08 bp Dunsedijk - achter Rustoord (3 bijlage Toelichting en regels ontwerpbestemmingsplan)
Tekst van het document
Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3. Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit.
'Kleine' projecten die minder
28
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15855851 (aan de Lage Mierdseweg (N269) ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) 17,1 µg/m3
PM10 (fijnstof) 18,2 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 11,1 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 6 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 5.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met voorliggend plan worden nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd (6 woningen). Industrielawaai en spoorweglawaai zijn in de omgeving van het plangebied niet aan de orde. Wat betreft wegverkeerlawaai ligt het plangebied in de geluidszone van de Dunsedijk en de Kinderlaan, waar een maximum snelheid van 60
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
29
km/uur is toegestaan. Het plangebied ligt tevens in de geluidszone van de Lage Mierdseweg (N269), waar maximum snelheid van 80 km/uur is toegestaan. Mede op basis van de door de gemeente beschikbaar gestelde informatie is een rekenmodel opgezet en is de geluidbelasting berekend. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 4. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ter hoogte van de te ontwikkelen woningen voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede geluidskwaliteit, ook in de buitenruimte en op het terras bij de woningen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in:
concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m³ 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
De gemeente Hilvarenbeek heeft eigen geurbeleid, vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij, welke in 2015 deels is herzien. In deze verordening ligt de norm voor het buitengebied op 10,0 ouE/m 3.
30
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Planspecifiek Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd (woningen). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een geuronderzoek uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen en of er geen veehouderijen in hun belangen worden geschaad. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 5. Hierin worden de volgende deelconclusies getrokken: 1. Het plangebied voldoet, met een voorgrond geurbelasting die onder de 10,0 ouE/m³ ligt, aan de wettelijke norm. De veehouderij aan de Dunsedijk 1b te Esbeek wordt door de realisatie van de geurgevoelige objecten niet in zijn belangen geschaad; 2. Het leefklimaat als gevolg van de maatgevende achtergrondbelasting voldoet aan de wettelijke norm van 25% geurgehinderden in het buitengebied, derhalve wordt ter plaatse van de te realiseren woningen een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd; 3. Aan de vaste afstanden vanuit het plangebied tot aan de meest dichtbij gelegen veehouderij en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied aan de Dunsedijk ong. te Esbeek niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
5.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Het plangebied ligt in een gemengd gebied met rondom de functies sport, horeca en wonen. Aangezien er sprake is van een gemengd gebied kunnen de richtafstanden op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG met 1 stap/categorie worden verkleind. In de onderstaande tabel zijn de omliggende bedrijven en functies en de bijbehorende gereduceerde richtlijnen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG weergegeven. De afstanden tussen het plangebied en de bedrijven voldoen ruimschoots aan de richtlijnen.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
31
Bedrijf/functie Lage Mierdseweg 17, Hotel / Restaurant / Kunstatelier Dunsedijk 1, Golfbaan
Richtafstand 0m
Feitelijke afstand 0m
0m
10 m
Dunsedijk 1a, Paardenhouderij / Manege
30 m
250 m
Dunsedijk 1b, Rundveehouderij / Akkerbouw
50 m
380 m
Lage Mierdseweg 14a, Houthandel
100 m
380 m
Lage Mierdseweg 17/25, Hotel / Restaurant / Kunstatelier
0m
0m
De perceelsbegrenzingen van de te realiseren woningen zijn niet gelegen binnen de genoemde richtafstanden. Geconcludeerd kan worden dat er uit het oogpunt van milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat er met de ontwikkeling geen bedrijven of andere functies worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 5.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
32
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart is op te maken dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit onderzoek uit 2018 in het kader van het 'project vervoer gevaarlijke stoffen' door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) blijkt dat het initiatief binnen het invloedsgebied valt van de transportbewegingen met gevaarlijke stoffen die over de Dunsedijk te verwachten zijn. Daarom dient getoetst te worden aan het Besluit externe veiligheid transportroutes en wordt hieronder een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de (snel)wegen. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht.
Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident van een fakkelbrand en met toxische stoffen te beperken. Bij het toxisch scenario is het handelingsperspectief schuilen in gebouwen. Dat kan met voorliggend plan in de te realiseren woningen.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
33
Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Het ligt in de verwachting dat de aanwezigen van de nieuwe woningen zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Tevens zijn er voldoende mogelijkheden van de risicobron weg te vluchten. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroute met een externe veiligheidsrisico. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de Dunsedijk. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid. 5.1.7 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven.
Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.
Planspecifiek Het onderhavige plan betreft enkel de realisatie van 6 woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D11.2. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In hoofdstuk 5 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieugevolgen
34
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig. 5.1.8 Volksgezondheid Veehouderij en Gezondheid Omwonenden Gezondheidsrisico's zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Blootstelling heeft betrekking op de hoeveelheid ziekteverwekker, die een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Door het Rijk wordt momenteel een landelijk toetsingskader voor endotoxine ontwikkeld op advies van de Gezondheidsraad. Deze hanteert een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervanuit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen teveel aan endotoxinen kan worden beschermd.
Omdat dit toetsingskader nog niet is afgerond, heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid vooruitlopend daarop de “Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0” en de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0” opgesteld. Onderdeel daarvan is een stappenplan, dat moet worden doorlopen om te beoordelen of in het kader van het planvoornemen advisering door de GGD wenselijk is. Planspecifiek Om te bepalen of het voor het voorliggende plan noodzakelijk is om advies in te winnen bij de GGD is het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0” (Definitieve versie 30 april 2018) doorlopen (zie bijlage 6). Dit stappenplan bestaat uit 7 stappen. Om de stappen te kunnen doorlopen is eerst een inventarisatie gemaakt van de veehouderijen binnen een straal van 1 km om de planlocatie. Hieronder worden de 7 stappen doorlopen. Stap 1. Endotoxine De ontwikkeling is niet gelegen binnen de richtafstanden voor endotoxinen van omliggende varkens- en pluimveehouderijen. Hierbij is uitgegaan van een richtafstand van 500 meter vanaf de grens van het plangebied voor pluimveehouderijen en 200 meter vanaf de grens van het plangebied voor varkenshouderijen, zoals vermeld in de handreiking. Stap 2.
Toename in de emissies voor geur, fijnstof of ammoniak De ontwikkeling leidt niet tot een toename van geur, fijnstof en ammoniak. De ontwikkeling betreft de realisatie van woningen, er wordt geen veehouderij/landbouwbedrijf beoogd. Stap 3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan Stap 3a. Wettelijke uitgangspunten Voor de achtergrond belasting wordt voldaan aan de waarde 10,0 OU E/m3. Tevens wordt voldaan aan de afstand van 50 meter die geldt in het buitengebied. Stap 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Binnen 100 meter vanaf de grens van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Derhalve wordt voldaan aan het gezondheidskundige advieswaarde van de GGD van 100 m tussen een veehouderij en een geurgevoelige bestemming.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
35
Stap 4a. Meerdere diersoorten binnen één veehouderij Het houden van meerdere diersoorten op een bedrijf kan gezondheidsrisico’s teweeg brengen. Binnen het plangebied is echter geen veehouderij aanwezig en derhalve is ook geen sprake van een combinatie van de genoemde diersoorten in de handreiking. Stap 4b. Afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkens- en pluimveebedrijf In de handreiking wordt een gewenste minimale afstand tussen pluimvee- en varkenshouderij benoemd van 100 meter. Aangezien er binnen een straal van 100 meter vanaf de grens van het plangebied geen pluimveehouderij en/of varkenshouderij aanwezig zijn wordt hieraan voldaan. Stap 5a, b en c. Afstand geitenhouderij, pluimveehouderij en bebouwde kom Om gezondheidsrisico’s i.v.m. geitenhouderijen te beperken wordt in de handreiking benoemd om een minimale aftand van 2 kilometer aan te houden tussen een geitenhouderij en gevoelige bestemmingen (waaronder burgerwoningen). Binnen een straal van 2 kilometer vanaf de grens van het plangebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig en derhalve wordt aan de minimale afstand voldaan. Voor pluimveehouderijen en gevoelige bestemmingen wordt in de handreiking een minimale afstand van 1 kilometer benoemd. Binnen een straal van 1 kilometer zijn geen pluimveehouderijen gelegen en derhalve wordt ook aan deze minimale afstand voldaan.
