CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

Db14 Bijlage 1. Ontwerpbestemmingsplan toelichting.pdf

Gemeenteraad 21 september 2023, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken19.527 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

Bij ontwikkelingen van meer dan 8 woningen moet bij de invulling van het bouwprogramma minimaal 25% aan sociale huur en 35% aan middeldure huur gerealiseerd worden. De overige 40% mogen vrij ingevuld worden.

Toetsing Het beoogde plan voldoet aan het Woonprogramma 2020 – 2024. Het plan draagt bij aan de kwantitatieve wens van de gemeente om tot 2030 1.440 woningen toe te voegen. Daarnaast is door de menging van sociale huurwoningen en reguliere huurwoningen en 2- en 3kamerappertementen variatie voorzien qua woningaanbod, waarmee tevens invulling wordt gegeven aan de kwalitatieve wensen uit het woonprogramma. Er worden 44 sociale huurwoningen gerealiseerd. Dat is 55% van het totaal aantal woningen uit het plan. Daarmee wordt ook voldaan aan de minimale eis van minimaal 25% aan sociale huurwoningen bij ontwikkelingen met meer dan 8 woningen. De overige 45% van de woningen bestaat uit reguliere huurwoningen, waarbinnen ook aan de eis van minimaal 35% middeldure huurwoningen wordt voldaan. Meerjarige Prestatieafspraken gemeente Hillegom 2022-2025 De Meerjarige Prestatieafspraken gemeente Hillegom 2022-2025 zijn op 9 december 2021 gemaakt tussen de gemeente, Woningcorporatie Stek en de Huurdersbelangenvereniging Bollenstreek (HBVB). In deze prestatieafspraken is vastgelegd hoe deze partijen samenwerken aan het volkshuisvestelijk beleid van de gemeente. De basis voor deze prestatieafspraken wordt gevormd door de Woningwet, het Woonprogramma 2020 – 2024 (zie verder paragraaf 3.3.2) en het volkshuisvestelijk beleid van Stek.

In de prestatieafspraken is vastgelegd hoe iedere partij bijdraagt aan het volkshuisvestelijk beleid in de gemeente Hillegom. Het beoogde woningbouwplan is opgenomen in de lijst met projecten bij de prestatieafspraken. Hier in zijn uitsluitend de 44 sociale huurwoningen benoemd, aangezien dat de woningen zijn die door Stek geëxploiteerd zullen worden. Op die manier draagt Stek bij aan het volkshuisvestelijk beleid in de gemeente Hillegom. De overige 36 woningen uit het beoogde plan worden niet door Stek geëxploiteerd en maken daarom geen deel uit van de projectenlijst bij de prestatieafspraken. Ten aanzien van de 44 sociale huurwoningen in het plan zijn in de Meerjarige Prestatieafspraken gemeente Hillegom 2022-2025 geen specifieke, nadere afspraken vastgelegd.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

29

Toetsing Gezien het voorgaande passen de sociale huurwoningen in het beoogde plan binnen de Meerjarige Prestatieafspraken gemeente Hillegom 2022-2025. Daar komt nog bij dat deze prestatieafspraken primair bindend zijn voor de drie betrokken partijen en geen algemeen geldend beleid betreffen (de prestatieafspraken zijn immers ook niet formeel als gemeentelijk beleid gepubliceerd). Om die reden wordt een nadere, inhoudelijke toetsing aan de prestatieafspraken in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig geacht. Groenbeleidsplan 2014-2023 Het Groenbeleidsplan 2014-2023 is door de gemeenteraad op 15 april 2015 vastgesteld. In dit groenbeleidsplan kiest de gemeente voor groen als vast onderdeel van de ruimtelijke ordening, waarbij het volgende uitgangspunt is geformuleerd: Groen is niet langer het vullen van de restruimtes, maar net zo belangrijk als bijvoorbeeld voldoende parkeermogelijkheid, waterberging en woningbouwdoelstellingen. Groen is voortaan een belangrijke bouwsteen in het ontwikkelen van de algehele ruimtelijke kwaliteit. Hillegom wil hoogwaardig groen in voldoende mate, dat bereikbaar en bruikbaar is voor velen. Om dat te bereiken wordt groen bij elke ruimtelijke ontwikkeling serieus meegewogen.

Dit uitgangspunt krijgt in het groenbeleidsplan specifiek voor inbreiding, waarvan in dit geval sprake is, met name invulling via een norm van 15-25% groen ingericht oppervlak binnen het projectgebied of 50-75 m2 groen per nieuwe c.q. extra woning en een norm van 0,9 boom per nieuwe c.q. extra woning. In aanvulling hierop is nog van belang dat het plangebied onderdeel is van een gebied dat in het groenbeleidsplan is aangewezen als ‘basiswijk’, waarvoor de belangrijkste ambitie als volgt is geformuleerd: Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groenareaal minimaal gelijk blijven. De kwaliteit van het groen moet omhoog, omdat de [nu in de basiswijk aanwezige] grote oppervlakten gras en oevers nauwelijks gebruikswaarde bieden voor de omwonenden. Toetsing Zoals in paragraaf 2.2 al is beschreven, neemt het groenareaal in het plangebied als gevolg van het beoogde woningbouwplan aanzienlijk toe. Daar komt bij dat met de voorziene groenzone, inclusief wandelpaden, wordt voorzien in groen met gebruikswaarde. Het plan geeft daarmee nadrukkelijk invulling aan de hiervoor genoemde, centrale ambitie voor een ‘basiswijk’, die in dit geval aan de orde is. Ten aanzien van de genoemde normen geldt het volgende: -

In het plangebied is 1.705 m2 openbaar groen voorzien, waarmee 30% van de oppervlakte het plangebied groen wordt ingericht (dit is nog exclusief het voorziene gebouwgebonden groen). Aan de norm van 15-25% wordt ruimschoots voldaan.

