CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

09 bestemmingsplan Hakvoortseweg 21 Biest-Houtakker (4 toelichting)

Gemeenteraad 1 februari 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hakvoortseweg 21, Biest-Houtakker".19.924 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap de Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. ▪ Wat schoon is moet schoon blijven. Aangezien de leefomgeving verandert is het waterschap opzoek gegaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden voor de uitdagingen. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe het waterschap de doelen gaan bereiken. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap de Dommel keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Pagina 23 van 52

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van afvoer en verwerking van hemelwater is in het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ uitgewerkt. Dit document behoort als bijlage toe aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke is doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particulier terreinen bij de bewoner/eigenaar binnen grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Daarnaast is het beleid van de gemeente erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Daarbij wil de gemeente de vrijstelling tot compensatie bij kleine toename in verhard oppervlak binnen de Keur voor een ontwikkeling, met dit gemeentelijke beleid teniet doen Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt dus ten allen tijden het proces van de watertoets gevolgd. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden keurregels gevolgd met de gemeentelijke regels.

De gemeentelijke regels zijn aangescherpt ten opzichte van de Keur. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 500 m2 zijn vrijgesteld van compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen (vanaf 250 m2). In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over een toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor ¼ betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder ‘nieuw verhard oppervlak’ wordt binnen dit gemeentelijk beleid dát oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de omgeving van het plangebied is een B-watergang gelegen. Deze B-watergang is opgenomen in de ‘Vastgestelde Legger Oppervlaktewater’ van het Waterschap De Dommel. In onderstaande Afbeelding 6 is een uitsnede van deze Legger weergegeven. De bestaande watergangen in de omgeving van het plangebied worden door de uitvoerging van het plan niet aangetast.

Pagina 24 van 52

Afbeelding 6: Uitsnede legger waterschap De Dommel, locatie rood omlijnd

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit het plangebied enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd op de omliggende perceelsloten. Dit blijft onveranderd ten opzichte van de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht genomen. Binnen 5 meter van de nabijgelegen B-watergang worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing danwel landschapselementen, mogelijk gemaakt. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing en erfverharding zullen worden verwijderd, het gaat hierbij om circa 1.700 m2 aan bebouwing inclusief de erfverharding. Hierdoor is er sprake van een ruime afname in oppervlakte verharding. In de beoogde situatie worden namelijk twee bouwpercelen gerealiseerd van in het totaal 3.000 m2 (ieder 1.500 m2) en het bestaande bouwperceel is 7.371 m2 groot. In de beoogde situatie zal er enkel één woning worden gerealiseerd. Deze zal geen grotere oppervlakte krijgen dan 250 m 2. Naast de woning zal tevens erfverharding worden gerealiseerd, dit zal tevens circa 250 m2 bedragen. In het totaal zal er derhalve een toename in verharding zijn van circa maximaal 500 m2.

Pagina 25 van 52

Er is derhalve een compenserende maatregel noodzakelijk conform het gemeentelijk beleid. De inhoudt van de waterberging hangt af van de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied. In onderstaande afbeelding is te zien dat de gevoeligheidsfactor van het plangebied 1 is. Dit betekent dat 60 mm aan compensatieberging dient te zijn. In de beoogde situatie betekent dit dat er een waterberging dient te worden gerealiseerd van circa 30 m3 (0,06 * 500 m2). De exacte afmetingen van de woning en de erfverharding dient echter nog te worden bepaald.

Afbeelding 7: Uitsnede kaart waterschap De Dommel, gevoeligheidsfactor, plangebied roodomlijnd

Hierbij valt op te merken dat met het realiseren van de landschappelijke inpassing een retentiepoel van 120 m2 wordt gerealiseerd, rekening houdend met de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Hier zal het hemelwater worden opgevangen. Er zal derhalve ten alle tijden voldoende ruimte zijn om water op te vangen ten behoeve van de nieuw te realiseren verharding. Met het realiseren van de woning wordt rekening gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Zoals in onderstaande Afbeelding 8 te zien is, is de GHG tussen den 20 – 80 cm. De ontwateringsdiepte zal voldoende zijn door middel van een plaatselijke ophoging van het perceel.

