01c Bijlage 5 - Milieueffectrapport
Tekst van het document
Hierdoor kunnen de temperaturen in bebouwd gebied verder stijgen. Dit wordt beperkt doordat er bij nieuwbouw natuurinclusief wordt gebouwd. Gebiedsgerichte uitwerking Flora en fauna hebben geen prioriteit in het centrum, maar doordat er wel wordt ingezet op vergroening, wordt dit automatisch meegenomen. Dit draagt bij aan het tegengaan van hittestress. Ook op bedrijventerreinen wordt ingezet op vergroening, wat hittestress vermindert. In woongebieden en natuurgebieden worden er geen concrete maatregelen genomen voor hitte, maar in het afwegingskader wordt wel hoog ingezet op een lage belasting van het milieu. In het agrarisch buitengebied worden geen maatregelen genomen. Conclusie De omgevingsvisie heeft een positieve en een licht negatieve invloed op de indicator hitte. 5.2.3
Landschap en cultuurhistorie
Thema
Landschap
Indicator
Huidige
Autonome
Invloed
situatie
ontwikkeling
Omgevingsvisie
Landschappelijke waarden
en cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden
87/169
Kenmerk
Thema
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Indicator
Huidige
Autonome
Invloed
situatie
ontwikkeling
Omgevingsvisie
Archeologie
O 5.2.3.1
Landschappelijke waarden
Themagerichte uitwerking Authentieke landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, en bomenrijen, die bijdragen aan het historische karakter van de gemeente worden versterkt. Daarnaast wordt gefocust op het behoud van bestaande bomen en groenstructuren, waarbij wordt gestreefd naar een balans tussen inheemse, uitheemse en klimaatbestendige beplanting. In het buitengebied ligt de focus op inheemse beplanting en in de kernen op inheemse beplanting, waar mogelijk aangevuld met een gevarieerd aanbod uitheemse bomen die een meerwaarde hebben voor bijvoorbeeld insecten en die aantrekkelijk zijn voor inwoners en bezoekers. Verder wordt er gelet op de landschappelijke inpassing van bedrijven. Bovendien wordt verrommeling en verval tegengegaan en wordt er gezorgd voor een afwisselende omgeving om saaiheid en eenvormigheid te voorkomen. Verpaupering wordt bijvoorbeeld voorkomen door VAB’s (Vrijkomende Agrarische Bebouwing) in te zetten voor toerisme en recreatie. Verder worden landschaps- en natuurwaarden en het watersysteem zoveel mogelijk beschermd. Deze maatregelen hebben een positieve invloed op de landschappelijke waarden. Agrarische bedrijven dicht bij de kern mogen niet uitbreiden, maar hebben ontwikkelruimte voor nevenfuncties zoals zorgfuncties of een B&B. In buitengebieden mogen ze wel uitbreiden, mits het de leefomgeving positief beïnvloedt.
In de visie wordt ingezet op grootschalige opwekking van energie, bijvoorbeeld door zonneparken. Ook wordt er onderzoek gedaan naar windmolens. Wanneer er grootschalige opwekking van energie plaatsvindt, wordt er zover mogelijk rekening gehouden met landschappelijke inpassing. Bijvoorbeeld door een clustering van windmolens boven nieuw te ontwikkelen bos. Ook bij energieopwekking op daken wordt er sterk rekening gehouden met de inpassing ervan. Voor wind geldt echter dat, gezien de hoogte, dit zich lastig landschappelijk laat inpassen. Er zijn ook negatieve effecten voor landschappelijke waarden. Nieuwbouw van woningen en uitbreiding van bedrijventerreinen kan de landschappelijke waarden mogelijk negatief beïnvloeden. Echter, dit effect zal beperkt blijven doordat er bij deze ontwikkelingen veel rekening wordt gehouden met landschappelijke inpassing. Ook mogen bedrijventerreinen alleen uitbreiden als er sprake is van mitigatie en compensatie van het landschap, vergroening, verduurzaming, biodiversiteit en klimaatadaptatie.
