CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

Db21.1 Bijlage Evaluatie gebiedsprogramma groen DenB-streek.pdf

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken10.924 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

EVALUATIE GEBIEDSPROGRAMMA’S GROEN DUIN- EN

BOLLENSTREEK Eindrapport

EVALUATIE GEBIEDSPROGRAMMA’S GROEN DUIN- EN

BOLLENSTREEK Eindrapport Versie Definitief

Auteurs Michelle Booij-Smid Daphne van der Veer Olaf Stolwijk Freek Kuipéri Opdrachtgever Duin- en Bollenstreek

Datum 29-1-2024

Plaats Utrecht

INHOUD 1.

Inleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.1. Aanleiding ................................................................................................................................................... 2 1.2. Doel en aanpak............................................................................................................................................ 2 1.3. Leeswijzer .................................................................................................................................................... 3

2.

Gebiedsprogramma’s en context .................................................................................................................... 4 2.1. Gebiedsprogramma’s groen ........................................................................................................................ 4 2.2. Tijdslijn ........................................................................................................................................................ 4 2.3. Financiering ................................................................................................................................................. 5 2.4. Toekomstige ontwikkelingen financiering .................................................................................................. 6

3.

Analyse projecten ............................................................................................................................................ 8 3.1. Feiten en cijfers ........................................................................................................................................... 8 3.1.1.

Aantal projecten per jaar ................................................................................................................ 8

3.1.2.

Spreiding projecten ......................................................................................................................... 9

3.1.3.

Spreiding uitgaven laatste gebiedsprogramma............................................................................... 9

3.1.4.

Status projecten ............................................................................................................................ 11

3.1.5.

Budget uitputting projecten .......................................................................................................... 12

3.2. Succes- en belemmerende factoren ......................................................................................................... 12

4.

3.2.1.

Succesfactoren .............................................................................................................................. 12

3.2.2.

Belemmerende factoren ............................................................................................................... 13

Effectiviteit programma ................................................................................................................................ 15 4.1. Doelbereik ................................................................................................................................................. 15 4.2. Samenwerking ........................................................................................................................................... 17 4.2.1 Intern .................................................................................................................................................... 17 4.2.2 Extern ................................................................................................................................................... 18 4.3. Lerend vermogen en verantwoording ...................................................................................................... 19

5.

Conclusies en aanbevelingen ........................................................................................................................ 20 5.1. Conclusies doeltreffendheid ..................................................................................................................... 20 5.2. Conclusies doelmatigheid ......................................................................................................................... 21 5.3. Aanbevelingen........................................................................................................................................... 21

Bijlage I. Overzicht gesprekspartners .................................................................................................................... 23 Bijlage II. Kenmerken respondenten ..................................................................................................................... 24 Bijlage III: Projecten gebiedsprogramma’s periode 2010-2016 ............................................................................ 26 Bijlage IV: Projecten onder het laatste gebiedsprogramma ................................................................................. 28 Bijlage V: Projecten binnen Duin- en Bollenstreek gemeenten, maar uitgevoerd via andere cluster onder het Regionaal Groenprogramma en RIF ...................................................................................................................... 30

[1]

1. INLEIDING 1.1. Aanleiding Sinds 2010, na de vaststelling van het Regionaal Groenprogramma van Holland Rijnland, hebben de gemeenten in de Duin- en Bollenstreek achtereenvolgende gezamenlijk gebiedsprogramma’s groen opgesteld. Doel van het gebiedsprogramma was om in aanmerking te komen voor financiering uit het Regionaal Investeringsfonds (RIF). Het laatste gebiedsprogramma, B(l)oeiende Bollenstreek, is in 2016 samen met gebiedspartijen opgesteld en door de betrokken gemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk (Noordwijkerhout) en Teylingen vastgesteld. De provinciale programmasubsidie (gebiedsprogramma’s groen/Sgg) voor de uitvoering van dit gebiedsprogramma is inmiddels geheel afgerond en vastgesteld op het in 2017 verleende bedrag van € 2,45 miljoen. Het Regionaal Groenprogramma heeft als einddatum 2024. De laatste Uitvoeringsovereenkomst Regionaal Groenprogramma van de Duin- en Bollenstreek loopt tot juli 2025. Het is daarom wenselijk opnieuw te bezien of en hoe een gezamenlijk gebiedsprogramma groen vorm zou moeten krijgen. Daarom is er een evaluatie uitgevoerd van de gebiedsprogramma's vanaf 2010. De resultaten daarvan vindt u in deze rapportage.

1.2. Doel en aanpak Het doel van de evaluatie is om terug te blikken op de gebiedsprogramma’s groen vanaf 2010, met meeste aandacht voor het laatste gebiedsprogramma, en om vooruit te blikken. Om de aanpak uit te voeren hebben we gebruik gemaakt van drie onderzoeksmethoden: 1. Documentstudie. We hebben relevante documenten over het programma en de projecten onder het programma bestudeerd. Denk dan bijvoorbeeld aan verantwoordingsinformatie en resultaten. Ook zijn relevante onderzoeken met betrekking tot het programma bestudeerd. 2. Interviews. We hebben gesprekken gevoerd met betrokkenen binnen en buiten de gemeenten die deelnemen aan het gebiedsprogramma. Dit betreffen: a. Verkennende gesprekken: Met betrokkenen vanuit ambtelijke organisaties van de verschillende gemeenten, de clustervertegenwoordiger en in het Bestuurlijk Overleg Groen van de Duin- en Bollenstreek is een verkennend gesprek gevoerd. b. Verdiepende gesprekken: i. (Oud) medewerkers van de betrokken gemeenten bij het gebiedsprogramma groen. ii. Maatschappelijke organisaties zoals belangenorganisaties op het gebied van natuur, landschap en landbouw en samenwerkingspartners in de uitvoering. iii. Bestuurlijke partners zoals Hoogheemraadschap Rijnland en de provincie Zuid-Holland. In bijlage I is een volledig overzicht van de gesprekspartners opgenomen. 3. Online uitvraag.

Bij het opstellen van het laatste gebiedsprogramma in 2016 is een landschapstafel gevormd. Deze landschapstafel bestaat uit bedrijven, belangenorganisaties en maatschappelijke partners in de Duin- en Bollenstreek. We hebben een online uitvraag opgesteld en verspreid aan de deelnemers van de landschapstafel. De online uitvraag is begin oktober 2023 verspreid en eind oktober 2023 gesloten. Tussentijds is éénmaal een herinnering verstuurd. In totaal hebben 41 respondenten de enquête ingevuld. In bijlage II is een overzicht van de kenmerken van de respondenten opgenomen.

[2]

1.3. Leeswijzer In het vervolg van deze rapportage beschrijven we in hoofdstuk 2 de gebiedsprogramma’s zelf. In hoofdstuk 3 beschrijven we de analyse van de projecten onder de gebiedsprogramma’s. We gaan daarbij in op de feiten en cijfers over de projecten en op de succes- en belemmerende factoren die voor projecten worden gezien. In hoofdstuk 4 zoomen we uit en gaan we in op de effectiviteit van de gebiedsprogramma’s groen in zijn geheel. Tot slot volgen in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen. In bijlage I is een overzicht van de gesprekspartners opgenomen. Bijlage II toont de kenmerken van de respondenten van de online uitvraag. Bijlage III geeft een overzicht van de projecten onder de eerste drie gebiedsprogramma’s. Bijlage IV geeft een overzicht van de projecten onder het laatste gebiedsprogramma. Tot slot geeft bijlage V een overzicht van de projecten binnen de gemeenten in de Duin- en Bollenstreek, maar die zijn uitgevoerd via andere clusters onder het Regionaal Groenprogramma en het RIF.

[3]

2. GEBIEDSPROGRAMMA’S EN CONTEXT In dit hoofdstuk beschrijven we de context van de gebiedsprogramma’s groen. We introduceren de gebiedsprogramma’s, schetsen de tijdslijn, beschrijven de samenstelling van de financiering van programma’s en tot slot beschrijven we de toekomstige contextuele ontwikkelingen van het beleid van de provincie Zuid-Holland en Holland Rijnland.

