CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9 (5 regels, toelichting en verbeelding)

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan “Groenstraat 7 en 9, Esbeek”.30.721 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|31

Het planvoornemen betreft het vervangen van bestaande verouderde langgevelboerderij voor een nieuwe langgevelboerderij. Hierdoor sluit het planvoornemen goed aan op de omgeving. Het voornemen is in lijn met het cultuurhistorische beleid van de gemeente Hilvarenbeek. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Externe veiligheid

Beleid Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs).

Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|32

Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, zie onderstaande afbeelding. Mesttransportbedrijf (biogas) Propaantank N296

Buisleiding A526

Buisleiding A-525

Propaantank

Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied ter plaatse van de rode ster)

Inrichtingen Op een afstand van 630 meter van het plangebied ligt een risicovolle inrichting. Het betreft een mesttransportbedrijf met drie hoofdvergisters en drie navergisters, gevuld met biogas. Per insluitsysteem is minder dan 500 m3 biogas aanwezig. Hiervoor zijn geen afstanden beschikbaar. Op een afstand van 890 meter van het plangebied ligt een risicovolle inrichting. Het betreft een propaantank van aannemersbedrijf Van Lieshout & co. De veiligheidszone reikt tot de perceelsgrenzen waarop de propaantank is gevestigd, waardoor het plangebied niet in het invloedsgebied van deze inrichting ligt. Transport over wegen In de omgeving bevindt zich één weg waarop transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft het transport van gevaarlijke stoffen over de Lage Mierdseweg (N269). Over deze weg worden brandbare vloeistoffen (stofgroepen LF1 en LF2) en brandbare gassen (stofgroep GF3) vervoerd. De intensiteit aan GF3 is dusdanig laag dat de N269 geen PR 10 -6 contour heeft.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|33

Het planvoornemen betreft de herbouw van een bestaande langgevelboerderij. De nieuwe langgevelboerderij wordt op een afstand van circa 80 meter van de N269 gebouwd. Omdat het een bestaande woning betreft en geen nieuwe woning wordt toegevoegd, kan gesteld worden dat het plan geen noemenswaardige invloed heeft op het groepsrisico. In verband met de lage intensiteit aan GF3 en het extensieve bebouwingskarakter van de omgeving, wordt bovendien geconcludeerd dat het groepsrisico lager is dan de waarde van 0,1 x oriëntatiewaarde. Een beperkte verantwoording volstaat derhalve. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van brandbare gassen. Het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen reikt niet tot de kwetsbare objecten in het plangebied en is derhalve niet relevant. Op grond van artikel 7 van het Bevt wordt kort ingegaan op het maatgevende scenario bij brandbare gassen. Beschrijving scenario brandbare gassen Een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) is een explosie bij brandbare gassen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Een warme BLEVE ontstaat door een incident met een (externe) brand waarbij een tankwagen met bijvoorbeeld LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt de druk in de tankwagen toe.

Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. De hittestraling is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Door maatregelen in het kader van de Safety Deal zoals hitte werende bekleding op LPG-autogastankwagens wordt de kans op een BLEVE daarnaast aanzienlijk verminderd. Een koude BLEVE treedt op wanneer de tank bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand, waarbij de maximale druk en temperatuur niet worden bereikt. Het effect is daarom beperkter dan bij een warme BLEVE, maar er is geen vluchttijd, omdat de explosie direct plaatsvindt. Bij het scenario van een koude BLEVE is er geen tijd beschikbaar voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie door de brandweer. Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid moeten daarom in de planologische, organisatorische en bouwkundige sfeer worden gezocht. Maatregelen aan de bron liggen niet binnen het bereik van het bestemmingsplan. Zelfredzaamheid Het plangebied is gelegen buiten 150 meter van de N269.

