F01.1 Bijlage bij brief Inwoner.pdf
Tekst van het document
5
Op de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied zowel globaal als meer in detail weergegeven.
Ligging plangebied, plangrenzen binnen rode kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Begrenzing plangebied, plangrenzen binnen witte kader (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend plan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij'. De gemeenteraad van de gemeente Hillegom heeft dit plan op 15 juli 2021 vastgesteld. Op 23 november 2022 is dit omgevingsplan onherroepelijk geworden. Op 23 november heeft de Raad van State namelijk uitspraak gedaan in de beroepsprocedure en het beroep ongegrond verklaard. Uitgangspunt van het omgevingsplan is de bestaande legale situatie. Hiervoor is bepaald dat tot drie jaar na datum van inwerkingtreding van het omgevingsplan de gebruiks- en bouwactiviteiten zoals toegestaan in voorafgaand aan het omgevingsplan geldende ruimtelijke plannen zijn toegestaan. Zodra er sprake is van een wijziging van de bestaande legale situatie geldt dat een activiteit passend moet zijn binnen de doelen van de onderliggende functie. De gronden aan de 1e Loosterweg 30 zijn gelegen in het voorafgaande bestemmingsplan 'De Zanderij' (vastgesteld op 14 juni 2007). Hierbinnen heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden'. De gronden aan de 1e Loosterweg 36a en 44a zijn gelegen in het voorafgaande bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 1997' (vastgesteld op 2 juli 2003). Hierbinnen heeft het plangebied de bestemming 'Agrarische doeleinden'. De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling ten behoeve van woningbouw.
6
Woningbouw is in strijd met het voorafgaande planologische regime, waardoor er sprake is van een wijziging van de bestaande legale situatie. In dat geval geldt dat een activiteit passend moet zijn binnen de doelen van de onderliggende functie. In het omgevingsplan valt de planlocatie binnen de kaartlaag 'functies' onder het werkingsgebied ‘Heerlijke woonplaats' en 'Levendige linten'. De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'functies' van het omgevingsplan met de bijbehorende legenda.
Functiekaart omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij (plangebied zwart omkaderd)
Heerlijke woonplaats Het plangebied valt grotendeels binnen de functie 'Heerlijke woonplaats'. Hierbinnen wordt ingezet op dorps en groen wonen. Alle activiteiten die bijdragen aan een heerlijke woonplaats moeten de ruimte krijgen, mits de gewenste kwaliteiten voor andere onderdelen van de leefomgeving niet onder druk komen. Levendige linten Aan de zijde van de 1e Loosterweg is een klein deel van het plangebied gelegen binnen de functie 'Levendige linten'. In de gemeente is een grote verscheidenheid aan typen bebouwingslinten aanwezig. Voor de linten is een koers uitgezet die zich richt op levendigheid. Ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van het lint. Omdat de linten door andere deelgebieden lopen, geldt naast de koers voor het bebouwingslint ook de koers voor het deelgebied waarin het lint is gelegen. Het voorgenomen plan voorziet in de herontwikkeling van de gronden aan de 1e Loosterweg 28, 30, 36a en 44a in Hillegom. De (voormalige) bedrijfswoning aan de 1e Loosterweg 28 wordt omgezet naar een burgerwoning. Op dit moment zijn de gronden bedrijfsmatig in gebruik. Als een activiteit niet rechtstreeks is toegelaten is een vergunning benodigd. De beoordeling van de aanvraag moet naast het algemene afwegingskader wat de omgevingstafel hanteert ook beoordeeld worden aan de hand van de koers van het gebied.
In afdeling 3.2 worden beoordelingsregels gegeven in de vorm van doelstellingen. In toelichting paragraaf 3.4.1 komt aan bod hoe invulling wordt gegeven aan deze doelstellingen. Er kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen in lijn is met afdeling 3.2 van het omgevingsplan, waardoor vergunning voor het beoogde gebruik verleend kan worden.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een integrale afweging op onderdelen van de fysieke leefomgeving weergegeven. In hoofdstuk 4 is de juridische planbeschrijving te vinden. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische uitvoerbaarheid en hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De planlocatie is gelegen aan de zuidwestkant van Hillegom aan de 1e Loosterweg. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door lintbebouwing en bollenteeltgebied met zanderijsloten. Zowel de Stationsweg als de 1e Loosterweg zijn beide oude linten met een bepaalde mate van cultuurhistorische waarde binnen het bollengebied. Dit geldt tevens voor de zanderijsloten welke onderdeel uitmaken van het plangebied. Omgeving plangebied Aan de Stationsweg en de 1e Loosterweg is er veel variatie in functies en in bebouwingstypologieën. Tevens komen deze uit verschillende bouwperiodes. Bebouwingstypologisch komen er vrijstaande woningen, rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen voor. Ter hoogte van het plangebied is de Stationsweg aan twee zijden bebouwd, terwijl de 1e Loosterweg maar aan één zijde is bebouwd. Aan de overzijde ligt de spoorlijn Haarlem-Leiden. De bebouwing bestaat overwegend uit één dan wel twee bouwlagen met een kap. Op een enkele plek komt een groter volume voor in de vorm van een kantoor, bedrijfsgebouw of een karakteristieke bollenschuur. De navolgende afbeelding toont het aanzicht vanaf de 1e Loosterweg.
