CConstaterende datHilvarenbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

08 Bestemmingsplan Biestsestraat 42, Biest-Houtakker (6 Toelichting)

Gemeenteraad 26 september 2024, gemeente HilvarenbeekBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemminsplan “Biestsestraat 42, Biest-Houtakker”.18.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

routing, zichtlijnen en cultuurhistorie. Uitgangspunt hierbij is onder andere het hanteren van een maximale bouwhoogte van 2,5 laag bij nieuwe initiatieven. Slechts onder voorwaarden, kan hiervan worden afgeweken. Van deze mogelijkheid is sprake indien dit bij de toetsingcriteria bij de zone benoemd is; — behouden en versterken van de groene, kleinschalige en diverse uitstraling; — sterke groene/blauwe randen rondom het bebouwd gebied en met een visuele relatie (openheid) met het buitengebied. — openbare ruimte die recreatief / functioneel bruikbaar is voor de inwoners van Hilvarenbeek alsook recreatieve bezoekers.

Afbeelding 13: Zonering kern Biest-Houtakker

De planlocatie behoort ruimtelijk gezien tot de structuur van het ‘centrumgebied’ (blauw). Voor het beoogde plan zijn onderstaande criteria van belang: Ruimtelijk karakter 1. De initiatieven, moeten de ruimtelijke structuur niet verstoren. Dit wil zeggen dat voorkomen moet worden dat grote schaalverschillen in bouwhoogte en bouwmassa met de directe omgeving zullen worden veroorzaakt; 2. Voldaan moet worden aan de algemene beleidsuitgangspunten zoals beschreven in het themabeleid. Wonen: 1. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen kan in deze zone volstaan worden door het realiseren van woningen voor de actuele behoefte; 2. Nieuwe woningen mogen geen nieuwe belemmeringen opleveren voor andere functies in het gebied;

Pagina 32 van 66

3. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen dient verder in algemene zin voldaan te worden aan het gestelde in de woonvisie; 4. Voldaan moet worden aan de algemene beleidsuitgangspunten zoals beschreven in het themabeleid. Beoordeling: De beschrijving voor het ‘centrumgebied’ laat ruimte voor diverse ruimtelijke ontwikkelingen. De herontwikkeling van de locatie naar woningen is logische, mede gezien de overige centrumvoorzieningen reeds centraal zijn gerealiseerd in het naastgelegen pand. De beoogde nieuwe woningen worden qua uitstraling gelijk aan de reeds bestaande woningen in het centrumgebied, te weten Biestsestraat Biestsestraat 40 en 40a. De woningen zijn daarmee ondergeschikt aan de bebouwing in de omgeving. De bestaande woning op Biestsestraat 42 blijft nagenoeg in de bestaande vrijstaande vorm behouden. Het perceel biedt voldoende ruimte voor parkeerplaatsen conform paragraaf 2.4. Zoals in voorgaande paragraaf verder is beoordeeld draagt het plan bij aan het gestelde in de woonvisie.

3.4.5 Bestemmingsplan Kern Biest-Houtakker Het vigerend bestemmingsplan voor de planlocatie betreft het bestemmingsplan ‘Kern BiestHoutakker’, in dit bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen om de huidige bedrijfsbestemming om te zetten naar wonen. Een plaatselijke herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

Pagina 33 van 66

4 PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; gezondheid; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd naar een gevoeliger gebruik en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Beoordeling Voor de planlocatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd wat is toegevoegd als bijlage. Uit toetsing van de OMWB blijkt dat de bodemkwaliteit van de locatie nog een belemmering vormt voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor het aspect bouwen, maar dat de procedure voor de bestemmingswijziging kan worden voortgezet. Voor het aanvangen van de bouwactiviteiten cq.

het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘bouwen’ dient nog aanvullend onderzoek plaats te vinden in de vorm van een zintuiglijk bodemonderzoek gevolgd door een aanvullend bodemonderzoek conform de NEN 5740 op de deellocatie garage (de plaats waar het garagebedrijf heeft gestaan). Hierbij moeten de Pagina 34 van 66

