CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bp Koningin Julianaweg 1a (4 bijlage Toelichting)

Gemeenteraad 2 februari 2023, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Koningin Julianaweg 1A".17.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; Omliggende bedrijven worden reeds beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de woning binnen de planlocatie. De huisvesting van werknemers vindt plaats in bedrijfsbebouwing welke op verdere afstand van de meest dominante veehouderijbedrijven is gelegen (met name Koningin Julianaweg 1B). k. het leidt niet tot een onevenredige aantasting van de waarden die het plan beoogt te beschermen. Het plan beoogd het landelijk en agrarisch gebied en de waarden die hierbij horen te beschermen. Door gebruik te maken van bestaande bebouwing voor huisvesting worden deze waarden niet aangetast.

Pagina 28 van 60

4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Beoordeling Het plan voorziet in een verandering en herbestemming van het bouwvlak. De nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen zal worden gebruikt voor opslag van materieel, werkvoorraad goederen, bedrijfsbussen, aanhangers etc. In het overgrote deel van de bedrijfsbebouwing verblijven dus alleen mensen aan het begin en eind van de werkdag én kortdurend.

Daarbij verblijven werknemers in een gedeelte van de bedrijfsbebouwing een onderzoek naar de bodemkwaliteit is derhalve noodzakelijk. Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd welke is toegevoegd als bijlage.

Pagina 29 van 60

Uit het onderzoek blijkt dat geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate is aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. De bodemkwaliteit van de locatie vormt, mits de voorwaarde met betrekking tot het grondwater in acht wordt genomen, geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Deze voorwaarde voor het toekomstige gebruik heeft er mee te maken dat dat het grondwater, sterk verontreinigd met zink, niet geschikt is voor beregening en/of als drinkwater. Het onttrekken van het grondwater is daarom niet toegestaan. Voor eventuele graafwerkzaamheden onder de grondwaterstand, op 1,5 m onder maaiveld, dient eveneens rekening gehouden te worden met de zinkverontreiniging in het grondwater. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit zorgt niet voor belemmeringen aangaande de haalbaarheid van het planvoornemen. De bodemkwaliteit van de locatie vormt geen belemmering voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen. Echter gelden voor het sterk verontreinigde grondwater de eerder aangegeven gebruiksbeperkingen. Deze dienen als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen.

Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening.

De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: Pagina 30 van 60

- Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk.

De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen.

Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak Pagina 31 van 60

is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. 4.3.2 Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 2.000 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen.

In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken. 4.3.3 Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1/2. De huidige verharding van de planlocatie heeft een omvang van ca. 2.000 m². Door het planvoornemen zal de verharding met circa 1.500 m² toenemen. Een deel hiervan is door een toename aan erfverharding waar nu nog half-verharding aanwezig is. Een gedeelte van de toe te voegen verharding is de nieuw te bouwen bewaarloods die tevens gedeeltelijk wordt gebouwd een deel van het terrein dat ook nu al is verhard. de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,060 m).

Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 1.500 x 0,5 x 0,06 = 45 m³.

Pagina 32 van 60

De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. Ter aanvulling vanuit het gemeentelijk beleid dient rekening te worden gehouden met een toename aan verhard oppervlak. Hiervoor geldt een bergingsopgave van 45 m³. Grote hoeveelheden regen van 60 mm en meer vallen steeds vaker in zeer korte perioden tijdens zomerse hoosbuien. Dan heeft regenwater géén tijd om te infiltreren, ook niet in goed infiltrerende gronden. Het is daarom van belang dat initiatiefnemer voorafgaand aan realisatie nagaat waar hemelwater naar zal afvoeren wanneer de volledige berging vol is en het nog regent. Hemelwater mag geen overlast veroorzaken op eigen terrein en zeker niet voor de omgeving. In dit geval kan een overschot aan hemelwater richting de groenstrook stromen. Het is van belang dat hiermee rekening wordt gehouden met het maaiveldniveau en de afwerking van bestrating. Eventueel is het ook een optie om de hemelwatervoorziening aan te leggen áchter de houtwal zodat hemelwater daar kan infiltreren. Hiervan zal de houtwal profijt hebben en de berging zal pas bij grotere buien vol zijn.