Daarnaast geeft de handleiding een aanbevolen minimale afstand tussen overige veehouderijen en de bebouwde kom van 250 meter. Aangezien de planlocatie geen veehouderij betreft en zich niet binnen de bebouwde kom bevind is deze minimale afstand niet van toepassing voor deze situatie. Stap 6. Mestbewerking of -verwerking Op de planlocatie wordt geen mest bewerkt of verwerkt, er is geen sprake van een veehouderij. Binnen een afstand van 200 meter vanaf de planlocatie zijn eveneens geen bedrijven gelegen die mest bewerken of verwerken. Stap 7. Ongerustheid over volksgezondheid In de omgeving is (zover bekend) geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie Op basis van het doorlopen stappenplan kan geconcludeerd worden dat een advies van de GGD niet noodzakelijk is. Voorliggend plan heeft in het kader van volksgezondheid geen negatieve invloed op de omgeving van het plangebied. Ook is andersom het woon- en leefklimaat ter plaatse geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van volksgezondheid.
5.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die
36
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet.
Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Beleid Waterschap De Dommel Het beleid van Waterschap De Dommel hanteert de volgende drie principes die richtinggevend zijn bij de advisering over ruimtelijke plannen: 1. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; 2. Doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer'; 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen. Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 2.000 m². Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 m 2 en 10.000 m2 kan de volgende rekenregel worden toegepast voor het berekenen van de benodigde compensatie: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
37
Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek streeft naar een zo duurzaam mogelijke en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater waarbij hemelwater op een zo natuurlijk mogelijke manier wordt verwerkt. Verontreinigingen naar bodem, lucht en oppervlaktewater worden zoveel mogelijk voorkomen en wateroverlast voor burgers zoveel mogelijk beperkt. De gemeente legt, conform de opzet van de wetgeving, de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater dat afkomstig is van particuliere terreinen bij de bewoner / eigenaar binnen de grenzen van redelijkheid en doelmatigheid. Het gemeentelijke beleid is erop gericht de kansen voor ontvlechting van hemelwater en afvalwater zoveel als doelmatig wordt geacht aan te grijpen. Dit geldt zowel voor de particulier op eigen terrein als voor de openbare ruimte. Daarbij wil de gemeente de vrijstelling tot compensatie bij kleine toename in verhard oppervlak binnen de Keur voor een ontwikkeling, met dit gemeentelijk beleid teniet doen. Hiermee wil de gemeente knelpunten in het rioolstelsel mede oplossen door ook kleinere ontwikkelingen op particulier terrein hieraan bij te laten dragen.
Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m2 nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. Planspecifiek Oppervlaktewater In de nabije omgeving van de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Enkel een kleine greppel c.q. droge sloot ten noordwesten van de voorziene bouwlocaties. Grondwater Ter hoogte van de planlocatie ligt grondwatertrap VI, waarbij de GHG 60 - 80 cm – maaiveld bedraagt en de GLG op meer dan 120 cm – maaiveld is gelegen (Viewer Waterschap de Dommel). Via het actueel hoogtebestand Nederland is bekeken dat de gemiddelde maaiveldhoogte is gelegen op 21,9 mtr + NAP. Dat betekent dat ter hoogte van deze bouwlocatie de GHG op +/- 21,3 mtr + NAP is gelegen. Afvalwater De nieuwe functies in de vorm van de woningen op de bouwlocatie zullen afvalwater opleveren. Dit vuile water blijft gescheiden van het schoon hemelwater en zal via het riool worden afgevoerd. Huidige en toekomstige situatie Oppervlaktes Dakoppervlakte dienstwoningen (4 stuks) Dakoppervlakte kapschuren (2 stuks) Toegangsweg Onverhard terrein Totaal
Huidig m2 0 0 0 11.500 11.500
Toekomstig m2 1.140,00 717,50 750,00 8.892,50 11.500,00
Tabel 1. Overzicht verhardingstoename/afkoppeling hemelwateroppervlak