2.1. Gebiedsprogramma’s groen Het eerste gebiedsprogramma 2010 - 2014 van het cluster Duin- en Bollenstreek richtte zich op drie thema’s: 1) Landschapsperspectief, 2) Graslanden en Natuur, en 3) Toerisme, Recreatie en Cultuur. Deze thema’s sluiten aan bij het Regionaal Groenprogramma van Holland Rijnland. 1 Het tweede gebiedsprogramma volgde als addendum en volgde de visie en doelstellingen van het eerste programma. 2 In het derde gebiedsprogramma lag de focus op dezelfde thema’s. In dit gebiedsprogramma werd explicieter gezocht naar aansluiting met zowel programma’s van Holland Rijnland als de provincie Zuid-Holland. 3 Het laatste gebiedsprogramma, zoals in 2016 vastgesteld, investeert in de thema’s identiteit, beleving en natuur. In dit gebiedsprogramma zijn tien doelstellingen uitgewerkt en twintig parels geïdentificeerd. 4 Tijdens het bestuurlijk overleg is er een prioritering aangebracht. Er werd uitgesproken om met name aandacht te geven aan belangrijke entrees en verbindingen, het ontwikkelen van bloemrijke bermen, en het versterken van verbindingen en netwerken. Daarnaast is er gekozen om voorlopig vijf parels te ontwikkelen: Landgoed Leeuwenhorst, Streekmuseum en Landgoed Veldzicht, Landgoed en golfbaan Tespelduyn, Trekvaart HaarlemLeiden en Strand en Duinen.

2.2. Tijdslijn Sinds 2010 hebben de gemeenten in de Duin- en Bollenstreek als cluster een gebiedsprogramma groen. In 2010 werd het eerste gebiedsprogramma, Gebiedsprogramma 2010-2014, opgesteld.1 In 2012 volgden het tweede gebiedsprogramma als addendum op het eerste gebiedsprogramma en het programma Recreatie en Toerisme. 5 Het derde gebiedsprogramma werd in 2014 vastgesteld.3 Het huidige gebiedsprogramma, B(l)oeiende Bollenstreek, werd twee jaar later vastgesteld door de gemeenten Hillegom, Lisse, Katwijk, Teylingen, Noordwijk en Noordwijkerhout.4 Tot 2019 waren Noordwijk en Noordwijkerhout zelfstandige gemeenten. Inmiddels zijn Noordwijk en Noordwijkerhout gefuseerd tot Noordwijk. Wat betreft het laatste gebiedsprogramma is er 2018 een uitvoeringsovereenkomst tot stand gekomen voor de periode 2018-2022 en in 2020 voor de periode 2020-

1 Gebiedsprogramma Duin- en Bollenstreek. Uitvoeringsperiode: 2010–2014.

2 Addendum gebiedsprogramma Duin- en Bollenstreek uitvoeringsperiode 2012-2016. 3 Gebiedsprogramma Bollenstreek 2014-2018.

4 Gebiedsprogramma Bollenstreek 2016-2020 ‘B(l)oeiende Bollenstreek’. 5 Uitvoeringsagenda Recreatie en Toerisme.

[4]

2024. 6 Via addenda zijn er voor deze uitvoeringsperiodes verdere projecten toegevoegd en wijzigingen doorgevoerd. 7 De uitvoeringsperioden van de eerste drie gebiedsprogramma’s overlappen telkens twee jaar. Het cluster Duinen Bollenstreek heeft hier bewust voor gekozen om op deze manier de continuïteit te waarborgen.2

Figuur 1: Tijdslijn gebiedsprogramma's groen cluster Duin- en Bollenstreek.

2.3. Financiering De projecten onder de gebiedsprogramma’s zijn met verschillende financieringsstromen gedekt. Hierna gaan we in op de samenstelling van deze financieringsstromen. Projecten die opgenomen zijn in de gebiedsprogramma’s groen hebben in eerste instantie cofinanciering verkregen vanuit het Regionaal Investeringsfonds (RIF) van Holland Rijnland. Het RIF is een fonds van €20 miljoen en is bestemd voor de uitvoering van het door Holland Rijnland vastgestelde Regionaal Groenprogramma.7 Het geld is ingelegd door de gemeenten die deelnemen aan het RIF, namelijk de gemeenten die vallen onder de Duinen Bollenstreek en de Leidse regio. 8 De gemeenten in de Duin- en Bollenstreek hebben gezamenlijk gebiedsprogramma’s groen opgesteld. De doelstellingen van de gebiedsprogramma’s groen sluiten aan bij het Regionaal Groenprogramma waarmee projecten in aanmerking voor een bijdrage vanuit het RIF. Holland Rijnland biedt in veel projecten via het RIF 25% cofinanciering voor de uitvoering van het projecten. 9 Sinds 2020 werd de bijdrage vanuit het RIF op 40% gezet wanneer een project geen provinciale subsidies verkreeg. Tot 2014 was er via de provincie geld beschikbaar uit POP2. 10 In 2014 en 2015 heeft de Duin- en Bollenstreek een gebiedsdeal afgesloten met de provincie Zuid-Holland onder het Uitvoeringsprogramma Groen (UPG).

Sinds 1 januari 2017 is er cofinanciering vanuit de provinciale Subsidieregeling gebiedsprogramma’s groen (Sgg). 11 De provincie draagt maximaal 50% bij aan het financieren van de projecten. Met de financiering ondersteunt de provincie projecten die gericht zijn op het stimuleren van biodiversiteit of groenbeleving. 12 In 2018 is in bestuurlijk overleg besloten om de subsidiebijdrage voor gehonoreerde projecten te verlagen naar 40%. De op dat moment ingediende projecten zorgde voor een over programmering, terwijl sommige parels en thema’s nauwelijks projecten aangetrokken hadden. Met de verlaging van de Sgg is hierop in geprobeerd te spelen. 13 Daarnaast zijn projecten deels bekostigd met andere provinciale subsidies, zoals de subsidie Erfgoedlijnen, Duurzaam Veilig en EVZ.9 Daarnaast is er ook dekking vanuit de deelnemende gemeenten. Zo is er een gemeentefonds in het leven geroepen om voorbereiding van gemeente overstijgende projecten en het programmamanagement te dekken. De deelnemende gemeenten hebben hiervoor een vastgestelde financiële bijdrage ingelegd.9,11 Soms worden in

6 UO Regionaal Groenprogramma 2018-2022 cluster DBS en Uitvoeringsovereenkomst Regionaal Groenprogramma 2020-2024 Cluster Duinen Bollenstreek. 7 Addendum UO Duin- en Bollenstreek 2018-2022 en Addendum Uitvoeringsovereenkomst cluster Duin- en Bollenstreek 2020-2024. 8 Zie voor meer informatie en de deelnemende gemeenten: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR280635/2. 9 Gebiedsprogramma Bollenstreek 2016-2020 ‘B(l)oeiende Bollenstreek’. 10 PlattelandsOntwikkelingsProgramma van de EU gefinancierd uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. 11 Samenwerkingsovereenkomst inzake Gebiedsprogramma Duin- en Bollenstreek 2016 B(l)oeiende Bollenstreek. 12 Zie voor meer informatie over Sgg: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR422365/1. 13 D1 181131 verslag BO LRNE.

[5]

het kader van individuele projecten aanvullende financiële afspraken gemaakt zoals bijvoorbeeld voor het onderhoud en beheer van het wandelroutenetwerk. Naast deze bijdrage bepalen de gemeenten zelf hoeveel financiële middelen zij beschikbaar stellen voor de uitvoering van projecten. Wat betreft het laatste gebiedsprogramma is in de gemeenten Hillegom, Noordwijkerhout en Noordwijk een reserve ingesteld. In de gemeenten Lisse en Teylingen is een overlopende post vrijgemaakt en de gemeente Katwijk is geen aparte reservering voor het gebiedsprogramma groen ingesteld. 14 Deze gemeentelijke bijdrage hangt dus af van de individuele budgetten en projecten die per gemeente zijn uitgevoerd. Tot slot is er cofinanciering door derden, zoals andere publieke en maatschappelijke organisaties. Financiering vanuit derden heeft vooral plaatsgevonden bij de projecten Entrees N207/N208, Limes Bubble Barrier, Leeuwenhorst toegankelijk fase 2 en slotfase, en Herinrichting Engelse en Franse tuin, begraafplaats bij Park en landgoed Sint Bavo. De figuur hierna toont dat de uitvoeringskosten van projecten behorende tot het laatste gebiedsprogramma voor een groot gedeelte gefinancierd zijn vanuit het RIF (29%), de eigen bijdrage vanuit gemeenten (32%) en de provinciale subsidies (26%). Die provinciale subsidies bestaan voor 13% uit Sgg en 13% uit overige provinciale subsidies 15.