Pagina 33 van 60

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de planlocatie is 60-80 cm beneden maaiveld. Om de berging van water te waarborgen zal aan de zuidzijde van het bouwvlak een zaksloot met 45 graden helling worden gerealiseerd (zie onderstaande afbeelding) met een inhoud van (l x b x h) 90 m1 x 2 m1 x -0,5m1 = 45 m³. Het planvoornemen heeft verder geen invloed op de afwikkeling van overig (bedrijfs)afvalwater.

zaksloot

4.3.4 Riolering Het bedrijf is aangesloten op drukriolering. Op drukriolering mag alleen huishoudelijk afvalwater geloosd worden. Initiatiefnemer is hiervan op de hoogte. Tevens is de drukriolering beperkt in zijn capaciteit er mag niet meer dan 1.000 liter/uur aan huishoudelijk afvalwater aangeboden worden. In de beoogde situatie, ook met de huisvesting van de 3 arbeidsmigranten, wordt deze hoeveelheid niet overschreden. Daarbij wordt de volgende maatregel genomen: • Op drukriolering mag geen hemelwater aangesloten worden. Al het hemelwater dient op eigen terrein verwerkt te worden. Dit wordt voorzien met de zaksloot. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van een toename van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in voldoende compenserende maatregelen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Pagina 34 van 60

Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Binnen de planlocatie en in de omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie Het planvoornemen heeft geen invloed op cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o.

bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten Pagina 35 van 60

op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. In de toelichting bij de archeologische beleidskaart wordt aangegeven daarnaast aangegeven dat het bestemmingsplan het centrale juridische instrument vormt om archeologische monumenten te beschermen. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming.

Beoordeling In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 2.500 m² geen restricties. Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente is de planlocatie dan ook gelegen in een gebied met een archeologische verwachting waarvoor een ondergrens van 2.500 m² wordt gehanteerd voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De ontwikkeling heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Conclusie

Pagina 36 van 60

Het plan beoogd bodemingrepen voor de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing. De omvang hiervan overschrijd echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Het dichtst gelegen stikstofgevoelige deel van een Natura2000-gebied betreft Kempenland-West op circa 6 kilometer.

Afbeelding 1 Afstand tot N2000-gebied

De totale beoogde bedrijfsopzet is doorgerekend middels AERIUS. Hierbij zijn de volgende aannames gedaan: - Het materieel dat ten dienste staat van het bedrijf en gebruikt wordt op de werf op locatie is meegenomen als ‘mobiel werktuig’. - Het totale jaarverbruik aan brandstof (diesel) op de werf (planlocatie) bedraagt naar inschatting 5.000 liter. 5.000 liter als uitgangspunt is een worst-case aanname. Gemiddeld Pagina 37 van 60

-

-

worden ze 2 uur per dag gebruikt (365 dagen per jaar) op de werf. Het overgrote deel worden de werktuigen bij een klant elders op locatie gebruikt. 1 bedrijfsmatige cv-installatie. Per installatie wordt het gasverbruik geschat op 3.100 m3. De energieopbrengst van een kubieke meter aardgas bedraagt ca 35 MJ. De rekensom 3.100 * 35 levert dan 133 GJ / jr. Bij een maximaal toelaatbare emissie van 20 g NOx / GJ conform het activiteitenbesluit, bedraagt de jaarlijkse emissie ca 2,2 kg NOx / jr. Dagelijks naar inschatting 1 zware vrachtwagenbeweging Dagelijks 5 bedrijfsbus-bewegingen Dagelijks 15 verkeersbewegingen van bewoners en personeel dat de locatie aandoet

Voor de Aerius berekening zijn de onderstaande uitgangspunten genomen. De berekening heeft niet geleid tot een resultaat van meer dan 0,0 mol/ha/jr. Ter controle is tevens een berekening uitgevoerd maal factor 1,5 van bovenstaande uitgangspunten. Ook deze berekening heeft niet geleid tot een resultaat van meer dan 0,0 mol/ha/jr. 4.6.2 Wet stikstof Op 1 juli 2021 is de Wet stikstof in werking getreden. Hierdoor is de realisatiefase vrijgesteld van beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie. Conclusie Het aspect ‘natuur’ en de emissie van stikstof staan uitvoering van het planvoornemen ruimtelijke niet in de weg. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Pagina 38 van 60

Beoordeling Door het planvoornemen vindt uitbreiding plaats van de bestaande bebouwing. Deze uitbreiding vindt gedeeltelijk plaats binnen het bestaande bestemmingsvlak en gedeeltelijk buiten het bestaande bestemmingsvlak. Hieronder zijn foto’s van de beoogde bouwlocatie weergeven.