Aanzicht vanaf de 1e Loosterweg (bron: Google Streetview)
Plangebied Het plangebied bestaat uit het terrein van De Wit Transport, de bedrijfswoning aan de 1e Loosterweg 28 en twee percelen van Flowerfarm en KAVB. Op het terrein van De Wit Transport is een bedrijfsgebouw gesitueerd, bestaande uit een loods en kantoren met een oppervlakte van ca. 2.250 m². De bedrijfswoning aan de 1e Loosterweg 28 bestaat uit één bouwlaag met kap. Op het perceel van Flowerfarm staat een bedrijfsgebouw met een oppervlakte van ca. 1.000 m². Op het perceel van de KAVB staat een schuurtje van ca. 39 m². Aan de oostkant is een nog een agrarisch graslandje gelegen. Vanaf de Stationsweg is er nauwelijks zicht op de planlocatie. De bebouwing aan de Stationsweg staat dusdanig dicht op elkaar of is aaneengeschakeld, zodat er nauwelijks of geen doorzichten mogelijk zijn. Het plangebied aan deze zijde wordt deels afgeschermd door een groenstrook. Aan de zijde van de 1e Loosterweg laat de bebouwing, welke ter plaatse van het plangebied voornamelijk uit vrijstaande woningen en een aantal grotere bedrijfsvolumes bestaat, meer doorzichten toe naar het achtergelegen gebied. Aan de zijden van het bollenteeltgebied, de oost- en noordrand van het plangebied, is vrij zicht mogelijk. Ook vanaf
8
de verderop gelegen Pastoorslaan is er vrij zicht mogelijk op het plangebied. Vanaf deze zijde is het silhouet, bestaande uit groen en de diversiteit aan bebouwing, van zowel de ‘achterzijde’ van de Stationsweg als de 1e Loosterweg goed zichtbaar. De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie in en rondom het plangebied.
Impressie plangebied
2.2 Toekomstige situatie 2.2.1 Stedenbouwkundig plan De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal 115 woningen met een variatie in woningtypologieën. Tegelijkertijd zal de bedrijfswoning aan de 1e Loosterweg 28 wijzigen in een burgerwoning. Ten behoeve van de realisatie van 115 woningen is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is gebaseerd op de aanwezige landschapsstructuur van zanderijsloten. De ontsluitingsweg door het plangebied volgt deze structuur en wordt op twee plaatsen ontsloten op de 1e Loosterweg. Rondom de beoogde ontsluiting ontstaan er een aantal aantrekkelijke woonvelden. De structuur van deze woonvelden volgt de hoofdrichting van de aanliggende bollenvelden en zanderijsloten en hebben nagenoeg alle zicht hierop. Tevens wordt met de noordelijke woonstraat een nieuwe dorpsentree gemaakt, aan deze zijde van Hillegom.
9
Direct nabij de zuidelijke entree van het gebied wordt een vrijstaande woning beoogd. Deze kan in beeld meedoen binnen het bestaande lint van de 1e Loosterweg. Direct daarachter ontstaat een meer besloten woongebied, bestaande uit korte rijenblokken begeleid door groene ruimten, waar ruimte is voor spelen en parkeren. Aan de oostelijke woonstraat zijn twee stedenbouwkundige accenten (appartementengebouwen) beoogd die de woonstraat ter plaatse begeleiden. De overige randen van het plangebied krijgen een meer ‘open’ invulling van twee-onder-een-kapwoningen en korte rijen. De navolgende afbeelding toont het stedenbouwkundig plan.
Stedenbouwkundig plan (bron: Buro SRO d.d. 14 september 2022)
Om de effecten van schaduw als gevolg van de beoogde nieuwbouw op de bestaande woning aan de 1e Loosterweg 36 te bepalen is een bezonningsstudie (zie bijlagen bij toelichting bijlage 27) uitgevoerd. Hierbij is een vergelijking gemaakt tussen de bestaande en toekomstige bebouwing. Bij de bestaande woning aan de 1e Loosterweg 36 wordt zowel aan de lichte als aan de strenge TNO-norm voldaan. 2.2.2 Programma en bebouwing Programma De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 115 woningen met een variatie in woningtypologieën, bestaande uit appartementen, beneden- en bovenwoningen, rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Onderstaande tabel toont het beoogde woningprogramma.
10
Type woning vrijstaande woningen twee-onder-een-kapwoningen rijwoningen appartementen beneden- en bovenwoningen appartementen Totaal
Categorie woning dure koop dure koop dure koop dure koop middeldure huur/koop sociale huur
Aantal 1 10 24 28 20 32 115
De navolgende afbeelding toont een plattegrond van het beoogde woningbouwprogramma.