Afbeelding 8: Uitsnede kaart Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG)

Pagina 26 van 52

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Het Waterschap heeft een positieve reactie gegeven op het ontwerpbestemmingsplan. Het Waterschap geeft hierbij nog een advies om de dimensionering van de waterberging bij te voegen, echter mag dit ook worden bijgevoegd op het moment dat er een bouwaanvraag wordt gedaan. Op het moment dat er een bouwaanvraag wordt ingediend, zal de retentiepoel verder worden uitgewerkt. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen.

Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie wel NNB aanwezig, zie Afbeelding 9. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden. Het plangebied ligt echter wel tegen het NNB gebied aan.

Pagina 27 van 52

Afbeelding 9: Kaart Iov, Natuur Netwerk Brabant kaart, locatie rood omlijnd

In onderstaande Afbeelding 10 is een uitsnede weergegeven van het ‘Natuurbeheerplan’ van de provincie Noord-Brabant. Hierop zijn de nabij gelegen natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen weergegeven die binnen het NNB gebied gelegen zijn. In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen gelegen: ▪ Vochtig hooiland; ▪ Haagbeuken- en essenbos; ▪ Vochtig bos met productie; ▪ Houtwal en houtsingel.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart 'Natuurbeheerplan', locatie met zwarte stip weergegeven

In onderstaand kader zijn de genoemde natuurbeheertypen en landschapsbeheertypen kort beschreven met de eventueel specifieke hydrologische doelen van het betreffende beheer type.

Pagina 28 van 52

N10.02 Vochtig hooiland Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems met een redelijke draagkracht. Net als bij natte schraallanden zijn microgradiënten in het vochtgehalte belangrijk. De hooilanden langs de rivieren bijvoorbeeld zijn zeer gradiëntrijk met overgangen naar oeverwallen, rivierduintjes of kommen. In vochtig hooiland komen overgangen naar grote zeggenvegetaties en ruigten met moerasspirea voor. Lokaal kan opslag plaatsvinden van wilgenstruwelen. Deze elementen zijn van belang voor vlinders of struweelvogels. Open landschappen kunnen van belang zijn voor weide vogels. Belangrijke gebieden met vochtig hooiland zijn de vinden in beekdalen, op hoge in cultuur gebrachte kwelders, langs (kleine)rivieren en in het veenweidegebied. N14.03 Haagbeuken- en essenbos Haagbeuken- en essenbos wordt gedomineerd door diverse boomsoorten zoals haagbeuk, gewone es, esdoorn en gladde iep. Het betreft rijke bossen op klei- of leemgrond en/of op bodems waar aanrijking plaatsvindt met basen door periodiek met hoge waterstanden buiten de invloed van beek of rivier. Het bostype is vaak rijk in structuur en kent een opvallende voorjaarsflora. Haagbeuken- en essenbos komt op verschillende bodemtypen voor met een basisch en vochtig tot vrij nat karakter.

N16.04 Vochtig bos met productie (nieuw per 01-01-2018) Vochtig bos met productie bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten. Het komt voor op matig nat tot matig droge, vrij voedselrijke kleiige tot zandige bodems, waaronder overstromingsdelen van beken. L01.02 Houtwal en houtsingel In de loop der eeuwen zijn in het Nederlandse landschap diverse lijnvormige landschapselementen verschenen met houtige gewassen. Sommige van deze landschapselementen zijn al eeuwen oud. De functie was vaak meerledig: zo dienden dergelijke landschapselementen als perceelsscheiding en veekering maar leverden ze ook gebruikshout op. Deze lijnvormige landschapselementen kennen een sterke samenhang met het omringde landschap. Houtwallen en houtsingels zijn bepalend voor het kleinschalige kampenlandschap op de zandgronden.