Werkplaats, blijft behouden

veldschuur, blijft behouden

Achterzijde veldschuur, met opslag van zand en groenafval

Pagina 39 van 60

Beoogde situering, in de bestaande situatie maisland 4.7.1 Bureauonderzoek Door middel van de Effectenindicator soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op www.synbiosys.alterra.nl is gekeken of voor het gehele plangebied en omgeving daarvan het oprichten van nieuwe bebouwing een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten en planten. De Flora- en Faunascan van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit maakt daarbij gebruik van de meest actuele gegevens van de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). Conclusie Flora- en Faunascan De resultaten van deze scan zijn opgenomen in onderstaande afbeelding. Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Wet Natuursbescherming door het planinitiatief onwaarschijnlijk is.

Pagina 40 van 60

Pagina 41 van 60

De effectenindicator gaf onderstaand resultaat op de van toepassing zijnde Omgevingsvergunningplichtige activiteiten:

Aan de hand van bureauonderzoek zijn vooralsnog geen schadelijke effecten te verwachten bij de bouw van de nieuwe bedrijfsbebouwing. 4.7.2 Veldonderzoek Desondanks geen schadelijke effecten zijn te verwachten op basis van het vooronderzoek is de zorgplicht van toepassing. Derhalve is op 25 mei 2020 de locatie waar het bestemmingsvlak gaat uitbreiden geïnspecteerd op de aanwezigheid van ecologische waarden op het gebied van flora- en fauna door de initiatiefnemer. Hierbij is in het bijzonder gelet op de aanwezigheid van (broed)vogels en zoogdieren (vleermuizen). Overige soorten zoals ongewervelden, amfibieën, vissen en reptielen zijn niet te verwachten gezien een waterpartij ontbreekt. Op onderstaande foto’s is de locatie waar het bestemmingsvlak gaat uitbreiden weergeven:

Toe te voegen deel aan bestemmingsvlak door vormverandering Rondom de bebouwing is sprake van erfverharding. Bij de beoogde situering van de nieuwe bedrijfsbebouwing is sprake van productief maisland. Rondom het plangebied is nagenoeg geen beplanting aanwezig behoudens de beplanting in de tuin van de woning. Op het toe te voegen deel is geen beplanting aanwezig die een mogelijke biotoop of broedplaats kan vormen voor vogels, vleermuizen of overige fauna. Tevens wordt gewerkt met o.a. pesticiden om ongedierte van het bedrijf te weren. Rondom de bebouwing wordt ongewenste begroeiing (onkruid) o.a. verwijderd middels gewasbestrijdingsmiddelen.

Pagina 42 van 60

Gezien dit huidige intensieve gebruik van de gronden en bedrijfsbebouwing ten behoeve van het bedrijf is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. Daarnaast ontbreekt het aan geschikt habitat. Conclusie Er is sprake van een uitbreiding van bebouwing op een reeds bestaand deel van het bestemmingsvlak en op agrarisch maisland. Zowel uit Effectenindicator soorten van het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) alsmede uit visuele waarnemingen blijkt niet dat sprake is van de aanwezigheid van belangrijke nest- en/of verblijfplaatsen voor bedreigde soorten. Tevens is geen sprake van een habitat waar dergelijke soorten verwacht mogen worden. Het voortbestaan van individuele kwetsbare soorten, of kwetsbaar habitat, wordt door het voornemen niet bedreigt. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. 4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art.

82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De locatie is gelegen aan een weg in het buitengebied van Haghorst waar enkel bestemmingsverkeer passeert. In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt aangesloten bij de bestaande regels in het buitengebied voor het bouwen van een woning. Zo bepalen de regels dat de minimale afstand tot de as van de weg minimaal 15 meter bedraagt bij het bouwen van een woning.

De beoogde bedrijfsbebouwing met daarin huisvesting van medewerkers is op grotere afstand van de weg gesitueerd. Op basis van de huidige situatie is conform de Atlas van de leefomgeving, zie onderstaande afbeelding, sprake van een meer dan ‘goed’ woon- en leefklimaat aangaande geluid afkomstig van het wegverkeer ter plaatse van de bestaande woning én ter plaatse van de beoogde huisvesting van medewerkers.