88/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Gebiedsgerichte uitwerking Bij woongebieden worden de doorkijkjes vanuit de woongebieden naar het landschap versterkt en trekt het groen verder de kernen in, met respect voor de cultuurhistorisch waardevolle landschappen en structuren. Ook bij de uitbreiding van bedrijventerreinen is aansluiting op de leefomgeving nodig en moet de landschappelijke inpassing goed zijn. Dit wordt gedaan door landschappelijke elementen en kavelstructuren als uitgangspunten te nemen. Verder is er voor natuurgebieden, per landschapstype (hoge koppen, flanken en beekdalen), een handelingsperspectief opgesteld door het waterschap. De inpassing van energieopwekking wordt alleen toegestaan onder strenge voorwaarden op het gebied van natuur en landschap. In de natuurgebieden wordt ook hoger ingezet op het behouden en versterken van de eigenheid van het landschap. Dit gebeurt door het behoud van de landgoederen en het zichtbaar en beleefbaar maken van cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen, zoals zandpaden en smokkelaarsroutes. Ook in het agrarisch buitengebied wordt hoger ingezet op het behoud van een herkenbaar dorpskarakter. Dit is terug te zien in de aansluiting van de kernen en linten op de landschappelijke structuren.
Specifiek in het kampen- en hoevenlandschap, en het oude ontginningslandschap, wordt maximaal ingezet op het behoud en herstel van de landschapsstructuren en -elementen in combinatie met gezamenlijk landschapsbeheer. In het buitengebied worden groenblauwe structuren versterkt en landschapselementen, zoals houtwallen en hakbosjes, hersteld. Conclusie Al met al heeft de omgevingsvisie een positieve en licht negatieve invloed op landschappelijke waarden. 5.2.3.2
Cultuurhistorische waarden
Themagerichte uitwerking Er wordt gefocust op het behoud van bestaande bomen en groenstructuren, waarbij gestreefd wordt naar een balans tussen inheemse, uitheemse en klimaatbestendige beplanting. Daarnaast worden authentieke landschapselementen zoals houtwallen, bosjes en bomenrijen versterkt en blijven cultuurhistorisch waardevolle landschappen en structuren behouden. Ook worden kampenen hoevenlandschap, het oude ontginningslandschap en de beekdalen hersteld. Dit wordt gedaan vanwege de hoge cultuurhistorische waarde van deze landschapstypen en omdat deze belangrijk zijn voor de lokale flora en fauna. Bovendien worden cultuurhistorische structuren en elementen zichtbaar en beleefbaar gemaakt door ze te restaureren, te voorzien van educatie en toeristisch te ontsluiten via wandel- en fietsroutes. Bouwen in de hoogte is op bepaalde plekken binnen de kernen mogelijk, maar tot maximaal vijf lagen hoog, en alleen waar het past binnen het karakter van Hilvarenbeek.
89/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Verder staat het behoud van de ecologische en ruimtelijke verscheidenheid centraal, waarbij natuurwaarden, landschapswaarden en cultuurhistorische waarden versterkt worden en als inspiratiebron dienen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er is een risico dat cultuurhistorische waarden worden aangetast bij groei van Hilvarenbeek, bijvoorbeeld door woningbouw (verdichting in cultuurhistorisch waardevolle kernen) of uitbreiding van bedrijventerreinen. Uit de HSAO blijkt namelijk dat er Rijksmonumenten in de buurt liggen van de geplande ontwikkelingen. Het risico dat deze worden aangetast is echter klein, omdat er rekening mee wordt gehouden met cultuurhistorische structuren bij inpassing daarvan. Daarnaast kan verdichting in het centrum ervoor zorgen dat de kernen hun authenticiteit verliezen. Tegelijkertijd kan het ook positief werken, doordat bij verdichting vaak een investering wordt gedaan in de kwaliteit van kernen. Gebiedsgerichte uitwerking In woongebieden trekt groen verder de kernen in met respect voor de cultuurhistorisch waardevolle landschappen en structuren. In centrumgebieden wordt gestreefd naar een levendig winkelhart en bruisende horeca die de Beekse identiteit benadrukken. Het cultuurhistorisch waardevolle karakter is hierin essentieel. Er wordt maximaal ingezet op het behoud van het dorpse karakter, waarbij het Vrijthof een beschermd dorpsgezicht is.
Bij bedrijventerreinen staat het respecteren van de stedenbouwkundige en cultuurhistorische structuren centraal. Voor natuurgebieden wordt er iets hoger ingezet op het behouden en versterken van de eigenheid van het landschap. Dit gebeurt door het behoud van de landgoederen en het zichtbaar en beleefbaar maken van cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen, zoals zandpaden en smokkelaarsroutes. Voor het agrarisch buitengebied zijn geen maatregelen genomen. Conclusie Al met al wordt de invloed van de omgevingsvisie op de indicator cultuurhistorische waarden als positief en licht negatief beoordeeld. 5.2.3.3
Archeologie
Themagerichte uitwerking Allereerst is er het positieve punt dat in de buitengebieden vrijwel geen nieuwe bebouwing komt, terwijl dit wel de locaties zijn waar de meeste archeologische vindplaatsen liggen. Het is positief voor archeologie wanneer er vooral binnen de kernen wordt ontwikkeld, omdat er dan weinig nieuwe grond nodig is voor de bouw. Uit de HSAO blijkt dat er binnen de kernen weinig tot geen archeologisch waardevolle gebieden liggen en juist daar is woningbouw gepland.