Vanuit derden werd 15% van de kosten opgebracht.

Financiering projecten in laatste gebiedsprogramma

Subsidie provincie Sgg

15%

13%

Overige subsidies provincies

13%

Gezamenlijke gemeentefonds Eigen bijdrage gemeente

1%

29%

Holland Rijnland (RIF)

29%

Derden

Figuur 2: Financiering projecten in het laatste gebiedsprogramma. 16

2.4. Toekomstige ontwikkelingen financiering Het RIF verstrekt financiering aan de deelnemende gemeenten die in aanmerking komen voor een bijdrage totdat de middelen uitgeput zijn. Het fonds van € 20 miljoen is bijna volledig ingezet en hiermee nadert het RIF haar einddatum. Voor projecten in 2024 en 2025 is er nog een resterend bedrag van ongeveer € 700.000,-. Holland Rijnland werkt aan een opvolger: de Regionale Investeringsagenda (RIA). In de RIA worden verschillende thema’s, namelijk wonen, werken en leefbaarheid, met elkaar verbonden. Voor het opstellen van RIA is een

14 Zie Besluitvorming colleges van B&W zes Bollengemeenten over Gebiedsprogramma Bollenstreek 2016-2020 “B(l)oeiende Bollenstreek”.

15 De overige provinciale subsidies bestaan uit EVZ (8,4%%, € 1.395.583,-), Erfgoedlijnen (2,5%, € 419.135,-), Duurzaam Veilig (0,2%, €

35.000,-) en Anders (1,5%%, € 244.012,-).

16 In de financiering van de projecten zijn de kosten voor het programmamanagement buiten beschouwing gelaten.

[6]

gebiedsgerichte aanpak gebruikt. Via werkateliers zijn projecten opgehaald die in aanmerking komen voor de investeringsagenda. 17 Met de RIA verandert de financiële situatie. Voor het RIF werd vastgesteld dat er € 20 miljoen beschikbaar zou zijn. In de RIA is het idee dat er jaarlijks gekeken wordt wat er aan financiële middelen nodig is en wat de prioriteiten van de gemeenten zijn. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de opzet van RIA nog niet is vastgesteld en er nog een discussie gaande is over hoe RIA financieel gevoed gaat worden. De planning is dat deze opvolger in 2024 wordt vastgesteld. De provincie Zuid-Holland heeft geen plannen om een vervolg te geven aan de Sgg. Door een koerswijziging hebben zij besloten gebiedsprogramma’s niet meer integraal financieel te ondersteunen maar op basis van individuele projectdoelen steun te verlenen. Het is dus wel mogelijk dat de provincie op projectniveau subsidies verleent, bijvoorbeeld via de Subsidieregeling groen 18 of in de toekomst het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG). 19 Wat betreft de subsidie erfgoedlijnen stelt de provincie in 2024 € 3,3 miljoen subsidie beschikbaar voor projecten die de beleefbaarheid van de erfgoedlijnen bevorderen. 20 Een kanttekening hierbij is dat deze subsidie geldt in de hele provincie, dus de hoeveelheid geld dat hieruit volgt moet niet overschat worden.

Ook is dit geld volledig gereserveerd voor projecten die in juli 2023 zijn ingediend bij de Erfgoedtafels. Er is voor 2024 dus geen vrij geld beschikbaar. Wel zal er de komende jaren steeds weer geld beschikbaar zijn.

17 Zie voor meer informatie: https://hollandrijnland.nl/contouren-geschetst-regionale-investeringsagenda/.

18 Zie voor meer informatie: https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/subsidies/groen-subsidieregeling-zuid-holland-2016-srg-

0/.

19 Zie voor meer informatie: https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/zuid-hollands-programma-landelijk-gebied/. 20 Zie

voor meer informatie: https://www.zuid-holland.nl/actueel/nieuws/november-2023/ruim-e3-miljoen-beleefbaar-erfgoed-zuidholland/.

[7]

3. ANALYSE PROJECTEN In dit hoofdstuk analyseren we de projecten die onder de verschillende gebiedsprogramma’s uitgevoerd zijn. In de eerste paragraaf beschrijven we feiten en cijfers wat betreft de projecten. Vervolgens bespreken we succesen belemmerende factoren.

3.1. Feiten en cijfers 3.1.1. Aantal projecten per jaar

Het aantal projecten is sinds het laatste gebiedsprogramma groen toegenomen. Figuur 3 laat zien hoeveel projecten er per jaar uitgevoerd zijn, uitgesplitst naar gebiedsprogramma. De figuur toont dat er in totaal 21 projecten onder de eerste drie gebiedsprogramma’s zijn uitgevoerd. Onder het laatste gebiedsprogramma zijn 46 projecten tot stand gekomen. De projectlijsten van de gebiedsprogramma’s zijn terug te vinden in bijlage III en IV. Projecten die op de planning staan of vervallen zijn, zijn niet opgenomen in de projecttotalen. In paragraaf 3.1.4. wordt de status van de projecten onder het laatste gebiedsprogramma verder toegelicht. Een mogelijke verklaring voor de toename in het aantal projecten betreft de provinciale subsidie Sgg voor het gebiedsprogramma groen die sinds 2016 door Zuid-Holland wordt verleend. De piek in 2017 is te verklaren door de gebiedsdeals van het uitvoeringsprogramma 2014 en 2015 met de provincie 21 enerzijds en de start van de uitvoering onder de programmasubsidie Sgg anderzijds.

Aantal projecten per jaar van uitvoering 14 12 10

6

8 6

11

4 2 0

1

1 2

6

6 1 1

4 2

1

3

5

11 5

1

Gebiedsprogramma 2010-2014

Gebiedsprogramma 2012-2016

Gebiedsprogramma 2014-2018

Gebiedsprogramma 2016-2024

Figuur 3. Aantal projecten per jaar in de periode 2011-2023. 22

21 Gebiedsprogramma Bollenstreek 2014-2018.

22 Uitgevoerde projecten zijn gezet op het jaar van uitvoering. Projecten in uitvoering zijn in bijlage IV vastgezet op het jaar van vaststelling

in het BO LRNE.

[8]

3.1.2. Spreiding projecten

Figuur 4 toont het aantal projecten per gemeente. Daarbij hebben we de projecten volgens huidige gemeentelijke indeling gecategoriseerd. De projecten die meegenomen zijn om de spreiding in kaart te brengen, vallen onder het gebiedsprogramma groen van het cluster Duin- en Bollenstreek. De gemeenten Katwijk en Teylingen hebben echter ook meegedaan in andere clusters onder het Regionaal Groenprogramma. Deze projecten zijn terug te vinden in bijlage V. Het aantal projecten dat daadwerkelijk in deze gemeenten uitgevoerd is ligt dus hoger. Deze projecten wordt echter niet meegenomen in deze analyse omdat dit onderzoek zich richt op de gebiedsprogramma’s groen van de Duin- en Bollenstreek. De meeste projecten zijn in de gemeente Noordwijk uitgevoerd. Een opmerking hierbij is dat Noordwijkerhout een zelfstandige gemeente was tot 2019. Sindsdien is Noordwijkerhout gefuseerd met de gemeente Noordwijk. Projecten in Noordwijkerhout en Noordwijk zijn in figuur 4 samengevoegd onder de fusiegemeente Noordwijk. In de gemeente Lisse zijn de minste projecten uitgevoerd. Lisse heeft echter wel in minstens drie projecten de trekkende rol gehad in grotere projecten over meerdere gemeenten.