Personen binnen dit gebied zijn in gebouwen voldoende beschermd tegen de gevolgen van een BLEVE. Na het optreden van een BLEVE kan het beste gevlucht worden in verband met het mogelijk optreden van secundaire branden. Ten aanzien van de zelfredzaamheid geldt dat in het plangebied geen objecten worden gerealiseerd die specifiek bestemd zijn voor niet-zelfredzame personen. Ontsluitingswegen die leiden van de risicobron af zijn geschikte vluchtroutes. Bij een BLEVE op de N269 kan gevlucht worden in oostelijke richting via de Koekovenseweg of de Larestraat. In zijn algemeenheid dragen de volgende factoren bij aan een goede zelfredzaamheid: • Inpandige vluchtwegen van de risicobron africhten; • Het gebruik van brandwerende materialen; • Het borgen van bluswatervoorzieningen; • Risicocommunicatie en voorbereiding, waaronder het hebben van een verzamelplaats. NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|34

Bestrijdbaarheid Bestrijding van een dreigende warme BLEVE vereist een goede bereikbaarheid en veel bluswater bedoeld voor het koelen van de tankwagen. Bij voldoende koeling wordt een (dreigende) warme BLEVE voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingennet). Noodzakelijk voor het voorkomen van een (dreigende) warme BLEVE is: • • • •

Tijdige aankomst brandweer; Tijdige bereikbaarheid tankwagen; Tijdige beschikbaarheid bluswater; Inzet waterkanonnen voor tweezijdige koeling tankwagen.

Indien de warme BLEVE niet voorkomen kan worden, is het relevant dat er voldoende bluswatervoorzieningen zijn en dat het gebied tweezijdig toegankelijk is. Het groepsrisico is hiermee voldoende verantwoord. Transport over water Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport over het spoor Uit de risicoatlas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor blijkt dat in het plangebied en de directe omgeving geen spoorwegen aanwezig zijn die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Transport per buisleiding Conform het gestelde in de ‘Regeling basisnet’ hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in een gebied op meer dan 100 meter van een route of tracé. De dichtstbijzijnde buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen bevindt zich op 1,4 kilometer (buisleiding A525). De buisleiding vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Geluid

Beleid Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is alleen wegverkeerslawaai relevant.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|35

Onderzoek Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd vanwege de ligging binnen de geluidzone van de N269 Lage Mierdseweg, Groenstraat, Koekovenseweg en de Parallelweg. De volledige rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Wet geluidhinder N269 Lage Mierdseweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de N269 is maximaal 50 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Hilvarenbeek kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de bestaande (woon)bebouwing wordt gesloopt en op deze locatie een nieuwbouw langgevel boerderij wordt gebouwd. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op € 100.000,- (250 m x 8 m x € 50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het aanbrengen van kleine gedeeltes geluid reducerend asfalt is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk.

Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek art. 110g Wgh) en 33 dB. Groenstraat – Koekovenseweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Groenstraat – Koekovenseweg is maximaal 52 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Hilvarenbeek kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde.

In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de bestaande (woon)bebouwing wordt gesloopt en op deze locatie een nieuwbouw langgevel boerderij wordt gebouwd.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|36

Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op € 45.000,- (150 m x 6 m x € 50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het aanbrengen van kleine gedeeltes geluid reducerend asfalt is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit.

De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek art. 110g Wgh) en 33 dB. Groenstraat – Larestraat De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 35 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Parallelweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 35 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat plaatselijk de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder zal worden overschreden. Een verzoek voor een hogere waarde zal worden ingediend. Het ontwerpbesluit voor hogere waarde is samen met dit ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

5.8

Geur

Beleid In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|37

Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Ten hoogste toegestane geurbelasting 3,0 OUe/m3 14,0 OUe/m3 2,0 OUe/m3 8,0 OUe/m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Geurverordening De gemeente Hilvarenbeek heeft de op 21 november 2023 “Verordening geurhinder en veehouderij Hilvarenbeek 2023” vastgesteld. De gemeenteraad heeft gebieden met een afwijkende geurnorm vastgesteld. Dit zijn de volgende gebieden: ‘invloedsgebied van de woonkernen’, ‘invloedsgebied met primaat wonen’, ‘invloedsgebied zoekgebieden wonen’, het ‘invloedsgebied sportparken’ en het ‘buitengebied’. Het plangebied is gelegen binnen het ‘invloedsgebied zoekgebieden wonen’, waarmee een norm van 7 OUe/m3 van toepassing is voor het plangebied als het gaat om de toegestane belasting door een veehouderij.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|38

Onderzoek Voor de inventarisatie van de veehouderijen is gebruik gemaakt van de kaart ‘veehouderijbedrijf’ van de provincie Noord-Brabant.