90/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Aan de andere kant kunnen de bouw van woningen of bedrijventerreinen aan de randen van de kernen invloed hebben op archeologische monumenten die in het gebied liggen. Het is daarom belangrijk om bij het bouwen in en rondom de kernen goed op archeologische waarden te letten. Uit de HSAO blijkt dat het om kleine stukjes gaat waar gebieden van archeologische waarde liggen, waardoor de negatieve invloed op archeologie waarschijnlijk beperkt kan blijven. Een voorbeeld hiervan is de midden-paleolithische vindplaats tussen de kernen Diessen en Esbeek. Hier wordt echter weinig gebouwd, waardoor dit effect beperkt lijkt te zijn. Echter, grootschalige energieopwekking kan wel een impact hebben op archeologie. Bij de aanleg van grote energieopwekkingsprojecten zoals windmolenparken of zonneparken bestaat de mogelijkheid dat archeologische vindplaatsen worden aangetast. Het graven van funderingen, het aanleggen van kabels en het plaatsen van apparatuur kan leiden tot verstoring van de bodem en het landschap waar archeologische resten zich bevinden. Daarom is het belangrijk om bij de planning en uitvoering van grootschalige energieopwekkingsprojecten rekening te houden met de mogelijke archeologische waarde van het gebied.
Uit de omgevingsvisiekaart blijkt dat de zoekgebieden voor windmolens en zonneweiden echter niet in archeologisch waardevolle gebieden liggen, zoals beschreven in de HSAO. Daardoor is er weinig kans op aantasting. Tot slot, bij het gebruik van aardwarmte/geothermie kunnen diepe boorgaten worden gebruikt om warmte uit de aarde te halen. In sommige gevallen kunnen deze boorgaten in de buurt liggen van archeologische vindplaatsen. Gebiedsgerichte uitwerking In de visie worden geen specifieke gebiedsgerichte maatregelen genomen voor archeologie. Conclusie Hoewel er geen archeologisch beleid is, worden er weinig negatieve effecten verwacht voor archeologie. De omgevingsvisie heeft vanwege mogelijke impact op archeologische waarden een licht negatieve invloed op archeologie.
5.3
Werken in Hilvarenbeek
5.3.1
Bedrijvigheid
Thema
Bedrijvigheid
Indicator
Huidige
Autonome
Invloed
situatie
ontwikkeling
Omgevingsvisie
Bedrijventerreinen
Agrarische bedrijvigheid
Verduurzaming landbouw
91/169
Kenmerk
5.3.1.1
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Bedrijventerreinen
Themagerichte uitwerking Er wordt plaats geboden voor de groei van bedrijven. Hiertoe worden bedrijventerreinen uitgebreid. Er wordt vooral ruimte gemaakt voor lokale MKB-bedrijvigheid. De bedrijventerreinen in Hilvarenbeek en Diessen worden vergroot, zoals duidelijk is op de omgevingsvisiekaart. In aanvulling op deze twee uitbreidingslocaties wordt actief gezocht naar een nieuwe locatie voor de ontwikkeling van een bedrijventerreinen rondom de kernen Hilvarenbeek, Esbeek en Diessen. Op bestaande bedrijventerreinen wordt ingezet op een efficiënter ruimtegebruik. Daarom sluit de omgevingsvisie bedrijven met een groot ruimtebeslag, zoals distributie- en datacentra uit. Hoewel hierdoor meer ruimte vrijkomt voor andere soorten bedrijven, is dit nadelig voor bedrijven die wel een groot ruimtebeslag hebben. Er wordt ook ruimte geboden voor bedrijven en woningen om een binding te krijgen met de lokale gemeenschap, bijvoorbeeld door gedeelde buitenruimten, gemeenschappelijk opdrachtgeverschap of bedrijventerrein-management. De compacte opzet biedt ruimte voor meer bedrijven om zich te vestigen. Bovendien wordt er ruimte geboden voor bedrijven met hogere milieucategorieën. Er wordt ook ruimte geboden om een onderneming te starten, om het vestigingsklimaat voor de jongere generatie te verbeteren. Er zijn ook negatieve effecten voor bedrijventerreinen.