Overzicht woningbouwprogramma (bron: Stol architecten d.d. 14 juli 2022)
Bouwhoogte, oriëntatie en accenten De beoogde grondgebonden woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap (deels met een halfverdiepte parkeerkelder). Daarnaast wordt voorzien in de realisatie van drie appartementengebouwen. Het L-vormige appartementengebouw wordt drie en vier bouwlagen hoog. De twee oostelijk gelegen appartementengebouwen worden maximaal vierenhalve bouwlaag vanwege de beoogde halfverdiepte parkeerkelder. De toekomstige situatie is dusdanig opgezet dat er een gunstige oriëntatie van de woningen op de zon is verkregen. Woningen zijn met hun achter- of zijtuinen aan de zanderijsloten voorgesteld of hebben een royaal en aantrekkelijk uitzicht. Het overgrote deel van de grondgebonden woningen is met hun voorzijde op de straat georiënteerd. De beoogde vrijstaande woning wordt voorzien van een zij-entree. De accenten aan de oostelijke woonstraat bestaan uit twee appartementenblokken. Deze hebben een hoogte van vier bouwlagen met daaronder een halfverdiepte parkeerkelder. Tussen beide appartementenblokken bevindt zich een watergang. Tussen de appartementenblokken en rijwoningen is de entree naar de parkeerkelder voorzien.
11
Een derde kleinschalig L-vormig appartementenblok begeleidt de entreeweg. De lange zijde bestaat uit drie bouwlagen en gaat over naar vier bouwlagen, dit in aansluiting op het tegenoverliggende appartementenblok. Vanuit de appartementen is zicht op het centraal gelegen groengebied met gras, speelgelegenheid en bomen. Een parkeerterrein is aan de binnenzijde gelegen. Deelgebieden De beoogde woonwijk is opgedeeld in vier deelgebieden: ‘Lint’, ‘Bollenrand’, ‘Bollenveld’ en ‘Accenten’. Voor het tweede en derde deelgebied wordt dezelfde sfeer beoogd, maar bij de ‘Bollenrand’ is het ambitieniveau hoger dan bij het ‘Bollenveld’. Het deelgebied ‘Lint’ maakt minder onderdeel uit van de nieuwe wijk, maar juist meer van de bestaande structuur van de 1e Loosterweg. Voor dit deelgebied gelden daarom andere criteria. Voor de ‘Accenten’ wordt een meer afwijkende vorm van architectuur beoogd, maar de deelgebieden zijn wel familie van elkaar. 2.2.3 Openbare ruimte Het voorgenomen plan wordt voorzien van groen en water. De algemene sfeer voor de openbare ruimte binnen het plangebied is verzorgd en afwisselend. De inrichting van het groen wordt gerealiseerd met beplanting passend bij de streek en aansluitend op het beleid van de gemeente. De zanderijsloten worden verlengd en/of verbreed, om zo te kunnen voldoen aan de gestelde watercompensatie en om extra ruimtelijke kwaliteit te verkrijgen.
Een deel van de oevers van de zanderijsloten wordt voorzien van natuurlijke oevers, het overige deel van de oevers wordt voorzien van een damwand. Samen met de achteren zijtuinen, welke zoveel als mogelijk aan het water worden geprojecteerd, ontstaan aantrekkelijke groene woonranden. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een zanderijsloot met een bestaande groenstrook, die aansluit op bestaande achtertuinen van de woningen aan de Stationsweg. Belangrijke elementen daarin zijn het zoveel als mogelijk blokkeren van zicht op de tuinen aan de Stationsweg door middel van dichte begroeiing op een groene wal, geen wandelpad of hondenuitlaatstrook, nesten voor ijsvogels, het verbreden van de watergang en een natuurlijke oever. Deze watergang en groenstrook worden door de ontwikkelaar, in overleg met de bewoners aan de Stationsweg en de gemeente Hillegom, in het vervolg nader uitgewerkt en op een aantrekkelijke wijze ingepast. De basis hiervoor zijn de afspraken die eerder zijn gemaakt met de omwonenden. Beide entrees op de 1e Loosterweg worden begeleid door opgaand groen. De noordelijke entree grenst aan het open bollengebied. Hier is een passend beeld voorzien van haagbeplanting met bomen in aansluiting op het bestaande beeld langs de 1e Loosterweg. De zuidelijke entree wordt begeleid door bomen die een eenzijdige laanstructuur vormen richting het oosten.
Centraal in het plan ligt een openbaar groengebied dat ingericht wordt met gras en bomen. De ruimte voor de appartementen aan de oostzijde kan mogelijk ook als openbare ruimte ingericht en gebruikt worden. Door het groen te laten bestaan uit een diversiteit van voornamelijk inheemse boom- en onderbeplanting draagt dit tevens bij aan de gewenste biodiversiteit. Om het plan zo groen mogelijk in te richten is het voornemen de bergingen te voorzien van sedumdakbedekking. Het groen wordt zo ingepast dat het tevens bijdraagt aan klimaatadaptatie en het voorkomen van hittestress.
12
De navolgende afbeelding toont de beoogde groenstructuur.
Beoogde groenstructuur (bron: Buro SRO d.d. 14 september 2022)
2.2.4 Ontsluiting en parkeren Het plangebied wordt op twee plaatsen ontsloten op de 1e Loosterweg. Daarmee wordt een ontsluitingsstructuur voorgesteld welke een U-vorm krijgt en het plangebied van twee zijden te benaderen is en er rondgereden kan worden. In het verlengde van de beoogde noordelijke ontsluiting is rekening gehouden met een ruimtereservering voor een mogelijke toekomstige doortrekking (voor langzaam verkeer en calamiteiten).