bovengrondmengmonsters onderzocht worden op het standaardpakket grond. De peilbuis moet geplaatst worden in de kern van de deellocatie opslag vloeistoffen; het grondwatermonster moet onderzocht worden op de parameters uit het standaardpakket voor grondwater aangevuld met MTBE/ETBE, tankstationpakket, glycolen en alcoholen. In overweging wordt gegeven vooraf het onderzoeksvoorstel hiertoe ter beoordeling aan de gemeente Hilvarenbeek te sturen. De rapportage van het aanvullend bodemonderzoek moet, voorafgaand aan de bouwactiviteiten, ter goedkeuring voorgelegd worden aan de gemeente Hilvarenbeek. Nadat het aanvullend onderzoek is geaccordeerd door de gemeente Hilvarenbeek moet het plan van aanpak voor het verwijderen van de olieverontreiniging in de garage worden opgesteld. Dit plan van aanpak moet ter goedkeuring gestuurd worden aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming (OMWB). Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken en/of bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Conclusie Het aspect ‘bodem’ staat de voorgenomen bestemmingsplanwijziging niet in de weg.

4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009.

De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van Pagina 35 van 66

een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014. In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant.

Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet.

En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven

Pagina 36 van 66

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

4.3.2 Hemel- en grondwaterbeleid Hilvarenbeek De gemeente Hilvarenbeek heeft de gemeentelijke regels inzake waterbeleid aangescherpt ten opzichte van de Keur van het waterschap. Waar binnen de Keur ontwikkelingen met een toename kleiner dan 2.000 m² zijn vrijgesteld aan compensatie, zal het aangescherpt beleid vanuit de gemeente zich richten op daadwerkelijk nieuw verhard oppervlak en zullen kleinere oppervlakken ook een verplichting tot compensatie krijgen. In de themakaart Keur is voor de gehele gemeente de compensatieverplichting bepaald in een factor, vertaald in millimeters. Deze factor wordt berekend over de toename aan verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie. Factor 1/4 betekent 15 mm aan compensatieberging voor de toename aan verhard oppervlak, factor ½ betekent 30 mm aan compensatieberging en factor 1 betekent 60 mm aan compensatieberging. Onder “nieuw verhard oppervlak” wordt binnen dit gemeentelijk beleid dat oppervlak verstaan wat is ontwikkeld, herbouwd of opnieuw is aangelegd. Het te slopen verhard oppervlak wordt hiermee niet van het te compenseren oppervlak afgetrokken.

Voor de hemelwaterafvoer van particuliere verhardingen met meer dan 250 m2 nieuw verhard oppervlak is uitgangspunt dat deze op eigen terrein wordt verwerkt met een mogelijkheid tot overloop naar een laagte, een gemengd riool, een regenwaterriool of een watergang zodat er bij overbelasting geen problemen ontstaan. Ten aanzien van dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden de keurregels gevolgd en de gemeentelijke eisen voor de verschillende fasen van het project, zie onder: Dimensioneringsgrondslagen inbreidingen en nieuw verhard oppervlak (> 250 m2) • Kenmerk aanpassing: toename nieuw verhard oppervlak meer dan 250m2 • Eis hemelwaterafvoer: bui 10 (T=10, 35,7 mm); • Ontwerp compensatieberging: op basis van de themakaart Keur; • Lediging: lediging van de voorziening in circa 24 uur; Beoordeling Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding is de planlocatie gelegen in een gebied met een compensatiefactor 1.

Pagina 37 van 66

Afbeelding 14 compensatiefactor kaart

In het plan wordt de bestaande bedrijfsbebouwing herontwikkeld naar 2 patiowoningen en 6 aaneengeschakelde woningen. De bedrijfswoning blijft in zijn huidige vorm behouden, maar qua gebruik omgezet naar burgerwonen, hiervoor is geen compensatie noodzakelijk. Voor de acht te herontwikkelen woningen wordt aangehouden dat sprake is van circa 100 m2 verhard oppervlak per woning (woning, bijgebouw, erfverharding). In totaal dient het plan derhalve te voorzien in (800 x 6 mm x 1=) 48 m3 waterberging. Infiltratie wordt voorzien door infiltratiekratten van minimaal 48 m3 (met voorwaarde van de ledigingstijd binnen 24 uur). Tevens wordt een noodoverlaat aangebracht op de bergingsvoorziening. Dit om wateroverlast voor de omgeving te voorkomen wanneer de bergingsvoorziening gevuld is. Deze kan met een verlaging in het maaiveld gekoppeld worden aan een nabijgelegen afvoerende watergang. Bij een hevigere bui dan T=10 wordt het water geloosd in de bestaande kavelsloten aan de noord en westzijde van het plangebied evenals in de bestaande situatie. Conclusie Omdat er in de beoogde situatie sprake is van herontwikkeling van het verhard oppervlakte zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het plan voorziet in een waarborg om voldoende compenserende maatregelen te treffen. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.4 Cultuurhistorie 4.4.1 Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de

Pagina 38 van 66

provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Op basis van onderstaande uitsnedes van provinciale en gemeentelijke cultuurhistorische kaarten is inzichtelijk gemaakt of er cultuurhistorische waarden in de omgeving aanwezig zijn.