Bedrijven mogen uitbreiden, maar alleen als er sprake is van mitigatie en compensatie van het landschap, vergroening, verduurzaming, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Dit maakt het wellicht minder aantrekkelijk of lastiger voor bedrijven om zich te vestigen in de gemeente. Verder wordt er ruimte geboden aan lokale ondernemers (positief), waardoor bedrijvigheid met een groot ruimtebeslag, zoals distributie- en datacentra, onwenselijk is. Dit is negatief voor die vormen van bedrijvigheid. Bovendien worden sommige bedrijven door de ligging van de bedrijventerreinen aan de randen van de kernen mogelijk beperkt om er zich te vestigen vanwege zonering in verband met geur, omgevingsveiligheid en geluid, waardoor sommige initiatieven niet toe worden gestaan. Vanwege die zonering is het voor sommige bedrijven niet mogelijk om zich te vestigen op de uitbreidingslocaties. Gebiedsgerichte uitwerking Kleine, bestaande bedrijven in de woongebieden mogen blijven, maar er wordt geen ruimte geboden voor nieuwe bedrijven. Nieuwe bedrijven vestigen zich op de daarvoor bestemde locaties. Voor kleine bedrijven aan huis worden echter wel mogelijkheden geboden.
92/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
In de centrumgebieden wordt, met het oog op het aantrekken van bezoekers en het bevorderen van ontmoeting, publiekstrekkende bedrijven zoals detailhandel en horeca gestimuleerd. Daarnaast is het tegengaan van leegstand, en daarmee het behoud van het horeca- en winkelaanbod, van groot belang voor de leefbaarheid van het centrum. Op dit moment is er ruimte voor de uitbreiding van bedrijventerreinen in de kernen Hilvarenbeek en Esbeek. In Hilvarenbeek wordt Slibbroek-Noord uitgebreid met 2,7 hectare voor lichtere bedrijvigheid, en Mierbeek-Noord in Esbeek wordt uitgebreid met 2,7 hectare voor zwaardere bedrijven. Daarnaast wordt actief gezocht naar een nieuwe locatie voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein rondom de kernen Hilvarenbeek, Esbeek en Diessen. In de natuurgebieden is er geen ruimte voor bedrijven. Eventuele bestaande recreatiebedrijven mogen worden gehandhaafd. In het buitengebied is er beperkte ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische bedrijven, mits die ontwikkeling passend is in de omgeving en andere voorzieningen, functies of bedrijvigheid niet schaadt. Dit wordt ondersteund door de provincie om versnippering in het buitengebied te voorkomen, de milieubelasting niet verder te verhogen en verkeersbewegingen te beperken.
Milieubelastende bedrijvigheid en grote industrie worden in het buitengebied beperkt, waardoor er voor bepaalde bedrijven minder ruimte is in Hilvarenbeek. Er wordt verder geen ruimte geboden voor grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied, dus ook niet voor grootschalige bedrijventerreinen. Conclusie Al met al heeft de omgevingsvisie een licht positieve invloed en een licht negatieve invloed op de indicator bedrijventerreinen. 5.3.1.2
Agrarische bedrijvigheid
Themagerichte uitwerking Agrarische bedrijven krijgen meer ontwikkelruimte voor nevenfuncties, zoals zorgfuncties of een B&B. Bovendien heeft het behoud en de versterking van bestaande agrarische bedrijvigheid de prioriteit van de gemeente. De gemeente moedigt daarom innovatie en diversificatie in de landbouwsector aan door te zoeken naar nieuwe teelten en teeltsystemen. Daarbij ligt de focus op kleinschalige, circulaire en natuurinclusieve modellen. Verduurzaming en innovatie van de landbouw zorgt ervoor dat agrarische bedrijven toch kunnen blijven, of zorgt dat er andere typen (duurzame) vormen van landbouw bij kunnen komen. Dit is positief voor de agrarische bedrijvigheid in de gemeente.
93/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Monoculturen zoals veeteelt, akkerbouw en fruitteelt worden verminderd in de omgeving en alleen toegelaten in gebieden die zich hier wel voor lenen. Daarnaast wordt een bufferzone van 250 m ingesteld rond Natura 2000-gebieden, wat ook zorgt voor minder grond voor agrarische bedrijven. Ook wordt grootschalige intensieve landbouw kritisch beoordeeld. Dit is positief voor de leefomgeving, maar zorgt voor beperkingen op het gebied van agrarische bedrijvigheid. Daarnaast biedt de gemeente geen ruimte voor het uitbreiden of starten van agrarische bedrijfsvoering en praktijken met een negatieve invloed op de lokale leefomgeving, zoals bijvoorbeeld lelieteelt. Bij uitbreiding of wijziging van activiteiten dient de leefomgeving daar ook van te profiteren. Hoewel dit goed is voor de leefomgeving, zorgt het wel voor restricties voor de uitbreiding van agrarische bedrijvigheid. Wel kunnen agrarische bedrijven onder voorwaarden uitbreiden in het oosten van de gemeente, ten westen van Haghorst en Baarschot, mits dit de leefomgeving positief beïnvloedt. Desondanks kunnen agrarische bedrijven ten westen van Hilvarenbeek en Esbeek en ten zuidwesten van Diessen niet uitbreiden. Verder wordt van agrariërs verwacht dat ze de best beschikbare technieken toepassen om de kwaliteit van de leefomgeving zo min mogelijk te belasten.