13
De navolgende afbeelding toont de beoogde ontsluitingsstructuur binnen het plangebied
Ontsluitingsstructuur beoogde situatie (bron: Buro SRO d.d. 14 september 2022)
Het parkeren vindt zoveel als mogelijk plaats op eigen terrein. Dit geldt voor zowel alle twee-onder-eenkapwoningen, de rijwoningen aan de oostrand (halfverdiepte parkeerkelder) als het appartementencomplex (halfverdiepte parkeerkelder) aan de oostzijde. Dit komt de kwaliteit van de openbare ruimte ten goede. Daar waar het parkeren in openbaar gebied noodzakelijk is, wordt dit zoveel als mogelijk geclusterd en voorzien van een groene ‘omlijsting’. Indien mogelijk wordt een aantal parkeerplaatsen als ‘groene’ parkeerplaats aangelegd. In toelichting paragraaf 3.11 wordt nader ingegaan op de toekomstige verkeer- en parkeersituatie.
2.3 Beeldkwaliteit Met het oog op het voorgenomen plan is een beeldkwaliteitplan opgesteld (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1), waarin de ruimtelijke randvoorwaarden voor de beoogde ontwikkeling zijn vastgelegd. Het beoogde woonmilieu is een gevarieerde buurt met een dorpse schaal, afgestemd op de ligging aan het open bollengebied enerzijds en het lint van de 1e Loosterweg en Stationsweg anderzijds. Een afwisseling in traditionele en eigentijdse Hollandse architectuur is daarbij passend. Daarbij wordt gerefereerd aan de jaren ‘50 architectuur met een eigentijdse twist. Kenmerkend daarbij zijn onder andere:
• • • •
heldere sobere massa’s; robuuste bakstenen architectuur; royale gevelopeningen; dakoverstekken;
14
• • • •
aluminium dakgoten; dakkapellen; vlakke keramische pannen; een in het oog springende entreepartij.
De zanderijsloten en de centrale woonstraat zijn de dragers van het plan. In het deelgebied ‘Lint’ staat een zorgvuldige inpassing binnen het bestaande lint voor ogen. In het deelgebied ‘Bollenrand’ zorgt een nieuwe dorpsrand, bestaande uit halfopen bebouwing voor de gewenste sfeer. Het ‘Bollenveld’ sluit hier op aan, maar dit mag met eenvoudigere, soberdere en minder rijk uitgevoerde middelen. De woongebouwen binnen het deelgebied ‘Accenten’ zijn duidelijk familie van elkaar, waarbij de woongebouwen aan de zanderijsloot een hogere ambitie nastreven.
15
3 Integrale afweging op onderdelen van de fysieke leefomgeving 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder sterke en gezonde steden en regio's. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 tot en met 4 Bro als volgt omschreven:
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die
16
•
•
ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van maximaal 115 woningen. Derhalve wordt het plan gezien als stedelijke ontwikkeling en dient het plan getoetst te worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Behoefte Uit de Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017, die in toelichting paragraaf 3.3.2 wordt behandeld, blijkt dat er een regionale nieuwbouwopgave van tussen de 23.500 en 30.000 woningen bestaat. Daarnaast is voor de opvang van de verstedelijkingsdruk vanuit Amsterdam en eventueel Den Haag nieuwbouw gewenst in het noorden van de regio Holland Rijnland. Er kan dan ook gesteld worden dat er een grote regionale behoefte aan woningen is.
Verder blijkt uit het Woonprogramma 2020 - 2024, die in toelichting paragraaf 3.4.2 wordt behandeld, dat er binnen de gemeente Hillegom een kwantitatieve opgave van ca. 1.440 woningen tot 2030 is. Verder wordt met de diversiteit aan woningtypologieën bijgedragen aan de kwalitatieve ambities van de gemeente Hillegom. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Bro als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk op de voormalige bedrijfslocatie aan de 1e Loosterweg. Daarnaast zijn er rond het plangebied bedrijven en woningen aanwezig. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat de voormalige bedrijfslocatie en daarmee een deel van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied ligt. Het deel van het plangebied dat thans in gebruik is ten behoeve van bollenteelt behoort niet tot het bestaand stedelijk gebied. Voor dit deel plangebied dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte naar woningen kan worden voorzien. De ruimte voor de realisatie van woningen binnen het bestaand stedelijk gebied in de gemeente Hillegom is schaars.
Indien mogelijk worden locaties binnen het bestaand stedelijk gebied benut. Hoewel de stedelijke ontwikkeling gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied is voorzien, is de impact op de onbebouwde ruimte op de betreffende locatie beperkt. De aansluiting op het bestaand stedelijk gebied is een belangrijke reden om op de betreffende locatie gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied in de behoefte naar woningen te voorzien. Daarnaast is de ligging op zeer korte afstand van station Hillegom aanleiding om gedeeltelijk buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe woningen mogelijk te maken. Deze ligging draagt bij aan een duurzaam ruimtegebruik, wat de wetgever met artikel 3.1.6 van het Bro heeft beoogd.
17
Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan voldoet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. 3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.
het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich in het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, maar buiten het beperkingengebied voor bebouwing als bedoeld in artikel 2.2.1d (LIB 5) van het LIB. Het plangebied valt onder het gebied waar een maatgevende toetshoogte van 146 m NAP geldt. Binnen dit gebied zijn geen objecten hoger dan 146 m NAP toegestaan. Daarnaast ligt het plangebied in het gebied waar een toetshoogte voor radar van 82 m NAP geldt. Onderhavig plan voorziet ook niet in hoogbouw hoger dan 82 m NAP. Er is dan ook geen overschrijding van de gestelde toetshoogte. Geconcludeerd kan worden dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmeringen voor het plan veroorzaakt.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De meeste recente versie van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 februari 2023. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland.
