01c Deel A-B-C ontwerpomgevingsvisie Hilvarenbeek TER INZAGE
Tekst van het document
15
Natuurinclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven (Wageningen University and Research).
16 Woningsplitsing in het buitengebied kan niet zomaar. De Visie Ruimte voor Ruimte (woningen op basis van de Maatwerkregeling) is als toetsingskader van belang voor het beoordelen of het toevoegen van woningen in het buitengebied op bepaalde plekken wenselijk is.
33 ruimtelijk en stedenbouwkundig passend is, mogelijkheden voor alternatieve en flexibele woonoplossingen door: › het faciliteren van woningsplitsing en herbestemming van leegstaand vastgoed omdat dit bijdraagt aan efficiënt ruimtegebruik en vermindering van materiaalverspilling; › gebruik te maken van initiatieven voor woningdelen; › kavelsplitsing om zo kleinere levensloopbestendige woningen op kleinere kavels te bouwen. Kwaliteit Zoals gezegd richten we ons op de kwaliteit van wonen en niet alleen op de kwantiteit. Ons doel is een divers woningaanbod dat aansluit op de lokale behoefte en een mix van doelgroepen. Dit bevordert de leefbaarheid en ondersteunt de sociale verbanden en draagkracht voor lokale voorzieningen. Daarnaast groeit het aantal (maatschappelijke) voorzieningen, zoals huisartsen, apotheken en buurtcentra, op basis van de behoefte en ten behoeve van de leefbaarheid. Een divers woningaanbod houdt in dat we ook starterswoningen, middenhuurwoningen, kleine appartementen, tiny houses, woonruimte voor arbeidsmigranten 17, seniorenwoningen en sociale huurwoningen bouwen. Op basis van regionale afspraken hebben wij de ambitie dat minimaal 30% van het woningaanbod uit sociale huurwoningen bestaat. De daadwerkelijk benodigde hoeveelheid sociale huurwoningen kan dus variëren op basis van de behoefte.
De focus ligt hierbij op het huisvesten van ouderen en starters, met als doel een diverse gemeenschap te creëren zonder clustering van leeftijdsgroepen. Randvoorwaarden Voor de woningbouwopgave zijn ook enkele geschikte locaties aan de randen van de kernen. Zie hiervoor de kaart ‘Gezonde gemeenschap’ en de omgevingsvisiekaart. Voor de kernen is een nadere locatiestudie (in de vorm van een omgevingsprogramma, na vaststelling van de omgevingsvisie) nodig.
17
Voor huisvesting van arbeidsmigranten in de kernen is het Parapluplan arbeidsmigranten opgesteld. Dit beleid blijft van kracht. Als wij in ons beleid schrijven over arbeidsmigrant, betreft dat kort of middellang verblijvende arbeidsmigranten. Dat vraagt vooral logies/verblijf (niet 'wonen').
Deze potentiële locaties dienen in alle gevallen bij te dragen aan maatschappelijke doelen zoals de natuur- en klimaatopgave. Bij binnenstedelijke en buitenstedelijke ontwikkelingen is het van belang dat zowel de bebouwing als de buitenruimte de natuurlijke kwaliteiten van de leefomgeving versterkt. Hiervoor hanteren we de volgende uitgangspunten: › Voor de bebouwing geldt dat die: › past bij het dorpse karakter; › natuurinclusief is; › Voor de buitenruimte geldt dat die: › de natuurlijke kwaliteiten van de leefomgeving versterkt; › de verbinding tussen woningen, recreatiegebieden en voorzieningen bevordert; › actieve mobiliteit stimuleert. Tot slot sluiten we ons aan bij de landelijke ambitie om in 2050 een energieneutrale woningvoorraad te hebben. We maken afspraken met woningcorporaties om sociale huurwoningen te verbeteren en energiearmoede tegen te gaan. Nieuwe woningen zijn duurzaam en dus aardgasloos. Onze ambitie is energieneutraal, waarbij BENG (Bijna Energieneutraal) de minimale eis is. De BENG-eisen zijn terug te vinden in artikel 5.2 Bouwbesluit.
34 Deelkaart Gezonde gemeenschap
35
6.2.2. Zorg voor ouderen en kwetsbaren Ambitie Er komen passende woningen voor ouderen en kwetsbaren in, of aan de randen van de kernen. Dat gebeurt op dezelfde manier en in combinatie met het bouwen van meer woningen voor jongeren. Aanvullend daarop stimuleert de gemeente het behoud en de groei van (maatschappelijke) voorzieningen en woningaanpassingen. Dit biedt ouderen of kwetsbare mensen de juiste ondersteuning in de eigen, vertrouwde woonomgeving. De toegankelijkheid van de buitenruimte voor wandelen en fietsen krijgt aandacht. De gemeente bouwt geen woningen voor ouderen en kwetsbare mensen op grote wandel- en/of fietsafstand van de kernen. Voor de meest kwetsbare doelgroepen bouwt de gemeente geen woningen in kernen waar de alledaagse voorzieningen niet op loopafstand bereikbaar zijn. Uitwerking Zoals gezegd bouwen we ook voor ouderen en kwetsbaren, zoals seniorenwoningen en woonzorgvoorzieningen. Extra aandacht gaat uit naar woonvormen waarin verschillende generaties samenleven om zo de sociale cohesie te bevorderen en efficiënt gebruik te maken van voorzieningen. In dit kader onderzoeken we hoe we hofjeswoningen en mantelzorgwoningen kunnen uitbreiden om aan specifieke behoeften te voldoen. We ondersteunen ouderen bij het langer thuis wonen door ook levensloopbestendige woningen te bouwen die voldoen aan hun specifieke behoeften, zoals gelijkvloerse woningen.
We onderzoeken de mogelijkheden voor kleinschalige woonzorginitiatieven in alle kernen zodat inwoners langer in goede gezondheid zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. Hierbij houden we zowel rekening met de fysieke als sociale aspecten van de woonomgeving zodat deze ook toegankelijk is voor mensen met een beperkte fysieke gesteldheid. Denk hierbij aan de afstand tot essentiële voorzieningen zoals een supermarkt. We stimuleren innovatieve oplossingen in het delen van ervaringen en het bieden van mantelzorg. Daarnaast kunnen woon-zorgcomplexen een
belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van eenzaamheid onder ouderen, omdat ze hier gezamenlijk wonen en het makkelijker maakt elkaar te ontmoeten. Hiervoor is het belangrijk om een goede afweging te maken voor de schaal en locatie van deze complexen. Voor nu kiezen we ervoor om in de twee grootste kernen, Hilvarenbeek en Diessen, woonzorg-complexen te realiseren vanwege de nabijheid van diverse voorzieningen. Ook onderzoeken we de mogelijkheden voor woon-zorgcomplexen in vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s); enerzijds hebben die een landelijke en rustige ligging wat voor sommige inwoners wenselijk kan zijn, maar anderzijds liggen ze ver weg van de voorzieningen. Daarom moeten deze woon-zorgcomplexen gericht zijn op doelgroepen die minder afhankelijk zijn van voorzieningen in hun omgeving.
6.2.3. Herkenbaar dorps karakter Ambitie De gemeente biedt ruimte voor woningen en bedrijven op een manier waarop de binding met de lokale gemeenschap op een natuurlijke wijze tot stand komt. Bijvoorbeeld door gedeelde buitenruimten, gemeenschappelijk opdrachtgeverschap of bedrijventerrein-management (parkmanagement). In uitstraling zijn de nieuwe woningen en bedrijven compacter, maar nog steeds herkenbaar als typisch dorpse bebouwing. De kernen behouden het eigen karakter. De gemeente koestert alle directe en indirecte verwijzingen naar haar rijke verleden en haar vele erfgoed. We zorgen dat de kernen niet aan elkaar groeien. Vanuit de kernen is het karakteristieke landschap per fiets en te voet goed en makkelijk bereikbaar. Uitwerking Het is van groot belang dat de identiteit en de kenmerkende waarden van elke kern behouden blijven. Die omvatten de ruimtelijke structuur, de dorpse identiteit, de historische en beeldbepalende elementen, het erfgoed, de routing, zichtlijnen en cultuurhistorie. Nieuwbouw moet passen bij het karakter van de gemeente, zoals vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hilvarenbeek.