Dit kan het minder aantrekkelijk maken voor nieuwe agrarische bedrijven om zich in de gemeente te vestigen. Gebiedsgerichte uitwerking In woongebieden, centrumgebieden en op bedrijventerreinen is er geen ambitie voor agrarische bedrijvigheid, omdat er in de kernen en op bedrijventerreinen niet of nauwelijks landbouw voorkomt. Echter, in natuurgebieden en het agrarisch buitengebied speelt landbouw wel een rol. Met name in de randen (zomen) van de bosgebieden is een natuurinclusieve agrarische sector van belang. Daarom wordt in deze gebieden volledig ingezet op een natuurinclusieve agrarische sector. Vanwege de ligging van de natuurgebieden nabij agrarische gebieden in plaats van woongebieden wordt hier iets meer geurhinder geaccepteerd, maar nooit meer dan de wettelijk toegestane waarden. Het landschapstype is leidend voor de ontwikkeling van het agrarisch buitengebied. Er is bijvoorbeeld geen ruimte voor agrarische bedrijven in natuurgebieden, en het jonge ontginningslandschap is primair bedoeld voor de duurzame ontwikkeling van de landbouw. In het agrarisch buitengebied wordt niet actief gestuurd op het verlagen van de milieubelasting; per gebied wordt gekeken hoe de milieubelasting gelijk kan blijven en, indien mogelijk, kan worden verminderd. Hierdoor kunnen agrarische bedrijven slechts beperkt uitbreiden, onder voorwaarden.
Conclusie Al met al heeft de omgevingsvisie zowel een negatieve als een licht positieve invloed op agrarische bedrijvigheid.
94/169
Kenmerk
5.3.1.3
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Verduurzaming landbouw
Themagerichte uitwerking De gemeente heeft een doelstelling om in 2030 15% biologische landbouw te realiseren. Om dit te realiseren wordt een duurzame en klimaatbestendige agrarische sector gestimuleerd en er wordt gestreefd naar meer natuurinclusieve bedrijven. Daarbij worden lokale initiatieven van korte ketens omarmd. De gemeente zet bovendien in op het realiseren van een natuurinclusieve agrarische sector door middel van natuur- en landschapsbeheer en een natuur- en diervriendelijkere productiewijze. Deze maatregelen zijn goed voor verduurzaming van de landbouw, omdat ze bijdragen aan het behoud en herstel van biodiversiteit, het verminderen van de druk op natuurlijke hulpbronnen en het bevorderen van het welzijn van dieren. Natuurinclusieve landbouw houdt rekening met de natuurlijke omgeving en integreert natuurlijke processen in de landbouwpraktijk. Agrarische bedrijven kunnen onder voorwaarden uitbreiden in het oosten van de gemeente, ten westen van Haghorst en Baarschot, mits dit de leefomgeving positief beïnvloedt. Dit is goed voor de verduurzaming van de landbouw, omdat deze bedrijven worden gedwongen om te verduurzamen om niet negatief bij te dragen aan de leefomgeving. Van agrariërs wordt ook verwacht dat zij gebruikmaken van de best beschikbare technieken om de kwaliteit van de leefomgeving zo min mogelijk te belasten.
Zo wordt de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest verminderd en worden emissiearme bemestingstechnieken gebruikt. Dit draagt ook bij aan de verduurzaming van de landbouw. Verder wordt innovatie en diversificatie in de landbouwsector aangemoedigd door nieuwe teelten en teeltsystemen te stimuleren. Tot slot worden monoculturen, zoals veeteelt, akkerbouw en fruitteelt, verminderd in de omgeving en alleen toegelaten in gebieden die zich hier wel voor lenen. Monoculturen hebben vaak negatieve gevolgen voor het milieu, zoals bodemuitputting, waterverontreiniging en verlies van biodiversiteit. Door monoculturen te verminderen en alleen toe te staan in geschikte gebieden, kan de negatieve impact op het milieu verminderd worden. Gebiedsgerichte uitwerking In woongebieden, centrumgebieden en op bedrijventerreinen is er geen ambitie voor agrarische bedrijvigheid en een natuurinclusieve agrarische sector, omdat er in de kernen en op bedrijventerreinen niet of nauwelijks landbouw voorkomt. Echter, in natuurgebieden speelt landbouw wel een rol. Met name in de randen (zomen) van de bosgebieden is een natuurinclusieve agrarische sector van belang. Daarom wordt in deze gebieden volledig ingezet op een natuurinclusieve agrarische sector.