Bijvoorbeeld de entree van de N207/N208 en de gemeente Lisse is initiatiefnemer van het Wandelknooppuntennetwerk Duin- en Bollenstreek (2014) en beheert sindsdien het gemeentelijk fonds voor onderhoud en beheer voor het wandelnetwerk. Een mogelijke verklaring voor het relatieve hoge aantal projecten in de gemeente Noordwijk betreft het penvoerderschap van het programma. Sinds 2014 ligt dit bij de gemeenten Noordwijkerhout en Noordwijk. Tot 2014 was de gemeente Hillegom clustervertegenwoordiger. Dit lijkt ook terug te komen in het relatieve grote aandeel projecten in Hillegom voor 2016. Een andere mogelijke verklaring betreft de beschikbaarheid van eigen gemeentelijke middelen om projecten uit te voeren. Het is ook denkbaar dat het causale verband andersom ligt: gemeenten die veel mogelijkheden zien voor uitvoering en daar geld voor reserveren, zijn ook bereid om het penvoerderschap voor het cluster Duin- en Bollenstreek op zich te nemen. Uit figuur 4 blijkt ook dat het aantal projecten over meerdere gemeenten beperkt is. Veel projecten vinden plaats op gemeenteniveau in zowel de periode 2010-2016 als de periode 2017-nu. Slechts ongeveer 20% van de projecten is gemeentegrens overstijgend.

Er zijn wel projecten in meerdere gemeenten die op vergelijkbare manier zijn uitgevoerd, zoals de aanleg van toeristische overstappunten (TOP), de bloemrijke bermen op basis van de opgestelde Visie Uitstraling Duin- en Bollenstreek, en de renovatie van landgoedparken voor recreatie en natuur.

Eerste drie gebiedsprogramma's (n=21)

Laatste gebiedsprogramma (n=46)

Meerdere gemeenten Hillegom Katwijk

33%

29%

Lisse* Noordwijk

13%

14%

10%

14%

Teylingen**

37%

22% 13% 11% 4%

Figuur 4: Aantal projecten per gemeente gedurende de eerste drie gebiedsprogramma’s en het laatste gebiedsprogramma. *De gemeente Lisse heeft onder het laatste gebiedsprogramma relatief weinig projecten. Wel heeft de gemeente Lisse in minstens drie projecten de trekkende rol gehad in grotere projecten over meerdere gemeenten. Bijvoorbeeld de entree van de N207/N208 en Landgoedwandelen Duin- en Bollenstreek. Lisse speelt levert op deze manier een niet te onderschatten bijdrage. **De gemeente Teylingen komt niet terug in het linker cirkeldiagram. De gemeente Teylingen heeft gedurende de eerste drie gebiedsprogramma’s binnen het cluster Duin- en Bollenstreek geen projecten uitgevoerd die alleen in de gemeente Teylingen werden uitgevoerd. Wel heeft de gemeente Teylingen projecten uitgevoerd die in categorie meerdere gemeenten zitten en heeft Teylingen projecten uitgevoerd in andere clusters.

3.1.3. Spreiding uitgaven laatste gebiedsprogramma

Naast het aantal projecten is het ook interessant om te analyseren hoeveel middelen vanuit het programma in de verschillende gemeenten zijn uitgegeven. Figuur 5 laat zien dat de uitgaven in het laatste gebiedsprogramma [9]

groen voornamelijk naar projecten in de gemeente Noordwijk zijn gegaan. Dit is dus in lijn met het aantal projecten uit de vorige paragraaf.

Totale investeringen in de gemeenten onder het laatste gebiedsprogramma €8.000.000,00

€6.843.608,00

€6.000.000,00 €4.000.000,00 €2.000.000,00

€3.270.410,00 €1.748.053,00

€2.854.328,00

€1.751.574,00 €177.473,00

€-

Meerdere gemeenten

Hillegom

Katwijk

Lisse*

Noordwijk

Teylingen

Figuur 5: Totale investeringen die in gemeenten geland zijn onder het laatste gebiedsprogramma. * De gemeente Lisse heeft onder het laatste gebiedsprogramma relatief weinig projecten. Wel heeft de gemeente Lisse in minstens drie projecten de trekkende rol gehad in grotere projecten over meerdere gemeenten. Bijvoorbeeld de entree van de N207/N208 en Landgoedwandelen Duin- en Bollenstreek.

De totale bijdrage bestaat voor een deel uit gemeentelijke inleg. Het programma heeft als een soort multiplier gewerkt voor deze gemeentelijk bijdrage. In de tabel hierna is per gemeente opgenomen hoe groot die bijdrage was en hoe groot de multiplier voor die gemeente dan was. Daaruit blijkt dat Lisse, ondanks dat de totale investeringen het laagst waren, de multiplier het grootst was vanwege beperkte eigen bijdrage. Daar moet wel de kanttekening bij geplaatst worden dat Lisse een aantal projecten ambtelijk heeft getrokken waardoor er wel in capaciteit is geïnvesteerd. Investering DBS Meerdere gemeenten Hillegom Lisse Noordwijk Katwijk Teylingen Totaal

539.405 1.208.645 1.751.576 177.473 6.843.767 3.270.140 2.842.285 16.597.886

Percentage van totaal investering 6% 7% 11% 1% 41% 20% 17%

Tabel 1. Overzicht gemeentelijke bijdrage en multiplier per gemeente.

(gezamenlijke) Gemeentelijke bijdrage 256.092 233.360 848.029 10.196 1.734.294 1.330.168 686.090 5.098.229

Percentage van totaal gemeenten 5% 5% 17% 0,2% 34% 26% 13%

Multiplier van gemeentelijke bijdrage 2,1 5,2 2,2 17,4 3,9 2,5 4,1 3,3

Naast de totale omvang van de bijdrage is het relevant om inzicht te hebben in de samenstelling van de bijdrage per gemeente om te bepalen hoe inzet vanuit het programma in verschillende gemeenten zich tot elkaar verhoudt. Figuur 6 toont dit overzicht. Hieruit blijkt dat het aandeel van de investering per gemeente vanuit de Holland Rijnland ongeveer gelijk is. Verder verschilt de samenstelling. In Lisse zijn geen projecten en Teylingen één project uitgevoerd met een bijdrage vanuit de provinciale Sgg. In die gemeenten is de bijdrage vanuit andere provinciale subsidies aan projecten dan wel weer relatief groot. De gemeentelijke bijdrage aan projecten die binnen de gemeente zijn uitgevoerd is verhoudingsgewijs het grootst in Hillegom en Katwijk. In Lisse en Noordwijk is verhoudingsgewijs door derden het meeste bijgedragen aan de projecten. Omdat totale bedrag in Lisse beperkt is, is de bijdrage door derde in absolute zin ook beperkt en bijvoorbeeld lager dan die in Katwijk. In vergelijking met andere gemeenten is er in de gemeente Teylingen veel gebruik gemaakt van de subsidie Erfgoedlijnen. Dit hangt nauw samen met het aantal landgoedparken en de grote lengte waarover de Trekvaart door de gemeente loopt. Wellicht is dit ook een kans voor andere gemeenten. Verder constateren we dat de cofinanciering vanuit derden voornamelijk in de gemeente Noordwijk plaatsvindt.

Dit komt mede door het [10]

afsluiten van anterieure overeenkomsten met projectontwikkelaars voor woningbouwlocaties. De projectontwikkelaars kregen bij Bavo en Offem-Zuid een specifieke taak en financiële verplichting om historische parken, de ecologische verbindingszone en extra recreatief groen te ontwikkelen. In de andere gemeenten is deze vorm van cofinanciering in veel mindere mate aanwezig.

Samenstelling investering per gemeente 100% 80% 60% 40% 20% 0%

Meerdere gemeenten

Hillegom

Katwijk

Lisse

Noordwijk

Teylingen

Subsidie provincie Sgg

Overige subsidies provincies

Gezamenlijke gemeentefonds

Eigen bijdrage gemeente

Holland Rijnland (RIF)

Derden

Figuur 6. Bijdragen per gemeente vanuit verschillende bronnen.