36 Door middel van gebiedscriteria, ontwerprichtlijnen en actief landschapsbeheer in te zetten bij nieuwe ontwikkelingen beschermen we de historische waarden. Een belangrijk speerpunt is het koesteren van de dorpse waarden, waarin historische pleinen en linten centraal staan. Tegelijkertijd zetten we ons in om verrommeling en verval tegen te gaan en zorgen we voor een afwisselende omgeving om saaiheid en eenvormigheid te voorkomen. Straatverloop, materialen, dakvormen en de aanwezigheid van kenmerkende oude gebouwen of nederzettingen spelen hierbij een cruciale rol. Bij nieuwe woningbouwontwikkelingen zorgen we voor een goede ruimtelijke inpassing. Het behoud van groen en leefbaarheid staat centraal bij binnenstedelijke ontwikkelingen. We zijn terughoudend met het toevoegen van bebouwing in het buitengebied. Bouwen in de hoogte (vier tot vijf lagen hoog) is op bepaalde plekken binnen de kernen mogelijk. Hierbij is het belangrijk dat het passend is in de omgeving en geen afbreuk doet aan bestaande kwaliteiten. Hoger bouwen is nodig om de volgende redenen: › We moeten eerst naar binnenstedelijke oplossingen kijken voordat we buitenstedelijk bouwen. Zo sparen we het waardevolle landelijk gebied.
› Met appartementen kunnen we heel gericht voor de doelgroepen bouwen die dat het hardst nodig hebben, namelijk alleenstaanden (een groep die enorm groeit) en dan met name jongeren en senioren. › Er komen de komende decennia veel grondgebonden woningen vrij; die moeten we dus zo min mogelijk bouwen. Een verbreding van het pallet aan woningtypen is nodig. Zoals gezegd is het bij hoger bouwen belangrijk om op de juiste plekken en met respect voor de lokale karakteristieken te bouwen. We kunnen met bijvoorbeeld hout zo bouwen dat vijf lagen niet als hoog ervaren wordt. Ook uitbreidingen van de kernen hebben een maat en schaal die landschappelijk als passend wordt ervaren en bijdraagt aan de versterking van de kwaliteit van de omgeving en zijn verdeeld over de verschillende kernen.
De auto neemt veel ruimte in beslag en draagt niet bij aan een dorpse uitstraling. Tegelijkertijd willen we de mobiliteit van al onze inwoners en specifiek voor ouderen en kwetsbaren verbeteren. Daarom onderzoeken we bij nieuwe ontwikkelingen of ondergrondse parkeermogelijkheden haalbaar en betaalbaar zijn. Zo kunnen we het groen en de leefbaarheid behouden. Gemeenschapszin zien wij ook als één van de aspecten van ons dorpse karakter. Daarom staat veiligheid en positieve gezondheid centraal in ons beleid. Dit betekent dat we aandacht besteden aan het creëren van een gezonde omgeving, waarbij rookvrije zones, beweging, ontmoetingsplekken, meer groen, het verminderen van verhard oppervlak en het terugdringen van geluidsoverlast prioriteit krijgen. Veiligheid stellen we centraal door te handhaven op onveilige situaties en toezicht te houden voor een veilige omgeving. We stimuleren gezond leven door fietsen, lopen, het gebruik van openbaar vervoer te bevorderen en het autogebruik te verminderen. Daarnaast waarborgen we voldoende kwalitatieve en toegankelijke (sport)voorzieningen voor iedereen. Samen met betrokken partijen streven we ernaar dat deze voorzieningen in alle kernen beschikbaar en betaalbaar zijn, om zo het gemeenschapsgevoel en de saamhorigheid te behouden.
Naast specifieke sport- en bewegingsvoorzieningen moet er ook ruimte zijn voor sport en beweging in de openbare ruimte, bijvoorbeeld door het aanleggen van wandel-, fiets- en mountainbikeroutes en routes voor ruitersport. Ontmoetingsplekken in zowel voorzieningen als de openbare ruimte behouden we om sociale interactie te stimuleren. Naast ontmoeting stimuleren we ook actief sport in de openbare ruimte.
37
6.2.4. Moderne mobiliteit Ambitie Waar mogelijk is er stimulatie om te fietsen en wandelen. Dit vermindert het autogebruik en verbetert de gezondheid. Dit gebeurt bijvoorbeeld door blijvende aandacht voor aantrekkelijke en veilige fiets- en wandelverbindingen, zowel binnen de kernen als in het buitengebied. Ook in nieuwe ontwikkelingen en in het centrum is extra aandacht voor het verminderen van het autogebruik. Het verbeteren van de verbindingen met het OV krijgt blijvend de aandacht. In het centrum is beperkt autoverkeer. Er komen geen woningen of voorzieningen voor ouderen en kwetsbare doelgroepen op plaatsen die wandelend of fietsend moeilijk bereikbaar zijn vanuit de kernen. Een uitzondering geldt voor doelgroepen die minder afhankelijk zijn van voorzieningen in hun omgeving. Uitwerking De regio streeft ernaar dat het mobiliteitssysteem vanaf 2030 geen negatieve effecten meer heeft op de leefomgeving en het klimaat en tegelijkertijd gezonde verplaatsingswijzen stimuleert. Dit houdt in dat mobiliteit veilig, schoon, stil en gezond moet zijn, zowel op het gebied van verkeer als op het gebied van externe en sociale veiligheid en data-uitwisseling. Duurzame mobiliteit moet voor iedereen beschikbaar en toegankelijk zijn. Het mobiliteitssysteem is samenhangend, multimodaal, ketengericht en betrouwbaar voor zowel personen- als goederenvervoer.
Hoewel we erkennen dat Hilvarenbeek als landelijke gemeente afhankelijk is van autoverkeer, streven we ernaar dit te beperken door alternatieve vervoersopties te stimuleren. Bij het stimuleren van minder autogebruik leggen we de nadruk op verleiding in plaats van dwang om zo een gezonde balans te vinden tussen mobiliteit en duurzaamheid. Als alternatief voor de auto investeren we in duurzame mobiliteit door de aanleg van snellere fietsverbindingen, de optimalisatie van het openbaar vervoer en het uitbreiden van deelmobiliteit. De fietsverbindingen worden niet alleen sneller maar ook veiliger door deze te scheiden van gemotoriseerd verkeer. Met name goede openbaar vervoersverbindingen vinden we noodzakelijk omdat
kwetsbare doelgroepen, zoals ouderen, hierdoor langer zelfstandig kunnen wonen. Het waarborgen van de bereikbaarheid van voorzieningen en de (verkeers)veiligheid is hierbij essentieel. We werken bovendien stapsgewijs toe naar ons doel om tegen 2050 NUL verkeersslachtoffers te realiseren. Daarnaast verhogen we de ecologische waarde van het groen en maken we de openbare ruimte gezonder om zo wandelen en fietsen te stimuleren. Laadpalen voor elektrische voertuigen breiden we uit op basis van de behoefte. We doen onderzoek naar de zuidwestverbinding van de geplande woningbouw aan de zuidwestzijde van Hilvarenbeek (Gelderakkers) naar de provinciale weg. Dit is met een aanduiding aangegeven op de omgevingsvisiekaart.
6.3. Groene economie 6.3.1. Passend energielandschap Ambitie Voorzieningen voor energieopwekking en -opslag zijn ingepast in het landschap. Op een aantal plaatsen in het buitengebied zijn zoeklocaties voor grootschalige oplossingen. Deze staan op de kaart. Binnen de kernen stimuleert de gemeente duurzame energie oplossingen op buurtniveau, zodat buurtgenoten de opgewekte energie gezamenlijk opslaan en herverdelen of terugleveren. In nieuwbouwclusters, op bedrijventerreinen en in het buitengebied is een streven naar hergebruik van energie. De benodigde infrastructuur en bebouwing hiervoor, past de gemeente landschappelijk in. Uitwerking De regionale doelstelling is om in 2050 volledig energieneutraal te zijn, met een sterke focus op duurzaamheid en daarmee ook op groen, klimaatbestendigheid, schone energie en circulariteit. We geven de energietransitie vorm langs drie gelijke sporen:
38 › › ›
energiebesparing; warmtetransitie; grootschalige opwekking en opslag van duurzame energie.