Afbeelding 15 Cultuurhistorische kaart Noord-Brabant en Cultuurhistorische kaart Hilvarenbeek

Uit de uitsneden blijkt dat de planlocatie is gelegen aan een lijn van hoge waarde (weg van voor 1840). Tevens is de planlocatie gelegen in de historische dorpsstructuur van Biest-Houtakker. Door aan te sluiten op de bouwkundige opzet en bestaande beeldkwaliteit van het centrumgebied, stedenbouwkundig los van de Biestsestraat, en de verschijningsvorm van de vrijstaande woning aan de Biestsetraat te behouden wordt de cultuurhistorische waardevolle lijn en de historische dorpsstructuur van Biest-Houtakker niet aangetast. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o.

bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Pagina 39 van 66

Beleid gemeente Hilvarenbeek Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. Op onderstaande afbeelding is de archeologische verwachting op de planlocatie weergeven.

Afbeelding 16 Uitsnede archeologische beleidskaart Hilvarenbeek

Beoordeling Aan het plangebied is een middelhoge archeologische verwachting toegekend. Hierdoor gelden ten aanzien van bodemingrepen onder 2.500 m² geen restricties. Het plan overschrijdt deze ondergrens niet. Tevens is het overgrote deel van de bodem in het plangebied reeds verstoort bij de bouw van de bestaande (bedrijfs)bebouwing en het uitgraven van de fundering hiervoor destijds. Voor de ontwikkeling zijn bodemingrepen noodzakelijk voor de bouw van woningen. Voor het overgrote deel wordt gebouwd op reeds verstoorde grond (gezien de omvang van de bestaande bouw). De totale bodemverstoring zal derhalve ruimschoots minder zijn dan 2.500 m². De ontwikkeling heeft in beginsel derhalve geen mogelijke gevolgen voor eventueel aanwezige archeologische waarden.

Pagina 40 van 66

Conclusie Het plan beoogt bodemingrepen. De omvang hiervan overschrijdt echter niet de ondergrens van het gemeentelijk archeologisch beleid. Derhalve heeft het initiatief geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. 4.6.1 Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten behoudens de emissie van stikstof, zie paragraaf 4.6.2. De afstand tot de beschermde gebieden is dermate groot dat overige relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. De afstand tot het stikstofgevoelige deel van Natura2000-gebied Kempenland-West betreft circa 5 kilometer, wat tevens de afstand betreft tot het stikstofgevoelige deel van Kampina.

Pagina 41 van 66

Afbeelding 17 dichtst gelegen Natura2000-gebied tot planlocatie

Voor de gemeente Hilvarenbeek is een gemeentebreed stikstofonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat tot realisatie van 8 woningen in Biest-Houtakker geen stikstofdepositie groter dan 0,00 is te verwachten. Aanvullend is planspecifiek de totale beoogde opzet doorgerekend middels AERIUS. Hierbij zijn de volgende aannames gedaan: Bebouwing Voor de bestaande bedrijfswoning die wordt de standaard emissiefactor voor vrijstaande woningen volgens de factsheet emissiefactoren in Ruimtelijk plannen aangehouen, zijnde 3,59 NOx kg/jr. Onderhavig planvoornemen voorziet daarnaast in de nieuwbouw ten behoeve van zeven woningen. Sinds een wetswijziging per 1 juli 2018 kunnen aanvragen voor een bouwvergunning van een woning of bedrijf alleen verleend worden als deze géén aardgasaansluiting hebben. Dit houdt in dat de toekomstige bebouwing zonder gasaansluiting opgeleverd dient te worden. Dit heeft als gevolg dat de woningen geen stikstof uitstoten. Zodoende kan gesteld worden dat de toekomstige bebouwing geen invloed heeft op de berekening met betrekking tot de depositie van stikstof op omliggende Natura 2000- gebieden. Verkeersgeneratie Naast de bebouwing is ook de nieuwe verkeersgeneratie meegenomen in de berekening. De gevolgen van de beoogde ontwikkeling op het verkeer wordt bepaald op basis van de verkeersaantrekkende werking.