Binnen de planlocatie wordt voorzien in woonpercelen variërend van 1.575 m2 tot 2.000 m2 waarop vier dienstwoningen met een dakoppervlakte van maximaal 185 m2 en twee woningen van het type kapschuur, met een dakoppervlakte van maximaal 258,75 m2 (inhoud 750 m3), allen met een bijgebouw van maximaal 100 m2 gerealiseerd worden. De toegangsweg en inritten worden voorzien van een verharding in de vorm van gebakken klinkers, natuursteen (kinderkopjes) of grind. Op de percelen wordt spaarzaam omgegaan met
38
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
verharding. Gezien het materiaalgebruik wordt ervan uitgegaan dat het hemelwater tussen en nabij de verharding in het gebied kan infiltreren. Wateroverlastvrij bestemmen De planlocatie bestaat momenteel grotendeels uit bos en grazige vegetatie. Bij de realisatie van dit plan wordt maximaal 1.857,50 m2 aan nieuwe bebouwing en ongeveer 750 m2 aan verharding in de vorm van toegangswegen en inritten gerealiseerd. De ontwikkeling van dit plan heeft derhalve mogelijk een negatief effect op de hydrologische situatie. Toetsing ontwateringsnorm De ontwateringsnorm infrastructuur en bebouwing is in Nederland vastgelegd in de Leidraad Riolering (C1000). Afhankelijk van de functie en inrichting van het gebied zijn de volgende richtlijnen beschikbaar met betrekking tot de toelaatbare grondwaterstanden: Functie Toelaatbare grondwaterstand Woningen met kruipruimte * 0.70 m – kruin weg Woningen zonder kruipruimte * 0.30 m – kruin weg Tuinen en openbare groenvoorziening 0.50 m – kruin weg Primaire wegen 0.90 – 1.00 m – kruin weg Secundaire wegen + woonstraten 0.70 m – kruin weg * Uitgangspunt: vloerpeil van woningen 0.2 tot 0.3 m + maaiveld. De grondwaterstanden in deze tabel mogen gemiddeld enkele dagen per jaar voorkomen. Tabel 2. Toelaatbare grondwater in relatie tot de functie van de grond (bron: Leidraad Riolering)
Voor de locatie Dunsedijk - achter Rustoord is een GHG van 21,3 m + NAP berekend. Het toekomstige bouwpeil dient minimaal 22,0 m + NAP te bedragen (uitgaande van woningen met kruipruimte). Het huidige maaiveldniveau bedraagt 21,9 m + NAP. Dit is niet voldoende om aan de norm te voldoen. De planlocatie zal minimaal met 0,1 m1 worden opgehoogd om aan de norm te kunnen voldoen. Doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer Overschotten aan hemelwater worden zo min mogelijk afgewenteld op benedenstrooms gelegen gebieden. Dit betekent dat schoon afstromend hemelwater zoveel mogelijk binnen de planlocatie wordt vastgehouden. Hierbij hanteert het waterschap het beleid waarin een aantal afwegingsstappen in een vaste volgorde worden afgewogen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer. Er zullen voorzieningen worden getroffen, in de vorm van zakslootjes om het hemelwater te laten infiltreren. Verwerking hemelwater De gronden binnen de projectlocatie zijn zandgronden en daarmee geschikt voor infiltratie. Binnen de projectlocatie is hier in voldoende mate ruimte voor aanwezig. Er wordt gekozen om per woning een waterbergingsvoorziening in de vorm van een zaksloot aan te leggen. De benodigde waterbergingsvoorziening voor een individuele dienstwoningen is 185 m 2 (dakoppervlak) + 125 m2 (erfverharding) * 0,06 (gevoeligheidsfactor) = 18,6 m3.
De benodigde waterbergingsvoorziening voor een individuele kapschuur 258,75 m 2 (dakoppervlak) + 125 m2 (erfverharding) * 0,06 (gevoeligheidsfactor) = 23,0 m3. Bij de dienstwoningen wordt een zaksloot met een lengte van 15 meter bij 3 meter breed, 0,4 m 1 diep en voorzien van een talud 1:3 worden aangelegd zodat de capaciteit boven de GHG voldoende is.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
39
Bij de kapschuren wordt een zaksloot met een lengte van 20 meter bij 3 meter breed, 0,4 m1 diep en voorzien van een talud 1:3 worden aangelegd zodat de capaciteit boven de GHG voldoende is. Waterkwaliteit Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de realisatie van de woningen op de locatie Dunsedijk – achter Rustoord wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare materialen en/of zink. Zo wordt verontreiniging van bodem en grondwater voorkomen. De beschreven ontwikkelingen met betrekking tot de realisatie van de woningbouwlocaties voldoen aan de beleidsmatige uitgangspunten van Waterschap de Dommel. De beoogde ontwikkeling voorziet in een vermindering van de oppervlakte verharding ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan en levert derhalve een positieve bijdrage aan het lokale watersysteem. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.