De beoogde ontwikkelingen tasten de ecologische en hydrologische waarden en kenmerken van de NNB (zoals hierboven benoemd) niet aan. Met de beoogde ontwikkeling wordt de intensieve veehouderij planologisch beëindigd en wordt het plangebied (gedeeltelijk) omgezet naar een woonbestemming en daarnaast wordt een ruimte-voor-ruimte woning gerealiseerd. Hierdoor worden verzurende/bemestende activiteiten verder beperkt, wat ten goede komt aan de waterkwaliteit en de leefomgeving van de hierboven genoemde beheertypen. Daarnaast wordt de locatie landschappelijk ingepast. In de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de hierboven genoemde beheertypen, bijvoorbeeld door het aanplanten van meerdere landschapsbomen. De omvang van de beoogde ontwikkeling is kleinschalig van aard en heeft derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. Hiermee wordt voldaan aan de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening.

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen,

Pagina 29 van 52

nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kempenland-West, dat op een afstand van circa 1,3 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het plangebied aan de Hakvoortseweg 21 te Biest-Houtakker heeft de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Op deze locatie was een milieutoestemming aanwezig in het kader van het Activiteitenbesluit. Vooruitlopend op het wijzigen van het bestemmingsplan is op 02-03-2020 de milieutoestemming voor het houden van varkens ingetrokken. In navolgende tabel is de dierentabel uit de melding Activiteitenbesluit weergegeven met bijbehorende emissies. Door het beëindigen van de veehouderij ter plaatse van het plangebied is een aanzienlijke milieuwinst behaald, namelijk 3.175,10 kg NH3 per jaar. Tabel 1: Diertabel Huisvestingssysteem

Stal nr.

Code

Houderij/hoktype

D 1.1.100

Overige huisvestingsystemen Overige huisvestingsystemen overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen

D 1.2.100 D 1.3.101

D 2.100 D 3.100

D 3.100

overige huisvestingssystemen

D 3.2.1

gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter

_

Honden *

Code systeembeschrijving

Diercategorie 0 Biggenopfok (gespeende biggen) 0 Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) 0 Guste en dragende zeugen

0 Dekberen, 7 maanden en ouder 0 Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking 0 Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking BWL 2001.23.V1 Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking _ Honden

Ammoniak Aantal dieren/ Kg NH3 Totaal kg dierplaatsen per dier NH3 396 0,69 273,240

Geur (OUE/s) Totaal OUE/s OUE/s /dier 7,8 3088,8

Fijnstof PM10 (g/jaar) g/dier Totaal /jaar gram 74 29304

32

8,3

265,600

27,9

892,8

160

5120

84

4,2

352,800

18,7

1570,8

175

14700

2

5,5

11,000

18,7

37,4

180

360

10

3

30,000

23

230

153

1530

554

3

1662,000

23

12742

153

84762

129

4,5

580,500

23

2967

153

19737

7

0 0 totaal NH3 3175,140 totaal OUE/s

0 21528,8 totaal gram

155513

* in het kader van het Activiteitenbesluit zijn er geen emissies opgenomen voor honden

Pagina 30 van 52

Voor gemeente Hilvarenbeek is een gemeentebreed stikstofonderzoek uitgevoerd voor de bouwfase van woningen. Dit onderzoek, dat gezien kan worden als een standaard advies, betreft uitsluitend de bouwfase omdat de gebruiksfase niet maatgevend is voor woningen. Indien de bouwfase dus niet leidt tot significante effecten, dan zal de gebruiksfase dit ook niet doen. Dit onderzoek is dus bruikbaar voor zowel de bouw- als gebruiksfase van stikstofonderzoeken. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 9 van het bestemmingsplan. Voor de bouwfase is een scenario met mobiele werktuigen van stageklasse IIIB en IV doorgerekend. Dit zijn werktuigen met respectievelijk bouwjaren 2011-2013 en 2014-2018, die normaal gesproken beschikbaar moeten zijn in de markt. Daarbij zijn de werktuigen met een economische en technische langere levensduur, zoals bouwkranen en heistellingen, doorgerekend met stageklasse IIIB. De overige werktuigen zijn doorgerekend als stageklasse IV. Uit dit gemeentebrede stikstofonderzoek blijkt dat in de gehele gemeente Hilvarenbeek, binnen de bebouwde kom bij de realisatie van één woning het aanvaardbaar is om geen stikstofonderzoek te verlangen, omdat significante effecten naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Dit geldt ook voor de projecten waarin aanbouwen, dakkapellen etc. worden gerealiseerd aan woningen.