De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend in paragraaf 2.5. Deze is overgenomen in de berekening ten aanzien van de bestaande en beoogde situatie. De rijroute dient ingevoerd te worden tot daar waar de verkeersstromen opgaan in het heersende Pagina 42 van 66

verkeersbeeld. Het plangebied kan enkel ontsloten worden (tot) aan de Biestsestraat, dit is daarmee de belangrijkste ontsluitingsweg, waardoor het advies is om de verkeersroute tot dit wegvak te modelleren. In de bijlage is de uitgevoerde AERIUS-berekening ten aanzien van het planvoornemen toegevoegd. De berekening heeft niet geleid tot een resultaat van meer dan 0,0 mol/ha/jr. Bouw-aanlegfase Licht verkeer Tijdens de aanlegfase worden personenauto’s en bestelauto’s ingezet. Gezien de verkeersbewegingen zowel naar het plangebied toe rijden als ook weer terug, is dit verwerkt in het berekende traject. Daarbij is deze activiteit ingevoerd als zijnde een continu-activiteit die het hele jaar door plaats kan vinden (worst-case situatie). Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.

Hierom zijn in dit onderzoek de voertuigbewegingen in de Calculator gemodelleerd als lijnbron vanaf het plangebied tot het eerstvolgende gelijkwaardige kruispunt, of indien het eerste gelijkwaardige kruispunt te ver is om een reëel beeld te schetsen van het heersende verkeersbeeld is gemodelleerd met een afstand van circa 250 meter op een doorgaande weg waar per etmaal sprake is van meer dan 100 motorvoertuigen per etmaal conform de ‘Staat van Mobiliteit’ Brabant (https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=bb60ab77f28d463a85dda3bbc12aba25 ). Vrachtverkeer (middelzwaar en zwaar) Tijdens de bouw van het plan zullen vrachtwagens ingezet worden die, net als het licht verkeer, heen en weer rijden. Het plan voorziet hiermee in met een traject dat tevens het terrein weer verlaat. Ook deze verkeersbewegingen zijn gemodelleerd als lijnbron vanaf het plangebied tot het verkeer welke is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Mobiele werktuigen Om het plan te kunnen realiseren zullen de genoemde machines ingezet worden. De mobiele werktuigen worden over het plangebied gebruikt zonder vaste werklocatie. Hierom zijn de bewegingen van de mobiele werktuigen als vlakbron over het gehele plangebied gemodelleerd. De machinegegevens volgen uit het rekenprogramma AERIUS.

Pagina 43 van 66

In de bijlage is de uitgevoerde AERIUS-berekening ten aanzien van het planvoornemen toegevoegd. De berekening heeft niet geleid tot een resultaat van meer dan 0,0 mol/ha/jr. Conclusie Het aspect ‘natuur’ en de emissie van stikstof staan uitvoering van het planvoornemen ruimtelijke niet in de weg. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb.

De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende Pagina 44 van 66

zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling is een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd op 28 april 2022 welke is toegevoegd als bijlage. Uit de quickscan is naar voren gekomen dat ten aanzien van de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect wordt uitgeoefend op de flora en fauna die de Wet Natuurbescherming beoogd te beschermen. In en rondom de te slopen gebouwen op de onderzoekslocatie zijn geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aangetroffen. Aanvullend onderzoek alsmede een ontheffing is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling De te realiseren woningen zijn gelegen aan de weg Biestsestraat waar een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden van de Wet geluidhinder hoeven derhalve niet in acht te worden genomen.

In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is het wel relevant om een beeld te geven van de geluidsbelasting van de weg op de beoogde woningen. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het kader van het streven naar een goed woon en leefklimaat voor nieuw te bouwen woningen is sprake van een aanvaardbare situatie indien de grenswaarde met niet meer dan meer dan 5 dB (53 dB) wordt overschreden. Voor het plangebied is dit reeds eerder onderzocht als onderdeel van het plan ‘Centrumfunctie BiestHoutakker’ in het gelijknamige bestemmingsplan. In onderstaande afbeelding zijn de voor onderhavig plan relevante toetspunten (nr. 01, 02, 03, 04 en 10) die zijn berekend weergeven. Uit de Pagina 45 van 66

berekeningsresultaten, hieronder weergeven, blijkt dat de ten hoogst toelaatbare gecumuleerde geluidbelasting (inclusief verkeer Akkerstraat) gecorrigeerd met de aftrek artikel 110g Wgh niet wordt overschreden. Dit wordt tevens, met vergelijkbare resultaten, bevestigd door de meest actuele kaart conform de Atlas van de leefomgeving.