Pagina 43 van 60

Bestaande woning As van de weg

Beoogde huisvesting medewerkers

Gezien de verkeersintensiteit aan de Koningin Julianaweg minimaal is en meer dan 15 meter afstand wordt gehouden tot de as van de weg worden de waarden vanuit de Wet geluidhinder voldoende in acht genomen. Daarbij is sprake van een meer dan ‘goed’ woon- en leefklimaat in de beoogde situatie ten aanzien van wegverkeerslawaai. In de nabije toekomst zijn hierin geen veranderingen te verwachten. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het plan ziet toe op vormverandering van het bouwvlak voor de realisatie van een nieuwe opslagloods.

Het beoordelen van het woon- en leefklimaat is gezien de ligging van de veehouderijen rondom de locatie met name relevant voor het geuraspect. Deze toetsing vindt plaats in de navolgende paragraaf. De vormverandering van het bouwvlak én daarmee een verplaatsing van de activiteiten op locatie kan daarbij gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van de omgeving. De meest nabij gelegen woning is de woning behorende bij de varkenshouderij op Koningin Julianaweg 1B. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is deze woning gelegen op ca. 43 meter afstand van de beoogde verandering van het bouwvlak.

Pagina 44 van 60

70 m

40 m

zand/grond

groen + compost

Het planvoornemen ziet toe op de vormverandering van een bouwvlak behorende bij een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlakte groter dan 500 m². Conform de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering is dit een milieucategorie 3.1 activiteit. Op basis van ‘vaste afstand’ dient rekening gehouden te worden met een vaste afstand van 50 meter op basis van het geluidsaspect (in een rustig buitengebied). Binnen een afstand van 50 meter ten opzichte van het beoogde bouwvlak is de bedrijfswoning Koningin Julianaweg 1B gelegen. Gezien niet voldaan wordt aan de adviesafstand is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage en gaat uit van een worst-case scenario (maximale planopvulling) van o.a.: - 1x schredderen groenafval per jaar - 12 personenauto’s Uit het onderzoek blijkt dat Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie overal lager dan 45 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de normering van 45 dB(A) voor een rustige omgeving, zoals opgenomen in stap 2 van de handreiking bedrijven en milieuzonering. Tevens wordt dan voldaan aan artikel 2.17 lid 5 van het Activiteitenbesluit. Opslag groenafval en uitgerijpte compost In de beoogde bedrijfsvoering wordt het groenafval dat terugkomt van de werkzaamheden op kleine schaal opgeslagen, in een hoeveelheid van maximaal 600 m³ tegelijkertijd.

Tevens wordt uitgerijpte compost ingekocht en opgeslagen binnen de planlocatie. Gezien de compost is uitgerijpt is er geen sprake meer van een verrottingsproces. Ten aanzien van de VNG adviesafstanden voor geur, stof, en gevaar kan derhalve worden aangesloten bij de reguliere afstanden voor een hoveniersbedrijf te weten: 30 meter (geur), 10 meter (stof) en 10 meter (gevaar). Aan deze afstanden wordt voldaan ten opzichte van omliggende woningen de bijbehorende bouwvlakken (planologisch recht).

Pagina 45 van 60

Conclusie Bij realisatie van het beoogde plan blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woning(en). 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen.

Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. 4.10.1 Geurgevoelige objecten Het plan ziet niet toe op realisatie of uitbreiding van een veehouderijbedrijf. In het overgrote deel van de op te richten bedrijfsbebouwing (opslagloods) wordt kort verbleven. De ruimte voor het huisvesten van werknemers wordt in het kader van de Wet geurhinder veehouderij gezien als een ‘geur gevoelig object’. Het realiseren van deze ruimte wordt in het bestemmingsplan niet direct mogelijk gemaakt maar enkel middels een binnenplanse afwijking onder artikel 4.5.5 van de planregels om zo te borgen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. De bestaande bedrijfswoning binnen de planlocatie (Koningin Julianaweg 1A) heeft nimmer ten dienste gestaan van een veehouderijbedrijf. De bedrijfswoning heeft ten dienste gestaan van een tuinbouwbedrijf. Hierdoor is het voor de omliggende veehouderijbedrijven altijd een geurgevoelig object geweest in het kader van de Wet geurhinder veehouderij.