De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
18
De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Onderstaand wordt de beleidskeuze nader toegelicht. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleggen mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Onderstaand worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. - Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in het kustcomplex. Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Veel strandwallen zijn in de loop van de tijd vergraven voor het zand of de bollenteelt, waardoor het kenmerkende reliëf is verdwenen. Bij ontwikkelingen in het kustcomplex horen de volgende richtlijnen:
•
Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever).
•
Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur. Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter.
•
dynamiek
en
Binnen het plangebied zijn geen kenmerken van het kustcomplex en het strand- en duinlandschap aanwezig. Daarbij waren de gronden voorheen overwegend bedrijfsmatig in gebruik. Met de beoogde ontwikkeling zal het kustcomplex dan ook niet aangetast worden. - Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. Voor het bollenlandschap gelden de volgende richtpunten:
•
Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen.
• •
Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap.
De ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stedelijk gebied met rond het plangebied bedrijvigheid en woningen. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling plaatsvindt in een reeds bestaande verdichte zone. Aan de noord- en oostzijde grenst het plangebied aan bollenvelden. Met het voorgenomen plan wordt rekening gehouden met de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap door de tuinen in de richting van het bollenlandschap te oriënteren.
19
- Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is deels gelegen binnen de stads- en dorpsrand. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen ‘overgangskwaliteiten’ onderscheiden: het front, het contact en de overlap. In dit geval is er sprake van overlap. Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 115 woningen, die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de genoemde beleidskeuze.
De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 augustus 2020 in werking getreden. Op 16 juni 2021 is de Omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020 vastgesteld. De meeste recente versie van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is in werking getreden op 1 februari 2023. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.'
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van aanpassen (sub b). De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat de beoogde plannen aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoen. Verder voorziet het voorgenomen plan in de sanering van de voormalige bedrijfsbebouwing en het wegnemen van de bestaande verharding. Gelijktijdig wordt er een bijdrage geleverd aan het toevoegen van landschapselementen door het verlengen van de bestaande zanderijsloten binnen het plangebied. Een deel van de oevers van de zanderijsloten wordt
20
voorzien van natuurlijke oevers of onderwaterbeschoeiing, waardoor de ruimtelijke kwaliteit tevens verbetert. Hiermee wordt er voldaan aan artikel 6.9. Beschermingscategorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied volgens kaart 14, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: 1. 2. 3. 4.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
In toelichting paragraaf 3.1.3 is gemotiveerd waarom er is gekozen voor een locatie gedeeltelijk buiten het bestaand stad- en dorpsgebied. De hoofdopzet van de beoogde ontwikkeling is geënt op het onderliggende bollenlandschap. De huidige zanderijsloten vormen daarbij het uitgangspunt. De structuur van het landschap wordt dan ook zo veel mogelijk behouden en verstrekt door de zanderijsloten te verlengen. Met de ontwikkeling wordt de huidige bebouwingsstructuur afgerond. Er wordt een nieuwe woonomgeving nabij een aantrekkelijk landschap met een passende overgang naar het landelijk gebied gerealiseerd. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. De percelen aan de 1e Loosterweg 30, 36a en 44a zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied gelegen. Omdat de oppervlakte van deze percelen kleiner dan 3 hectare is, is sub b niet van toepassing. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. In aanvulling op het voorgaande dient vermeld te worden dat de provincie Zuid-Holland voor de betreffende locatie gedeeltelijk buiten het bestaand stads- en dorpsgebied bekeken heeft of woningbouw op deze percelen gewenst is. De provincie Zuid-Holland heeft bij e-mailbericht d.d. 4 juni 2020 namens de gedeputeerde aangegeven zich te kunnen vinden in woningbouwplannen voor deze locatie. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
•
de programmering en het aantal woningen in het woningbouwprogramma onderbrengen in categorie 2a;
•
het in het plan aangegeven aantal sociale huurwoningen (32 stuks) en middeldure huur/koopwoningen (20 stuks) mag niet lager worden dan nu het geval is; er is gevraagd of in het plan mogelijkheden kunnen worden gevonden voor een extra aantal koopwoningen in het betaalbare/minder dure segment en;
• •
voor de binnen het plan vallende bollengrond wordt een compensatie aan de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek (GOM) wordt afgedragen.
21
Aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Parkeernormen In de artikelen 6.10b en 6.10c zijn regels voor parkeernormen bij sociale huurwoningen en in stationsomgevingen opgenomen. Bij sociale huurwoningen geldt dat een andere parkeernorm dan 0,7 autoparkeerplaatsen per woning gehanteerd kan worden als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. De gemeente heeft parkeerbeleid vastgesteld. Bij het voorgenomen plan wordt voor sociale huurwoningen een lagere parkeernorm gehanteerd dan de norm die in het parkeerbeleid is opgenomen. Dit wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 3.11.2. Daarmee is er sprake van op de lokale situatie afgestemde regels en wordt er voldaan aan artikel 6.10b. Het plangebied ligt in een stationsomgeving die is aangegeven op kaart 22. In dit gebied geldt dat in beginsel een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaatsen per woning gehanteerd moet worden. Hiervan kan afgeweken als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Aan deze uitzondering wordt voldaan (zie bovenstaande alinea en toelichting paragraaf 3.11.2), waarmee het plan tevens in overeenstemming is met artikel 6.10c. Bollenteeltgebied Het plangebied is op kaart 11 ‘Greenports’ aangeduid als ‘bollenteeltgebied’. In lid 1 van art.