Afbeelding 18 Gecumuleerde gevelbelasting incl. aftrek artikel 110g Wgh

Pagina 46 van 66

Afbeelding 19 Actuele geluidsbelasting Atlas Leefomgeving

Op basis van de huidige situatie is conform de Atlas van de leefomgeving sprake van een geluidsbelasting van 45 tot 50 dB op de gevels van de beoogde nieuwe woningen (bestaande woning 50 tot 55 dB) en daarmee sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Met een ongecorrigeerde geluidbelasting van ten hoogste 50 dB en een standaard gevelwering van 20 dB (bouwbesluit), zal een binnenniveau resteren van ten hoogste 30 dB. Het Rijk hanteert voor de sanering verkeerslawaai, een binnenniveau van ten hoogste 43 dB. Ten aanzien voor de bestaande woning aan de Biestsestraat 42 is een binnenniveau van maximaal 35 dB te verwachten, waardoor geconcludeerd kan worden dat het Rijk dit geluidniveau ook aanvaardbaar acht om te wonen. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen.

Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling Het planinitiatief omvat het realiseren van woningen. Een woning wordt niet gezien als een milieubelastende functie, enkel als een milieugevoelige functie. Het plangebied kan op basis van een beoordeling van de omgevingskenmerken en de beoogde gebruiksfuncties binnen het plangebied aangemerkt worden als een omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving is een meertal milieubelastende activiteiten aanwezig. Pagina 47 van 66

Op basis van de plaatselijke omstandigheden zijn voor de aanwezige bedrijven de richtafstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste afstand hiervan wordt aangemerkt als de maximale richtafstand geldend voor de ontwikkeling van het omgevingstype gemengd gebied. De bepaalde richtafstanden (in overeenstemming met het Bestemmingsplan Centrumfunctie Biest-Houtakker) zijn hieronder weergeven: - Biestsestraat 36-34-38: buurthuis met horeca, geluid 10 meter - Biestsestraat 36-34-38: gymzaal, geluid 10 meter - Biestsestraat 36-34-38: basisonderwijs, geluid 10 meter - Biestsestraat 26 - begraafplaats, geluid 10 meter - Biestsestraat 26 - kerkgebouw, geluid 10 meter - Biestsestraat 39 – restaurant, geluid 10 meter - Biestsestraat 52-54 – maximaal milieucategorie 2 bedrijf, geluid 10 meter De maximale richtafstand voor geluid van de basisschool (schoolplein) en het buurthuis is maatgevend voor het planvoornemen. De overige richtafstanden zij sowieso niet gelegen over het plangebied zoals af te leiden uit onderstaande afbeelding.

157 m. Biestsestraat 52-54

Begraafplaats 21 m.

100 m. 31 m.

Kerk

Biestsestraat 39

Afbeelding 20 Omliggende functies

Ten aanzien van de basisschool (schoolplein) het buurthuis en de gymzaal binnen de maatschappelijke bestemming is in onderstaande afbeelding de afstand tussen de woningen in het plangebied en de bestemming ‘maatschappelijk’ inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat sprake is van een afstand van 12 meter van de gevel van de beoogde woningen tot het schoolplein. De woningen komen op een afstand van minimaal 3,5 meter tot de grens van het plangebied. En van de grens van het plangebied tot het hekwerk van het schoolplein is nog sprake van 8,5 m1.

Pagina 48 van 66

school plein

12 m.

