig, kalkloos dekzand (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel) bestaat. Het zand is lichtoranjegrijs of lichtbruingrijs van kleur en vertoont gley-verschijnselen. De korrels zijn redelijk tot goed gesorteerd, de mediaan van de zandfractie valt overwegend in de klasse 105-150 urn (zeer fijn). Met name onderin bevinden zich plaatselijk lagen matig tot sterk siltig zand en/of lagen matig tot zeer grof zand met laagjes fijn grind. Vanwege het voorkomen van deze duidelijke gelaagdheid, wordt dit onderste gedeelte geïnterpreteerd als Oud Dekzand of Jong Dekzand I. Het bovenste gedeelte, waarin niet of nauwelijks gelaagdheid in waargenomen wordt, is geïnterpreteerd als Jong Dekzand II. Aangezien geen begraven bodems uit het Aller0d- of B0lling-interstadiaal zijn aangetroffen, is het echter niet mogelijk een eenduidig onderscheid te maken tussen de diverse dekzandafzettingen. 13
Zoals verwacht is er in de natuurlijke of oorspronkelijke situatie in de top van het pakket sprake van een podzolbodem met A- E-, B- en C-horizont, waarbij veelal in de B-horizont onderscheid kon worden gemaakt tussen Bh- en Bs-horizont. In veel gevallen werd dit alles bedekt door een laag stuifzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk) van gemiddeld ca. 50 à 100 cm dik. In Bijlage 1 is aangegeven waar het stuifzandpakket dikker is dan resp. 50, 75 en 100 cm. Met name in het uiterste zuidwesten bevinden zich veel boringen met een relatief dik stuifzandpakket. In diverse boringen was sprake van erosie (door de wind) of bodemverstoring van de oorspronkelijke podzolbodem, veelal veroorzaakt door bioturbatie (boomwortels en konijnen- en/of vossenholen). Profielputten Het verkennend booronderzoek werd aangevuld met 21 profielputten. Deze dienden als controle op de boringen en zijn met name aangelegd op punten waar op basis van het booronderzoek vermoed werd dat de bodem verstoord was. De gedachte hierachter was, dat een bodemprofiel in boringen er door het draaien van de boor en naval in de guts van nature meer verstoord zal uitzien dan in werkelijkheid het geval is. Met andere woorden: wanneer een bodemprofiel op basis van de boringen als intact wordt beschouwd, zal dat in een profielput hoogst waarschijnlijk worden bevestigd.
Andersom kan met behulp van profielputten wel worden vastgesteld of de in de boringen geconstateerde verstoring het gevolg is van de boormethode, of dat het inderdaad een "echte" verstoring betreft. Wel zijn enkele profielputten aangelegd op plekken waar een intacte bodem werd vermoed, om zodoende een aantal referentieprofielen te verkrijgen. Een fraai voorbeeld van een intacte bodem bevindt zich ter plaatse van boring 53. Hier wordt een complete podzolgrond met duidelijke in- en uitspoelingslaag non-erosief bedekt door een dun pakket stuifzand. In het stuifzand heeft zich later opnieuw een bodem ontwikkeld, zij het minder uitgesproken. Er kan gesproken worden over een micropodzol. Daarboven bevindt zich een strooisellaag (O-horizont). Zie voor de profielfoto afb. 4.
1 3
De zandguts werd gebruikt om eventuele twijfel omtrent de aard van de laagovergangen weg te n e m e n . Hoewel het gebruik
van de zandguts elders in het Nederlandse dekzandgebied (Veluwe) in het verleden effectief is gebleken, was dit in het plangebied slechts gedeeltelijk het geval. Vermoedelijk als gevolg van het relatief hoge leemgehalte kon de zandguts slechts zelden in één keer tot op de gewenste diepte worden gebracht. Door het herhaaldelijk steken en leegmaken van de guts werd dikwijls een aanzienlijke hoeveelheid naval in de boring veroorzaakt, hetgeen een betrouwbare beschrijving niet altijd ten goede kwam.
13
— ļ
V
1
*.
-ŕľorizont
AE-horizont B-horizont (micŕopodzoľ
stuifzand
A-horizont
E-horizont
Bh-horizont
C-horizont Afb. 4: Profielput boring 53.
In boring 53 werd onder een pakket stuifzand (herkenbaar aan horizontale gelaagdheid) een omgewerkt pakket aangetroffen, dat mogelijk geïnterpreteerd kan worden als karrenspoor. De foto
14
(afb. 5) is genomen richting het noorden; dit is parallel aan de verwachte historische weg. kan de kuilvormige structuur worden opgeval als opgevulde sporen van wielen.
14
Mogelijk
^ ^ ^ ^
ŵs V ft
p
i
I
Afb. 5: Profielput boring 60.
14Van Meurs et al. 2010.
15
In boring 75 werd een 60 cm dik pakket stuifzand aangetroffen boven een B-horizont. Door erosie is hier de oorspronkelijke A- en E-horizont verdwenen. De overgang van het stuifzand naar de Bhorizont is daardoor scherp. De overgang naar de C-horizont is net zichtbaar in de putbodem. Zie afb. 6.
1
\
I
i
stuifzand
B-horizont
\
s Afb. 6: Profielput boring 75.