Vanwege de ligging van de natuurgebieden nabij agrarische gebieden wordt hier iets meer geurhinder geaccepteerd, maar nooit meer dan de wettelijk toegestane waarden.
95/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Het landschapstype is leidend voor de ontwikkeling van het agrarisch buitengebied. Er is bijvoorbeeld geen ruimte voor agrarische bedrijven in natuurgebieden, en het jonge ontginningslandschap is primair bedoeld voor de duurzame ontwikkeling van de landbouw. In het agrarisch buitengebied wordt niet actief gestuurd op het verlagen van de milieubelasting; per gebied wordt gekeken hoe de milieubelasting gelijk kan blijven en, indien mogelijk, kan worden verminderd. De gemeente zet in het buitengebied in op het realiseren van een natuurinclusieve agrarische sector door middel van natuur- en landschapsbeheer en een natuur- en diervriendelijkere productiewijze. Verder worden nieuwe initiatieven, zoals voedselbossen, gestimuleerd. Deze maatregelen bevorderen de agrarische bedrijvigheid. Conclusie Al met al heeft de omgevingsvisie een positieve invloed op de indicator verduurzaming landbouw. 5.3.2
Verkeer en vervoer
Indicator
Huidige
Autonome
situatie
ontwikkeling
Invloed Omgevingsvisie
Verkeersveiligheid
Duurzame automobiliteit
Bereikbaarheid
5.3.2.1
Verkeersveiligheid
Themagerichte uitwerking In de visie worden verschillende maatregelen genomen om duurzame mobiliteit te stimuleren. Er worden regionale fietsroutes aangelegd, wandelen en fietsen wordt gestimuleerd door veilige fietsen wandelverbindingen in de kernen en het buitengebied groen aan te leggen, snelfietsverbindingen worden gerealiseerd, openbaar vervoer wordt geoptimaliseerd en deelmobiliteit wordt uitgebreid. Door deze maatregelen zullen meer mensen geprikkeld worden om alternatieve vormen van mobiliteit dan de auto te gebruiken. Alternatieve vormen van mobiliteit, zoals fietsen en wandelen, worden over het algemeen als veiliger beschouwd dan autorijden. Dit komt omdat fietsers en voetgangers meestal langzamer reizen en minder gevaarlijk zijn bij een botsing dan auto's. Door meer mensen aan te moedigen om deze vormen van mobiliteit te gebruiken, kan het aantal ernstige verkeersongevallen worden verminderd. Verder worden de fietsverbindingen niet alleen sneller maar ook veiliger gemaakt door deze te scheiden van gemotoriseerd verkeer.
96/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
De gemeente werkt stapsgewijs toe naar het doel om tegen 2050 NUL verkeersslachtoffers te realiseren. Het is echter niet concreet gemaakt hoe de gemeente dit doel wil behalen. Er zijn ook negatieve effecten van de visie op verkeersveiligheid. De ontwikkeling van recreatie en toerisme, de ontwikkeling van nieuwe woningen en voorzieningen, en de uitbreiding van bedrijventerreinen kunnen een verkeersaantrekkende werking hebben. Meer verkeer vergroot de kans op ongevallen. Bovendien worden bedrijventerreinen uitgebreid in de kernen en niet in de buitengebieden, waardoor het verkeer dat bestemd is voor de bedrijven, zoals vrachtverkeer, dichter in de buurt van woongebieden komt. Tot slot zorgt inbreiding voor meer mensen op hetzelfde aantal vierkante meters, wat mogelijk leidt tot meer verkeer en drukte. Dit verhoogt het risico op ongevallen ook. Gebiedsgerichte uitwerking In centrumgebieden en woongebieden wordt ingezet op het verbeteren van de verkeersveiligheid. Om overlast te verminderen en (het gevoel van) onveiligheid te voorkomen, wordt er een route voor landbouwverkeer om de kern Hilvarenbeek heen gerealiseerd. Hierdoor worden verkeersstromen ontvlochten en hoeft het landbouwverkeer niet langer door de smalle straten van de kern te rijden. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.