3.1.4. Status projecten

Wanneer we inzoomen op de status van de projecten onder het laatste gebiedsprogramma, zien we dat een groot gedeelte van de projecten is uitgevoerd (32). Echter is er ook nog een aantal projecten waarvan de status ‘in uitvoering’ is (12). Projecten die nog in uitvoering zijn vallen niet onder de provinciale Sgg en zijn veelal in 2020, 2021 of 2022 gestart. Daarnaast zien we dat twee projecten deels uitgevoerd zijn. Voor deze projecten is een financiële eindverantwoording voor de Sgg ingediend en zijn de projecten voor dat deel afgerond. Er wordt echter nog wel aan de realisatie van bredere scope van die projecten gewerkt. Voor één project in het gebiedsprogramma geldt dat het vervallen is, namelijk project Opwaarderen de Vliet. Wel zijn er regelmatig project ideeën aangedragen die al voor de vaststellingsfase weer vervielen.

Status projecten onder het laatste gebiedsprogramma 40

32

30 20

12

10 0

Uitgevoerd

In uitvoering

Figuur 7: Status projecten laatste gebiedsprogramma.

[11]

2

1

Afgerond voor Sgg; in uitvoering overige elementen

Vervallen

3.1.5. Budget uitputting projecten

De projecten onder het laatste gebiedsprogramma zijn over het algemeen volgens budget gerealiseerd. Figuur 8 toont dat er ongeveer evenveel projecten zijn met een overschrijding als met een onderbesteding. Daarnaast zien we dat het aantal projecten met extreme onderbesteding of overschrijding beperkt is. Hier past wel de kanttekening bij dat in een aantal gevallen de budgetten van projecten tussentijds zijn verhoogd omdat budgetuitputting dreigde, bijvoorbeeld Nieuwe Leeuwenhorst, Actualisatie netwerken en het Fietspad Dorpsweide. Deze komen dan niet terug als projecten met een budgetoverschrijding. Redenen voor overschrijding lopen uiteen. In de meeste gevallen is er budgetoverschrijding door meerwerk of een conservatieve schatting. Daarnaast zien we dat de twee projecten met de meeste onderbesteding het opstellen van visies voor het laatste gebiedsprogramma waren. Er werd erg overschat wat het opstellen van de visies zou gaan kosten. Door de onderbesteding ontstond financiële ruimte voor andere projecten die gemeenten gezamenlijk uitvoerden. Van projecten die nog in uitvoering zijn is nog niet bekend wat de budgetuitputting is. Wel lijkt het erop dat de entree N207/N208 een onderbesteding krijgt.

Budget uitgevoerde projecten laatste gebiedsprogramma 8 6

6

4

5

2

>50% 10% - 50% 0% - 10% onderbesteding onderbesteding onderbesteding

2

Conform begroting

0% - 10% overschrijding

10% - 50% overschrijding

> 50% overschrijding

Figuur 8: Budget uitgevoerde projecten laatste gebiedsprogramma. 23

3.2. Succes- en belemmerende factoren In aanvulling op analyse van projecten hiervoor hebben we in beeld gebracht welke factoren op een positieve manier bijdragen aan de uitvoering van projecten (succesfactoren) en welke factoren juist belemmerend werken (belemmerende factoren) in de uitvoering van projecten. Deze factoren lichten we hierna verder toe.

3.2.1. Succesfactoren

In het kader van het onderzoek zijn gesprekken gevoerd met verschillende betrokkenen bij de uitvoering van het programma in zijn geheel. Op basis van de analyse van hetgeen door gesprekspartners is aangegeven constateren we dat de volgende factoren positief bijdragen aan de succesvolle uitvoering van projecten: • Bevlogenheid betrokken medewerkers. Het werkt positief wanneer de betrokken medewerkers bevlogen zijn. Dit hangt samen met het feit dat er vaak weinig capaciteit binnen de gemeentelijke organisatie is om projecten uit te voeren. Om toch te zorgen dat projecten succesvol worden uitgevoerd moet er dus vaak een stapje extra worden gezet. Een bevlogen medewerker helpt dan om dit stapje extra ook daadwerkelijk te zetten.

23 Van de twee projecten die deels uitgevoerd zijn, is er één opgenomen in deze figuur. Van het meegenomen project was duidelijk dat het

budget al overschreden werd, ondanks dat het project nog niet geheel afgerond is. Voor het andere project is de verwachting dat er een onderschrijding van het budget zal plaatsvinden.

[12]

• Beschikbaarheid financiële middelen binnen één programma. De beschikbaarheid van financiële middelen binnen één programma draagt bij aan een succesvolle uitvoering. Daarmee bedoelen we dat het vaak lastig is om verschillende potjes financiering aan te trekken voor de uitvoering van een project. Omdat die verschillende potjes nu in één programma gebundeld zijn maakt dit het verkrijgen van financiering eenvoudiger en nemen de administratieve lasten af. • Koppelen aan andere opgaven. Ook liepen projecten vaak soepeler als er meerdere opgaven konden worden gekoppeld aan één project. Het project kon dan op meer draagvlak en prioriteit rekenen en in sommige projecten zorgde dit voor een bredere ambtelijke en maatschappelijke betrokkenheid en prioriteit. • Overeenstemmingen betrokkenen. Een beetje een open deur, maar daardoor niet minder belangrijk om te benoemen, is de positieve invloed van overeenstemming tussen betrokkenen. Als de verschillende betrokken partijen het met elkaar eens zijn over de invulling en uitvoering van het project is de kans groter dat een project succesvoller wordt uitgevoerd dan wanneer er geen overeenstemming is, of wanneer deze overeenstemming pas later in het proces wordt bereikt. Er gaat dan veel waardevolle tijd verloren aan het bereiken van overeenstemming, in plaats van de uitvoering van het project.

• Beschikbare eigen bijdrage vanuit een gemeente (budget en prioriteit). Als laatste succesfactor wordt de beschikbaarheid van een eigen bijdrage vanuit de gemeente genoemd. De analyse laat zien dat het aantal projecten sinds het gebiedsprogramma van 2016 is toegenomen, mede dankzij de cofinanciering vanuit de provincie. Desondanks is het voor ieder project nodig dat de desbetreffende gemeente(n) een eigen bijdrage doen aan het project om de financiering rond te krijgen. Logischerwijs is het beschikbaar hebben van een (ruim) voldoende eigen bijdrage daardoor te benoemen als succes factor. Het ontbreken van financiële middelen op gemeentelijk niveau werkt belemmerend en kan ervoor zorgen dat een project niet uitgevoerd kan worden. Zie ook paragraaf 3.1.3.

3.2.2. Belemmerende factoren

Naast succesfactoren is er ook een aantal factoren te benoemen die de uitvoering van projecten belemmeren, namelijk: • Gebrek aan capaciteit en prioriteit. Wanneer er ambtelijk en/of bestuurlijk geen prioriteit gegeven wordt aan een project (of het gebiedsprogramma in zijn geheel), of wanneer er onvoldoende tijd beschikbaar is voor de uitvoering is de kans groter dat het project vertraagt. Ook leidt capaciteitsgebrek ertoe dat er minder projecten worden aangedragen vanuit de gemeenten waardoor er uiteindelijk minder bereikt wordt. • Beheercomponent onvoldoende meegenomen in planvorming. Het werkt belemmerend wanneer de beheercomponent van een project aan de voorkant niet duidelijk is meegenomen. Bijvoorbeeld wanneer het broedseizoen niet is meegenomen in de aanleg van fietspaden of wanneer het maaiprogramma van de provincie niet wordt aangepast naar de plekken waar de bloemrijke bermen projecten zijn uitgevoerd. Als daar aan de voorkant geen rekening mee gehouden wordt dan werkt dat vertragend en wordt de uitvoering van het project belemmerd. • Wisselingen in betrokken projectleiders. Continuïteit draagt op een positieve manier bij en versterkt de efficiëntie, maar wanneer er (veel) wisselingen plaatsvinden verstoort dit juist de efficiëntie, omdat zaken telkens overgedragen moeten worden en er daarmee kennis en ervaring ‘verloren’ gaat.