16
3.2.3 Conclusies naar aanleiding van het verkennende booronderzoek De locaties waar de oorspronkelijke podzolbodem tot in de B-horizont of dieper was geërodeerd of omgewerkt, zijn als gearceerde zones aangegeven op de kaart (bijlage 1). Hierbij zijn ook twee locaties meegenomen waar door de aanwezigheid van resp. puin en houtresten (boringen 24 en 49) niet dieper kon worden geboord of gegraven dan de verstorende opvulling. Aangenomen wordt echter dat hier geen sprake meer is van een intact bodemprofiel. Hetzelfde geldt voor punten 9 en 10, waar door de aanwezigheid van een hoge kunstmatige heuvel geen boringen konden worden gezet; rondom deze punten waren de bodemprofielen echter ook grotendeels verstoord. Boringen 60 en 71 waren tenslotte weliswaar verstoord, maar in de profielputten lijkt daar mogelijk sprake van een karrenspoor van de voormalige weg. Voor een steentijdkartering is dit minder relevant, bovendien zal hier tijdens het nog uit te voeren onderzoek ter plaatse van de "Weg en Wal" nader aandacht aan worden besteed. Hoewel in het plangebied in vrijwel alle dieper doorgezette boringen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van Jong Dekzand I of Oud Dekzand, zijn er geen begraven bodems uit het Aller0dof B0lling-interstadiaal aangetroffen.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een karterend booronderzoek op een dieper niveau dan de bodem in de top van het dekzandpakket weinig zinvol is. Ook de op bijlage 1 gearceerd weergegeven locaties waar deze bodem tot in de B-horizont of dieper is verstoord, hoeven niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van resten uit de steentijd. Op basis van het verkennend booronderzoek is besloten om in de rest van het plangebied Savanne en gracht geen op resten uit de steentijd gericht vervolgonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek. Het verkennend booronderzoek heeft namelijk aangetoond dat in de gearceerde zones op Bijlage 1 een omgewerkt bodemprofiel aanwezig is. Veelal is de bodemverstoring veroorzaakt door bioturbatie (boomwortels, konijnen- en/of vossenholen). De kans dat in het plangebied intacte archeologische resten aanwezig zijn, wordt klein geacht. Wel kunnen nog diep ingegraven archeologische sporen (zoals waterputten en -kuilen) aanwezig zijn, maar de kans op de aanwezigheid van dergelijke, aan voornamelijk laatprehistorische (en uit latere perioden daterende) vindplaatsen wordt niet groot geacht. Het resterende deel, waar op basis van de verkennende fase sprake lijkt van een intacte bodemopbouw, heeft een oppervlak van ca. 2,7 ha. Hier zijn 365 karterende boringen in 8x10 grid verricht. 15
3.2.4 Resultaten karterend booronderzoek De locatie van de boringen is weergeven in Bijlage 1. Conform het Plan van Aanpak, zijn de boringen in een 8 x 10 m grid verricht met een 15 cm Edelmanboor. De gehele podzolbodem is vervolgens per horizont bemonsterd en gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 x 3 mm. In geen enkele boring zijn indicatoren aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Hoewel karterende boringen minder geschikt zijn dan verkennende boringen en profielputten om uitspraken te doen over de bodemgesteldheid (door de grote boordiameter is het opgeboorde materiaal immers sterk geroerd), konden wel de bodemhorizonten worden herkend, alsmede onderscheid worden gemaakt tussen omgewerkte (want gevlekte) niveaus en stuifzandafzettingen. Deze interpretaties zijn weergegeven in Bijlage 5. Met name in het centrale deel van het plangebied (tussen de verkennende boringen 49 en 54) bleken opvallend veel karterende boringen tot in de B-horizont verstoord te zijn. Vermoedelijk was de bodemopbouw op basis van de hier uitgevoerde verkennende boringen bij toeval wel intact en vormde deze een uitzondering op de situatie in de directe omgeving.
De bodemverstoringen kunnen hier te maken hebben met de in het hele plangebied geconstateerde sterke bioturbatie (konijnen- en vossenholen) in combinatie met de plaatselijke afwezigheid van een beschermend stuifzanddek. Stuifzand komt verder verspreid over het gehele plangebied voor in wisselende
1 5
Kortlang 2015.
17
diktes, maar het stuifzanddek is in geen enkele boring dikker dan 130 cm. In Bijlage 1 is aangegeven waar het stuifzandpakket dikker is dan resp. 50, 75 en 100 cm. Met name in het uiterste zuidwesten bevinden zich veel boringen met een relatief dik stuifzandpakket. Een verklaring voor het feit dat in geen enkele boring archeologische indicatoren zijn aangetroffen is niet eenduidig te geven. Mogelijk is de relatief grote afstand tot open water een landschappelijke factor van betekenis geweest. Het plangebied bevindt zich namelijk precies te midden van twee ca. 2 km ervan verwijderde beekdalen. De omstandigheden voor het inrichten van eventuele jachtkampementen zullen aan de rand van deze beekdalen wegens de nabijheid van open water vele malen gunstiger zijn geweest. Hoewel het vermoeden bestaat dat in het geëgaliseerde terrein ten zuiden van boring 49 een depressie in het dekzandreliëf aanwezig is, ontbreken dergelijke gradiëntzones (overgang van laag/nat naar hoog/droog) feitelijk in het onderzochte deelgebied. Ook voor landbouwers (uit perioden vanaf het Neolithicum) zal het plangebied waarschijnlijk relatief weinig aantrekkelijk zijn geweest. De eigenschappen van het Jong Dekzand II, wat in het plangebied aan de oppervlakte aanwezig is, waren door onder meer het relatief geringe leemgehalte, voor landbouwers niet erg gunstig. 16
17
3.3
Conclusies
De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: « Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? Met name onderin de boringen bevinden zich plaatselijk lagen matig tot sterk siltig zand en/of lagen matig tot zeer grof zand met laagjes fijn grind. Vanwege het voorkomen van deze duidelijke gelaagdheid, wordt dit onderste gedeelte geïnterpreteerd als Oud Dekzand of Jong Dekzand I. Het bovenste gedeelte, waarin niet of nauwelijks gelaagdheid in waargenomen wordt, is geïnterpreteerd als Jong Dekzand II. Aangezien geen begraven bodems uit het Aller0d- of B0lling-interstadiaal zijn aangetroffen, is het echter niet mogelijk een eenduidig onderscheid te maken tussen de diverse dekzandafzettingen, die overigens wel alle behoren tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. In het dekzand heeft zich een podzolbodem ontwikkeld, die later al dan niet erosief is bedekt door een pakket stuifzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk) van wisselende dikte (zie Bijlage 1).
1 6
«
In hoeverre is deze opbouw nog intact? Op Bijlage 1 is aangegeven in welke zones de oorspronkelijke podzolbodem in het dekzand tot tenminste de B-horizont is omgewerkt. Dit is het geval in een gebied met een oppervlakte van ca. 4 ha; dit is bijna twee derde van het onderzochte deelgebied. Aangezien de B-horizont in de niet-verstoorde boringen zonder stuifzanddek over het algemeen rond 50 cm - m v wordt aangetroffen, is de inschatting dat de omwerking in het aangegeven gebied tot minimaal 50 cm - m v zal zijn.
«
Kan binnen het plangebied de Aller0d-laag worden aangetoond? Ja, in theorie is dit mogelijk. Onder het Jonge Dekzand II bevindt zich namelijk Oud Dekzand of Jong Dekzand I. Tussen het Jong Dekzand I en II kan, mits de omstandigheden dat toe hebben gelaten, tijdens het Aller0d-interstadiaal een bodem zijn ontwikkeld. Deze bodem of Aller0d-laag is tijdens het onderzoek niet aangetroffen.
«
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Op basis van het verkennende booronderzoek werden de gebieden zonder geconstateerde bodemverstoringen beschouwd als archeologisch relevant. Aangezien tijdens het karterende booronderzoek geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, is de archeologische relevantie van de top van het dekzand in dit plangebied gering.