In het eerste spoor, energiebesparing, zetten we de eerste stappen om de basis op orde te krijgen voor de verdere energietransitie. We zetten in op het isoleren van gebouwen en streven naar ‘nul op de meter’ bij nieuwbouw, waarbij de minimale eis BENG is (zie artikel 4.149 Besluit bouwwerken). Dit betekent dat de woning per saldo evenveel verbruikt als dat het duurzaam opwekt. Samen met Leystromen werken we aan de BENG-norm (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Energierelevante bedrijven voldoen aan de energiebesparingsplicht. Voor de warmtetransitie is onze ambitie om tegen 2030 zoveel aardgasverbruik te reduceren als 1.300 woningen verbruiken. Dat komt overeen met een besparing van 20% van het huidige aardgasgebruik. Hiervoor zetten we in op onder meer het isoleren van woningen. We werken zo aan de reductie van CO2-uitstoot en bereiden ons voor op de latere overstap naar duurzame warmtebronnen. Het uiteindelijke doel is om in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. In het kader hiervan onderzoeken we alternatieve energiebronnen, zoals aquathermie en aardwarmte en houden we de ontwikkelingen rond waterstof en groen gas nauwlettend in de gaten. Onze ambitie op het gebied van (de opwekking van) energie is om in 2050 100% hernieuwbare energie 18 te gebruiken die voornamelijk afkomstig is uit Noord-Brabant.
In 2030 moet Nederland 55% minder broeikasgassen uitstoten vergeleken met 1990 en is het streven zelfs een vermindering van 60%. Daarnaast sluiten we ons aan bij de landelijke norm van 27% hernieuwbare energie in 2030. In de Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS) hebben we afgesproken om te werken aan het opwekken van 1 TeraWattuur (TWh) aan duurzame 18 Hernieuwbare energie is energie die afkomstig is van natuurlijke bronnen die constant worden aangevuld (wind, water, zon, bodem, buitenluchtwarmte en biomassa). Fossiele energie en kernenergie vallen niet onder hernieuwbare energie.
elektriciteit in 2030. Dit gebeurt zowel kleinschalig in de dorpskernen, als grootschalig in het buitengebied. Hiervoor is het nodig om de komende jaren het energienetwerk aan te passen voor zowel elektriciteit als warmte. We streven naar een efficiënt energienetwerk waarin de vraag en het aanbod van energie goed op elkaar zijn afgestemd waarbij we de maatschappelijke kosten zoveel mogelijk beperken. De clustering van wind- of zonne-energie nabij knooppunten in de energieinfrastructuur is hierbij een belangrijk uitgangspunt. De zoekgebieden zijn aangegeven op de deelkaart ‘Groene economie’. Deze zogenoemde energiehubs koppelen de opslag, overslag en distributie van energie. Door de hubs te combineren met klimaatopgaven en andere gebruiksfuncties, zoals recreatie en waterberging, krijgen ze bovendien een bredere maatschappelijke waarde. Daarnaast besteden we bij grootschalige ontwikkelingen, zoals zonneparken, aandacht aan duurzaam waterbeheer om het waterbergend vermogen van de bodem te behouden of te optimaliseren. Hier komen mobiliteitsopgaven, natuur- en klimaatopgaven, biodiversiteitsen landschapsopgaven, recreatieve opgaven en de energietransitie samen. Initiatieven moeten landschappelijk zijn ingepast en waar mogelijk gekoppeld aan bestaande bebouwing of infrastructuur. We richten ons in eerste instantie op zon op dak.
In beschermde dorpsgezichten en op monumenten staan we alleen zonnepanelen toe uit het zicht (op de achterkant en op bijgebouwen) of andere middelen voor de opwekking van zonne-energie die zeer goed geïntegreerd zijn zoals dakpannen in de juiste kleur en stijl. We hanteren vervolgens de zonneladder en het afwegingskader uit de REKS. Op de langere termijn kijken we waar de opwekking van windenergie onder voorwaarden van regelgeving voor de natuur, de infrastructuur, de veiligheid en de leefomgeving mogelijk is.
39 Deelkaart Groene economie
40 Na 2030 verkennen we of de clustering van windmolens boven nieuw te ontwikkelen bos verantwoord is. Het uitgangspunt hierbij is het koppelen van de energietransitie aan opgaven zoals de versterking van ecologie, waterberging en recreatie. Binnen de energietransitie zetten we in op participatie van inwoners, bedrijven en andere relevante stakeholders. We ondersteunen lokale initiatieven voor de verduurzaming van woningen. Ons uiteindelijke doel is om een gezonde, duurzame en toekomstbestendige leefomgeving te creëren, waarin de energietransitie niet alleen bijdraagt aan het klimaat, maar ook aan het welzijn van onze inwoners.
6.3.2. Ruimte voor bedrijven Ambitie De gemeente grijpt kansen om ruimte op bestaande bedrijventerreinen beter te benutten. Op de bestaande bedrijventerreinen is er aandacht voor het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Hiermee biedt de gemeente lokale ondernemers de ruimte om hier te blijven ondernemen. Waar het landschappelijk kan, vergroot de gemeente een aantal bedrijventerreinen. Daarvoor is ruimte in de kernen Hilvarenbeek, Diessen en Esbeek. De uitbreiding van deze bedrijventerreinen gaat altijd hand in hand met de verduurzaming en vergroening ervan. Daarbij verbetert de landschappelijke inpassing, komt ruimte voor waterinfiltratie en natuurinclusie en is aandacht voor energie hergebruik. In de kernen, het buitengebied en vlakbij kwetsbare natuur en woongebieden staan de gezondheid van mens, plant en dier voorop. Daarom is daar enkel ruimte voor vestiging of uitbreiding van activiteiten die hier geen schade aan toebrengen. Uitwerking Voor de uitbreiding van bedrijventerreinen is regionale afstemming van belang. Uitbreiding moet passen binnen de milieugrenzen en de schaal van Hilvarenbeek. Het beleid richt zich met name op het verhogen van de
kwaliteit boven kwantiteit. Daarom hebben de wens om bedrijventerreinen uit te breiden binnen de segmenten waar vraag naar is vanuit de lokale MKBbedrijvigheid. Naast efficiënter ruimtegebruik verbeteren we de kwaliteit van de leefomgeving zodat lokale ondernemers hier kunnen blijven ondernemen. Ook waarborgen we de bereikbaarheid. We streven naar een balans tussen economische groei en leefbaarheid. We vergroten weliswaar de bedrijventerreinen in Hilvarenbeek en Esbeek (zie ook paragraaf 7.4. ‘Bedrijventerreinen’), maar alleen als er sprake is van mitigatie en compensatie van het landschap, vergroening, verduurzaming, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Dit draagt bij aan een duurzaam en aantrekkelijk vestigingsklimaat. Verder vermijden we grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied en beperken we sterk milieubelastende bedrijvigheid en grote industrie. Andere ontwikkelingen van bedrijven in het buitengebied beperken we tot vrijgekomen agrarische bebouwing in gemengde gebieden en beperken we ook qua grootte. Met name in gebieden met overwegend agrarische bedrijven en ‘agrarisch op één’ beperken we de vestiging van bedrijven. Hier zijn wel opties voor agrarisch aanverwante bedrijven.
Om te zorgen voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat en ruimte voor met name lokale ondernemers vinden wij bedrijvigheid met een groot ruimtebeslag, zoals distributie- en datacentra, onwenselijk. We ondersteunen lokale ondernemers bij groei en innovatie. Verder willen we (startende) ondernemers graag faciliteren door te zoeken naar ruimtemogelijkheden. Dit bevordert de werkgelegenheid (zeker scale-ups) en bindt lokale ondernemers aan de regio. Tot slot werken we toe naar een circulaire economie omdat circulariteit een antwoord is op de uitdaging dat te mensen nu te veel grondstoffen gebruiken. We sluiten ons aan bij de landelijke doelstellingen om in 2030 50% minder grondstoffen te gebruiken en in 2050 een volledig circulaire economie te hebben. Om dit doel te bereiken zetten we in op het verminderen van grondstoffen, het vervangen van grondstoffen voor duurzamere
41 grondstoffen, het verlengen van de levensduur van producten en van de hoogwaardige verwerking van grondstoffen.