5.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.
Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kemperland-West'. Dit gebied ligt op ruim 1 kilometer afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling (realiseren 6 woningen) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten worden uitgesloten. Gezien de realisatie van zes woningen die gasloos worden gebouwd, zal er in de
40
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
gebruiksfase enkel sprake zijn van stikstofuitstoot door een beperkte toename van verkeersbewegingen. In de bouwfase is sprake van een tijdelijke uitstoot. Hiervoor is een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 8). Op basis hiervan en de afstand tot het stikstofgevoelige gebied is er geen aanleiding te veronderstellen dat de stikstofdepositie als gevolg van de bouw en het gebruik van de woningen een substantieel effect heeft op beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 7. Hierin wordt geconcludeerd dat er in het plangebied mogelijk amfibieën, reptielen en zoogdieren voorkomen die in de provincie Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om de wezel, levendbarende hagedis, hazelworm, vinpootsalamander, alpenwatersalamander (allemaal A-soorten die in Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld) en om de heikikker (internationaal beschermd). Om de aan- of afwezigheid van deze diersoorten in het plangebied aan te tonen, dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
5.4
Verkeer
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De woningen worden ontsloten via een bestaand smal pad, welke aansluit op de Dunsedijk. Het verkeer zal worden afgewikkeld op de Dunsedijk in noordelijke richting, waarbij de Dunsedijk direct aansluit op de rotonde van de Lage Mierdseweg (N269). Volgens de CROW gegevens geldt voor het woonmilieu “landelijk wonen” een stijging van 7,4 verkeersbewegingen per etmaal per woning. De Dunsedijk is een deels geasfalteerde en deels onverharde weg met een maximum snelheid van 60 km/uur en de Lage Mierdseweg een geasfalteerde weg met een maximum snelheid van 80 km/uur. Beide wegen kunnen het aantal motorvoertuigbewegingen (44 mvt/etmaal) zonder problemen verwerken. Ook in de ochtend- en avondspits worden geen problemen voorzien, omdat uit ervaringscijfers blijkt dat dan maximaal circa 20% van de totale motorvoertuigbewegingen plaatsvindt. Wat betreft parkeren geldt in het plangebied het 'Parapluplan parkeren Hilvarenbeek 2018', waarin wordt aangesloten bij de parkeernormen van het CROW (publicatie 317). Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een minimale parkeernorm van 2 parkeerplaatsen en een maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen. Bij de woningen is voldoende ruimte om op eigen terrein aan de parkeernorm te voldoen.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
5.5
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
41
Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de Provincie Noord Brabant is Landgoed De Utrecht aangewezen als cultuurhistorisch vlak 'Landgoed De Utrecht'. De Utrecht is een bijzonder omvangrijk landgoed, grotendeels bestaand uit productiebossen en landbouwgronden. Het landgoed wordt in het westen begrensd door de rijksgrens met België en in het oosten door de Neterselsche Heide.
Van zuid naar noord loopt het beekdal van de Reusel door het gebied, met de middeleeuwse ontginningen Dun, Tulder en Lange Gracht. Bij de aanleg van het landgoed zijn deze buurtschappen met hun akkercomplexen grotendeels bebost. De akkercomplexen zijn nog herkenbaar door hun hogere ligging, steilranden en wallen. Het landgoed is eigendom van vroegere verzekeringsmaatschappij De Utrecht, tegenwoordig ASR. Het werd als beleggingsobject ontgonnen, ontwikkeld en beheerd door de Nederlandse Heidemij, die de boerderijen met aanpalende landerijen aan boeren verpachtte en de productiebossen exploiteerde. Het landgoed kan naar verschijningsvorm globaal in drie gebieden worden verdeeld. Karakteristiek in het relatief eenvormige westelijke gedeelte is het onregelmatige raster van ontsluitingswegen en brandgangen waarbinnen percelen productiebos zijn aangelegd van afwisselend loof- en naaldbomen. Dit gebied wordt doorsneden door enkele ontsluitingswegen met een laanbeplanting van beuk en eik. Een markant element is de lange Scheidijk, vroeger de grens tussen de Wellenseindsche Heide en de Teulder Heide, nu gemeentegrens tussen Hilvarenbeek en Reusel-De Mierden. In het noordelijke gedeelte wordt het aanzien van het landgoed bepaald door het houtvesterskantoor met de opvallende, met leiengedekte brandtoren (1905-1910), ontworpen door de architecten A.J. Kropholler en J.F. Staal.