Hierdoor bleven sommige projecten (lang) stilliggen, waardoor het extra moeite kostte om deze uiteindelijk weer op te starten. • Gebrek aan communicatie externe partijen. Het helpt niet wanneer externe partijen niet goed meegenomen worden in de uitvoering van een project, terwijl zij wel een belang en aandeel hebben in de uitvoering. Duidelijke communicatie en betrokkenheid met externe partijen is daarom van belang, maar als dit ontbreekt werkt het belemmerend, bijvoorbeeld door de uitvoering te vertragen. Daarnaast draagt dit ook niet bij aan het draagvlak onder externe partijen en dat werkt op den duur ook weer belemmerend. [13]

• Onduidelijkheid doel sommige parels. Voor een aantal parels gold dat het doel aan de voorkant onduidelijk was, waardoor het moeilijk was het doel van de bijbehorende projecten te bepalen of überhaupt het komen tot projecten voor desbetreffende parels. Een duidelijk doel draagt bij aan een goede afbakening en het beoordelen van potentiële projecten. • Vertraging als gevolg van groot aantal betrokken partijen, met name bij versnipperd grondbezit. Tot slot is aangegeven dat het aantal grondbezitters in sommige gevallen belemmerend kan werken. Daarmee wordt bedoeld dat hoe meer grondbezitters er zijn, hoe lastiger het is om projecten van de grond te laten komen. Dit zit hem vooral in: hoe meer meningen/belangen, hoe ingewikkelder om tot overeenstemming te komen.

[14]

4. EFFECTIVITEIT PROGRAMMA In dit hoofdstuk gaan we in op de effectiviteit van de gebiedsprogramma’s groen. We richten ons hierbij voornamelijk op het laatste gebiedsprogramma B(l)oeiende Bollensteek omdat deze bij de meeste gesprekspartners het verst in het geheugen ligt. Aan de hand van feiten en percepties blikken we terug op de afgelopen gebiedsprogramma’s. De onderdelen worden onderbouwd met een feitelijke analyse, gevolgd door de percepties die zijn opgehaald uit de gesprekken met betrokkenen en uit de online uitvraag aan deelnemers aan de landschapstafel.

4.1. Doelbereik Feiten De gemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen hebben zich met het laatste gebiedsprogramma groen ten doel gesteld “een bloeiende en vooral ook een boeiende streek” te ontwikkelen. Hierin hebben de gemeenten, samen met organisaties en ondernemers, een gezamenlijke ambitie geformuleerd waarin er actief ingezet is op de thema’s “identiteit, beleving en natuur”. 24 Over het algemeen krijgen de doelstellingen en projecten die zich op beleving en identiteit richten meer aandacht in het programma. De financiering van projecten met doelen op het gebied van beleving blijkt vaak eenvoudiger dan projecten met doelen op het gebied van natuur. In een deel van de projecten is wel degelijk rekening gehouden met doelstellingen op het gebied van natuur, denk hierbij aan de Bloemrijke Bermen projecten en de studie naar de ecologische verbindingszones langs de Trekvaart. Projecten die een bijdrage leveren aan de doelstelling duurzame bollenteelt, zoals het meer toepassen van groenbemesters en inzaaien van akkerranden, zijn in de financiering van het laatste gebiedsprogramma buiten de scope geplaatst en dus ook niet gerealiseerd omdat hier nooit financiering voor is ontvangen vanuit de provincie Zuid-Holland en de regio. De reden om het buiten de scope te plaatsen is dat het thema binnen de Duin- en Bollenstreek elders is belegd.

Zo heeft Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging Geestgrond gewerkt aan meer biodiversiteit in het agrarisch gebied met onder andere de aanleg van hagen. Vanuit de landschapstafel is ondersteuning gegeven aan het verkrijgen van de (rijks)subsidie voor twee nog lopende langjarige onderzoeksprojecten. 25 Voor beide projecten is er een nauwe samenwerking met de Stichting Greenport. In 2018 zijn er drie aanvullende visies uitgewerkt en door de gemeenten vastgesteld om richting te geven aan de gekozen parels en thema’s: (1) Uitstraling Duin- en Bollenstreek: bermen en entrees, (2) Recreëren tussen het Erfgoed: Parel Trekvaart en netwerken en verbindingen en (3) Beleef het verhaal van de parel Strand en Duinen. In het kader van het onderzoek is geen gedetailleerde analyse gemaakt van de mate waarin de doelstellingen uit de visies zijn behaald. Wel constateren we dat verschillende projecten die uit de visies volgen succesvol zijn uitgevoerd. Zo zijn er in elke gemeente Bloemrijke Bermen projecten gerealiseerd, zijn de landgoederenzones versterkt in sfeer en karakter, is de Trekvaart verder ontwikkeld en zijn diverse recreatieve netwerken uitgebreid. Nog niet alle genoemde maatregelen in de visies zijn gerealiseerd.

Dit geldt bijvoorbeeld voor een aantal maatregelen rond de trekvaart 26 en een aantal projecten met voornamelijk ecologische doelen uit de visie Uitstraling Duin- en Bollenstreek: bermen en entrees. Dit betreft bijvoorbeeld het aanleggen van ecologische oevers en waterlopen. 27

24 Zie voor meer informatie Gebiedsprogramma BOLLENSTREEK 2016-2020 ‘B(l)oeiende Bollenstreek’ Identiteit – Beleving – Natuur.

25 Living Lab "Betere Biodiversiteit in de Bollenstreek - B7" (NWO ihkv Deltaplan Biodiversiteit) en Fieldlab “Samen Bouwen aan een Bloeiende

Bollenstreek” in het kader van Subsidieregeling: Samenwerken aan innovaties door operationele groepen in het kader van het Europees Innovatie Platform (EIP): Ontwerp gebiedsgerichte Fieldlabs. 26 Bijvoorbeeld het uitbreiden van het sloepennetwerk met een aantal dwarsverbindingen. 27 Zie pagina 15 en 17 van visie Uitstraling Duin- en Bollenstreek: bermen en entrees.

[15]

Percepties We zien dat men over het algemeen positief gestemd is over het laatste gebiedsprogramma en het doelbereik. Gemiddeld krijgt het laatste gebiedsprogramma een 7 (n=20). Respondenten zijn relatief overwegen positief over de stellingen dat (1) het laatste gebiedsprogramma de natuurwaarden in de Duin- en Bollenstreek heeft versterkt, (2) dat het programma de belevingsmogelijkheden heeft vergroot en (3) dat het programma de identiteit van de streek heeft versterkt (figuur 9).

Algemene doelen laatste gebiedsprogramma Het gebiedsprogramma groen B(l)oeiende Bollenstreek heeft de natuurwaarden in de Duin- en Bollenstreek versterkt.

4

Het gebiedsprogramma groen B(l)oeiende Bollenstreek heeft de belevingsmogelijkheden in de Duin- en Bollenstreek vergroot.

3

Het gebiedsprogramma groen B(l)oeiende Bollenstreek heeft de identiteit in de Duin- en Bollenstreek versterkt.

Zeer oneens

Oneens

1

10

10

2

5

Niet oneens / eens

9

Eens

Zeer eens

1

Weet ik niet

Figuur 9. Reactie van respondenten op stellingen over doelstellingen programma.

Als we naar de meer specifieke doelen van het programma kijken zien we ditzelfde beeld terug (figuur 10). Respondenten zijn het relatief vaak eens met de stellingen dat (1) de parels zichtbaarder, toegankelijker en beter leefbaar gemaakt zijn, dat (2) de kwaliteit van de routenetwerken in de Duin- en Bollenstreek verbeterd is, en dat (3) het unieke verhaal beter en zichtbaarder verteld is. Wel vinden respondenten relatief vaak dat de streek niet op doordachte wijze naar buiten treedt met één identiteit. Daarnaast zijn respondenten verdeeld over of de entrees uitnodigend en fraai zijn ingericht.

Stellingen over subdoelstellingen De kwaliteit van de routenetwerken (wandel- en fietsroutes) in de Duin- en Bollenstreek is verbeterd.