6.3.3. Meer recreatie en toerisme Ambitie De gemeente ziet kansen voor de ontwikkeling van recreatie en toerisme nabij en in de dorpskernen. Maar ook in gebieden tussen natuurgebieden en dorpen in. De kernen vormen een mooi uitgangspunt voor de beleving van de gebieden eromheen. Er is en blijft aandacht voor de kwaliteit van het fiets- en wandelnetwerk. Maar ook voor de beleving van de cultuurhistorische waarden en het fraaie landschap. Voor de Beekse Bergen zijn er mogelijkheden om verder door te ontwikkelen. Voor gemeentelijke, lokale evenementen is er plaats in het centrum van de kern Hilvarenbeek. Voor plaatselijke evenementen is er ruimte in elke kern. Voor grootschalige evenementen met een bovenregionale functie is er plaats op de Beekse Bergen. Uitwerking De kernen vormen een mooi uitgangspunt voor de beleving van de gebieden eromheen waarbij de kwaliteit van het fiets- en wandelnetwerk en de cultuurhistorische waarden centraal staan. In de gebieden waar de agrarische functie leidend is, liggen meer mogelijkheden voor recreatie en toerisme dan in gebieden waar natuur leidend is. In agrarische gebieden is dit bijvoorbeeld in de vorm van nevenactiviteiten die het boerenbedrijf ondersteunen zoals kamperen bij de boer of een landwinkel. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat deze nevenactiviteiten geen beperkingen veroorzaken voor andere boerenbedrijven.
De Beekse Bergen en het gebied daaromheen zien we als een gebied waar toeristisch-recreatieve ontwikkelingen wenselijk zijn. We geven daarbij uitvoering aan de aanduiding van het gebied ten noorden van de Beekse Bergen als Landschapspark in het Ontwikkelperspectief van de Stedelijke Regio Breda-Tilburg. We versterken onze waardevolle landschapsstructuren, de landgoederen, het erfgoed en het karakter van de kernen, zodat zowel onze inwoners als
bezoekers hiervan kunnen genieten. Cultuurhistorische structuren en elementen maken we zichtbaar en beleefbaar door ze te restaureren, te voorzien van educatie en toeristisch te ontsluiten via wandel- en fietsroutes. Het gevarieerde landschap en de landgoederen spelen hierbij een belangrijke rol. We streven naar een vitale en sterke vrijetijds- en toeristisch-recreatieve sector. We willen meer inwoners en bezoekers verleiden om te recreëren in Hilvarenbeek. Dit levert werkgelegenheid op in de toeristisch-recreatieve sector. We sturen we op een passend aanbod voor de verschillende doelgroepen. Er zijn voldoende overnachtingsmogelijkheden en voorzieningen voor dagrecreatie noodzakelijk. Denk hierbij aan fiets- en wandelpaden, horecagelegenheden en attracties. Het samenspel tussen dagen verblijfsrecreatie creëert een aantrekkelijk totaalproduct. Duurzaam toerisme is nu nog een ‘witte vlek’. Als onderdeel van ons gemeentelijk duurzaamheidsbeleid willen we duurzaam toerisme bevorderen. Sterker nog, we willen een leidende rol spelen in het bevorderen van een verantwoorde en milieuvriendelijke vrijetijdssector. Hiervoor is het belangrijk om ons te richten op cruciale thema’s zoals circulariteit en mobiliteit. Verduurzaming willen we in alle aspecten van toerisme, van festivals en evenementen tot het reguliere toeristische aanbod, integreren.
Het benutten van certificeringen zoals Green Key en Green Destinations kunnen helpen bij het zichtbaar en tastbaar maken van de duurzaamheidsinspanningen. Als overheid willen we samenwerking binnen de vrijetijdssector faciliteren en stimuleren, bijvoorbeeld door de gezamenlijke inkoop van duurzame stroom en producten en diensten. Tot slot moet er een evenwicht zijn tussen het behoud van evenementen en de impact daarvan op de omgeving. We blijven werken conform het locatieprofiel voor evenementen in Beekse Bergen. Daarnaast bieden we ruimte aan nieuwe (kleine) initiatieven. Voor de evenementen in de Beekse Bergen geldt dat er zowel fysieke- als sociale draagkracht nodig is. Om overlast te minimaliseren, breiden we het aanbod niet verder uit. We stimuleren het gebruik van duurzaam vervoer zoals fietsen en openbaar vervoer om verkeersoverlast tijdens evenementen te beperken.
42
6.3.4. Natuurinclusieve agrarische sector Ambitie In specifieke gebieden vermindert de milieudruk en de druk van belastende bedrijfsactiviteiten. Bijvoorbeeld op plekken met kwetsbare natuur, waar de beekdalen ook toe behoren, en vlakbij woningbouw. Agrarische bedrijven vlakbij de kernen krijgen meer ontwikkelruimte voor nevenfuncties, zoals zorgfuncties of een B&B. Dat geldt in het bijzonder voor de gemarkeerde delen ten westen van Hilvarenbeek en Esbeek en ten zuidwesten van Diessen. In het oosten van de gemeente, ten westen van Haghorst en Baarschot, kunnen agrarische bedrijven onder de voorwaarde uitbreiden, dat dit de leefomgeving positief beïnvloedt. Hier is ruimte voor de ontwikkeling van nevenactiviteiten zolang het agrarisch gebruik niet geschaad wordt. Het streven daarbij over de gehele lijn is het terugdringen van schadelijke uitstoot voor natuur én mens en geur. Het gaat om plekken vlakbij de kwetsbare natuurgebieden en woonkernen. De gemeente stimuleert grondgebruik dat meer in balans is met de potentie van het plaatselijke bodem- en watersysteem. Of grondgebruik dat dit meer in balans brengt. Van agrariërs wordt verwacht dat ze de best beschikbare technieken toepassen om de kwaliteit van de leefomgeving zo min mogelijk te belasten.
Ook stimuleert de gemeente het versterken of toevoegen van landschappelijke elementen (bosjes, hagen, houtwallen, enz) of landgebruik, die positief bijdragen aan het plaatselijke ecosysteem. De gemeente biedt geen ruimte voor het uitbreiden of starten van agrarische bedrijfsvoering en praktijken met een negatieve invloed op de lokale leefomgeving, zoals bijvoorbeeld lelieteelt. Bij uitbreiding of wijziging van activiteiten dient de leefomgeving daar ook van te profiteren. Dit beschermt de gezondheid van mens, plant en dier. Uitwerking We werken toe naar een duurzame agrarische sector door middel van met als doel om in 2030 15% biologische landbouw te realiseren. We stimuleren een
duurzame en klimaatbestendige agrarische sector en streven naar meer natuurinclusieve bedrijven. We omarmen lokale initiatieven van korte ketens. De aanpak van stikstof in Brabant rust op natuurversterking, stikstofreductie en economische ontwikkelingen. In kwetsbare natuurgebieden en nabij woningbouw verminderen we de milieudruk en belastende bedrijfsactiviteiten. Het behoud en de versterking van bestaande agrarische bedrijvigheid heeft onze prioriteit. We zijn ons ervan bewust dat verschillende transitiepaden kunnen leiden naar een duurzaam landbouwsysteem. We moedigen daarom innovatie en diversificatie in de landbouwsector aan. Daarbij ligt de focus op kleinschalige, circulaire en natuurinclusieve modellen. Door middel van duidelijke doelstellingen en streefwaarden werken we toe naar een langetermijnvisie (omgevingsprogramma) voor de agrarische sector. Dit beleid zal te zijner tijd worden opgenomen in de omgevingsvisie 2.0. Flexibiliteit en aanpassingsvermogen zijn noodzakelijk om in te spelen op de veranderende omstandigheden. We richten ons op de geleidelijke overgang, waarbij economische levensvatbaarheid hand in hand gaat met ecologische verantwoordelijkheid. Het verminderen van de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest door emissiearme bemestingstechnieken stimuleren we. Daarbij kijken we naar maatregelen om bewoners te beschermen.