Afbeelding 21 Afstand tot schoolplein vanaf oostgevels

Gezien voldaan wordt aan de minimale afstand van 10 meter ten opzicht van omliggende milieubelastende functies, is geur, geluid, gevaar of stofoverlast ter plaatse van de woningen in beginsel niet voorstelbaar. Schoolpleinen staan echter bekend als lawaaierig. Daarom wordt aanvullend het woon- en leefklimaat verder beoordeeld met o.a. de toetsing van het stemgeluid, openstelling van het schoolplein etc. Allereerst dient te worden opgemerkt dat sprake is van een relatief kleine basisschool voor een van de kleine kernen binnen de gemeente. De richtafstand op basis van de VNG-publicatie is gebaseerd op een “gemiddelde” basisschool. Daarbij is rondom het plangebied naast de basisschool met schoolplein ook nog sprake van een ontsluitingsweg én een buurthuis met horecafunctie. Al deze aspecten zijn eerder beoordeeld in het bestemmingsplan “Centrumfunctie Biest-Houtakker”1 in het Omgevingsonderzoek naar milieubelastende activiteiten. Hierbij is tevens de geluidsbelasting beoordeeld op de woningen Biestsestraat 40 en 40A, welke zich overeenkomstig onderstaande afbeelding zich op een afstand van 10 meter bevinden tot het schoolplein.

1

Bron: bijlage 8 - Omgevingsonderzoek milieubelastende activiteiten, bij het bestemmingsplan “Centrumfunctie Biest-Houtakker”

Pagina 49 van 66

Afbeelding 22 Bestaande woningen 10 meter tot schoolplein

Op Biestsestraat 36-34-38 zijn drie milieubelastende activiteiten aanwezig welke als een inrichting in de zin van de Wet geluidhinder aangemerkt kunnen worden. Het betreft een basisschool, een gymzaal en een buurthuis. Daarnaast is er een ontsluitingsweg met een gemeenschappelijke parkeervoorziening aanwezig. De maximale richtafstand voor geluid van de basisschool (schoolplein) ligt niet over de woningen in het plangebied, maar extra aandacht voor geluid is wel aan de orde voor een goede ruimtelijke ordening. Voor het gebruik2 van het buurthuis is uitgegaan van een algemeen gebruik zonder luidruchtig gebruik van muziek. Voor het muziekgeluid is als uitgangspunt een binnenniveau van 80 dB(A) genomen. Dit kan aangemerkt worden als een acceptabel achtergrondniveau voor een druk bezocht buurthuis. Voor incidentele situaties, maximaal 12 keer per jaar, waarbij een hoger geluidsniveau gewenst is, is een verzoek om ontheffing bij het bevoegd gezag nodig. Uit het akoestisch onderzoek3 blijkt dat zowel bij de destijds gerealiseerde woningen Biestsestraat 40 en 40a als bij de bestaande woningen voldaan kan worden aan de richtwaarde voor geluid geldend voor een gemengd gebied. Gezien de nieuwe woningen in onderhavig plan nog verder zijn gelegen van het schoolplein geldt eenzelfde conclusie.

Voor het buurthuis geldt als uitgangspunt het toepassen van geluidbeperkende maatregelen die als algemeen toepasbaar aangemerkt kunnen worden voor activiteiten waar muziekgeluid ten gehore wordt gebracht. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het buurthuis en de melding op basis van het Activiteitenbesluit is volgens vaste regelgeving middels een akoestisch onderzoek aangetoond hoe met welke maatregelen voldaan kan worden aan de standaard geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Voor het schoolplein en de openbare verkeersvoorzieningen zijn vanwege de beperkt beschikbare ruimte geen geluidbeperkende maatregelen mogelijk.

2

Bron: bijlage 8 - Omgevingsonderzoek milieubelastende activiteiten, bij het bestemmingsplan “Centrumfunctie Biest-Houtakker” 3 Bron: bijlage 8 - Omgevingsonderzoek milieubelastende activiteiten, bij het bestemmingsplan “Centrumfunctie Biest-Houtakker”

Pagina 50 van 66

De plaatsing van geluidschermen hebben maar een beperkte invloed op de beoordelingshoogte van 5 meter. Daarnaast zijn deze vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Voor het gebruik van het schoolplein is destijds al geadviseerd om de speeltoestellen op een zo groot mogelijke afstand van de woningen te plaatsen. Voor de bouwkundige uitwerking van de woningen wordt geadviseerd om de geluidgevoelige ruimten te situeren aan de geluidluwe zijde van de woningen. Geconcludeerd kan worden dat binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat als gevolg van de milieubelastende activiteiten die plaatsvinden buiten het plangebied. Ook wordt de bedrijfsvoering van de omliggende activiteiten niet onnodig beperkt door de nieuwe ontwikkeling. Gezien de bebouwing van het de basisschool (schoolplein) het buurthuis en de gymzaal is gesitueerd binnen een bouwvlak dat de bebouwing strak omkaderd, is een eventuele uitbreiding of wijziging van de situering van het schoolplein niet aan de orde. Hierdoor kan eveneens worden geconcludeerd dat de omliggende functies niet in hun ontwikkeling worden beperkt door het planvoornemen. Conclusie Het onderdeel ‘bedrijven en milieuzonering’ staat het planvoornemen niet in de weg. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving.

Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die geurhinder tot gevolg hebben. Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten.

De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Pagina 51 van 66

Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25

Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

Tabel 1: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv

4.10.1 Cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) Middels de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant (peildatum maart 2022) kan de achtergrondbelasting van de planlocatie worden achterhaald. Op basis van de geurkaart, zie onderstaand, is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat met een geurbelasting van circa 3 tot 7 ouE/m3 ter plaatse van de planlocatie.

Afbeelding 23 Kaart achtergrondbelasting planlocatie (Bron: ODZOB, peildatum maart 2022)

4.10.2 Individuele geurhinder (voorgrondbelasting) Ten aanzien van veehouderijen met dieren waarvoor gèèn geuremissiefactor is vastgesteld, is de veehouderij op Vossenhol 11 het meest van invloed voor de individuele geurhinder op de planlocatie. Op het veehouderij bedrijf worden zowel dieren met als zonder geuremissiefactor gehouden conform onderstaand overzicht uit web-bvb.

Pagina 52 van 66

Afbeelding 24 milieutoestemming Vossenhol 11

Op locatie wordt onder andere vrouwelijk jongvee en zoogkoeien gehouden waarvoor (op grond van de Wgv) een vaste afstand van 100 meter aangehouden dient te worden ten opzichte van een woning binnen de bebouwde kom. Het meest nabij gelegen bedrijfsgebouw van Vossenhol 11 is gelegen op 224 meter van de beoogde woningen, zoals hieronder afgebeeld. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de vaste afstand. Het plan belemmert tevens de veehouderij niet in zijn ontwikkeling, gezien andere burgerwoningen dichterbij zijn gelegen ten aanzien van de vaste afstand.

Afbeelding 25 Afstand tot Vossenhol 11

Ten aanzien van veehouderijen met dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld is de veehouderij op Vossenhol 11 eveneens meest relevant. Op deze veehouderij is een geuremissie vergund van 14.579 Ou/s. De veehouderij wordt reeds beperkt in zijn ontwikkeling door burgerwoningen die zijn gelegen tussen de planlocatie en de veehouderij Vossenhol 11. Het is derhalve enkel relevant om te bepalen of sprake is van een “aanvaardbaar” woon- en leefklimaat. Hiervoor zijn de geurnormen uit de gemeentelijke geurverordening en/of de bijbehorende contouren niet van belang (vaste jurisprudentie na uitspraak Laarbeek Pagina 53 van 66

200900801/1/R3). Er mag worden gebouwd als inzichtelijk wordt gemaakt dat ter plaatse sprake is van een “aanvaardbaar” woon- en leefklimaat. Om de geurbelasting op de planlocatie te bepalen is een geurberekening gemaakt met V-Stacks Vergunning ten opzichte van het worst-case emissiepunt van het bouwvlak van Vossenhol 11. Voor de berekening zijn onderstaande uitgangspunten genomen.

Pagina 54 van 66

N

W

Z Afbeelding 26: Worstcase emissiepunt Vossenhol 11

O

Immissiepunten planlocatie

Uit de berekening blijkt de geurbelasting op de planlocatie 1,6 tot 2,1 ouE bedraagt, zijnde een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat is daarmee aanvaardbaar. De ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij worden niet geschaad door het planvoornemen gezien meerdere burgerwoningen dichter zijn gelegen tot de veehouderij. Tevens is op basis van de Handreiking Wgv sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan ziet toe op de realisatie van woningen, zijnde geurgevoelige objecten. Bij de beoogde woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij worden omliggende veehouderijbedrijven niet beperkt in hun ontwikkeling. Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg. 4.11 Volksgezondheid (Endotoxinen en geitenhouderijen) Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.11.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken.

Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke Pagina 55 van 66

endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter, respectievelijk 500 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. Binnen 250 meter van de planlocatie is enkel de (varkens)houderij Vossenhol 11 gelegen. Binnen 500 meter is geen pluimveehouderij gelegen. De veehouderij heeft een vergunde fijnstofemissie van 93,49 kg/jr.