Op bedrijventerreinen worden alternatieve routes voor langzaam verkeer aangeboden om de verkeersbewegingen van voetgangers en fietsers te minimaliseren, ten behoeve van de veiligheid. In natuurgebieden en het buitengebied worden geen specifieke maatregelen genomen voor de verkeersveiligheid. Conclusie Al met al heeft de visie een licht negatieve invloed en een licht positieve invloed op verkeersveiligheid. 5.3.2.2
Duurzame automobiliteit
Themagerichte uitwerking Laadpalen voor elektrische voertuigen worden uitgebreid op basis van de behoefte. Dit is positief voor duurzame automobiliteit, omdat hierdoor elektrisch rijden meer wordt gefaciliteerd in de gemeente. Echter, als blijkt dat er geen behoefte is vanuit de bevolking zal dit aantal ook niet toenemen. Er zijn ook negatieve effecten van de visie op duurzame automobiliteit. Zo worden er geen maatregelen genomen om het percentage elektrische auto's toe te laten nemen, zoals bewustwording. Wel wordt er gesteld dat Hilvarenbeek een autoafhankelijke gemeente blijft. Naar verwachting zal het percentage elektrische auto’s door maatregelen van de visie daarom niet toenemen.
97/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Gebiedsgerichte uitwerking Hilvarenbeek blijft een autoafhankelijke gemeente, maar tegelijkertijd wordt actieve mobiliteit gestimuleerd door extra aandacht te geven aan wandelen en fietsen door middel van veilige snelfietsverbindingen in de woongebieden. Deze vormen van actieve mobiliteit stimuleren de gezondheid. Ook in centrumgebieden wordt langzaam verkeer gestimuleerd door het plaatsen van laadpunten voor elektrische fietsen en stallingen. Op bedrijventerreinen daarentegen krijgt actieve mobiliteit minder prioriteit. Wel worden er alternatieve routes voor langzaam verkeer geboden voor voetgangers en fietser ten behoeve van de veiligheid. Ook bij agrarische buitengebieden en natuurgebieden worden regionale fietsroutes aangelegd om actieve mobiliteit te stimuleren, al ligt de focus hier minder op dan bij de andere gebieden. Conclusie In de visie worden weinig maatregelen genomen om het aandeel duurzame automobiliteit te laten toenemen. Het effect van de visie wordt daarom als neutraal beoordeeld. 5.3.2.3
Bereikbaarheid
Themagerichte uitwerking Door het bouwen van nieuwe woningen en voorzieningen in bestaande kernen en aan de randen van die kernen, worden woningen en voorzieningen dicht bij elkaar gebracht. Dit zorgt voor korte reisafstanden en stimuleert daarmee het gebruik van duurzamere vervoersmiddelen zoals fietsen en wandelen, waardoor mensen minder gebruik maken van de auto. Bovendien worden verschillende maatregelen genomen om duurzame vormen van mobiliteit te stimuleren en autogebruik te ontmoedigen, zoals hierboven genoemd in paragraaf 5.3.2.1. Minder autoverkeer zorgt voor minder druk op de wegen, wat positief is voor de bereikbaarheid. Verder krijgt de toegankelijkheid van de buitenruimte voor wandelen en fietsen aandacht. De gemeente bouwt geen woningen voor ouderen en voor kwetsbare mensen op grote wandel- en/of fietsafstand van de kernen. Voor de meest kwetsbare doelgroepen bouwt de gemeente geen woningen in kernen waar de alledaagse voorzieningen niet op loopafstand bereikbaar zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een supermarkt. Daarnaast worden regionale fietsroutes aangelegd en worden fiets- en wandelnetwerken versterkt wat zorgt voor een betere bereikbaarheid van recreatiegebieden.
Een negatief effect van de visie op de bereikbaarheid is dat het uitbreiden van bedrijventerreinen, de komst van woningen en de ontwikkeling van recreatie en toerisme zorgt voor een toename van verkeer, terwijl de infrastructuur niet wordt aangepast. Dit kan zorgen voor een slechtere bereikbaarheid.