Kwalitatief hoogwaardig voedsel zien we als de basis voor een goede gezondheid. Daarbij hoort ook de bewustwording waar het eten vandaan komt. Daarom streven we naar een betere relatie tussen boeren en burgers. In alle gevallen gaan we ervan uit dat het milieu, de landschaps- en natuurwaarden en het watersysteem zoveel mogelijk worden beschermd. Dit zijn de randvoorwaarden bij de uitbreiding van agrarische bedrijven. Ook de leefbaarheid weegt mee. Grootschalige intensieve landbouw wordt kritisch beoordeeld en blijft mogelijk onder voorwaarden. We moedigen agrariërs aan om op te treden als gebiedsbeheerders om zo bij te dragen aan de genoemde natuurontwikkeling, landschapsbeheer en waterbeheer.
43 Initiatieven gericht op het behoud en herstel van natuurlijke ecosystemen ondersteunen we actief.
bestaande plaatsen komt er wel meer natuur. Dit gebeurt in eerste instantie door een kwaliteitsimpuls in beheer, onderhoud en inrichting.
Voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) stimuleren we herbestemming om verpaupering te voorkomen en de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. Bij herbestemming staat een zorgvuldige afweging centraal om zo het landelijke karakter van het buitengebied te behouden. Daarnaast moet de ontwikkelingsruimte voor VAB’s te allen tijde gepaard gaan met kwaliteitsverbetering en biedt het mogelijkheden voor diverse bestemmingen zoals wonen, zorg, bedrijven en toerisme en recreatie. Daarbij is het van belang dat de bestemming past bij de landschappelijke kwaliteiten van de specifieke locatie en niet veel verkeer aantrekt.
Uitwerking Bij het versterken en verbeteren van de natuurlijke ecosystemen, staat het behoud van de ecologische en ruimtelijke verscheidenheid centraal, waarbij we natuurwaarden, landschapswaarden en cultuurhistorische waarden willen versterken en als inspiratiebron laten dienen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit doen we door de droge ecologische verbindingszone ten noorden van Hilvarenbeek en Diessen te ontwikkelen, maar ook kleinere ecologische verbindingen zoals bomenrijen, hagen, poelen en sloten. De provincie streeft naar minimaal 10% groenblauwe dooradering, omdat dit bijdraagt aan een hoge biodiversiteit, een robuuste structuur en een betere gebruikswaarde van natuur en water.
6.4. Natuurlijke leefomgeving 6.4.1. Ruimte voor flora en fauna Ambitie Er is aandacht voor het versterken van de natuurlijke ecosystemen. Niet alleen in de natuurgebieden, maar ook in het overige landschap en in de kernen. Het creëren van aanvullingen op bestaande ecologische verbindingen is hier onderdeel van. Ook is er extra aandacht voor het versterken van de landschapselementen die passen bij de cultuurhistorie van het kampen- en hoevenlandschap en de oude ontginningen, omdat dat ook belangrijk is voor de planten en dieren. Ook de kernen zijn belangrijk voor flora en fauna. Zowel de randen van de kernen, als het openbaar groen en de tuinen binnen en buiten de kernen doen ertoe voor het plaatselijke ecosysteem. Zowel in het gemeentelijke als het particuliere beheer en onderhoud, stimuleert de gemeente om in het groen en bebouwing slimme keuzes te maken die waarde toevoegen aan streekeigen ecosystemen. De nadruk ligt op het versterken en verbeteren van de bestaande natuur. Grote nieuwe natuurgebieden komen er in principe niet bij, maar op allerlei
We herstellen het kampen- en hoevenlandschap, het oude ontginningslandschap en de beekdalen. Dit doen we vanwege de hoge cultuurhistorische waarde van deze landschapstypen en omdat deze belangrijk zijn voor de lokale flora en fauna. In de beekdalen ligt de nadruk op het beschermen van de kwaliteit van het ecosysteem. Zowel aan de randen van de kernen als in de openbare en private buitenruimte in de kernen, versterken we de bestaande ecosystemen. Dit doen we door het groenbeheer en (nieuwe) bebouwing goed af te stemmen op de omgeving. Verder versterken en verbeteren we bestaande natuurgebieden. Specifiek rond de Natura 2000-gebieden (zie deelkaart Natuurlijke leefomgeving) hebben we een bufferzone van 250 meter ingesteld waarbinnen minder activiteiten mogen plaatsvinden om de natuur te beschermen. De kwaliteitsimpulsen in beheer, onderhoud en inrichting bestaan bijvoorbeeld uit het planten van loofbomen in plaats van naaldbomen, en het bevorderen van kansen voor de natuur bij nieuwbouw en herinrichting van de gebouwde omgeving. Hierbij zetten we in op natuurinclusief bouwen en het behouden en creëren van groene ruimtes in de kernen en bij nieuwbouwontwikkelingen.
44 Denk aan het planten van aantrekkelijke struiken voor vogels en kleine zoogdieren in plaats van een grasstrook, maar ook aan het planten van meer loofbomen in de grote natuurgebieden in plaats van naaldbomen. In de tweede instantie door het benutten van natuurkansen bij nieuw op te richten bebouwing. Denk ook aan het opleveren van woningen met een aangelegd terras, zodat niet de hele tuin is betegeld. Of nog beter: het opleveren van woningen mét een groene tuin! Natuurkansen benutten kan ook bij andere wijzigingen in de gebouwde omgeving. Bijvoorbeeld bij de herinrichting van een weg of erf. De groenblauwe structuren worden verder ontwikkeld om biodiversiteit te bevorderen en robuuste, veerkrachtige landschappen te creëren waarin natuur en water elkaar versterken. Dit doen we onder andere door het verbinden van agrarische gebieden en natuurgebieden via lanen- en andere groenstructuren en door de aanleg van natte en droge ecologische verbindingszones. Daarnaast heeft het behoud van het Natuurnetwerk Brabant onze prioriteit. Ontwikkelingen binnen deze gebieden mogen geen nadelige invloed hebben op de natuurlijke waarden. We maken een langetermijnvisie (omgevingsprogramma) voor de bescherming van flora en fauna. Dit beleid zal te zijner tijd worden opgenomen in de omgevingsvisie 2.0.
Daarin hebben we ook aandacht voor de bewustwording van onze inwoners en stimuleren we het maken van de juiste keuzes voor natuur en biodiversiteit. Een rijke natuur levert ook weer de meeste ecosysteemdiensten 19 voor de mens.
19 Een ecosysteemdienst is een 'dienst' die door een gezond ecosysteem aan mensen wordt 'geleverd'. Het betreft het 'verstrekken' van een grondstof door een ecosysteem (bijvoorbeeld drinkwater), een regulerende dienst (bijvoorbeeld bestuiving van gewassen), een culturele
6.4.2. Lage belasting van het milieu Ambitie In alle keuzes werkt de gemeente aan het laag houden van de belasting van het milieu. Bij nieuwe of uitbreiding van activiteiten is geen ruimte voor schadelijke uitstoot in lucht, water of bodem. De gemeente stimuleert bestaande bedrijven, huishoudens en voorzieningen op verschillende manieren te verduurzamen. Hiermee kunnen zij samen de belasting van het milieu steeds verder terugdringen en zorgen voor schone lucht. Rond de Natura2000 gebieden is hiervoor een bufferzone aangewezen van 250 meter, waarbinnen minder activiteiten mogen plaatsvinden. Dit vermindert de stikstof uitstoot ter plaatse. Dat komt de natuur ten goede. Het verminderen van de milieudruk draagt bij aan de gezondheid van mensen, dieren en planten in de gemeente, maar ook ver daarbuiten. De drinkwaterwinning is een extra argument om de milieudruk te verlagen. Uitwerking In lijn met de Omgevingswet werken we hard om de druk op het milieu te verlagen. Ons streven is om in alle keuzes en beleidsbeslissingen de belasting van het milieu zo laag mogelijk te houden. Bij nieuwe activiteiten of uitbreidingen is er geen ruimte voor schadelijke uitstoot in de lucht, het water of de bodem. We stimuleren bedrijven, huishoudens en voorzieningen om te verduurzamen. Luchtverontreiniging, en dan met name fijnstof, heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid.