Omdat dit geëgaliseerde terrein buiten het plangebied ligt en dus niet is onderzocht, kan niet met zekerheid worden gezegd of
er sprake is van een met stuifzand opgevulde depressie. 1 7
Fokkens S Jansen 2002.
18
Omdat het plangebied een verwachting heeft gekregen voor vindplaatsen uit de vroege prehistorie die bestaan uit een verspreiding van vuursteen, is gekozen voor een relatief klein boorgrid (8x10m), waarbij grote monstervolumes zijn gezeefd. Voor het karteren van nederzettingsterreinen uit latere perioden wordt normaliter een groter boorgrid ingezet. De intensiteit van het toegepaste boorgrid is hiermee dus ook geschikt voor het karteren van omvangrijkere laatprehistorische nederzettingsterreinen, maar hiervoor zijn eveneens geen aanwijzingen aangetroffen (in de vorm van archeologische indicatoren als bijvoorbeeld aardewerk). Het wordt onwaarschijnlijk geacht dat nederzettingsterreinen uit latere perioden aanwezig zijn, zonder verspreiding van vondsten en waarbij enkel grondsporen zijn overgebleven. Dergelijk situaties komen in dekzandgebieden dikwijls voor, doordat de top van het dekzand (en daarmee de vonstverspreiding) door landbouwactiviteiten is verstoord en alleen grondsporen bewaard zijn gebleven. Omdat de bodem in het plangebied over het algemeen redelijk intact is en niet in de Middeleeuwen of later is opgenomen in een akkerlaag (zoals bij bijvoorbeeld enkeergronden meestal het geval is), kan de oorzaak van het niet aantreffen van archeologische resten niet worden gevonden in eventuele bodemverstoring.
De kans op het diep verploegd zijn van het voormalige maaiveldniveau is in deze landschappen klein en in het plangebied ook niet geconstateerd. Ook het relatief recentelijk omzetten van heide naar bos heeft - zo blijkt uit de boringen - heeft op de meeste plekken niet geleid tot een structurele aantasting van de podzolbodem en het verdwijnen van een eventuele vondstenlaag. Om deze reden is er dus ook geen reden om aan te nemen dat er zich in het plangebied vindplaatsen bevinden die oorspronkelijk uit zowel vondsten als grondsporen bestonden, maar waarvan later de vondstlaag is verwijderd. 18
«
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Niet van toepassing.
«
Zijn er indicatoren aangetroffen archeologische vindplaatsen?
die verband houden met het verwachte
type
Nee, tijdens de karterende fase in plangebied Savanne en Gracht zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, noch uit de steentijd, noch uit de jongere prehistorie. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing. -
Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische
indicatoren?
Niet van toepassing. -
Wat is de aard en ouderdom van deze
indicatoren?
Niet van toepassing. «
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek worden bijgesteld?
de archeologische
verwachting
Op basis van de resultaten van het verkennend en karterend booronderzoek in plangebied Savanne en Gracht, waarbij in de boringen geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen en bovendien de bodem voor ca. twee derde van de totale oppervlakte tot tenminste de B-horizont blijkt te zijn omgewerkt, kan de archeologische verwachting naar beneden worden bijgesteld. «
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische toekomstige planontwikkeling?
waarden bedreigd
door
De kans dat de toekomstige planontwikkeling zal resulteren in bedreiging van archeologische waarden, wordt klein geacht, aangezien het onderzoek heeft aangetoond dat de kans op intacte archeologische resten klein is.
1 8
Tol, et al 2012
19
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader onderzoek kan worden geadviseerd?
archeologisch
Plangebied Savanne en Gracht wordt als voldoende onderzocht beschouwd.
4
Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Grafheuvels 4.1
Aanvullend Plan van Aanpak
4.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserende veldonderzoek in dit deelgebied is het aanvullen en toetsen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting voor zover deze betrekking heeft op grafvelden/grafheuvels. Tevens is de strategie voor het veldonderzoek afgestemd op het reeds verschenen Advies Archeologie, Plan van Aanpak 19
Op 21 oktober 2015 werd een aanvullend Plan van Aanpak opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek werd vastgelegd en nadere onderzoeksvragen zijn geformuleerd. In lijn met de conclusie naar aanleiding van de gespecificeerde verwachting en het adviesdocument archeologie, is voor het onderzoek van de mogelijke grafheuvels gekozen voor een verkennend booronderzoek. Met het verkennende booronderzoek wordt de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan bepaald. In aanvulling op de in paragraaf 3.1.1 gestelde en de in paragraaf 3.3 beantwoorde onderzoeksvragen, dient het verkennende booronderzoek in het deelgebied Grafheuvels in de eerste plaats antwoord te geven op de vraag of de vermoede grafheuvels ook daadwerkelijk grafheuvels zijn. 20
4.1.2 Onderzoeksmethode Voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag is de volgende onderzoeksmethode toegepast: Eerst werd buiten de mogelijke grafheuvel een boring verricht, teneinde de natuurlijke bodemopbouw te kunnen vaststellen. Daarna werd een boring verricht ongeveer halverwege de voet en de top (aangezien bekend is dat veel grafheuvels later zijn leeggeroofd, is de top ervan veelal verstoord en daarom diende het verrichten van boringen op de top te worden vermeden). Deze boring op de flank van de mogelijke grafheuvel werd doorgezet tot in de C-horizont van de onderliggende natuurlijke bodem en nauwkeurig geïnspecteerd op de aanwezigheid van een eventuele (gelaagde) plaggenopbouw, die kenmerkend is voor grafheuvels. De afwezigheid van een plaggenopbouw kan namelijk aanleiding zijn om de 'heuvel' als stuifduin te interpreteren. De bodem onder de mogelijke grafheuvels werd nauwkeurig geïnspecteerd op de af- of aanwezigheid van kenmerken van bodemdegradatie. Hierbij werd de redenatie gevolgd dat de bodem onder de grafheuvel afwijkt van de bodem buiten de heuvel. Door bodemdegradatie kan bijvoorbeeld de bodem onder de grafheuvel kenmerken vertonen van een bruine bosbodem, terwijl de bodem buiten de heuvel is gedegradeerd naar een veldpodzol.
Of door de bosaanplant vertoont de bodem buiten de heuvel kenmerken van verstoringen terwijl onder de heuvel juist een goed ontwikkelde bodem aanwezig is. Plaatselijk werd elders op de mogelijke grafheuvel nog een derde boring verricht. De bodemtextuur en archeologische indicatoren werden beschreven volgens SBB 5.1 van het NITG-TNO waarin ondermeer de standaard classificatie van bodemmonsters volgens NEN5104 wordt gehanteerd. De X- en Y-coördinaten zijn ingemeten met een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHN-beelden. 21
22
1 9
Kortlang 2016.