Afhankelijk van de kern zijn tot grotere aantallen woningen toelaatbaar. Bij projecten van 15 woningen of meer dient een stikstofonderzoek te worden uitgevoerd om significante effecten te kunnen uitsluiten. Ook voor projecten met de bouw van één gasloze woning in het buitengebied, zijn significante effecten op Natura 2000-gebied voor stikstof op voorhand uit te sluiten zodra buiten de afstand van 1.500 meter van stikstofgevoelige habitat wordt gebouwd en binnen die afstand geen overige (verkeers)bronnen liggen. Een AERIUS-berekening heeft in dat geval geen meerwaarde om de effecten op Natura 2000gebied te bepalen. In de beoogde situatie wordt de bestaande voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en één ruimte-voor-ruimtewoning wordt gerealiseerd binnen een afstand van 1.500 m van een Natura 2000-gebied (namelijk 1,3 kilometer afstand). Echter in het gemeentebrede onderzoek wordt aangegeven dat binnen de bebouwde kom van Biest-Houtakker voor de realisatie tot 8 woningen geen AERIUS-berekening noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen op 350 meter afstand van de kern van Biest-Houtakker en het gaat om de realisatie van één woning. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie niet zal zorgen voor significante effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Een AERIUS-berekening is daarom niet noodzakelijk voor de beoogde situatie.

Overige storingsfactoren

Vanwege de afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).

Pagina 31 van 52

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Hakvoortseweg 21 te Biest-Houtakker, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bedrijfsbebouwing en te realiseren ruimte-voorruimte woning beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Op 25 september 2022 is door Brabant Eco B.V. een ecologische quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarbij is gecontroleerd of er beschermende soorten in het kader van flora en fauna aanwezig zijn, zie bijlage 4.

In de ecologische quickscan is uitgegaan van het omzetten van een voormalige intensieve veehouderij met agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van een ruimtevoor-ruimte woning. Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er enkel algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Hiervoor zijn de te behouden tuin met woning essentieel, dit maakt namelijk onderdeel uit van het leefgebied van huismussen. De huismussen hebben geen nesten of leefgebieden in en/of nabij de te slopen stallen. Derhalve is met de sloop van de gebouwen geen overtreding te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Naar verwachting zal de ingreep ten behoeve van de beoogde situatie leiden tot een zeer beperkt en tijdelijke verlies van het leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Echter heeft de ingreep geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten aangezien het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Doordat in de beoogde situatie de locatie geheel planologisch wordt in gepast en natuurinclusief zal worden gebouwd, zal het leefgebied van de eerder genoemde soorten juist worden verbeterd. Een vervolgonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk is. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en

Pagina 32 van 52

mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde woonbestemming moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de Cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie in een gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 11. Dit blijkt tevens uit de cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant, zie Afbeelding 12.