2

Het unieke verhaal van de Bollenstreek is beter en zichtbaarder verteld. Bijvoorbeeld door het plaatsen van informatiezuilen en informatieborden.

1

De parels van de Duin- en Bollenstreek zijn zichtbaarder, toegankelijker en beter beleefbaar gemaakt voor het grote publiek.

1

De entrees van de dorpen en de parels zijn uitnodigend en fraai ingericht.

1

De streek treedt op doordachte wijze naar buiten met één identiteit (ook als er door derden over de Bollenstreek wordt gecommuniceerd).

1

Zeer oneens

Oneens

Niet oneens / eens

8

2

2

8

4

7

5

1

6

Eens

2

4

3

5

Zeer eens

1

3

Weet ik niet

Figuur 10: Antwoorden van respondenten op de vraag of de subdoelen van het laatste gebiedsprogramma zijn behaald.

[16]

3

1

1

2

1

Gesprekspartners geven aan dat projecten over het algemeen vanuit de gemeenten werden aangedragen. Veelal betrof het werkzaamheden of projecten die al gepland waren vanuit het ruimtelijk domein en omwille van financierbaarheid werden opgevoerd voor uitvoering onder het gebiedsprogramma groen. Gesprekpartners geven aan dat projecten dus minder vanuit een landschapsgedachte werden geïnitieerd en er meer aandacht had kunnen zijn voor het opzetten van landschappelijke verbindingen op regionaal niveau. Ook geven zij aan dat, hoewel er in projecten rekening is gehouden met natuurdoelen, het de vraag is of deze ook in het kader van ecologie de maximale resultaten hebben opgeleverd. Neem als voorbeeld de Bloemrijke Bermen projecten: hoewel erg succesvol in aantal en uitstraling lijkt het gebruik van plant- en zaaigoed met een biologische oorsprong geen vereiste te zijn geweest en is er in sommige ontwerpen gebruik gemaakt van eenjarige bloemen en planten. Gesprekspartners geven daarnaast aan dat een duidelijke integrale visie op de algehele inrichting van de Duinen Bollenstreek ontbreekt. Ook in de online uitvraag kwam dit beeld naar voren (zie figuur 10). Aangegeven wordt dat het van belang is duidelijke keuzes te maken over de inrichting van de schaarse ruimte in de Duin- en Bollenstreek.

Daar is ruimte voor groen nodig maar dan moet het wel duidelijk zijn hoe groene verbindingen zich verhouden tot economische activiteit, recreatie, woningbouw en opgaven op het gebied van klimaatverandering. Op basis van een dergelijke integrale visie volgt dus waar ruimte is voor groen en hoe dit zich verhoudt tot andere opgaven op die locatie. Dit kan helpen om een integrale afweging te maken over welke projecten waar wel en niet worden uitgevoerd. Met andere woorden op basis van deze integrale visie op de inrichting van de Duin- en Bollenstreek kan tot een afwegingskader voor groenprojecten worden gekomen. Daarbij geven enkele gesprekspartners wel aan dat er ook onder het huidige gebiedsprogramma een afwegingskader bestond maar dat dit beperkt onderscheidend was en veel projecten hieronder konden worden gepast. Tot slot geven enkele gesprekspartners aan dat water een meer integrale rol zou kunnen spelen in het gebiedsprogramma, bijvoorbeeld door er een gebiedsprogramma blauwgroen van te maken.

4.2. Samenwerking Met betrekking tot de samenwerking maken we onderscheid tussen de interne samenwerking tussen gemeenten in het programma en de externe samenwerking van het programma met maatschappelijke partners.

4.2.1 Intern Feiten In de samenwerkingsovereenkomst Duin- en Bollenstreek 2017 28 hebben de deelnemende gemeenten afspraken gemaakt over gezamenlijke taken, bevoegdheden en (financiële) verantwoordelijkheden. Hierin is gekozen voor een overlegstructuur bestaande uit twee delen. Het eerste deel betreft de ambtelijke werkgroep die onder andere verantwoordelijk is voor het aandragen, initiëren en ter besluitvorming voorleggen van nieuwe projecten, het afstemmen binnen de eigen gemeenten en het tussentijds informeren van eigen college en raad. Daarnaast is er het bestuurlijk overleg waarin de uiteindelijke besluitvorming over programma gerelateerde zaken plaatsvindt. De voorbereiding en daadwerkelijke uitvoering van projecten, inclusief het toekennen van capaciteit, van zowel streek brede als gemeente specifieke projecten ligt vervolgens bij de gemeenten zelf. Hiervoor is in de samenwerkingsovereenkomst een capaciteitsinschatting opgenomen. Percepties De overlegstructuur van de ambtelijke werkgroep en bestuurlijk overleg werkt in beginsel goed. Wel geven gesprekspartners aan dat het beleggen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van projecten bij individuele gemeenten risico’s met zich meebrengt. Gemeenten hebben daardoor weliswaar controle maar het regionale programma is hierdoor afhankelijk van capaciteitskeuzes door individuele gemeenten.

Daarbij wordt aangegeven dat de begrote capaciteitsinschatting zoals opgenomen in de samenwerkingsovereenkomst vaak niet behaald wordt door gemeenten. Gesprekspartners bij gemeenten geven op hun beurt aan dat dit past

28 Zie voor meer informatie De samenwerkingsovereenkomst 2017 Duin- en Bollenstreek.

[17]

binnen bredere problematiek van capaciteitsgebrek binnen gemeentelijke organisaties. Ook wordt aangegeven dat de bestuurlijke (Noordwijk-Noordwijkerhout) en ambtelijke (HLT samen) fusies in de periode waarin het laatste gebiedsprogramma liep niet hebben geholpen. Bijvoorbeeld omdat onduidelijk was wat dit betekende voor de capaciteitsbijdrage en doordat hierdoor veel wisselingen in personele bezetting plaatsvonden. Al met al leidt dit tot ongewenste gevolgen voor het programma zoals (onnodige) vertraging(en) binnen projecten en efficiëntieverlies op programmaniveau. Gesprekspartners geven aan dat de voorbereiding en besluitvorming over het aandragen en toekennen van nieuwe projecten vaak goed verloopt. Wel is het lastig om besluitvorming over projecten die gemeente overstijgend zijn parallel te laten verlopen. Ook dit leidt in sommige gevallen voor onnodige vertraging in besluitvorming en de voortgang van projecten. Er is voor een opzet gekozen waarbij de gemeenten projecten konden aandragen om gebruik te maken van middelen in het regionale programma met daarin gelden vanuit het RIF en de Sgg. Deze inrichting zorgt er volgens sommigen voor dat er een onnodig risico op concurrentie tussen de gemeenten ontstaat om aanspraak te maken op budgetten.

Ook menen zij dat de gelijkwaardigheid in de samenwerking, die hangt veelal samen met de eerdergenoemde beschikbare capaciteit die op gemeentelijk niveau toegekend kan worden, niet altijd voldoende is en er in de ene gemeente daardoor meer mogelijk is dan in de andere. Gesprekspartners zijn positief over het aanstellen van een onafhankelijke coördinator en een bestuurlijk trekker (clustervertegenwoordiger). Het met gedrevenheid invullen van deze rollen is volgens gesprekspartners essentieel voor een goede uitvoering van het gebiedsprogramma groen. Dit geldt voor zowel de samenwerking binnen overheidsorganen als in de samenwerking met maatschappelijke organisaties en andere derden. Doordat zij “weten hoe de hazen lopen” maken deze personen de succesvolle uitvoering van projecten vaak eigenhandig mogelijk. Tot slot geven gesprekspartners aan dat er vaak één persoon of afdeling betrokken is bij het programma. Dat betekent dat er veelal alleen vanuit die specifieke kennis wordt meegedacht. Daarbij geven gesprekspartners binnen gemeenten aan dat het ook moeilijk is om interne betrokkenheid vanuit andere afdelingen en expertises te organiseren omdat er vaak een gebrek aan capaciteit is. Dit leidt er echter toe dat bepaalde expertises niet of pas laat betrokken zijn terwijl het beter zou zijn als al bij de planuitwerking breder kan worden meegedacht.