2 0
Huizer S Muller 2016.
2 1
Deze methode is met succes toegepast bij het AMR-project van de RCE. Type bodem onder een grafheuvel verschilt per
locatie (o.a, grondsoort) en datering van de grafheuvel (type landschap toen de heuvel werd opgeworpen). 2 2
Bosch 2005; Normalisatie-Instituut 1989.
20
4.1.3
Monsternameplan
Indien relevant voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen zouden archeologische indicatoren, indien deze tijdens het verkennende booronderzoek werden aangetroffen, worden bemonsterd en indien mogelijk worden gedetermineerd.
21
4.2
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Grafheuvels
4.2.1 Veldinspectie Omdat de vermoedelijke grafheuvels in het Plan van Aanpak enigszins globaal waren omcirkeld (zie de bruine cirkels in Bijlage 2), is met behulp van het AHN2 bepaald waar de bedoelde vermoedelijke grafheuvels zich zouden moeten bevinden. Met een GPS werd naar de centrumcoördinaten gelopen. Wat direct opviel, was dat de zuidoostelijke vermoedelijke grafheuvel momenteel in volledig geëgaliseerd terrein is gelegen (afb. 7; op bijlage 2 de vermoedelijke grafheuvel waar geen boringen en profielputten zijn verricht). Deze egalisatie was nog niet zichtbaar op het AHN2 en moet dus van zeer recente datum zijn, want dateren van na het verschijnen van het AHN2. Tevens werd tijdens de terreininspectie duidelijk dat de drie meest noordoostelijk gelegen heuvels morfologisch het meest uitgesproken waren. Enerzijds heeft dit te maken met het feit dat hier minder sprake was van (dichte) vegetatie, zoals bij de andere heuvels dikwijls het geval was, maar bovendien liggen deze drie heuvels samen in een patroon van een (bijna) gelijkzijdige driehoek, hetgeen de locaties extra verdacht maakte. Voor een impressie van één van deze heuvels, zie afb. 8.
22
Afb. 7: Geëgaliseerd
gedeelte ter plaatse van de meest zuidoostelijke
.
Afb. 8: Zicht op één van de noordoostelijke
w
vermoede
grafheuvel.
'•«•«fel
vermoedelijke grafheuvels (ter plaatse van boringen 501-503; foto genomen in zuidelijke richting).
4.2.2 Resultaten verkennend booronderzoek De boorgegevens worden gepresenteerd in Bijlage 6. De locaties van de boringen zijn weergegeven op Bijlage 2. Er zijn 18 verkennende boringen verricht (nrs. 501 t/m 518) met een combinatie van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een zandguts. De boringen zijn doorgezet tot in de oorspronkelijke podzolbodem , die op grond van de ervaringen met het verkennend booronderzoek in deelgebied Savanne en gracht duidelijk herkenbaar was. In enkele boringen die aan de voet van de heuvels werden gezet, bevond de A-horizont van deze podzolbodem zich aan het maaiveld (boringen 501en 513). In de meeste gevallen echter, zeker in
23
de boringen die meer bovenop de heuvels waren verricht, bevond zich op deze podzolbodem een zandpakket dat zich in zijn algemeenheid kenmerkte door de aanwezigheid van gelaagdheid en/of vlekken en een in vergelijking met de onderliggende podzolbodem opvallend vaalbruingrijze kleur. De Ab-horizont (de toevoeging - b heeft betrekking op het feit dat deze is "begraven") werd met uitzondering van boring 518 (105 cm - m v ) overal binnen 1 m - m v aangetroffen. Op de heuvels van de nummers 512-514 en 515-518 werd in de boringen een horizontale gelaagdheid boven de podzolbodem waargenomen die kenmerkend is voor stuifzand en niet voor opgebrachte plaggen (zie afb. 9).
Afb. 9: Detail van boring 516, 50 - 80 cm -mv; gelaagdheid
in het
stuifzandpakket.
Hetzelfde geldt voor locatie 501-503; op de noordflank (b. 502) werd aanvankelijk een gevlekt pakket aangetroffen, maar aangezien op de zuidelijke flank (b. 503) duidelijk sprake is van stuifzand, moet dit gevlekte pakket waarschijnlijk geïnterpreteerd worden als omgewerkt pakket (omgewerkt stuifzand). Ook op de locatie van de boringen 509-511 was er aan de ene flank van de "heuvel" sprake van een gevlekt pakket (509 en 510), maar in boring 511 werd horizontaal gelaagd stuifzand aangetroffen, wat de interpretatie als grafheuvel een stuk minder aannemelijk maakt. Op de locaties 504/505 en 506-508 werden in de boringen 505 en 508 echter wel boven de oorspronkelijke A-horizont gevlekte pakketten (onder meer met humeuze brokken) waargenomen, die in ieder geval wijzen op van elders aangevoerd en opgebracht materiaal. Zie afb. 10 voor een detail van boring 505.
24
Afb. 10: Detail van boring 505, 0 - 50 cm -mv; plaggenachtige
gelaagdheid.
Omdat op de locaties 504/505 en 506-508 in de boringen een soort "plaggenachtige" gelaagdheid (zo genoemd vanwege het voorkomen van humeuze lagen) werd waargenomen, kon voor deze twee locatie nog niet worden vastgesteld of het hier ging om opgebrachte plaggen (dus grafheuvels) of om humeuze lagen of begraven bodems in een stuifzandpakket . Om deze onzekerheid weg te nemen werd in overleg met de (archeologisch adviseur van de) opdrachtgever besloten om ter plaatse van alle vermoedelijke grafheuvels één of twee profielputten aan te leggen. Profielputten Het verkennend booronderzoek ter plaatse van de vermoedelijke grafheuvels werd aangevuld met in totaal elf profielputten, genummerd van 519 tot en met 529. De belangrijkste conclusie is, dat de humeuze gelaagdheid die plaatselijk in de boringen werd waargenomen, in de profielen onderdeel blijken uit te maken van de gelaagdheid in het stuifzand. Eén van de duidelijkste voorbeelden hiervan werd waargenomen in put 523 (afb. 11). In deze put werd een dunne humeuze laag aangetroffen, die door de hele put continu aanwezig was en een interpretatie als plaggen tegenspreekt. Plaggen zouden zich namelijk niet als continue lagen manifesteren, maar als langwerpige "brokken".