Afbeelding 11: Uitsnede Iov, kaart Aardkundig en Cultuurhistorisch waardevol gebied, locatie met rode kruis aangegeven

Afbeelding 12: Uitsnede CHW kaart, locatie met zwarte stip weergegeven

Pagina 33 van 52

In navolgende kader is een beschrijving (behorende bij de CHW kaart) van de cultuurhistorische waarden, waarin het plangebied is gelegen. In de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn de aanduidingen ‘overige zone – kampenlandschap’ en ‘overige zone – historische verkavelingsstructuur’ opgenomen voor het plangebied. Omschrijving Het plangebied is gelegen in de regio de ‘Kempen’. Kempen is een zwak golvend dekzandlandschap dat bestaat ui denkzandvlakten en -ruggen. Het gebied wordt doorsneden door de bovenloop van de Grote en Kleine Dommel, Beerze en Reusel. De dekzandruggen hebben een zandige bodem waar regenwater infiltreert, dat in de beekdalen als kwel naar boven komt. Het gebied waarin het plangebied is gelegen bestaat uit de beekdalen van de Rondloop en het Spruitenstroompje. Het bodemgebruik is grotendeels grasland. De percelering langs de beken is strookvorming in vrij kleine percelen. Veel van de vroegere perceelrandbegroeiing is verdwenen, en daardoor is de beslotenheid grotendeels verdwenen. Het gebied kent een samenhang met de akkercomplexen van Hilvarenbeek en BiestWesterwijk. Op de hogere delen van het landschap bevonden zich vroeger uitgestrekte heidenvelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding en het steken van heideplaggen ontstonden plaatselijk zandverstuivingen.

De dorpen van de Kempen hebben zich afhankelijk van hun ligging verschillend ontwikkeld. De kernen die liggen aan belangrijke routes zijn uitgegroeid tot suburbane woonkernen met soms redelijk grote bedrijventerreinen. De dorpen op afstand van deze routes hebben een landelijker karakter en zijn beperkter in omvang gebleven. Het gebied maakt onderdeel uit van ‘Landgoederen ten zuiden van Tilburg’ en bestaat uit een ensemble van oude en jongere landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de middeleeuwse hoeves en buurtschappen (met kleinere akkercomplexen) die de kern vormden van de landgoederen of die daarin zijn opgenomen. Dun, Teuler, Gorp en Lamenakker zijn (grotendeels) verdwenen buurtschappen met beboste akkercomplexen (wüstungen). Ontwikkelingsstrategie ▪ Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; ▪ De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen zoals onder andere ‘Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg’ (Gorp en Rovert, De Utrecht, De Hoevens, Het Ooijvaarsnest, Wellenseind; ook deels in het gebiedspaspoort Baronie); ▪ Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a.

door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: ‘Dekzandeiland MoegestelHilvarenbeek’.

In de toelichting van het vigerende bestemmingsplan is beschreven dat gronden die onderdeel uitmaken van het kampenlandschap: aangeduid zijn als ‘overige zone – kampenlandschap’: Het landschapsbeeld is hier sterk afwisselend en heeft veelal een kleinschalig, besloten karakter, vanwege de aanwezigheid van houtwallen, bosschages, singel- en wegbeplanting, kavelgrensbeplantingen en erfbeplantingen. Dit landschapstype heeft veelal een onregelmatige blokvormige verkaveling en vertoont een afwisselend beeld, waarbij landbouwgronden, houtwallen en bosjes veelvuldig voorkomen. Het wegenpatroon is slingerend, de bebouwing komt verspreid voor. Er wordt hier gestreefd naar versterking van de karakteristieke kleinschaligheid door behoud en herstel van kleine landschapselementen. Daarnaast dient de nog aanwezige bolle maaiveldligging beschermd te worden. In de regels van het bestemmingsplan zijn regels opgesteld met betrekking tot toegestane bouwwerken binnen de gehele bestemming, bouwen en teeltondersteunende voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – historische verkavelingsstructuur’ wordt gestreefd naar behoud, beheer en herstel van de historische verkavelingsstructuur uit oogpunt van cultuurhistorische waarden. Aan deze aanduiding is een omgevingsvergunningstelsel gekoppeld voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden.

De vergunningsplichtige activiteiten hebben betrekking op het behoud van de karakteristieke verkaveling van het gebied. Daarbij dient te worden afgewogen dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkavelingsstructuur uit oogpunt van de cultuurhistorische waarden.