Pagina 46 van 60

4.10.2 Omliggende veehouderijbedrijven Op onderstaande afbeelding zijn de omliggende veehouderijbedrijven weergeven met de gehouden diercategorieën uitgesplitst op basis van de Wgv.

Kon. Jul. weg 4 97.603 Ou/s Kon. Jul. weg 3 Dieren zonder geuremmissiefactor Kon. Jul. weg 1 Dieren zonder geuremmissiefactor Kon. Jul. weg 1B 46.223 Ou/s

Prins Bernhardweg 4 82.960 Ou/s

Prins Willem-Alexanderweg 1 Dieren zonder geuremmissiefactor

Prins Bernhardweg 2 68.770 Ou/s

Kon. Jul. weg 2 Dieren zonder geuremmissiefactor

4.10.3 Beoordeling ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met vee waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Het plan ziet niet direct toe op het toevoegen van nieuwe geurgevoelige objecten, enkel middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid waarbij separaat moet worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. Een eventuele uitbreiding van een veehouderij met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld dient in het buitengebied te toetsen aan een afstand van 50 meter. Binnen een afstand van 50 meter rondom de planlocatie is enkel de veehouderij op Koningin Julianaweg 1B gelegen. Voor deze veehouderij zijn onderstaande dieraantallen vergund. Het betreft geen dieren waarvoor geen Pagina 47 van 60

geuremissiefactor is vastgesteld. Hierdoor kan met zekerheid worden gesteld dat omliggende bedrijven met vee zonder geuremissiefactor niet worden benadeeld in hun ontwikkeling.

4.10.4 Beoordeling ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Het plan ziet niet direct toe op het toevoegen van nieuwe geurgevoelige objecten, enkel middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid waarbij separaat moet worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering. Het meest dominante veehouderijbedrijf in de omgeving van de planlocatie is de veehouderij op Koningin Julianaweg 1B. Deze veehouderij heeft in werkelijkheid nog niet alle vergunde stallen gerealiseerd. Tevens is op het moment van schrijven de intentie om de intensieve veehouderij op locatie te saneren. Gezien het planologisch-juridisch mogelijk is om op locatie een volwaardige veehouderij te exploiteren wordt het toevoegen van de huisvesting van werknemers enkel mogelijk gemaakt middels een afwijkingsbevoegdheid. De bestaande bedrijfswoning binnen de planlocatie (Koningin Julianaweg 1A) heeft nimmer ten dienste gestaan van een veehouderijbedrijf. De bedrijfswoning heeft ten dienste gestaan van een tuinbouwbedrijf. Hierdoor is het voor de omliggende veehouderijbedrijven altijd een geurgevoelig object geweest in het kader van de Wet geurhinder veehouderij. Een verdere uitbreiding richting de planlocatie is derhalve niet voorstelbaar.

Door het planvoornemen worden omliggende veehouderijbedrijven derhalve niet verder in hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. 4.10.5 Beoordeling woon- en leefklimaat planlocatie Het plan ziet niet direct toe op het toevoegen van nieuwe geurgevoelige objecten, huisvesting van medewerkers is enkel mogelijk middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid waarbij separaat moet worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering.

Pagina 48 van 60

De bestaande bedrijfswoning binnen de planlocatie (Koningin Julianaweg 1A) heeft nimmer ten dienste gestaan van een veehouderijbedrijf. De bedrijfswoning heeft ten dienste gestaan van een tuinbouwbedrijf. Hierdoor is het voor de omliggende veehouderijbedrijven altijd een geurgevoelig object geweest in het kader van de Wet geurhinder veehouderij. Het planvoornemen heeft derhalve geen (nadelige) gevolgen voor het woon- en leefklimaat binnen de planlocatie. Conclusie Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Gezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. Voor de bewoners van de nieuwe woning die gerealiseerd zal worden in de beoogde situatie moet een aanvaardbaar leefklimaat zijn in het kader van de volksgezondheid. In de omgeving van onderhavige locatie zijn verschillende veehouderij gevestigd, die effect kunnen hebben op de volksgezondheid van de bewoners van de nieuwe woning. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland.

Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 250 meter van de huisvesting van werknemers (welke enkel mogelijk wordt gemaakt met een binnenplanse afwijking) is één veehouderijbedrijf gelegen, namelijk de locatie Koningin Julianastraat Pagina 49 van 60

1B. Deze is in onderstaande tabel opgenomen. De minimale afstand tot het bedrijf dient op grond van het Endotoxinetoetsingskader minimaal 90 meter te zijn. De beoogde afstand bedraagt ca. 110 meter.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid. De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij bedraagt 1,6 kilometer (Ontginningsweg 15 Haghorst). Dit is buiten een straal van 250 meter. Tussen de toe te voegen wooneenheid en de geitenhouderij zijn meerdere woningen gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Tevens is op locatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zowel op basis van geur als op endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Gezien tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij meerdere (burger)woningen zijn gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat, kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling

Pagina 50 van 60

De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is niet gelegen in een invloedsgebied van een risicobron. In verband met het vervoer van toxische stoffen geldt een invloedsgebied op de A58 van 4 kilometer. De planlocatie is gelegen op ca. 1,5 kilometer. De dichtst gelegen risicobron is de buisleiding gelegen op 850 meter van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het invloedgebied van deze PRB-Leiding. Het planvoornemen beoogd een vormverandering van het bouwvlak en bestemmingswijziging. In de praktijk blijft sprake van een bedrijfsfunctie van het plangebied in de huidige en toekomstige situatie (van tuinbouwbedrijf naar hoveniersbedrijf). De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid aangaande een toxisch scenario veranderd daarmee niet. Gezien de planlocatie is gelegen binnen het invloedsgebied van de A58 wordt bij uitvoering en gebruik van het plangebied gebruik gemaakt van het ‘Standaardadvies en Verantwoording Groepsrisico Hilvarenbeek’ welke als bijlage is toegevoegd aan deze toelichting.

Uitsnede Risicokaart provincie Noord-Brabant. Bron: Risicokaart.nl

Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.

Pagina 51 van 60

4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' Pagina 52 van 60

(NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Als gevolg van het plan zijn in een worst-case situatie inclusief bouwfase ca. 40 extra vervoersbewegingen te verwachten. Hiervan zijn naar schatting 2 vervoersbewegingen per dag (5%) van vrachtwagens voor het aanleveren van materiaal. Dit is doorgerekend middels de NIBM—tool, zie onderstaand. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg.

Conform onderstaande pm10 kaart (2017) (bron: Atlas leefomgeving) is ter plaatse van de planlocatie sprake van een range van 20-21 µg/m3. Hieruit blijkt dat het jaargemiddelde van 40 µg/m3 pm10 niet wordt overschreden. Eveneens wordt het jaargemiddelde van PM2,5 niet overschreden (range: 1112). Gezien het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt wordt geen verslechtering van het woonen leefklimaat aangaande luchtkwaliteit verwacht.

Pagina 53 van 60

PM10: waarde: 16 (microgram PM10/m3)

PM2,5: waarde: 8 (microgram PM10/m3)

4.14 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; Pagina 54 van 60

d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.15 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2.

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld.

Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het planinitiatief ziet toe op een vormverandering en functieverandering van een tuinbouwbedrijf naar hoveniersbedrijf.

Pagina 55 van 60

Het beoogde plan kan worden gezien als een landinrichtingsproject (categorie D9) of als een stedelijk ontwikkelingsproject (D11). Het inzamelen van groenafval valt onder categorie D18.1. De activiteiten op locatie worden wel in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. genoemd, maar de drempelwaarde uit kolom 2 'gevallen' niet wordt gehaald. Een vormvrije mer-beoordeling welke deugdelijk gemotiveerd is volstaat derhalve. Voor het plan is separaat een vormvrije mer-beoordeling opgesteld. Het College is verzocht om bij het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan op basis van de vormvrije mer-beoordeling tevens een besluit te nemen op de m.e.r.-beoordeling. 4.16 Spuitzone’s In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Er dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie.

Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: • De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: o Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. o Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. • De wijze van teelt: o Teelt in de open lucht of containerteelt. o Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. • Feitelijke omstandigheden: • Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen, heggen, etc.). In de omgeving zijn nieuwe activiteiten met toepassing van bestrijdingsmiddelen voor de boomteelt niet rechtstreeks mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Hiervoor moet een afwijkingsbesluit worden genomen waarbij ook getoetst moet worden op een goede ruimtelijke ordening en gevoelige functies. Ook het aspect drift dient hierin in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ te worden meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12360039/1