Denk bijvoorbeeld aan kennis op het gebied van ecologie of landschappelijke inrichting. Zo werden bijvoorbeeld bloemrijke bermen gerealiseerd maar gaven gesprekspartners vanuit ecologische hoek aan vaak pas laat betrokken te zijn waardoor keuzes die vanuit ecologisch oogpunt beste zouden zijn (laten verwilderen met gebiedseigen soorten) niet meer mogelijk waren.

4.2.2 Extern Feiten Bij het opstellen van het laatste gebiedsprogramma in 2016 is een uitgebreide groep externe stakeholders betrokken in de vorm van de zogeheten landschapstafel. Tijdens deze bijeenkomst schoven ondernemers, vertegenwoordigers van organisaties uit het maatschappelijk veld en andere belanghebbenden aan om zo vanuit verschillende hoeken mee te denken over de (door)-ontwikkeling van de geprioriteerde parels in het laatste gebiedsprogramma. In de laatste samenwerkingsovereenkomst is afgesproken dat het cluster deze landschapstafel twee keer per jaar zou organiseren. Deze tweejaarlijkse samenkomsten hebben na de eerste twee bijeenkomsten echter geen doorgang gevonden. Wel heeft de programmacoördinator tweemaal per jaar per email een update gestuurd over de voortgang en realisatie van de lopende projecten. Percepties Deelnemers aan de landschapstafel geven aan dat de samenwerking die ontstaan is tijdens de landschapstafel, na de vaststelling van het programma, met uitzondering van de visieopstellingen Recreëren tussen het Erfgoed en Uitstraling Duin- en Bollenstreek, geen concrete opvolging heeft gekregen. Het wordt, door het loslaten van deze samenwerking, volgens hen moeilijk om door te bouwen op de positieve energie die tijdens fysieke bijeenkomsten is ontstaan. Ook is er hierdoor minder gebruik gemaakt van de lokale, praktijkgerichte kennis die [18]

deze organisaties bezitten en ontstaat er soms een (onnodig) gat tussen de ambtelijk bedachte theorie en de praktijk. Op projectniveau werd en wordt er wel regelmatig samengewerkt met externe partijen en inwoners. Deze laatste groep is op projectniveau meermaals betrokken via burgerparticipatie. Zoals ook beschreven in paragraaf 4.1 zijn projecten vaak vanuit een gemeentelijke prioriteit en belevingsdoelstelling aangedragen. Projecten die bij de start van het nieuwe programma vanuit maatschappelijke initiatieven of organisaties aangedragen werden, zijn over het algemeen in het programma opgenomen. Deze projecten bleken vaker afkomstig van grotere organisaties. Gedurende de looptijd van het programma is er, met uitzondering van de Erfgoedlijnen projecten Rusthoff – Sassenheim en Overbosch – Voorhout, geen expliciet proces ingericht waarbij (kleinere) maatschappelijke initiatieven zelf projecten konden aandragen. Voor dit soort initiatieven vormt de procesmatige kant van een gemeentelijke samenwerking bovendien vaak een belemmering met als gevolg mogelijk waardevolle en relevante projecten soms geen doorgang vinden onder het gebiedsprogramma groen.

4.3. Lerend vermogen en verantwoording Feiten De opstelling van het eerste gebiedsprogramma groen vond plaats in 2010. Tussen 2010 en 2016 heeft er iedere twee jaar een herijking plaatsgevonden in de vorm van het opstellen van een nieuw gebiedsprogramma. Sinds 2016 heeft dit niet meer op doelniveau plaatsgevonden maar vooral vorm gekregen door middel van de eerdergenoemde aanvullende visies. Addenda maakten het mogelijk om bij te sturen in de uitvoeringsovereenkomsten Regionaal Groenprogramma, bijvoorbeeld bij verandering in de scope of tegenvallers in budgetten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het aanvullen van het programma met nieuwe projecten wanneer er projecten uitvielen. De status en financiële uitputting van projecten was veelal inzichtelijk door de documentatie die over projecten werd bijgehouden. Op ambtelijk niveau was de voortgang (en eventuele uitval van projecten) een terugkerend thema op de agenda. Formele verantwoording richting de provincie vond plaats via jaarlijkse voortgangsrapportages die de status van projecten verduidelijkte. De provincie kon op basis van deze informatie bijsturen indien nodig. In de praktijk is dit niet nodig gebleken. Holland Rijnland werd op de hoogte gehouden door voortgangs- en financiële verantwoording en formele wijzigingsverzoeken, bijvoorbeeld wanneer projecten qua tijd of financiën uitliepen.

Percepties Gesprekspartners geven aan dat de voortgang en financiële verantwoording en afronding vanuit projectleiders extra aandacht behoeft, omdat deze niet altijd op tijd en volledig worden aangeleverd. Verder geven gesprekspartners aan dat sinds 2016 niet op doelniveau is geëvalueerd. De uitvoering van projecten zelf werd gevolgd maar er is niet gekeken of met de projecten ook de beoogde programmadoelstellingen werden behaald en of bijsturing wenselijk was. Een periode van acht jaar zonder dergelijke reflectie is volgens een aantal gesprekspartners betrekkelijk lang.

[19]

5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN In dit hoofdstuk beschrijven we de conclusies en aanbevelingen. We gaan eerst in op de conclusies op het gebied van doeltreffendheid en doelmatigheid. Daarna volgen de aanbevelingen.

5.1. Conclusies doeltreffendheid Met betrekking tot de doeltreffendheid trekken we de volgende conclusies: 1. Het feit dat er een gebiedsprogramma groen was heeft geleid tot het aantrekken en de besteding van meer middelen op het gebied van groen. De gebiedsprogramma’s groen hebben, sinds 2010, middelen voor groenprojecten in de regio bij elkaar gebracht. De financiering vanuit gemeenten is aangevuld met gelden vanuit Holland Rijnland, de provincie en derden. Daarmee heeft het programma als een soort multiplier voor de gemeentelijke bijdragen gewerkt. Met name de provinciale bijdrage heeft een aanjagende functie gehad in het aantal uitgevoerde projecten. Het is aannemelijk dat hierdoor meer projecten op het gebied van groen zijn gerealiseerd dan wanneer het gebiedsprogramma er niet zou zijn geweest. 2. Doelstellingen op het gebied van beleving werden over het algemeen meer behaald dan doelstellingen op het gebied van natuur. In het laatste gebiedsprogramma groen zijn drie doelstellingen opgenomen: de identiteit versterken, vergroten van belevingsmogelijkheden en versterken van natuurwaarden. We constateren dat de doelstellingen op het gebied van beleving en identiteit over het algemeen meer aandacht kregen in het programma en de projecten.

Dat zegt niet dat er geen aandacht was voor natuurdoelen, maar ecologische kennis werd bijvoorbeeld vaak pas op een later moment betrokken en ecologische groenstructuren zijn in mindere mate gerealiseerd. 3. Projecten binnen het programma zijn over het algemeen volgens begroting en succesvol uitgevoerd. Succesfactoren voor projecten zijn voornamelijk de bevlogenheid van een betrokken ambtenaar en de mogelijkheid om projecten te koppelen aan andere opgaven. De uitvoering van projecten werd belemmerd door capaciteitsgebrek binnen gemeentelijke organisaties en de complexiteit in afstemming indien een groot aantal partijen betrokken is, bijvoorbeeld als grondeigenaar. 4. Het gebiedsprogramma had in zijn geheel doeltreffender kunnen zijn als er vanuit een integrale gemeenschappelijke visie op de inrichting van de Duin- en Bollenstreek zou zijn gewerkt. Veel van de projecten in het gebiedsprogramma hebben binnen gemeentegrenzen plaatsgevonden. In een aantal gevallen was er wel een verbinding tussen twee aangrenzende projecten van verschillende gemeenten maar er had meer kunnen worden bereikt als er vanuit een regionale groenstructuur zou zijn gedacht. Het is logisch dat deze groenstructuur niet vanuit het programma zelfstandig kan ontstaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1629/documents/21660