Pagina 34 van 52

Het plan betreft het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Wonen’ en het toevoegen van een ruimte-voor-ruimte woning. Hierbij wordt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ verwijderd, tevens wordt de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en het bouwvlak wordt verkleind. Gezien de kleinschaligheid van het plan en de beoogde activiteiten wordt met de uitvoering van het plan geen wijzigingen aangebracht in de verkavelingsstructuur en het karakteristieke kleinschalige landschap.

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. Op de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn archeologische waarden toegekend aan het plangebied, namelijk ‘Waarde – archeologie 2’. In artikel 22 van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Hilvarenbeek 2019’ zijn regels opgenomen met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Op gronden met deze dubbelbestemming wordt gevraagd om een archeologisch rapport alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend. Dit geldt voor de gebouwen, geen gebouwen zijnde, waarbij ter realiseren bodemroerende werkzaamheden noodzakelijk zijn, die: ▪ Een totale oppervlakte hebben groter dan 2.500 m2; ▪ Waarvoor grond op een diepte van 0,5m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd; ▪ Waarvoor grond ter plaatse van de bestemming ‘Natuur’ op een diepte van 0,1 m of meer onder het maaiveld, moet worden geroerd. Het initiatief betreft het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Wonen’ en het toevoegen van een ruimte-voor-ruimte woning.

Hierbij wordt de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ verwijderd, tevens wordt hierbij de overtollige bedrijfsbebouwing gesaneerd en het bouwvlak zal worden verkleind. In totaal zal circa 1.700 m2 aan bedrijfsgebouwen worden gesaneerd, derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Met het realiseren van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning wordt een gebouw (woning) gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven.

Er zal derhalve een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Echter aangezien er ter plaatse van het plangebied nog opstallen gesaneerd moeten worden zal er na de sloop een eindsituatieonderzoek noodzakelijk zijn. De onderzoeken ten behoeve van bodem zullen derhalve worden uitgevoerd worden wanneer de agrarische opstallen zijn gesloopt. De bodemgesteldheid zal ten alle tijden vóór dat de ruimte-voor-ruimte woning wordt gerealiseerd geschikt zijn voor de bestemming ‘Wonen’. 4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen

Pagina 35 van 52

krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door dat het gebied volgens het principe functiescheiding is ingericht. In de omgeving bevinden voornamelijk agrarische bestemmingen samen met enkele woon- en bedrijfsbestemmingen. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een hoveniersbedrijf in combinatie met een tuincentrum, wat behoort tot een milieucategorie van 2 tot 3.1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie een richtafstand van 50 meter. Het bedrijf ligt op circa 300 m van de planlocatie. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Wat betreft de niet-agrarische bedrijven ligt in de omgeving van het plangebied een gasontvangststation ter hoogte van de Biestsedijk/Biestsestraat.

In de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is minimale bebouwingsafstand voor kwetsbare objecten 15 meter en 4 meter voor beperkt kwetsbare objecten. het plangebied ligt op een afstand van 115 meter afstand. De bebouwing ligt niet binnen de 15 en 4 meter-contour van het gasontvangststation. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.7. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.

Normstelling

In de Wet geurhinder en veehouderij zijn 3 verschillende normen opgenomen. Enerzijds zijn er twee verschillende normen voor de afstanden van dierenverblijven (lees: emissiepunten) tot woningen van

Pagina 36 van 52

derden, anderzijds zijn er afstandsnormen tussen de buitenzijde van een stal en een geurgevoelig object. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) zijn in de wet minimale afstanden opgenomen van 50 meter tot geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom en 100 meter tot objecten binnen de bebouwde kom. Deze afstanden zijn ook van toepassing voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken, of hebben uitgemaakt, van andere veehouderijen. Ook voor objecten die worden/zijn gerealiseerd op een locatie waar een veehouderij is gevestigd geweest en de veehouderij is gesaneerd om deze objecten mogelijk te maken, zijn deze afstanden van toepassing. Dit is opgenomen in artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij veehouderijen waar dieren worden gehouden waar wél een geuremissiefactor voor is vastgesteld moet de geurbelasting op geurgevoelige objecten worden berekend en worden getoetst aan de geurnormen. Welke norm van toepassing is, is afhankelijk van de ligging van een object binnen of buiten een concentratiegebied en ligging binnen of buiten de bebouwde kom. Voor objecten buiten de bebouwde kom geldt een geurnorm van 8 of 14 Oue/m 3 en binnen de bebouwde kom bedraagt de norm 2 of 3 Oue/m3 (afhankelijk van de ligging binnen of buiten concentratiegebied).