Uitsnede kaart actieve veehouderijen

De dichtstbijzijnde actieve veehouderijen t.a.v. Groenstraat 7 zijn: Groenstraat 11a Paardenhouderij 112 meter Groenstraat 13 Zeugenhouderij 185 meter Koekovenseweg 2 Vleesvarkenshouder 200 meter Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten de richtafstanden van 50 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Daarnaast liggen er reeds meerdere bestaande woningen op veel kortere afstand van de veehouderij(en). In onderhavige situatie is daarnaast sprake van een bestaande (bedrijfs)woning, waarbij de situatie voor de woning niet wijzigt. De woning komt niet dichter bij de veehouderij te liggen. Gesteld kan worden dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor de nabijgelegen veehouderij(en). Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|39

5.9

Gezondheidsaspecten

Beleid Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, RIVM, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.

Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: • Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; • Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; • Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.

Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|40

De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens- of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richtafstand’. Onderzoek In onderhavige situatie is sprake van een bestaande (bedrijfs)woning, waarbij de situatie voor de woning niet wijzigt. De woning komt niet dichter bij veehouderijen te liggen. Daarbij zijn binnen 1 kilometer van het plangebied geen pluimveehouderijen en binnen 2 kilometer geen geitenhouderijen gelegen.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en geitenhouderijen in de omgeving. Uit toetsing aan het stappenplan blijkt dat aan de stappen kan worden voldaan. Conclusie De gezondheidsaspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Luchtkwaliteit

Beleid De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor Stikstofdioxide (NO2) en Fijnstof (PM10). In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|41

De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3

Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m3. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse van het plangebied tussen de 14 en 16 μg/m3. De concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse tussen 8 en 10 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Luchtkwaliteit t.g.v. planvoornemen De herbouw van een bestaande (bedrijfs)woning draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, aangezien het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de vigerende situatie niet wijzigt. Hetgeen betekent dat in principe geen nader onderzoek noodzakelijk is. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11

Natuurwetgeving

Beleid Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|42

In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.

Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan natuurwetgeving Door Aeres Milieu B.V., in samenwerking met Faunaconsult B.V., is in mei 2021 een Quickscan Natuurwetgeving opgesteld. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uit de Quickscan zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen: Natura 2000 De plannen hebben waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Om elk risico uit te sluiten, is de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bepaald middels de Aerius Calculator 2023.0.1. Zie navolgende paragraaf. Natuurnetwerk Brabant De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciaal natuurbeleid.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|43

Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemene voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemeen voorkomende vogels In de opgaande vegetatie komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen.

Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Spreeuw: compensatie vooraf In de garage met roldeur (de huidige woongelegenheid) bevinden zich 3 spreeuwennesten. De spreeuw is een ‘categorie 5 soort’; dat wil zeggen dat het nest niet jaarrond is beschermd, maar dat er middels een omgevingscheck dient te worden nagegaan of er in en rond het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn (Dienst Regelingen, 2009; Ministerie van Economische zaken, 2016). Door tegen een van de te behouden gebouwen een drietal spreeuwenpotten of spreeuwennestkasten op te hangen, hoeft er voor de sloop van de garage geen ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Uiteraard dient de sloop wel buiten het broedseizoen van de spreeuw te gebeuren en buiten de periode dat er jonge spreeuwen in het nest aanwezig zijn (buiten de periode 15 april – 15 juli). De spreeuwennestkasten dienen voor de sloop, minimaal op 3 meter hoogte en op het oosten te worden opgehangen.

Verlies roestplaats kerkuil In de driedeurs garage (het voormalige bedrijfsgedeelte) bevindt zich een roestplaats van de kerkuil. Nesten en roestplaatsen van de kerkuil zijn in Noord-Brabant jaarrond beschermd. In geval van sloop dient er daarom een ontheffing op de Wnb ten aanzien van de kerkuil te worden aangevraagd. Om die te kunnen krijgen moet middels onderzoek aannemelijk worden gemaakt dat de lokale staat van instandhouding van de kerkuil niet in het geding is. Ook dienen er dan twee kerkuilennestkasten in een gebouw, in of nabij het plangebied te worden opgehangen.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|44

Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie De te slopen garage met roldeur bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Stikstof Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende toetsingskader is in werking getreden op 1 juli 2015. Te veel stikstof is slecht voor de natuur, waardoor een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig is voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw of de industrie). Tot 29 mei 2019 was toestemming voor dergelijke activiteiten gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het PAS ongeldig verklaard. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) biedt niet genoeg bescherming aan zogenoemde Natura 2000-gebieden. Een nieuwe stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2023.0.1’) welke het verlenen van vergunning voor projecten mogelijk moet maken.