6.17 van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied, primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toelaat, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. Voor de gronden van het bedrijf De Wit Transport geldt dat in lid 7 is bepaald dat in afwijking van lid 1 een andere functie is toegestaan, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Het voorgenomen voorziet in de wijziging van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Uit toelichting paragraaf 3.5.4 blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Hiermee wordt er voor de gronden die thans niet in gebruik zijn als bollenteeltgebied voldaan aan lid 7 van artikel 6.17. De resterende gronden binnen het plangebied zijn in gebruik als bollenteeltgebied. Dit geldt voor het perceel aan de 1e Loosterweg 36a en een klein deel van het perceel aan de 1e Loosterweg 44a. Het voorgenomen plan voorziet in de herontwikkeling van de gronden ten behoeve van woningen.
In lid 8 is bepaald dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt is toegestaan op gronden die in het voorgaande bestemmingsplan zijn bestemd voor bollenteelt, indien er wordt voorzien in compensatie van bollenteeltgebied door middel van een overeenkomst met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duinen Bollenstreek. De initiatiefnemer is middels een overeenkomst overeengekomen dat de gronden die in gebruik zijn als bollengrond worden gecompenseerd. De compensatie wordt gebruik om elders in de Duinen Bollenstreek nieuw bollenareaal te realiseren. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.35a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. 2. 3. 4.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Onder andere de Leidraad en het Programma van Eisen van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen zijn verder van belang (zie toelichting paragraaf 3.9).
22
Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie bevindt zich in een omgeving waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. In en rondom het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Daarnaast wordt er ook nieuw oppervlakte water gerealiseerd en wordt de rest van het plangebied zoveel mogelijk groen ingericht. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte Het plangebied grenst in de beoogde situatie aan het buitengebied, waar hittestress een minder belangrijk rol speelt dan in het stedelijk gebied. Toch zijn er met de beoogde ontwikkeling meerdere maatregelen getroffen die hittestress tegengaan. Het plangebied wordt groen ingericht en er wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw en het aanbrengen van water brengt koelte.
Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond het plangebied, die als onderdeel van het plan verlengd worden. Door het plangebied verder groen in te richten wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland-Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
23
Planspecifiek Voorliggend plan is voornamelijk gerelateerd aan de kernbeslissingen 1, 3, en 4. De regio Holland Rijnland heeft de ambitie om 40.000 woningen te bouwen in de periode 2000-2020, waarbij transformatie en verdichting centraal staat. Een gedifferentieerde woningvoorraad is hierbij het uitgangspunt. Vanuit de regio wordt dan ook gestreefd 30 procent van de woningen in de sociale sector, koop danwel huur, te realiseren. Tevens dient veel aandacht besteed te worden aan de kwaliteit van de leefomgeving. Met de beoogde ontwikkeling worden maximaal 115 woningen mogelijk gemaakt. Het programma beschikt over een grote opgave aan prijsgebonden koop en sociale huur. Door de mix van verschillende woningtypen en het spreiden van de woningen wordt de sociale interactie tussen de verschillende doelgroepen bevorderd. Bij toekomstige ontwikkelingen binnen de regio staat de groen- en blauwstructuur centraal en dat is terug te zien in het stedenbouwkundig ontwerp. Het voorgenomen plan wordt voorzien van groen en water. De inrichting van het groen wordt gerealiseerd met beplanting passend bij de streek en aansluitend op het beleid van de gemeente. De zanderijsloten worden verlengd en/of verbreed om extra ruimtelijke kwaliteit te verkrijgen.
Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een zanderijsloot met een bestaande groenstrook, die aansluit op bestaande achtertuinen van de woningen aan de Stationsweg. Vanwege het toevoegen van verharding wordt er gecompenseerd met oppervlaktewater. Conclusie Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de relevante kernbeslissingen uit de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020. 3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Tussen 2017 en 2030 ligt er voor de regio Holland Rijnland een regionale nieuwbouwopgave van tussen 23.500 en 30.000 woningen. Deze woningen moeten de regionale druk op de woningmarkt op gaan vangen. Daarnaast is nieuwbouw gewenst om de verstedelijkingsdruk vanuit Amsterdam en eventueel Den Haag op te vangen. Om te voorzien in deze opgave is woningbouw aan de noordzijde van de regio, waar het plangebied gelegen is, gewenst. Het toevoegen van maximaal 115 woningen in het noordwesten van Hillegom, in de directe nabijheid van station, levert hier een bijdrage aan.