Het is voor gemeenten mogelijk om af te wijken van bovenstaande afstanden en normen door een geurverordening vast te stellen. Bij totstandkoming van de verordening dient een gebiedsvisie te worden opgesteld waarbij de afweging en onderbouwing wordt opgenomen die een afwijkende afstand of geurnorm verantwoorden. De gemeente Hilvarenbeek, waarin de beoogde ontwikkeling plaatsvindt, heeft een geurverordening vastgesteld op 5 november 2015. In deze geurverordening staan voor verschillende gebieden binnen de gemeente Hilvarenbeek gewijzigde geurnormen en afstanden opgenomen. Voor het buitengebied, waar planlocatie in ligt, gelden de volgende gewijzigde normen: ▪ De maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geur gevoelige objecten bedraagt: 10 ouE/m3 ▪ De afstand tussen een veehouderij waar maximaal 50 dieren (koeien, jongvee en paarden) worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter.

Toetsing afstanden

Op de veehouderij aan de Hakvoortseweg 19 worden geen dieren gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, hier worden meer dan 50 paarden gehouden volgens de KRD NoordBrabant. Dit betekent dat voor dit bedrijf de afstanden gelden zoals deze gelden in de Wet geurhinder en veehouderij. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan het beoogde ruimte-voor-ruimte kavel, zie Afbeelding 13. In dit geval de bestaande woning van het voormalige varkenshouderij bedrijf binnen de planlocatie, zie de blauw omcirkelde woning in Afbeelding 12. Dit object is dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen paardenhouderij, niet de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning, deze ligt op een afstand van circa 75 meter van de paardenhouderij, zie de rood omcirkelde woning in Afbeelding 12. Het emissiepunt van de paardenhouderij is met de oranje streep aangegeven. Aangezien de om te zetten woning al aanwezig is, moet de paardenhouderij zich al aan de vaste afstanden houden met betrekking tot geur. De bestaande woning wordt niet verplaatst en derhalve zal het bedrijf geen belemmering ondervinden van de beoogde ontwikkelingen.

Pagina 37 van 52

Beoogde RVR-woning

Bestaande woning

Afbeelding 13: Uitsnede Google Maps, in verband met afstanden geur

Woon- en leefklimaat

Voor de overige veehouderijen dient onderzocht te worden wat de geurbelasting is op bestaande en nieuwe geurgevoelige objecten om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen niet worden beperkt. Gelet op de ligging van de veehouderijen en de aanwezigheid van andere geurgevoelige objecten kan op voorhand worden aangenomen dat de bedrijven nog voldoende ontwikkelingsmogelijkheden hebben en houden. Om deze reden is de rand van het plangebied aangehouden van de beoogde ontwikkeling om te beoordelen of de omliggende bedrijven worden belemmerd in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden en om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geurbelasting van deze bedrijven wordt berekend met het rekenprogramma ‘V-stacks gebied 2020’. Dit rekenprogramma is wettelijk voorgeschreven bij toetsing aan de normen in het kader van een vergunningsaanvraag. Van iedere veehouderij zijn de benodigde gegevens ingevoerd in het rekenprogramma. Hierbij is de vergunde geuremissie ingevoerd, samen met de gemiddelde bedrijfsgegevens van de andere invoergegevens. De geurbelasting is berekend ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. In bijlage 7 is een notitie bijgevoegd met de invoergegevens voor de achtergrondberekening geur.