25
Stuifzand
PfcļļKLţ-į
v
I
Abhorizonl Ehorizont
Bhorizor Chorizont Afb. 11: Profielput 523. Let op de c ontinue humeuze laag in het pakket
stuifzandafzettigen.
Ook in put 522, die ter plaatse van de mogelijke grafheuvel 506508 werd aangelegd, werd geen plaggenopbouw waargenomen. Er bleek sprake te zijn van een pakket stuifzand, dat later, waarschijnlijk als gevolg van bioturbatie, verstoord was geraakt (afb. 12). Het pakket stuifzand heeft hier onderin een grijze kleur, veroorzaakt door afzetting van elders door winderosie aan de oppervlakte geraakt en vervolgens door de wind meegenomen materiaal van een Ehorizont. Dit verschijnsel wordt overigens vaker waargenomen in stuifzandafzettingen; hierdoor ontstaat ook een gelaagdheid die de kleuren van diverse bodemhorizonten in zich heeft. Dat met name de Ehorizont wordt afgezet door verstuiving heeft te maken met het feit dat de deze in tegenstelling tot de A en Bhorizont makkelijk erodeert, doordat de zandkorrels niet zo sterk door humus aan elkaar zijn gekit. Deze gelaagdheid is duidelijk zichtbaar in put 525 (afb. 13). In het lichtbruingrijze pakket stuifzand is sprake van een horizontale gelaagdheid bestaande uit een afwisseling van lichtbruine en grijze zandlagen. De humeuze laagjes zijn dunne initiële bodems, ontstaan tijdens rustige perioden tussen de verstuivingsfasen. 23
2 3
Koopman S Sevink 2015.
26
it V l j
Afb. 12: Profielput 522. Verstoring in het pakket
»
stuifzandafzettingen.
27
5»
m
-3
r
i
Afb. 13: Profielput 525. Horizontale gelaagdheid,
bestaande uit meer en minder humeuze lagen in het pakket
4.3
stuifzandafzettingen.
C o n c l u s i e s naar aanleiding van het verkennende booronderzoek en profielputten in deelgebied Grafheuvels
Alle onderzochte heuvels moeten worden geïnterpreteerd als stuifduinen en niet als grafheuvels. De zeven min of meer cirkelvormige, in bruin aangegeven zones ("vermoedelijke grafheuvels"), zoals aangegeven in Bijlage 2 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen.
28
5
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om plangebied Savanne en gracht en Grafheuvels vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanwijzingen voor vuursteenvindplaatsen of vindplaatsen uit latere fasen van de prehistorie (waaronder grafheuvels) zijn niet aangetroffen. Voor de op de Archeologisch vrijgegeven vlekkenkaart d.d. 17 februari 2016 (bijlage 3) weergegeven gebieden B, C, D en E geldt derhalve dat ADC ArcheoProjecten aanbeveelt om deze als onderzocht en vrijgegeven te beschouwen. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen, die tijdens het onderzoek aan de waarneming en interpretatie zijn ontsnapt. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
Literatuur Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische
Standaard Boorbeschrijvingsmethode,
Versie 5.2. Utrecht
(TNO-rapport NITG 05-043-A). Fokkens, H. & R. Jansen (red.), 2002: 2000jaar bewoningsdynamiek. Brons- en ijzertijdbewoning in het Maas-Demer-Scheldegebied. Leiden. Huizer, J. & A. Muller, 2016: Plan van Aanpak; Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek (IVO-O) en een karterend en waarderend proefputtenonderzoek (IVO-P) Amersfoort). Koopman, S. & J. Sevink, 2015: Zand in beweging. Over Goois stuifzand en stuifzandrestauratie. Huizen. Kortlang, F.P., 2016: Advies archeologie II: Plan van Aanpak Verkennend en Karterend booronderzoek Safari Resort Beekse Bergen (Hilvarenbeek). Eindhoven). Meurs, F.A., van, J. Ras & L.R. van Wilgen, 2010: Archeologisch Bureauonderzoek Plangebied Beekse Bergen, Hilarenbeek, Gemeente Hilvarenbeek. Heinoord (Projectnummer 1533-0809). Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Peeters, M.M., 2012: Verorgen tussen het groen; een archeologische verwachtings- en beleidskaart voor de gemeente HIlvarenbeek. Weesp (RAAP-Rapport 2450). SIKB, 2013: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems, versie 3.3. Gouda). Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Gouda (SIKB uitgave ).
29
Geraadpleegde websites http://ahn.geodan.nl/ahn http://www.ruimtelijkeplannen.nl
Lijst van figuren, afbeeldingen, tabellen en bijlagen Afb. 1: Locatie van het plangebied Afb. 2:Toekomstige situatie Safari Resort Beekse Bergen (afbeelding vervaardigd door Bureau Kragten). Het plangebied Savanne en gracht is weergegeven met rode arcering. Afb. 3: Impressie van plangebied ter hoogte van het oostelijke gedeelte van de waterpartij, genomen richting het noorden. Afb. 4: Profielput boring 53. Afb. 5: Profielput boring 60. Afb. 6: Profielput boring 75. Afb. 7: Geëgaliseerd gedeelte ter plaatse van de meest zuidoostelijke vermoede grafheuvel. Afb. 8: Zicht op één van de noordoostelijke vermoedelijke grafheuvels (ter plaatse van boringen 501-503; foto genomen in zuidelijke richting). Afb. 9: Detail van boring 516, 50 - 80 cm - m v ; gelaagdheid in het stuifzandpakket. Afb. 10: Detail van boring 505, 0 - 50 cm - m v ; plaggenachtige gelaagdheid. Afb. 11: Profielput 523. Let op de continue humeuze laag in het pakket stuifzandafzettigen. Afb. 12: Profielput 522. Verstoring in het pakket stuifzandafzettingen. Afb. 13: Profielput 525. Horizontale gelaagdheid, bestaande uit meer en minder humeuze lagen in het pakket stuifzandafzettingen. Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden.