24
De ontwikkeling van nieuwe woningen dient aan te sluiten op het bestaand stedelijk gebied. De regio wil verdringen van lage en middeninkomens voorkomen. Het toevoegen van woningen voor deze doelgroepen binnen de regio is dan ook wenselijk. Daarnaast profileert de regio zich door de diversiteit aan woonmilieus uit te bouwen. Het plan voorziet in woningtypologieën voor verschillende doelgroepen. Hiermee wordt de mogelijkheid voor de doorstroming op de woningmarkt bevorderd. Duurzaamheid en het klimaat staan binnen de regio hoog op de agenda. Energieneutraal bouwen wordt door de regio gestimuleerd. Nieuwbouwprojecten dienen gasloos te zijn en de voorkeur ligt bij energieneutrale gebouwen. De nieuwe woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarnaast wordt er gestreefd naar het gebruik van duurzame materialen en installaties en zal er worden voldaan aan de BENG-eisen. In 2020 is de regionale woonagenda geëvalueerd. In dit kader wordt verwezen naar de evaluatie 'Zuinig omgaan met de open ruimte' van de regio Holland Rijnland. Het woningbouwprogramma is in overeenstemming met de bevindingen uit de evaluatie. Conclusie Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de regio Holland Rijnland.
3.3.3 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016 In juli 2016 is door de betrokken gemeenteraden de herziening van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 (ISG2016) vastgesteld. Het doel van deze structuurvisie is drieledig:
•
het gedetailleerder dan in de Regionale StructuurVisie (RSV) vastleggen van het ruimtelijke ontwikkelingskader voor de vitalisering van de Duin- en Bollenstreek tot en met 2030;
•
het, in tegenstelling tot de RSV, wettelijk verankeren van het ontwikkelingskader als zelfbindend ontwikkelingskader voor de greenportgemeenten;
•
het verschaffen van een planologisch juridische basis voor het verevenen van plankosten op basis van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De ISG2016 heeft een integraal karakter en geldt voor nagenoeg het hele buitengebied van de zes greenportgemeenten. Het beleid richt zich hoofdzakelijk op de toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkeling van het buitengebied. Met als doel een gemeenschappelijk inzet voor de herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. Dit in samenspraak met verbetering van de natuurlijke, landschappelijk en recreatieve kwaliteiten. Om het doel te bereiken hanteren de gemeenten een aantal pijlers voor het ruimtelijk beleid tot 2030, te weten:
• • • •
faciliteren van de herstructurering, versterking en vernieuwing van het gehele bollen-, vaste planten- en bloemencomplex in combinatie met verbetering van het landschap; realiseren van de daarvoor benodigde ruimtelijke functiewijzigingen in de Duin- en Bollenstreek; bijdragen aan de sociaaleconomische vitaliteit van de greenportgemeenten; bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van de gehele regio Holland-Rijnland.
Planspecifiek De Duin- en Bollenstreek is een aantrekkelijke regio om te wonen. Voor de zes gemeenten van de Greenport Duin- en Bollenstreek zullen er tot 2030 in totaal 11.000 woningen moeten worden toegevoegd. De woningbouwopgave biedt kansen voor de herstructurering van de woningvoorraad en verbetering van de woonomgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt onder andere een voormalige bedrijfslocatie herontwikkeld naar woningbouw. Hiermee wordt de binnenstedelijke ruimte beter benut. De ontwikkeling van maximaal 115 woningen levert een bijdrage aan de woningbehoefte in de Greenport Duin- en Bollenstreek. Het groene karakter van de toekomstige situatie past bij het karakter van de kernen in de Duin- en Bollenstreek en zorgt voor een aantrekkelijke woonomgeving.
25
Het voorgenomen plan is gedeeltelijk op bollenteeltgronden voorzien. De planlocatie behoort tot het buitengebied van de Bollenstreek (werkingsgebied GOM), dat het gelegen is buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Dientengevolge is woningbouw op deze gronden in beginsel niet toegestaan, gelet op de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016. Het gebied rondom de planlocatie is in de ISG echter ook gekwalificeerd als ‘reservelocatie woningbouw’. In het onderhavige geval wordt gebruik gemaakt van de reservestatus. Mede gelet op de grote woningbouwopgave is het noodzakelijk dat van de reservestatus gebruik wordt gemaakt. Hiermee kan voldaan worden aan de woningbouwopgave zoals die opgenomen is in het regionaal woonbeleid (zie ook toelichting paragraaf 3.3.2). In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt nader toegelicht waarom de betreffende locatie buiten het bestaand stads- en dorpsgebied als een wenselijke locatie wordt beschouwd. Daarnaast wordt het verlies aan bollenteeltareaal financieel gecompenseerd. De compensatie wordt gebruik om elders in de Duin- en Bollenstreek nieuw bollenareaal te realiseren (zie ook toelichting paragraaf 3.2.2). Conclusie Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het initiatief in overeenstemming is met de ISG2016.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Hillegom 2030 Op 22 februari 2018 is de 'Omgevingsvisie Hillegom 2030' vastgesteld en op 17 oktober 2019 is de 'Omgevingsvisie Hillegom - herziening 2019' vastgesteld en op 15 juli 2021 is de herziening 'Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021' vastgesteld. Met de omgevingsvisie wordt de koers voor de gemeente uitgezet richting 2030. Met de omgevingsvisie als kompas, wil de gemeente samen met inwoners en ondernemers ook doelen bereiken op het gebied van duurzaamheid. Om hier gehoor aan te geven is duurzaamheid in brede zin als leidend principe gekozen in deze omgevingsvisie. In de omgevingsvisie denkt en handelt de gemeente vanuit het principe van de drie P’s ('People, Planet, Profit'). In de Omgevingsvisie staat de vraag centraal hoe de gemeente er in 2030 uitziet. Bij het opstellen van de omgevingsvisie is rekening gehouden met ontwikkelingen zoals vergrijzing, duurzaamheid, energie, klimaat, gezondheid, waterberging, sociale aspecten, enzovoort. Duurzaamheid is het leidend principe in de visie met aandacht voor landschap, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid e.d. In de omgevingsvisie is voorts een afwegingskader opgenomen dat gebaseerd is op Fysieke, Economische en Sociale Duurzaamheid (ook wel bekend als People, Planet, Profit).