Rondom dit gebouw werd park met waterpartij in landschapsstijl gerealiseerd, later aangevuld met het Arnoldspark (een arboretum aangelegd in 1941) en afwisselend bossen, graslanden en akkercomplexen. Bij het houtvesterskantoor zijn verschillende gebouwen gerealiseerd, waaronder een aantal arbeiderswoningen rondom een 'dorpsplein'. Het vakantiehuis Rustoord (1922), ontworpen door architect J.W Hanrath, is een omvangrijk tweelaags gebouw dat was bestemd voor het personeel van de verzekeringsmaatschappij en ligt eveneens in een park. In het noordelijke gedeelte van het landgoed bevinden zich meerdere lanen en wegen die tevens als zichtassen fungeerden. Met uitzondering van het merendeel van de boerderijen ligt de bebouwing direct aan of in de nabijheid van de provinciale- of Lage Mierdenseweg. Dat het beekdal van de Reusel, de Herdgang en het gebied rond de vennen de Flaes en de Kleine Flaes en Het Goor niet is ingericht met productiebossen hing nauw samen met een cultuuromslag van de verzekeringsmaatschappij omstreeks 1920. Behalve een lucratief beleggingsobject wilde zij tevens het natuurlijke beeld van het oude Kempenlandschap bewaren en tegelijkertijd een fraai recreatiegebied creëren; een en ander hing nauw samen met publicitaire doeleinden. Hierdoor kreeg het landgoed een tweeledige bestemming, enerzijds economisch en anderzijds recreatief, die een ruimtelijke weerslag had.
Het grootste deel van het landgoed werd tussen 1898 en 1940 aangekocht, ontgonnen en ingericht, de huidige verschijningsvorm is kort na 1945 tot stand gekomen toen ook de laatste gedeelten werden ontgonnen.
42
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Onderhavig plangebied komt in de beschrijving van de cultuurhistorische waarden en kenmerken niet voor behalve dan dat de locatie achter het waardevolle Rustoord is gelegen, dat wel in de beschrijving voorkomt. Op de CHW is te zien dat De Dunsedijk en de Kinderlaan zijn aangeduid als cultuurhistorisch geografisch waardevolle lijnen en Huize Rustoord plus bijgebouw aangeduid is als Rijksmonument.
Cultuurhistorische waardenkaart met plangebied rood omkaderd
Door het Monumentenhuis Brabant is in 2012 een cultuurhistorische analyse uitgevoerd waarin de cultuurhistorisch waarden van Landgoed De Utrecht zijn beschreven (zie bijlage 9) . Tevens is een effectbeoordeling opgenomen van een aantal ontwikkelingen waaronder de realisatie van 6 woningen ter vervanging van de 28 gestapelde recreatieappartementen die binnen het vigerende bestemmingsplan mogelijk zijn. In de effectbeoordeling geeft het Monumentenhuis aan dat de bouw van 28 vakantieappartementen een grote aantasting op de bestaande historisch-ruimtelijke structuur van Landgoed De Utrecht in het algemeen en van Rustoord in het bijzonder betekent. “De gestapelde appartementen zijn in typologie zeer afwijkend van de bestaande bebouwing van het landgoed en zullen het karakter ernstig aantasten. Het realiseren van een beperkt aantal grondgebonden woningen heeft daarom de voorkeur. Hierbij is het echter van belang dat het aantal woningen zo klein mogelijk blijft. De woningen dienen bovendien zo ver mogelijk van Rustoord, de bijgebouwen en de ijskelder af te liggen". Onderhavig plan voldoet aan de voorwaarden met betrekking tot het aantal woningen en de afstand vanaf Rustoord, de bijgebouwen en de ijskelder. Het is tevens positief dat de ontsluiting van het perceel aan de Dunsedijk ligt, waar meerdere woningen aan gesitueerd zijn, zowel van voor als na de ontginning.