Houtstook draagt lokaal flink bij aan de vervuiling en daarom staan we houtstook niet meer toe. Ook geluidsoverlast pakken we aan door via zonering alleen in bepaalde gebieden hogere geluidsniveaus toe te staan, bijvoorbeeld bij Beekse Bergen voor evenementen. Tegelijkertijd focussen we ook op het verminderen van geluidsoverlast door laagfrequent geluid (een
dienst (bijvoorbeeld gelegenheid geven tot recreatie) of een dienst die de voorgaande diensten ondersteunt (bijvoorbeeld de kringloop van voedingsstoffen in een ecosysteem).
45 Deelkaart Natuurlijke leefomgeving
46 hele lage brom). Dit komt steeds vaker voor en wordt veroorzaakt door onder andere warmtepompen en airconditioningssystemen. Duurzaamheidsmaatregelen (zoals warmtepompen en airconditioningssystemen) moeten op de best beschikbare plek gerealiseerd worden om overlast voor de omgeving te beperken. Verder beperken we de geuroverlast door nieuwe initiatieven die leiden tot een verhoogde geurbelasting in bepaalde gebieden, niet toe te staan. Zie hiervoor ook hoofdstuk 7 ‘Gebiedsgerichte uitwerking’. In de gebieden die potentie hebben voor drinkwaterwinning is er een extra reden om de milieudruk te verlagen.
6.4.3. Eigenheid van het landschap Ambitie De beekdalen, flanken en hoge zandruggen vormen een zichtbaar systeem in het landschap. Elk onderdeel in dit systeem kent zijn eigen herkenbare landschapselementen en structuur. Deze zetten niet alleen de cultuurhistorische identiteit kracht bij, maar zijn belangrijk voor streekeigen flora en fauna. Het is mogelijk de eigenheid van het landschap te vergroten. Dit kan door bij elke nieuwe of veranderende activiteit te onderzoeken wat extra mogelijk is om dit landschap te versterken. Bijvoorbeeld bij een wijziging aan een erf, ergens anders in het landschap een houtwal versterken. Of bij een woningaanpassing zorgen dat de planten op het erf goed passen bij het landschap. Daarbij gaat de aandacht in het bijzonder uit naar de karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle landschappen: het kampen- en hoevelandschap en de oude ontginningen. Uitwerking We versterken de authentieke landschapselementen zoals houtwallen, bosjes en bomenrijen, die bijdragen aan het historische karakter van de gemeente. Verder zetten we in op duurzaam behoud van het bodemarchief van archeologische landschappen. Rondom de kernen liggen een aantal gebieden van archeologische waarde.
Daarom houden we hier rekening mee bij het bouwen in en rondom de kernen, maar ook bij andere ontwikkelingen die impact hebben op de bodem zoals het gebruik van bepaalde (toekomstige) warmtebronnen. We bewaren de historische sporen zorgvuldig om ons begrip van het verleden te versterken en het landschap te behouden. Dit streven naar behoud, strekt zich ook uit tot de natuurlijke landschappen, zoals beekdalen, bossen en landgoederen. Daarbij ligt de nadruk op het koesteren van de authenticiteit van deze gebieden en het vermijden van een te parkachtige uitstraling. Om de karakteristiek van het landschap te behouden en de groene ruimtes tussen de kernen te beschermen, concentreren we woningbouw zoveel mogelijk in de kernen. Nieuwbouw van woningen en bedrijventerreinen passen we landschappelijk in door de landschappelijke elementen en kavelstructuren als uitgangspunten voor het ontwerp te nemen. Om verloedering van het landschap (en ondermijning) tegen te gaan, verkennen we mogelijkheden voor de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’S). Het vinden van een goede balans tussen het beschermen en verbeteren van het landschap enerzijds, en ontwikkelingen mogelijk maken in het landschap anderzijds, is essentieel. We willen recreatie en agrarische activiteiten mogelijk laten zijn. Kleinschalig bouwen in het buitengebied op enkele plekken aan de kernen wordt onderzocht.
Grootschalige bebouwing en energieopwekking blijven beperkt om de karakteristieke landschappen en natuur te beschermen. Bebouwing moet altijd kwalitatief iets positiefs bijdragen aan de omgeving (maatschappelijke meerwaarde). We leggen de focus op het behoud van bestaande bomen en groenstructuren waarbij we streven naar een goede balans tussen inheemse, uitheemse en klimaatbestendige beplanting en creëren we meer respect voor groen en natuur. In het buitengebied ligt de focus op inheemse beplanting en in de kernen op inheems en waar mogelijk aangevuld met een gevarieerd aanbod uitheemse bomen die een meerwaarde hebben voor bijvoorbeeld insecten en anderzijds aantrekkelijk zijn voor inwoners en bezoekers. Bij de aanleg van nieuw groen zorgen we ervoor dat het past bij de kwaliteiten van het
47 betreffende deelgebied met prioriteit voor biodiversiteit, landschapskwaliteit en de beleving van onze inwoners.
6.4.4. Geleid door bodem- en watersysteem Ambitie Voor een gezonde leefomgeving is een gezond bodem- en watersysteem de basis. Daarvoor vergroot de gemeente het waterbergend vermogen van de bodem. Ook gaat de gemeente ongewenste verrijking, verarming, vervuiling of aantasting van de structuur van deze systemen zoveel mogelijk tegen. Het landgebruik wordt daarop aangepast; het juiste gebruik op de juiste plaats. Het waterbergend vermogen in de kernen vergroot. Dit gebeurt door waar mogelijk minder verharding te gebruiken en ruimte te maken voor meer en groter groen. Dit leidt tot andere keuzes in de buitenruimte en bij de uitgifte van nieuwe gronden. Meer groen en water vasthouden draagt sterk bij aan een aangenamer microklimaat voor mens, plant en dier. Dit is goed voor de gezondheid. Dit betekent niet dat we de functionaliteit van de openbare ruimte beperken. De gemeente grijpt kansen aan om kwaliteiten te combineren of scherper toe te wijzen. Denk bijvoorbeeld aan het combineren van een waterberging met een groen wandelpad. Zo is het mogelijk kwaliteitssprongen te maken. Daarnaast zoekt de gemeente actief naar kansen om werk-met-werk te maken. Bij nieuwe ontwikkelingen is het realiseren van voldoende mogelijkheden voor waterinfiltratie een randvoorwaarde. Waar nodig ook het realiseren van waterberging.
Zorgen voor genoeg groen dat kwalitatief bijdraagt aan klimaatadaptatie en het versterken van de biodiversiteit, is een voorwaarde voor ontwikkelingen. Uitwerking Met een veerkrachtig bodem- en watersysteem kunnen we veranderingen in het klimaat opvangen. Daarom beschouwen we - in lijn met de Kabinetsbrief - bodem en water als sturend principe voor ontwikkelingen. Denk bij de juiste
functie of de juiste plek aan de inpassing van droogtegevoelige functies in lager gelegen natte delen en de inpassing van functies die gevoelig zijn voor wateroverlast op hogere koppen. Investeringen in regenwateropvang en groenblauwe voorzieningen bieden kansen om klimaatgerelateerde problemen zoals hittestress en langdurige droogte aan te pakken. Bovendien dragen groen en water in de openbare ruimte bij aan de uitstraling en gezondheid van de leefomgeving, en kunnen ze worden gecombineerd met natuurontwikkeling. In het stedelijk gebied, de kernen en op bedrijventerreinen, vergroten we het waterbergend vermogen door minder verharding toe te passen en ruimte te maken voor meer en groter groen. Tot slot zetten we in op natuurlijke wateropvang door een gezonde bodem te bevorderen en slim in te spelen op waterbehoud. Bij grootschalige plannen, zoals woningbouw, blijft het behoud en de integratie van groen een prioriteit. Initiatieven zoals voedselbossen krijgen ruimte in geschikte gebieden, en in hoge zandkoppen worden bergingsvakken aangelegd om water vast te houden. Het behoud van drinkwaterbronnen wordt ondersteund door duurzaam waterbeheer. We benutten kansen om de kwaliteit van de buitenruimte te verhogen door functies te combineren. Denk aan het samenvoegen van waterberging en groene wandelpaden.