Het is een integrale visie voor de fysieke leefomgeving waardoor de gemeente middels integraal beleid en perspectief de initiatieven voor inwoners, bedrijven en instellingen in Hillegom kan beoordelen. Daarbij is de omslag gemaakt naar het nieuwe principe “ja, mits” in plaats van “nee, tenzij”. In de visie zijn de ambities en de koers voor de gehele gemeente en per deelgebied in beeld gebracht, die vervolgens juridisch zijn vastgelegd in een Omgevingsplan en uitvoeringsprogramma(’s). In de Omgevingsvisie is het grondgebied in 7 deelgebieden opgedeeld: Duurzame Bloementuin, Hollandse Weides, Historisch Hart, Heerlijke Woonplaats, Werkplaats Hillegom, Levendige linten en Duurzame verbindingen. Per deelgebied is het karakter en de koers beschreven. Planspecifiek Uit het raadplegen van de omgevingskaart blijkt dat de planlocatie gelegen is binnen het deelgebied 'Heerlijke woonplaats'. Langs de 1e Loosterweg is een deel van het plangebied tevens gelegen binnen deelgebied 'Levendige Linten'. Heerlijke woonplaats Hillegom is door zijn landelijke, dorpse karakter met zijn afwisselende bebouwing met overwegend grondgebonden woningen en een ontspannen, groene inrichting van de openbare ruimte, een aantrekkelijke plek om te wonen. Ook de gunstige ligging draagt daar aan bij. De ambities van de gemeente die horen bij het deelgebied 'Heerlijke woonplaats' zijn als volgt:
•
behouden en versterken dorpse karakter;
26
• • • • • •
nieuwbouw binnenstedelijk realiseren; verduurzamen en kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad; bevorderen van gezondheid; sociale cohesie versterken; zorg dragen voor toekomstbestendige voorzieningen; behoud en verbeteren woon- en leefkwaliteit.
In Hillegom is de vraag naar nieuwe woningen groot en dit zal naar verwachting de komende jaren zo blijven. In het bestaande dorpsgebied is nog voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de eigen behoefte. De voormalige bedrijfslocatie, in de directe nabijheid van het station, aan de 1e Loosterweg is dan ook een binnenstedelijke locatie waar woningbouw gewenst is. Het is belangrijk dat de inbreiding met woningbouw niet ten koste gaat van de leefbaarheid en het groene, dorpse karakter van Hillegom. Het plangebied wordt ingericht rekening houdend met de aanwezige landschapskwaliteiten in de vorm van zanderijsloten. Het is belangrijk dat alle doelgroepen in Hillegom bediend worden. Het is dan ook wenselijk om verschillende woningtypen van verschillende prijsklassen te realiseren. Onderhavig plan voorziet hierin, waarbij een groot deel in de sociale sector ontwikkeld wordt. Het realiseren van een gemengde wijk voor verschillende doelgroepen draagt bij aan het bevorderen van de sociale cohesie. Door de openbare ruimte in te richten met veel groen, wordt de leefbaarheid in het gebied verbeterd. Al met al voorziet het plan in een ruime hoeveelheid aan woningen voor verschillende doelgroepen en wordt er aangesloten op het dorpse en groene karakter van Hillegom. Het groene karakter stimuleert de bewoners in de wijk tot bewegen, waardoor de gezondheid bevorderd wordt.
Levendige linten De gemeente Hillegom kent een grote verscheidenheid aan typen bebouwingslinten. In het buitengebied zijn doorzichten tussen de bebouwing aan de linten van grote waarde om vanaf de weg het landschap te kunnen ervaren. De gemeente zet in op de levendigheid van de linten, waar verschillende functies samenkomen. Deze levendigheid moet behouden blijven. Hierdoor biedt de gemeente ruimte aan initiatieven, mits deze zorgen voor een kwaliteitsverbetering (cultuurhistorisch-landschappelijk, ecologisch, recreatief en/of op het gebied van duurzaamheid, gezondheid, zorg, enz.). Een belangrijk ruimtelijk uitgangspunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de karakteristieken en kwaliteiten van het betreffende type lint. De gemeente zet in op het verhogen van de woon- en leefkwaliteit langs de linten. Het voorgenomen plan voorziet in de toevoeging van een vrijstaande woning binnen het bestaande lint van de 1e Loosterweg. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de levendigheid van een bestaand lint. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief in lijn is met de Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021. 3.4.2 Woonprogramma 2020 - 2024 De gemeenteraad van de gemeente Hillegom heeft op 9 juli 2020 het Woonprogramma Hillegom 20202024 vastgesteld.