Bijlage 1 Boorpuntenkaart Savanne, Gracht en Grafheuvels Bijlage 2 Boorpuntenkaart Grafheuvelonderzoek op uitsnede AHN2 Bijlage 3 Archeologisch vrijgegeven vlekkenkaart Bijlage 4 Boorgegevens verkennend booronderzoek Savanne en gracht Bijlage 5 Boorgegevens karterend booronderzoek Savanne en gracht Bijlage 6 Boorgegevens Grafheuvels Bijlage 7 Samenvatting reeds uitgevoerd onderzoek Bijlage 8 Advies Archeologie: Plan van Aanpak
(O
' ",
: ' : ' V
1 ~
\
-
----
\ \\1
r z - i li*
-
- --
--
•* - -
--
\ 7
- V "
4
i *
----
•r
Hl
SS*
3
--
PM
!1
I
X
Z
----
7
ff
•:
•H
32 İ D " Í
- - :
Z
-
«
â 4
z
I •:
1
\
I
z
8
I
1
i
o
c
---—
\
s
\\
-:
:
1
c G
V
S
----
----
f
SSHCBS
I m ì
Lr
\
-
\ KJ-
7 v
z
1
^ -
I I
- --
mm
3
ooo
- -
\
3
3 n ----
\
i !!
n
I
-.
n
\
----
-.
\
\ 0) •:
\
ŨJ
•V
G
\
\
S
®
s
---
G
•3
Tl pa
G
-
3
C
i
0
v
3
\
; •' 1 —
c
\
o
i
WH
\ v
-.
ra
-:
O
ra ra CO
-i.
3
o
u
O
Hl"
1
!
c o
ü
ra ra
G
o
O
i J
----
C
Ě
0)
I
\
Ľ
O
o
---P.
li
1 v-
c O
ra CD 01
O
o
c
1
c 1 1
w-
----
-i
:
•1
•J
J
0) O)
cc Ũ0616Ē
1 3:
1.
ŪC0ä6E
İ
3
03
-
:
--
u
W H
íįwa—! C
ĩî
i!
Il-A.
ū. IB
3J
N
-. 1
n 3
Zl
Cr.
Į
509
5,1
(3 520
526
525 513 ^
514
511
510
50,1
1
504 506
507
528
502
522
508
w*Ĵå rif»
O! 00
524 515
#
523
516
V
* 518 517 Ũ
135900
136000
Bijlage 2. Boorpuntenkaart grafheuvelonderzoek op uitsnede AH N2 Legenda Begrenzing deelgebied Savanne en Gracht Vermoedelijke ligging grafheuvel op basis van PvA en bureauonderzoek *
(Guts)boringen en profielputten grafheuvelonderzoek
136100
136200
Verklaring Vrijgegeven gebieden Conform vigerende PIP
opp. ca. 117.600 m
2
Onderzocht behandeling gebieden V I I U ũ l Ĺ U V / l l l en t i l l Iin I
CAD
Stallen
opp. ca. 5.300 m
2
Te onderzoeken gebieden
B V/. C D V/. E V/,
ft
*0 r T A
a O
O
a a a O 'O O
O o
opp. ca. 27.800 m
Centrumgebouw
opp. ca. 5.600 m
Afgravingen Savanne B
opp. ca. 27.100 m
Doorsteek Savannes
opp. ca. 1.700 m
2
2
2
2
O
0
D
Afgravingen Savanne A
3Q
O
O
n
O
7
O
16.0Ũ
O O ZO
î
\
"•'"••••••S:~fc-
" " "
a
a
\
o
1&.40
'
o o O
S7
n
Åsjcÿ
^
^
^
S5
2?
1G.2Ũ
'O O • o n
16.00
^
i
n
n
b i
mmw
1
I
L 1ļ
f f***.
WSKffM 16.00 16.S0\
llĩ.SO
7
m
u t ti
^ 7
TT
3
^ Z 6Q-12Û
Ėī 7
s
t t t : • I f
-P
- - " i f W
I
W i H S B İ ? 3 "
I
/^iïïïīīīīīīīr
:
O
STUIFDL»!
O D
)
•
l i l
7?
I
o
O O. On O o
1^
-7
o
î
l
i
v
T a
^ a O
i ĩ
0
0
3
-äATîWĩļgv
s
2
10022016 Wijziging nummering deelgebieden (A t/m E)
JWI
SR
1
05022016 Te onderzoeken gebieden toegevoegd
JWI
SR
0
11012016
Versie
Datum
JWI Omschrijving
SR
Opsteller
6 ft
PVA ' PVA ' PVA
Par. Verificatie Par. Validatie
Par.
Safariresort Beekse Bergen š
Onderdeel Herten
Archeologische vlekkenkaart
Schoolstraat 8, 6049 BN Herten Postbus 14, 6040 AA Roermon d
'sHertogenbosch Hambakenwetering 5J, 5231 DD 'sHertogenbosch Postbus 2309, 5202 CH 'sHertogenbosch
Opdrachtgever
088 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
Libéma Exploitatie BV
Projectnummer
Fase
ARC041 Formaat
Tekeningnummer
A0+1
20160040
Schaal
Behorende bij doc. nr.
1: 1000 m
20
40
60
80
100
į
1
2
E
E
coordinaat
coordinaat
cn
( "0
Bijlage 3 Boorgegevens verkennend booronderzoek Savanne en gracht
X
5*
t O) o o x: T3 >
'(5 0. raz< E
o m
m
(c c(
n įlļ n
tr o in d O) t3- S o E ai in n
r o
n a a d m d n a
n n
i
i
.E !5
n
i
O a.