Ook worden nieuwe ontwikkelingen gekoppeld aan voorwaarden voor waterinfiltratie, waterberging en groenvoorzieningen die bijdragen aan klimaatadaptatie en biodiversiteit. Bij het behoud, herstel en de ontwikkeling van het watersysteem hebben we oog voor de relatie tussen stad en land. Daarbij horen maatregelen zoals waterinfiltratie voor grondwateraanvulling, het vasthouden van water en het benutten van gebiedseigen waterbronnen. Daarnaast onderzoeken we hoe we bedrijventerreinen kunnen verduurzamen door waterbesparende maatregelen te nemen en duurzaam watergebruik te bevorderen. We leggen waterbuffers aan om overtollig water op te vangen en de bodem
48 weerbaarder te maken tegen droogte en extreme neerslag. We stimuleren een gezond bodemleven door middel van duurzaam bodembeheer en het bevorderen van de biodiversiteit. We werken aan een toekomstbestendige riolering, waarbij afvalwater wordt beschouwd als een waardevolle grondstof. Het terugwinnen van fosfaat, stikstof en cellulose uit afvalwater draagt bij aan duurzaamheid. Bij nieuwbouw en herbouw leggen we waterbergende voorzieningen aan om wateroverlast te voorkomen en het watersysteem te ontlasten. Daarnaast zetten we de aanleg van hemelwaterriolen voort om overtollig hemelwater ondergronds te bergen en te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is, wordt het water afgevoerd naar watergangen en beken. De provincie streeft naar minimaal 10% groenblauwe dooradering, omdat dit bijdraagt aan een hoge biodiversiteit, een robuuste structuur en een betere gebruikswaarde van natuur en water. In 2050 is het doel van waterschap De Dommel dat de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig is. Dit betekent een waterhuishouding die voorziet in een goede waterkwaliteit en die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Daarnaast kan het grond- en oppervlaktewatersysteem de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
Hierbij worden de volgende drie beleidskaders uit het Waterbeheerprogramma (2022-2027) gehanteerd: › Voldoende water › Schoon water › Droge voeten Als gemeente ondersteunen we deze aanpak en werken we actief mee aan de uitvoering van concrete plannen om de waterkwaliteit en -kwantiteit te verbeteren. Dit heeft veelal betrekking op de watergangen van waterschap De Dommel en stroken grond van Brabants Landschap. Daarom willen we de samenwerking opzoeken met waterschap De Dommel en Brabants Landschap om de groenblauwe dooradering te steunen. Om richting te geven aan de uitvoering en invulling van de drie beleidskaders heeft het waterschap De
Dommel een handelingsperspectief opgesteld waarin deze beleidskaders gebiedsgericht zijn uitgewerkt: Hoge koppen: › Doelstelling 2050: Een structurele aanvulling van de grondwatervoorraad doordat al het water infiltreert, onttrekkingen niet meer vanzelfsprekend zijn en wat schoon is moet schoon blijven. › Maatregelen: › A-watergangen worden verondiept en voeren alleen af bij piekbuien. Het systeemherstel is gericht op vasthouden en infiltreren (dempen en verondiepen) › Alle onttrekkingen op de hoge koppen, dus ook die van bedrijven en het drinkwaterbedrijf zijn niet meer vanzelfsprekend, het aanvullen van de grondwatervoorraad staat voorop. › Voorkomen van uitspoeling van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en vervuilingsbronnen. Om te waarborgen dat het grondwater schoon blijft, moeten (potentiële) vervuilingsbronnen worden uitgesloten. De basis is voldoen aan de wettelijke normen voor gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten. Maar indien we op de hoge koppen maximaal gaan vasthouden en infiltreren is in dit deelgebied meer nodig. Flanken: › Doelstelling 2050: De aan- en afvoer is meer in balans bij een hoger grondwaterpeil doordat grondwaterpeilen stijgen en er minder beregening nodig is. › Maatregelen: › Grondwaterstanden en duurzaam grondgebruik zijn op elkaar afgestemd en worden vastgelegd.
Het maximaal infiltreren op de hoge koppen moet ertoe leiden dat de kwelstroom zich herstelt. Beekdalen: › Doelstelling 2050: Voldoende ruimte om pieken op te vangen en een beekdal dat niet verdrogend werkt voor de omgeving. Doordat het klimaat snel verandert en we pieken meer in het systeem moeten kunnen opvangen zonder dat het tot grote overlast leidt (robuust), heeft het water ruimte nodig en die moet in het beekdal gevonden worden. Daarnaast zorgt systeemherstel op termijn voor meer kwel en hogere grondwaterstanden in de beekdalen. › Maatregelen: › De functie van het beekdal is leidend. Beekdalen en andere natuurlijke waterbergingsgebieden hebben een waterbergingsfunctie, overstromen is dus geen calamiteit maar een natuurlijk verschijnsel. Omdat inundatie te voorzien is vergoedt het waterschap geen schades meer, maar zullen ze extra inspanningen leveren om samen een oplossing te zoeken daar waar knelpunten ontstaan. Omdat de waterfunctie leidend wordt, kan een
49
›
›
herwaardering van gronden gaan plaatsvinden. Dat heeft niet alleen consequenties voor de landbouw maar ook voor de natuur. Voorkomen van uitspoeling van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en vervuilingsbronnen. Om te waarborgen dat het grondwater schoon blijft, moeten (potentiële) vervuilingsbronnen worden uitgesloten. De basis is voldoen aan de wettelijke normen voor gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten, maar er is meer nodig. Geen technische bescherming meer voor nieuwe ontwikkelingen dus geen nieuw bebouwd gebied in huidige en toekomstige (klimaatscenario’s) overstromingsgebieden. Dit sluit ook aan bij beleidslijn water en bodem sturend.
6.4.5 Integrale omgevingsvisiekaart In de paragrafen hiervoor zijn de ambities en gewenste ontwikkelingen voor de gemeente Hilvarenbeek toegelicht in tekst, beeld en kaarten. De belangrijkste ambities en ontwikkelingen hebben we getoond op de omgevingsvisiekaart die hier te zien is. Deze kaart moet worden gezien als visiekaart en niet als omgevingsplankaart. Een omgevingsvisie is namelijk niet juridisch bindend voor de burger. Wel laat de kaart, in combinatie met de tekst, goed zien wat onze ambities zijn voor het behoud en de ontwikkeling van de gemeente Hilvarenbeek. Deze kaart vormt de basis voor de gebiedsgerichte uitwerking die in het volgende hoofdstuk is opgenomen.
Omgevingsvisiekaart om
50
51
7. Gebiedsgerichte uitwerking 7.1. Inleiding Gebiedstypen In het vorige hoofdstuk hebben we de omgevingsvisie thematisch uitgewerkt. In dit hoofdstuk doen we dat gebiedsgericht. Dat geeft de gelegenheid om aan te geven waar ontwikkelingen plaatsvinden. De gebiedsgerichte uitwerking is ook belangrijk om te gebruiken voor de vertaling in het omgevingsplan en om als toetsingskader te dienen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA’s). We hebben de volgende gebiedstypen onderscheiden: › Woongebied › Centrumgebied › Bedrijventerrein › Natuurgebied › Agrarisch buitengebied Het gaat dus om type gebieden. Binnen de kern Hilvarenbeek zijn bijvoorbeeld de gebiedstypen ‘woongebied’, ‘centrumgebied’ en ‘bedrijventerrein’ aanwezig. We streven ernaar om de regels zo veel mogelijk gelijk te houden binnen een gebiedstype. Zodat in woongebieden in bijvoorbeeld Hilvarenbeek en Biest-Houtakker in principe dezelfde activiteiten zijn toegestaan. Uiteindelijk kunnen regels van andere overheden of de feitelijke omstandigheden medebepalend zijn voor wat er in het omgevingsplan wordt toegestaan naast deze omgevingsvisie. Hieronder hebben we per type gebied aangegeven wat het bestaande karakter is en wat de koers richting de toekomst is. Soms hebben we per deelgebied, zoals bij de kernen, het karakter omschreven. Verder hebben we per gebiedstype een afwegingskader opgenomen.