Monumentenhuis Brabant geeft vanuit bovenstaande redenering de voorkeur aan de realisatie van een beperkt aantal permanente, grondgebonden woningen. De woningen dienen in ontwerp en situering aan te sluiten op de bestaande karakteristieken van het landgoed. Voorliggend plan voldoet hieraan. Bij het ontwerp van het plangebied is ter versterking van de cultuurhistorische waarden van het plangebied uitgegaan van de Engelse Landschapsstijl waar het oorspronkelijke tuinontwerp van Tersteeg ook op gebaseerd was. Archeologie Het plangebied is op de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Hilvarenbeek gelegen binnen de categorie 4 'hoge archeologische verwachting voor uitsluitend vindplaatsen van jager-verzamelaars'. Onderstaand een uitsnede van deze kaart met het plangebied rood omkaderd. Dit komt overeen met de dubbelbestemming 'Waarde-archeologie 2' in de bestemmingsplannen van de gemeente Hilvarenbeek waarbinnen grondwerkzaamheden met een oppervlakte van minder dan 2.500 m² zonder
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
43
omgevingsvergunning zijn toegestaan. Met voorliggend plan wordt deze drempelwaarde niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart gemeente Hilvarenbeek
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
5.6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.
Voor het verhalen van de kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure is een anterieure overeenkomst gesloten. Tevens is in deze overeenkomst een paragraaf over het verhalen van planschade opgenomen. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
44
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.
6.2
Wijze van bestemmen
In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de plansystematiek van het bestemmingsplan "Landgoed de Utrecht" van de gemeente Hilvarenbeek, vastgesteld op 22 juli 2015. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Bos', ten behoeve van het handhaven en/of verder ontwikkelen van het bos en samenhangende landschappelijke waarden en natuurwaarden. 'Verkeer', ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied en de woningen. 'Wonen - Landgoed', met daarbinnen de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - 1 en 'specifieke vorm van wonen - 2'. De aanduiding 'specifieke vorm van wonen - 1' refereert aan het woningtype 'kapschuur' en 'specifieke vorm van wonen - 2' refereert aan het woningtype 'dienstwoning'. De beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing van de woningen is als voorwaardelijke verplichting opgenomen. De woning moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. Om cultuurhistorische en landschappelijke waarden te beschermen is het vergunningsvrij bouwen (als bedoeld in artikel 2 lid 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht) uitgesloten. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', ter bescherming van verwachte archeologische waarden.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
45
De dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie', voor het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken in het plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 1' zijn de gronden in het bijzonder bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de historische beplanting bestaand uit een rhodondendronhaag.
Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
46
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Hoofdstuk 7 7.1
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2
Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het vooroverleg is het plan meerdere keren besproken met de provincie Noord-Brabant, de Stichting Monumentenhuis Brabant en de RCE. Zij zien woningbouw op deze plek als een passende ontwikkeling. De wijziging van 28 vakantieappartementen naar 6 woningen is een verbetering. Op verzoek van de organisaties wordt er nog een aanvullend tuinhistorisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast is geadviseerd om de beeldkwaliteitseisen voor de twee woningen achter Huize Rustoord aan te passen en hier te kiezen voor een meer formele uitstraling. De regels bieden de mogelijkheid om de beeldkwaliteitseisen door het bevoegd gezag aan te passen.
7.3
Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro
Voor dit plan wordt geen formele inspraakprocedure gehouden. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd.
7.4
Verslag zienswijzen
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
47
48
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Bijlagen bij de toelichting
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
49
50
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing Dunsedijk - achter Rustoord
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
51
52
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Bijlage 2
Brief provincie inzake herbegrenzing EHS
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
53
54
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Bijlage 3
Historisch bodemonderzoek
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
55
56
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
57
58
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek
Bijlage 5
Geuronderzoek
Dunsedijk - achter Rustoord, Hilvarenbeek