13
o c
c
i g
i
t m a ra -Q gj r
>
m
N
r
o
i
135835.0 391930.3 0
20
zand
;
siltig;matig humeus
matig fijn bruingrijs
matig grote spreiding
20
45
zand
;
siltig
matig fijn lichtbruin
matig grote spreiding;opgebrachte grond
45
45
zand
siltig;matig humeus
Ahorizont
45
65
zand
;
siltig
matig fijn donker kalkloos grijsbruin matig fijn grijs kalkloos
65
80
zand
;
siltig;sterk humeus
kalkloos
Bhorizont;humeus
80
90
zand
matig fijn zwart bruin matig fijn bruin
kalkloos
B horizont;ingespoelde sesquioxiden
90
100 zand
siltig zwak siltig
20
zwak siltig
siltig;matig humeus
Ehorizont
matig grote spreiding;basis geleidelijk matig grote spreiding matig grote spreiding;basis geleidelijk matig grote spreiding;basis diffuus
matig fijn lichtgeel bruin
Chorizont
matig grote spreiding
matig fijn bruingrijs
Ahorizont
matig grote spreiding
135854.5 391953.0 0 10
siltig;matig humeus zand
20 35
siltig;matig humeus 45
zand
zwak siltig
45
siltig;sterk humeus
60
siltig;matig humeus
85
120 zand
zwak siltig
matig fijn licht kalkloos groengrijs matig fijn donker kalkloos bruingrijs matig fijn grijs kalkloos matig fijn zwart bruin matig fijn bruin
matig fijn lichtgrijs
matig grote spreiding;opgebrachte grond Ahorizont
matig grote spreiding;basis geleidelijk
Ehorizont
matig grote spreiding;basis geleidelijk
kalkloos
Bhorizont;humeus
matig grote spreiding;basis geleidelijk
kalkloos
B matig grote spreiding;basis diffuus horizont;ingespoelde sesquioxiden Chorizont
matig grote spreiding
nummer
x coordinaat
y coordinaat
(cm) (UI)
135874.1 391975.8
(c c(
m
maaiveldhoo NAP
(UI) 3
o
e t O)
m
n e r n e o v
r )
ve)
t o o
n e r
r
r )
e )n n r o m r
d
d
dv)
on
n
) n ) n e .E 5 i
i
n a a d e m d n a i
e e n) n ) i o) o. c n
e
e
i
e) ci h
n e
n
)
) e v o
n e O g a ra 5 O 5
r e u
l
N
in
i
r
bruin
4
5
0
15
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn bruin-grijs kalkloos
weinig grijze vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
15
30
zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
E-horizont
matig grote spreiding;basis geleidelijk
30
50
zand
zwak siltig;sterk humeus
matig fijn zwart¬ bruin
kalkloos
B-horizont;humeus
matig grote spreiding;basis geleidelijk
50
70
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin
kalkloos
Bmatig grote spreiding;basis diffuus horizont;ingespoelde sesquioxiden
70
125 zand
zwak siltig
matig fijn licht-bruin- kalkloos grijs
125
130 zand
zwak siltig
matig grof
licht-geelgrijs
0
95
zwak siltig;matig humeus
matig grof
donker¬ kalkloos grijs-bruin
95
120 zand
zwak siltig
matig fijn oranje¬ bruin
0
70
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn donker¬ kalkloos grijs-bruin
veel bruine vlekken;veel grijze vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
70
105 zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn grijs-bruin kalkloos
weinig gele vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
105
130 zand
zwak siltig
matig grof
C-horizont
kalkloos spoor roestvlekk en
matig grote spreiding;basis geleidelijk matig grote spreiding
135893.6 391998.5 zand
kalkloos
C-horizont
veel bruine vlekken;veel grijze vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond matig grote spreiding
135913.7 392021.8
licht-bruin- kalkloos grijs
veel baks teen
C-horizont
matig grote spreiding
6e n o
)
m (
)
c
m a a a n dd o o o c c )
(
t
o
i
i
E E
m a n
)
(
t
i
i
r r r
o
r
l
l
i
i
a
3 C
X
6
135925.1 392053.4
7
) o o h d e v a Ez
y
r
r
d
n o
e
de
n
n
(c c(
m
m
n a a d e m d n a
n n e e ) e ) n h n o) ~ o -— n n o r e ae ra 5 o 5 e
n t n e o e r r o n e e )n o v n r 2 E o E
) n ) n e .E
0
20
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn donkerbruin-grijs
20
75
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn licht-bruin- kalkloos grijs
75
100 zand
zwak siltig
matig fijn licht-geelgrijs
0
45
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn donkerkalkloos grijs-bruin
weinig bruine vlekken;weinig gele vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
zand
zwak siltig
matig fijn licht-bruin
matig grote spreiding
r
r )
r )
r
ve)
d
d
dv)
on
i
i
i
n
e
i
i
r e
) e v o
n
.
i
o
u
l
N
r
kalkloos
matig grote spreiding weinig bruine vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
kalkloos
C-horizont
matig grote spreiding;spoor leemlagen
135959.3 392059.7
45
kalkloos spoor roestvlekk en
8
11
135936.5 392086.3 0
45
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig grof
licht-bruin- kalkloos spoor grijs roestvlekk
veel bruine vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
45
80
zand
zwak siltig
matig grof
licht-grijsbruin
0
15
zand
zwak siltig;sterk humeus
matig fijn donkerbruin-grijs
kalkloos
15
50
zand
matig siltig;zwak humeus
matig fijn donkerbruin-grijs
kalkloos
50
55
zand
zwak siltig
matig fijn grijs-bruin
kalkloos
Bmatig kleine spreiding horizont;ingespoelde sesquioxiden
55
80
zand
matig siltig
matig fijn licht-grijs
kalkloos spoor
C-horizont
en kalkloos spoor roestvlekk
matig grote spreiding;spoor leemlagen
135982.0 392125.3 A-horizont
matig grote spreiding weinig grijze vlekken;weinig gele vlekken;matig kleine spreiding;basis scherp;omgewerkte grond
matig kleine spreiding co
g coordinaat
X
5*
o
t O)
(c c(
m
aaiveldhoo AP
g coordinaat
(cm)
6m
n e r n e o v
n e )
r )
r
r
r e r
) nv o m)
ve)
E z
80
t o o d
r
d) n
110 zand
) n ) n e .E i
i
n a a d e m d n a i
N
zwak siltig
n n e e ) e ) n h n o) ~ O -— e
n
e
i
3
O Q. C ™
) e v o
O)
i
C o r e ae (Ï 5 O 5 n
r
o
e
l
roestvlekk en matig fijn licht-geel- kalkloos spoor bruin roestvlekk
matig kleine spreiding
en 12
13
136006.3 392095.5 0
10
zand
zwak siltig;sterk humeus
matig fijn donkergrijs-bruin
kalkloos
A-horizont
matig grote spreiding
10
15
zand
matig siltig;zwak humeus
matig fijn bruin-grijs
AC-horizont
matig kleine spreiding
15
80
zand
matig siltig
matig fijn grijs
80
95
zand
zwak siltig
matig fijn licht-bruin
kalkloos spoor roestvlekk en kalkloos veel roestvlekk en kalkloos weinig roestvlekk en
95
120 zand
matig siltig
matig fijn licht-bruin- kalkloos spoor grijs roestvlekk en
0
5
zand
zwak siltig;sterk humeus
5
40
zand
matig siltig