52
53
Het afwegingkader Het afwegingskader (zie hoofdstuk 5) is een beeldende weergave van de koers van de gemeente. Het afwegingskader omvat de twaalf ambities van de omgevingsvisie. Op gemeenteniveau wordt ervan uitgegaan dat alle ambities even belangrijk zijn, maar per deelgebied kan die balans anders zijn. Zo is de ambitie ‘natuurinclusieve agrarische sector’ in het buitengebied logischerwijs meer van belang dan in de woongebieden. Dat werkt als volgt. Iedere as vertegenwoordigt een ambitie en bestaat uit vijf punten. Meer punten (meer naar buiten) betekent dat de ambitie in het betreffende gebied meer nadruk krijgt dan gemiddeld. Minder punten (meer naar binnen) betekent dus dat de ambitie in dit gebied minder belangrijk is dan gemiddeld. Deze puntenverdeling is relatief, namelijk ten opzichte van de andere deelgebieden. Een lager puntenaantal op één thema betekent dus een minder grote kwaliteitsverbetering van het betreffende aspect in het betreffende deelgebied dan in andere deelgebieden. De laagst mogelijke score hierbij is het onderste bolletje en de hoogst mogelijke score de bovenste. We gebruiken het afwegingskader onder andere bij het toetsen van nieuwe initiatieven. Het afwegingskader maakt namelijk in één oogopslag duidelijk wat voor soort ontwikkelingen wenselijk zijn.
54
Het milieukader De gezondheid van onze inwoners wordt deels beïnvloed door factoren in de fysieke leefomgeving. Met omgevingsbeleid kunnen wij sturen op het minimaliseren van de negatieve factoren en het verbeteren van ruimtelijke factoren die de gezondheid bevorderen. De (klassieke) milieuthema’s zijn luchtkwaliteit, lichtuitstoot, geur, geluidsoverlast, trillingen en bodem- en watervervuiling. Het scheiden van bedrijfsmatige activiteiten met impact op de fysieke leefomgeving en kwetsbare functies, zoals wonen, scholen en kinderdagverblijven, kan bijdragen aan een gezonde fysieke leefomgeving.
kwaliteitsniveau hanteren. Een aandachtspunt hierbij is wel dat bijvoorbeeld de energietransitie ook negatieve effecten kan hebben op de veiligheid en op milieuaspecten, bijvoorbeeld geluidsoverlast van warmtepompen. Ook bestaat er een nuancering per deelgebied. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat we centraal in het gebied andere ambities hanteren dan aan de randen, waar bijvoorbeeld al een weg loopt. Het kwaliteitsniveau biedt een globale ambitie voor het gehele deelgebied, maar is niet specifiek bindend per locatie. De uiteindelijke, verplichte eisen worden opgenomen in het omgevingsplan.
In dit hoofdstuk wegen we per deelgebied de milieuthema’s af tegen de ontwikkelingen die we zien in het deelgebied. Hier komt vervolgens een bepaalde ambitie uit die uiteindelijk in het omgevingsplan wordt vertaald. De standaardnormen en bandbreedtes uit de Omgevingswet 20 per aspect vormen hierbij onze (onder)grens. Hier kunnen we niet op sturen. Binnen die bandbreedtes is regelruimte voor gemeenten. Wanneer we dus voor een lage milieukwaliteit kiezen, voldoen de waarden nog steeds aan de wet (we hebben in lijn met de Omgevingsvisie Brabant gekozen voor de term ‘basis op orde’). Er zal dus nooit sprake zijn van méér belasting van de fysieke leefomgeving dan wettelijk toegestaan. We zien echter wel ruimte om op bepaalde ambities in de gemeente strengere eisen te stellen waarmee we de omgevingskwaliteit in de komende jaren willen verbeteren of juist op onderdelen de grens op te zoeken om ontwikkelingen mogelijk te maken. In sommige gevallen zal het ambitieniveau gelijk zijn aan het huidige kwaliteitsniveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit. In veel gevallen streven we een hoger ambitieniveau na dan het huidige kwaliteitsniveau. Door verduurzaming van onze woningvoorraad, mobiliteit en economische activiteiten en met behulp van bijvoorbeeld groenvoorzieningen kunnen we wel de leefomgeving gezonder en veerkrachtiger maken.
Hier zullen we dan een hoger 20
Met de Omgevingswet hebben gemeenten meer afwegingsruimte voor het stellen van kwaliteitsnormen voor het milieu. Het Rijk stelt hiervoor inhoudelijke kaders in de vorm van instructieregels. Die kunnen een standaardnorm en een bandbreedte meegeven. Voor
sommige aspecten, zoals licht, zijn er geen instructieregels en hebben gemeenten vrije regelruimte. Als er een standaard norm is opgenomen (in het BKL), dan is dat de ondergrens. .
55
7.2. Woongebieden
gemeenschapszin. Het historische centrum, De Vrijthof, met zijn pittoreske sfeer en oude gebouwen, vormt het hart van het dorp. Vanuit dit plein lopen oude handelsroutes naar de omliggende kernen, wat de dynamiek en diversiteit van het gebied weerspiegelt. Hilvarenbeek beschikt over een levendig dorpsleven dat ondersteund wordt door diverse lokale evenementen. Diessen Diessen is na Hilvarenbeek de grootste kern binnen de gemeente Hilvarenbeek en is gelegen aan de Reusel. Veelzeggend voor het karakter van Diessen is dat de functionele binding met de agrarische clusters Haghorst en Baarschot sterker is dan die met Hilvarenbeek en Middelbeers. De kern heeft een rijk verleden met de 15e-eeuwse Sint-Willibrorduskerk en archeologische vondsten die teruggaan tot de prehistorie. Het is zelfs een van de rijkste prehistorische vindplaatsen van Nederland. Diessen heeft daarnaast een levendige dorpskern met horeca, winkels en mooie wandel- en fietsmogelijkheden in de omgeving.
7.2.1. Karakter Inleiding Hilvarenbeek bestaat uit de zes kernen Biest-Houtakker, Haghorst, Esbeek, Baarschot, Diessen en Hilvarenbeek, die elk een eigen identiteit hebben. De voornaamste overeenkomst tussen de kernen is de landelijke charme en de hechte gemeenschappen. Zoals gezegd zoeken we nog naar mogelijkheden woningen toe te voegen in en eventueel aan de kernen. Hilvarenbeek Hilvarenbeek is de grootste van de zes kernen en is gelegen op een dekzandrug, omringd door agrarische gebieden en natuurgebieden zoals Gorp en Rovert. De kern heeft een rijke geschiedenis en een sterke
Biest-Houtakker Biest-Houtakker, ook wel ‘De Biest’ genoemd, is een kleine en historische kern in de gemeente Hilvarenbeek. Het is ontstaan uit de samenvoeging van de gehuchten Biest en Houtakker die langs oude handelsroutes lagen. De kern heeft een unieke status als ‘gemeente binnen de gemeente’ door het bezit van gemeenschappelijke gronden. Deze gronden zijn in de 14e eeuw toegekend door Hertog Jan III van Brabant. De Biestsestraat, met monumentale boerderijen en een kerk, vormt de centrale structuur die de twee kernen verbindt. Haghorst Haghorst is een klein en gezellig ontginningsdorp en is ontstaan door de ontginning van de woeste gronden. De kern heeft een ringvormige structuur, vergelijkbaar met Esbeek. De aanleg van het Wilhelminakanaal en de bouw van woningen langs de Sint Josephstraat hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de kern. Haghorst is hierdoor uitgegroeid van een afgelegen gehucht tot een kern met eigen voorzieningen, zoals een café, een kerk en