Uit onderstaande tabel blijkt dat met de werkelijke afstand ruimschoots wordt voldaan aan de berekende afstand van 41,7 meter. Veehouderij adres Soort veehouderij Werkelijke afstand PM10(kg/jaar) Berekende minimale afstand Vossenhol 11 Varkenshouderij 205 93,49 41,7 224 Tabel 2 Berekende endotoxineafstand

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er een aanvaardbaar leefklimaat is op onderhavige locatie met betrekking tot gezondheidseffecten van pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving. 4.11.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een nieuwe wooneenheid.

Binnen de gemeente Hilvarenbeek zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig (meer dan 50 geiten), met daarbij de afstand tot de planlocatie: • Groot Loo 13 Hilvarenbeek (3,9 km) • Kleine Voort 12 Hilvarenbeek (1,9 km) • Oude Tilburgseweg 5 Hilvarenbeek (2,1 km) • Kanaaldijk 4 Biest-Houtakker (1,2 km) • Tuldensedijk 7 Esbeek (6,3 km) • Hoekje 9 Diessen (2,6 km) • Esbeeksedijk 4 Diessen (5,7 km) Pagina 56 van 66

• •

Frankenstraat 2 Haghorst (2,9 km) Ontginningsweg 15 Haghorst (4,4 km)

Omdat evenwel meerdere geitenhouderijen binnen 2 kilometer tot het plangebied zijn gelegen, alsmede dat binnen deze afstand ook overige veehouderijen zijn gelegen, heeft in het kader van dit bestemmingsplan een toetsing aan de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht plaatsgevonden. Uit toetsing aan het stappenplan blijkt dat enkel niet voldaan kan worden aan stap 5a, daar geitenhouderijen binnen 2 km tot het plangebied zijn gelegen. Aan de overige stappen kan worden voldaan. Indien niet voldaan kan worden aan stap 5, besluit het bevoegd gezag of de gezondheidssituatie aanvaardbaar is, waarbij het de mogelijkheid heeft om een advies bij de GGD op te vragen en de resultaten van deze beoordeling kan betrekken. Gelet op de ruime afstand tot de geitenhouderijen, wordt het opvragen van advies bij de GGD niet noodzakelijk geacht. De gemeente Hilvarenbeek heeft hiermee ingestemd. De gezondheidssituatie binnen het plangebied wordt in relatie tot veehouderijen aanvaardbaar geacht. De geitenhouderijen liggen op ruime afstand van het plangebied.

Daarbij blijkt uit de laatste gezondheidsonderzoeken (VGO III) dat de infectiedruk niet toe neemt, het gaat om een ontwikkeling met beperkte omvang (geen woonwijk) en het plan richt zich niet op het toevoegen van een gevoelige doelgroep zoals een kinderdagverblijf, school of ouderenopvang/ verblijfslocatie etc. Tussen de planlocatie en de meest nabijgelegen geitenhouderij zijn meerdere (burger)woningen gelegen, waardoor de geitenhouderij eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. En voor overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat, hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 4.12 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Bevt van toepassing. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. Beoordeling De planlocatie, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, is gelegen in een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute, namelijk de A58 gelegen op circa 3,35 kilometer. In verband met het vervoer van toxische stoffen geldt een invloedsgebied op de A58 van 4 kilometer. Om die reden dient getoetst te worden aan artikel 7 Bevt, waarbij een beschrijving van de bestrijdbaarheid en Pagina 57 van 66

zelfredzaamheid gegeven dient te worden in relatie tot het toxisch scenario. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de standaard verantwoording en het standaard advies van de Veiligheidsregio opgesteld, derhalve is deze toegevoegd in de bijlage. De overige risicobronnen in de omgeving zijn: - gasleiding (op ca. 550 m.) De planlocatie is gelegen buiten de veiligheidsafstand van de gasleiding. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.

Afbeelding 27: Uitsnede Risicokaart.nl

Conclusie Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen of aanvullende risico’s op het gebied van externe veiligheid optreden.

Pagina 58 van 66

4.13 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.

Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' Pagina 59 van 66

(NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Voor een plan dat binnen deze categorieën valt, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM situatie en hoeft dus geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Deze categorieën betreffen met name landbouwinrichtingen en woningbouw- en/of kantorenlocaties. Voor woningbouwlocaties wordt in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen beschouwd als NIBM. Indien het planinitiatief wordt vergeleken met een uitbreiding van 1500 nieuwe woningen kan eveneens worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied achterhaald. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14538477/1