98/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Gebiedsgerichte uitwerking Hoewel Hilvarenbeek een autoafhankelijke gemeente blijft, stimuleert de gemeente tegelijkertijd actieve mobiliteit door extra aandacht te schenken aan wandelen en fietsen, onder andere door veilige (snel)fietsverbindingen in woongebieden te realiseren. Ook in centrumgebieden wordt de toegankelijkheid voor langzaam verkeer verbeterd, wat de actieve mobiliteit stimuleert. Dit is goed voor de bereikbaarheid voor fietsers en wandelaars. Op bedrijventerreinen heeft het stimuleren van actieve mobiliteit een lagere prioriteit. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de werkgever. Verder biedt de gemeente alternatieve routes voor langzaam verkeer om de verkeersbewegingen van voetgangers en fietsers op bedrijventerreinen te minimaliseren, ten behoeve van de veiligheid. De gemeente wil dat de natuur bereikbaar en toegankelijk is voor iedereen. Voor een groot deel is dit al voldoende, maar waar nodig wordt de infrastructuur verbeterd. Actieve mobiliteit, zoals wandelen en fietsen, wordt gestimuleerd door de aanleg van regionale fietsroutes. Ook in het buitengebied wordt ingezet op actieve mobiliteit. Dit gebeurt door de aanleg van regionale fietsroutes en het verbinden van de kernen met de omliggende gebieden. Conclusie Al met al heeft de omgevingsvisie een licht positieve en een licht negatieve invloed op bereikbaarheid. 5.3.3
Recreatie
Indicator
Huidige
Autonome
situatie
ontwikkeling
Invloed Omgevingsvisie
Recreatieaanbod
5.3.3.1
Recreatieaanbod
Themagerichte uitwerking In de visie wordt er ingezet op de ontwikkeling van recreatie en toerisme in en nabij dorpskernen, het buitengebied en in natuurgebieden. In de gebieden waar de agrarische functie leidend is, liggen meer mogelijkheden voor recreatie en toerisme dan in gebieden waar natuur leidend is. In agrarische gebieden is dit bijvoorbeeld in de vorm van nevenactiviteiten die het boerenbedrijf ondersteunen zoals kamperen bij de boer of een landwinkel. Voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) wordt herbestemming gestimuleerd om verpaupering te voorkomen. Hierbij worden er ook diverse bestemmingen mogelijk gemaakt voor recreatie. Hierdoor wordt het recreatieaanbod uitgebreid. Verder zorgt het aanleggen van regionale fietsroutes en het versterken van fiets- en wandelnetwerken voor een betere bereikbaarheid van recreatiegebieden. Hoewel dit niet direct het recreatieaanbod verhoogt, stimuleert het recreatie wel.
99/169
Kenmerk
R003-1293162CNC-V01-sla-NL
Er wordt in Hilvarenbeek ook ruimte geboden aan gemeentelijke, lokale evenementen, plaatselijke evenementen in elke kern en grootschalige evenementen in Beekse Bergen. Hierbij wordt het aanbod niet verder uitgebreid, om overlast te voorkomen. Door waardevolle landschapsstructuren, landgoederen, het erfgoed en het karakter van de kernen te versterken worden extra mogelijkheden voor recreatie ontwikkeld. Het versterken van flora en fauna en het ecosysteem moedigt bovendien ecotoerisme aan. Gebiedsgerichte uitwerking In de woongebieden is er geen focus op recreatie en toerisme. In centrumgebieden wordt echter maximaal ingezet op recreatie en toerisme, omdat dit een positieve bijdrage levert aan het draagvlak voor voorzieningen. Met name op het gebied van cultuurhistorie heeft het centrum veel te bieden. Op het gebied van recreatie en toerisme geldt dat verblijfsvoorzieningen en horeca op bedrijventerreinen niet worden toegestaan. Initiatieven zoals fietsverhuur zijn eventueel wel mogelijk, maar bedrijfsfuncties hebben prioriteit. Op bedrijventerreinen met een lage milieucategorie zijn indoor speeltuinen en soortgelijke ondernemingen wel toegestaan. Dit laatste draagt bij aan het recreatieaanbod. In de natuurgebieden ligt de focus op extensieve vormen van recreatie, zoals wandelen, fietsen en mountainbiken.
Aan de randen van de natuurgebieden worden kansen gezien voor extensievere vormen van recreatie, zoals blijvende dagrecreatie of verblijfsrecreatie (met bebouwing). De gemeente zoekt naar een balans tussen de recreatiemogelijkheden in de natuurgebieden en aan de randen. Toeristisch-recreatieve initiatieven zijn kansrijk in delen van het agrarisch buitengebied ten westen van de kernen Hilvarenbeek en Esbeek, de zone rondom het kanaal en ten zuiden en noorden van de Beekse Bergen. In gebieden in het buitengebied waar de agrarische functie leidend is, staat de gemeente alleen nieuwe initiatieven toe die passen bij de agrarische activiteiten. Conclusie Al met al heeft de omgevingsvisie een positieve invloed op het recreatieaanbod.
5.4
Natuur en milieu
5.4.1
Natuur
Indicator
Huidige
Autonome
situatie
ontwikkeling
Invloed Omgevingsvisie
Natura 2000-gebieden
100/169