matig fijn donkerbruin matig fijn grijs
40
80
zand
zwak siltig
matig fijn grijs
80
150 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
matig kleine spreiding;basis diffuus
matig grote spreiding
matig kleine spreiding
136027.6 392072.2 kalkloos
O-horizont
kalkloos weinig roestvlekk en kalkloos weinig roestvlekk en kalkloos
C-horizont
matig kleine spreiding weinig bruine vlekken;weinig gele vlekken;matig kleine spreiding;basis scherp;omgewerkte grond matig kleine spreiding;weinig leemlagen matig kleine spreiding;weinig leemlagen
(cm) 14
15
16
X
5*
o
t O)
m
m
(c c(
aaiveldhoo AP
3 C
coordinaat
E E
g
coordinaat
o
g
n e r n e o v
r )
ve)
E z
t o o
n e r
r
r )
r
e )n n r o m
d
d
dv)
on
n
) n ) n e .E 5 i
i
n a a d e m d n a i
N
n e e e n) e) n ci ) i o) O. c n e a 2 c O) .Ē, O 5 ra 5 n
e
e
i
h
n
)
) e v o
in
3
e
l
i
r
136061.7 392078.4 0
10
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn donkergrijs-bruin
kalkloos
A-horizont
matig grote spreiding
10
35
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin-grijs
kalkloos
C-horizont
weinig gele vlekken;matig grote spreiding;basis scherp;omgewerkte grond matig grote spreiding
35
60
zand
zwak siltig
matig fijn licht-bruin- kalkloos weinig grijs roestvlekk en
60
90
zand
matig siltig
zeer fijn grijs
90
170 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
0 10
10 35
zand zand
zwak siltig;sterk humeus zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin matig fijn donker¬ grijs
kalkloos kalkloos
O-horizont
matig kleine spreiding matig grote spreiding;veel zandlagen;stuifzand
35 50
50 zand 150 zand
zwak siltig;zwak humeus zwak siltig
matig fijn licht-bruin matig fijn licht-grijsbruin
kalkloos kalkloos weinig roestvlekk en
BC-horizont C-horizont
matig grote spreiding;basis diffuus matig grote spreiding
150
180 zand
zwak siltig
matig fijn licht-grijs
kalkloos
0
20
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn grijs-bruin kalkloos
weinig gele vlekken;matig grote spreiding;omgewerkte grond
20
55
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn licht-bruin
kalkloos
matig grote spreiding;weinig zandlagen;stuifaand
55
75
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn donker¬ grijs
kalkloos
kalkloos spoor roestvlekk en kalkloos weinig roestvlekk en
matig kleine spreiding
matig grote spreiding;weinig leemlagen
136040.0 392045.6
matig grote spreiding
136067.1 392045.7
B-horizont;humeus
weinig grijze vlekken;matig kleine spreiding;basis geleidelijk UI
6-
X
17
18
coordinaat (m)
coordinaat (m)
c
5*
n
(
O) o o x:
o
I
O) :^
)
'İ5 Q.
E l
n r n
.D
E
n
o
I
t o o
n r
r
)
om)
r
n a a d m d n a
) n ) n .E 5
N
i
i
0)
i
n
S
) i o) O. c 2 c
i
.) )
i n
n . a ra 3 o 5
3
i
r
. o
75
65
zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
E-horizont
65
90
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin
kalkloos
Bmatig grote spreiding;basis horizont;ingespoelde geleidelijk sesquioxiden
90 125
125 zand 170 zand
zwak siltig zwak siltig
matig fijn geel-bruin kalkloos matig fijn licht-geel- kalkloos spoor bruin roestvlekk en
170
190 zand
sterk siltig
zeer fijn licht-grijs
kalkloos spoor roestvlekk en
0
10
zand
matig siltig;sterk humeus
matig fijn bruin
kalkloos
O-horizont
matig kleine spreiding
10
15
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn donkerkalkloos bruin-grijs
A-horizont
matig grote spreiding
15
60
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin-grijs kalkloos
60
70
zand
zwak siltig;sterk humeus
kalkloos
A-horizont
matig kleine spreiding
70
80
zand
zwak siltig
matig fijn bruin¬ zwart matig fijn licht-grijs
kalkloos
E-horizont
matig grote spreiding
80
95
zand
zwak siltig;sterk humeus
kalkloos
B-horizont;humeus
95
115 zand
zwak siltig
matig fijn donker¬ bruin matig fijn bruin
kalkloos
Bhorizont;ingespoelde sesquioxiden
matig grote spreiding;basis geleidelijk matig grote spreiding;basis diffuus
115
130 zand
zwak siltig
matig fijn licht-geelbruin
kalkloos
C-horizont
matig grote spreiding
0
10
zwak siltig;sterk humeus
matig fijn donkerbruin
kalkloos
O-horizont
matig grote spreiding
C-horizont
matig grote spreiding;basis geleidelijk
matig grote spreiding matig grote spreiding
matig kleine spreiding
136075.6 392019.1
matig grote spreiding;weinig zandlagen;basis scherp;stuifzand
136083.1 391986.3 zand
01
6-
X
19
20
coordinaat (m)
coordinaat (m)
c
5*
n
( O)
o o x:
I
O) :^
o
I
n r n
.D
t o o
n r
)
'İ5 Q.
E İ
n
o
r
)
E
om)
r
n a a d m d n a
) n ) n .E 5
N
i
i
0)
i
O.
c
2 c ra 3
3
n
S
) i o)
i
.) )
i n
n . a o 5
i
r
. o
10
65
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin-grijs kalkloos
matig grote spreiding;basis scherp;stuifzand
65
85
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn donker¬ grijs
kalkloos
A-horizont
matig grote spreiding;basis geleidelijk
85
105 zand
zwak siltig
matig fijn grijs
kalkloos
E-horizont
105
115 zand
zwak siltig;sterk humeus
matig fijn zwart
kalkloos
B-horizont;humeus
spoor grijze vlekken;matig grote spreiding;basis geleidelijk matig grote spreiding;basis geleidelijk
115
175 zand
zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin
kalkloos
BCl vee gele vlekken;matig grote horizont;ingespoelde spreiding;spoor grindl agen;rond 150 sesquioxiden fijn grind
175
210 zand
zwak siltig
matig fijn licht-bruin- kalkloos weinig grijs roestvlekk en
0
5
zand
zwak siltig;matig humeus
matig fijn grijs-bruin kalkloos
5
80
zand
zwak siltig;zwak humeus
matig grof
bruin-grijs kalkloos
matig grote spreiding;basis scherp;stuifzand
80
210 zand
zwak siltig
matig fijn licht-bruin- kalkloos weinig grijs roestvlekk en
matig grote spreiding;weinig leemlagen
0 5
5 40
zand zand
zwak siltig;sterk humeus zwak siltig;zwak humeus
matig fijn bruin kalkloos matig fijn bruin-grijs kalkloos
O-horizont
matig grote spreiding matig grote spreiding;basis scherp;stuifzand
40
70
zand
zwak siltig
matig fijn licht-grijs
kalkloos weinig roestvlekk en
C-horizont
matig grote spreiding
70
90
zand
matig siltig
zeer fijn licht-grijs
kalkloos spoor roestvlekk en
matig grote spreiding
136108.4 391992.5 A-horizont
matig grote spreiding
136131.2 391965.9
matig kleine spreiding