De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/j. Voor het planvoornemen is een berekening van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase uitgevoerd. De berekening met bijbehorende rapportage is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn – gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Conclusie Om (definitief) uit te kunnen sluiten of nabij en/of in het plangebied al dan niet beschermde diersoorten voorkomen, dienen de te slopen gebouwen en de omgeving van het plangebied nader onderzocht te worden ten aanzien van spreeuwen, kerkuilen en vleermuizen. Dergelijk onderzoek dient plaatst te vinden voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden. Juridisch wordt dit gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Daarnaast zijn een tweetal voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van de te nemen mitigerende maatregelen voor de kerkuil en vleermuizen.

5.12

Spuitzones

Beleid In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de locatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|45

Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Onderzoek Rondom het plangebied zijn diverse landbouwgronden gelegen. De maximale planologische mogelijkheden van deze omliggende gronden staan boomgaarden toe, waardoor een indicatieve afstandsnorm van 50 meter geldt tussen deze agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelig object. Hierbij wordt echter opgemerkt dat de richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals fruitboomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. De dichtstbijzijnde (sierteelt)kwekerij bevindt zich op circa 280 meter van het plangebied. De overige omliggende agrarische gronden worden in de feitelijke situatie niet gebruikt voor vollegrond-, sier- of opgaande fruit- of bomenteelt.

Voor zover bekend, hebben de eigenaren van de omliggende agrarische gronden ook geen ambitie om sier-, fruit- of bomen te telen in de toekomst. Hoewel in geen enkele wettelijke regeling afstanden zijn vastgelegd die in acht moeten worden genomen voor spuitzones tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, kan door middel van driftreducerende overdrachtsmaatregelen op de perceelsgrenzen aanvullend rekening worden gehouden met de aangrenzende open teelten. Uit de onderzoeken van Wageningen UR (een samenwerkingsverband tussen Wageningen Universiteit en Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek) ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen’ en ‘Driftblootstelling van omstanders en omwonenden bij de bespuiting van veldgewassen met een veldspuit’ uit 2015 volgt immers dat de afstand tot gevoelige functies zoals omstanders, omwonenden en bebouwing verkleind kan worden of zeker gesteld worden door de aanplant van een wintergroene windhaag in de kale boom situatie, een dubbele windhaag, een houtwal of een constructie met een vergelijkbare filterende werking. De nabijgelegen (sier)kwekerij maakt gebruik van een kas. De glaspanelen reduceren/ minimaliseren de drift – mocht deze al ontstaan – die tot aan het plangebied reikt.

De locatie heeft derhalve in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. Conclusie Het aspect spuithinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|46

5.13

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden.

• Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|47

Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|48

Keur waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

Gemeentelijk beleid Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ behoorde als bijlage aan het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2017-2021 en is door vaststelling direct het beleid voor de twee zorgplichten van de gemeente Hilvarenbeek geworden. Het ‘Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek’ is geactualiseerd en behoort opnieuw als bijlage/beleid bij het nieuwe Riool- en Waterprogramma 2022-2026. In de geactualiseerd uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht legt de gemeente de keuzes vast ten aanzien van hemel- en grondwater. Het rapport beschrijft onder meer wat de gemeente redelijkerwijs van bewoners en ontwikkelende partijen verwacht en wat bewoners/ontwikkelaars redelijkerwijs van de gemeente mogen verwachten. Het rapport geeft een beeld van het wettelijke kader en het beleidskader en geeft een uitwerking van de hemel- en grondwaterzorgplicht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt te allen tijde het proces van de watertoets gevolgd. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd met de gemeentelijke regels als aanvulling hierop. Watertoets De ´Watertoets´ is een instrument dat ervoor zorgt dat water genoeg aandacht krijgt in ruimtelijke plannen. Met dit instrument komt de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan in een vroegtijdig stadium in contact met Waterschap De Dommel.