In de invoergegevens voor de achtergrondbelasting berekening geur zijn de gegevens van de Hakvoortseweg 34 niet meegenomen, deze stonden nog wel in de lijst. Echter is er op de luchtfoto te zien dat er geen stallen meer aanwezig zijn. Tevens is er voor de locatie op 1510-2020 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld waarin woonbestemmingen zijn mogelijk gemaakt.

Pagina 38 van 52

In onderstaande Afbeelding 14 staan de verschillende individuele geurbelastingen in OUe/m 3 op de rekenpunten schematisch weergegeven.

Afbeelding 14: Resultaten achtergrondberekening

Omdat de geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving ruimschoots lager is dan de gestelde geurnorm kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen. Daarnaast dient te worden bepaald of er wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van de geurbelasting kan het percentage geurgehinderden worden berekend. De omrekentabel voor het bepalen van het percentage geurgehinderden is opgenomen in bijlage 5 van de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’. Met het percentage geurgehinderden kan vervolgens het woon- en leefklimaat worden bepaald. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria die in onderstaande tabel zijn weergegeven.

In onderstaande tabel is weergegeven welke milieukwaliteit bij de berekende geurbelasting hoort. Zoals in onderstaande tabel te zien is kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geurbelasting 1,6 1,7 1,75 1,71 1,64 1,63

Milieukwaliteit 5% Zeer goed 6% Goed 6% Goed 6% Goed 5% Zeer goed 5% Zeer goed

Conclusie

Ten aanzien van het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.

Pagina 39 van 52

4.8. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.8.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar een woonbestemming en het creëren van een nieuwe ruimte-voor-ruimte woning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt en een woning wordt omgezet, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.

4.8.2. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 14,6 μg/m3, voor PM2,5 14,6 μg/m3 en voor NO2 11,09 μg/m3, zie Afbeelding 15, Afbeelding 16 en Afbeelding 17. Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina 40 van 52

Afbeelding 15: GCN en GDN-kaart, fijnstof (PM10), locatie met rode stip aangegeven

Afbeelding 16: GCN en GDN-kaart, fijnstof (PM2,5), locatie met rode stip aangegeven

Pagina 41 van 52

Afbeelding 17: GCN en GDN-kaart, fijnstof (PM10), locatie met rode stip aangegeven

4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sins 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De planlocatie ligt wel binnen het geluidszone van de Hakvoortseweg, Biestsestraat, Bundersweg, Biestsedijk en Heikestraat. Binnen de geluidszone van deze wegen is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een ruimte-voor-ruimte woning. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB.

Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er is derhalve een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige akoestische onderzoek is bijgevoegd in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de nieuwe woning 44 dB zal bedragen. De geluidsbelasting ten gevolgen van wegverkeerslawaai zal ter plaatse van de nieuwe woonbestemming voldoen aan de voorkeusgrenswaarde uit de Wgh. Er is derhalve sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve zijn er geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk.

Pagina 42 van 52

4.10. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Hakvoortseweg. De Hakvoortseweg is een doorgaande weg tussen Hilvarenbeek en Biest-Houtakker. De weg wordt ontsloten door de Biestsestraat (Biest-Houtakker) en de Paardenstraat (Hilvarenbeek). Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen de beoogde situatie namelijk voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen dus vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Aan de achterzijde is het plangebied ontsloten middels een zandpad. Deze inen uitrit blijft in de beoogde situatie gehandhaafd. Via dit zandpad zijn de agrarische gronden te bereiken. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Hilvarenbeek heeft hiervoor het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018’ (onherroepelijk 08-11-2018). Voor wat betreft de parkeernormen sluit het parapluplan aan bij de CROW notitie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (editie 2018).

Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen, voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een norm van 2,0 – 2,8 parkeerplaatsen per woning. Op de percelen is voldoende ruimte om per woning 3 parkeerplaatsen te realiseren zoals te zien is op de landschappelijke inpassing, bijlage 2. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.

Pagina 43 van 52

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13738458/1