De watertoets is verplicht voor nieuwe plannen in ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen, projectbesluiten en partiële herzieningen. Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het waterschap De Dommel. Aan de oostzijde van het plangebied is A-watergang ‘Aalst gelegen’. Aan de noordzijde van het perceel is een Bwatergang aanwezig. Beide watergangen blijven onaangetast met onderhavig planvoornemen en blijven derhalve in stand.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|49

Berekening toename verharding Het planvoornemen betreft de herbouw van de verouderde langgevelboerderij. Met de ontwikkeling wordt de bestaande langgevelboerderij gesloopt tezamen met twee achterliggende verouderde bebouwingen. In de toekomstige situatie wordt een nieuwe langgevelboerderij gebouwd op de locatie waar de huidige langgevelboerderij staat. In onderstaande tabel is voor het perceel Groenstraat 7 de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt bij het maximale planologische gebruik van de locatie. Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte plangebied Bebouwing Verharding perceel Totaal verhard oppervlak Totaal onverhard oppervlak

Huidige situatie (m²) 2.940 m2 867 m2 725 m2 1.592 m2 1.348 m2

Toekomstige situatie (m²) 2.940 m2 655 m2 725 m2 1.380 m2 1.560 m2 212 m2

Afname verhard oppervlak

Het totaal verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie af met 212 m2. Aangezien het verhard oppervlakte afneemt, zijn compenserende maatregelen op basis van het beleid van het waterschap en gemeente niet noodzakelijk. Ter bescherming van eventuele toekomstige wijzigingen is wel een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels: indien het verhard oppervlakte toeneemt, dient voorzien te worden in voldoende waterberging. Afvalwater De toekomstige bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|50

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen en de systematiek uit het Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP2012).

6.1

Verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

6.2

Planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.

2. 3. 4.

6.3

Inleidende regels: dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘Begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘Wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. Bestemmingsregels: in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard. Algemene regels: in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. Overgangs- en slotregels: binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen, welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mogen worden uitgevoerd. Voorwaarde is dat er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingsplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

Toelichting op de bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|51

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch De gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ zijn aangewezen voor agrarisch gebruik, bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden zoals landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden, hobbymatig agrarisch gebruik, water en waterhuishoudkundige doeleinden, extensief recreatief medegebruik en daarbij behorende voorzieningen, erfbeplanting en onverharde paden. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – voormalig agrarisch bedrijf’ is uitsluitend het bestaande gebruik toegestaan, met dien verstande dat de bedrijfswoning tevens door een derde mag worden bewoond. Artikel 4 Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, met dien verstande dat er maximaal één woonhuis per bestemmingsvlak is toegestaan. Verder zijn de gronden bestemd voor een aan huis verbonden beroep, het behoud en herstel van cultuurhistorische waardevolle bebouwing, recreatieve voorzieningen in de vorm van kleinschalig logeren, bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden zoals landschapvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden die het gebied beschermen. Ook zijn de gronden bestemd voor water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen.

Artikel 5 Waarde – Archeologie 1 De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarden. Artikel 6 Waarde – Archeologie 2 De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de middelhoge archeologische verwachtingswaarden. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdig gebruik en de uitzonderingen en afwijkingen hierop. Verder zijn diverse voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. En worden en nadere regels gesteld ten aanzien van mantelzorg en het gebruik van aan huis verbonden bedrijven. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – bebouwingsconcentratie’ zijn de gronden tevens bestemd voor kernrandzone, bebouwingslint en bebouwingscluster.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|52

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – beekdal' zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud van de kenmerkende verkaveling van het beekdal. Er wordt hier gestreefd naar een ruimtelijke verdichting van het gebied en accentuering van het beekdal middels de aanleg van nieuwe landschapselementen. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' zijn de gronden tevens bestemd voor behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene wijzigingsregels opgenomen om de bestemming agrarisch ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ en eventueel aangrenzende gronden te wijzigen in recreatie, ten behoeve van een landschapscamping. Tevens is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij burgemeester en wethouders het plan kunnen wijzigen teneinde de aanduiding 'overige zonebebouwingsconcentraties' op de verbeelding op te nemen, indien uit onderzoek blijkt dat ter plaatse sprake is van een bebouwingsconcentratie. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is.

Als aan specifieke voorwaarden wordt voldaan dan kan deze ontwikkeling worden voortgezet. Artikel 12 Slotregel In dit artikel is vastgelegd hoe de planregels dienen te worden aangehaald.

NL.IMRO.0798.BPGroenstraat7en9-VG01

Bestemmingsplan Groenstraat 7 en 9, Esbeek

|53

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

7.1.1

Financieel-economische haalbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1. Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten worden. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Wel is gedurende deze periode een advies ontvangen van de omgevingsdienst en het waterschap. Diens advies is verwerkt in onderhavige bestemmingsplan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15604473/1