-

In het plangebied zijn ten opzichte van de huidige situatie 20 extra woningen voorzien en wordt 1.338 m2 openbaar groen toegevoegd. Per extra woning komt dit neer op een

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

30

toevoeging van bijna 67 m2 openbaar groen (ook dit is nog exclusief het voorziene gebouwgebonden groen). Aan de norm van 50-75 m2 wordt daarmee voldaan. -

In het plangebied zijn ten opzichte van de huidige situatie 20 extra woningen voorzien, wat neerkomt op een boomnorm c.q. toevoeging van 18 extra bomen in het plangebied. Gezien de extra oppervlakte openbaar groen die is voorzien, biedt het plangebied voldoende ruimte voor deze extra bomen. Voor de verdere uitwerking van het inrichtingsplan voor het openbaar groen is het uitgangspunt dat wordt voldaan aan de norm van 0,9 boom per extra woning.

Gelet op het voorgaande, is het plan in overeenstemming met het Groenbeleidsplan 2014-2023. Het plan voorziet in een aanzienlijke toevoeging van openbaar groen in het plangebied, met de daarbij gewenste gebruikskwaliteit.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

31

4

Milieu- en omgevingsaspecten

In het kader van een ruimtelijke procedure moet voor een aantal wettelijk verplichte haalbaarheidsaspecten aangetoond te worden dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling moet inzichtelijk gemaakt worden of er vanuit milieu-hygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt voor de ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd.

Milieueffectrapportage Milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport (m.e.r.) of m.e.r.-beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die (aanzienlijke) nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit betekent dat de plannen of activiteiten ook een bepaalde omvang moeten hebben om m.e.r.-(beoordelings)plichtig te zijn. De plannen voor het plangebied hebben echter niet een omvang die het bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig maken. Hieronder wordt een en ander nader toegelicht. Aan de hand van de in het Besluit m.e.r. omschreven m.e.r.-plichtige activiteiten met de bijbehorende drempelwaarden, kan worden bepaald of een project m.e.r.-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) is. Echter, als gevolg van het Arrest van het Europese Hof van 17/10/2009 (C-255/08) moet hierbij ook gekeken te worden naar andere factoren als bedoeld in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een m.e.r.

of m.e.r-beoordeling, hoewel de drempelwaarde van de desbetreffende categorie van de Dlijst niet wordt overschreden. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. De onderhavige ontwikkeling valt onder activiteit D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of wanneer het gaat om een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Zie tabel 4.1.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

32

Categorie

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D 11.2

De aanleg, wijziging of

In gevallen waarin de activiteit De structuurvisie, bedoeld in

uitbreiding van een

betrekking heeft op:

de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van bedoeld in artikel 3.6,

stedelijk

1°. een oppervlakte van 100

de Wet ruimtelijke ordening,

eerste lid, onderdelen a en

ontwikkelingsproject met

hectare of meer,

en het plan, bedoeld in artikel

b, van de Wet ruimtelijke

inbegrip van de bouw van

2°. een aaneengesloten

3.1, eerste lid, van die wet.

ordening dan wel bij het

winkelcentra of

gebied en 2000 of meer

ontbreken daarvan van het

parkeerterreinen.

woningen omvat, of

plan, bedoeld in artikel 3.1,

3°. een

eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan,

bedrijfsvloeroppervlakte van

Tabel 4.1

200.000 m2 of meer.

Categorie 11.2, bijlage 2, onderdeel D van het Besluit m.e.r. Bij de beoordeling of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is het nodig om rekening te houden met de (selectie)criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn 2011/92/EU, die in hoofdzaak de onderwerpen ‘kenmerken van het project’, ‘locatie van het project’ en ‘soort en kenmerken van het potentiële effect’ betreffen. Tot slot is van belang dat het bevoegd gezag in het kader van de m.e.r. (op grond van artikel 7.19 van de Wet milieubeheer) een expliciet besluit dient te nemen, ook als een m.e.r. of formele m.e.r.beoordeling niet aan de orde is. Dit besluit moet zijn genomen voor het moment waarop een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling (80 woningen) ligt ruim onder de bovengenoemde drempelwaarde (2.000 woningen) waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Gelet hierop is daarom de vraag of sprake is van (de aanleg, wijziging of uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Dit is gelet op onder andere de toename van het aantal woningen en de bouwhoogten het geval. Om die reden is door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opgesteld (zie bijlage I).

De conclusie van deze aanmeldingsnotitie is dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uit te sluiten, waardoor een m.e.r. niet noodzakelijk is. Op grond van artikel 7.19 van de Wet milieubeheer is deze conclusie door het bevoegd gezag, te weten de Omgevingsdienst West-Holland namens burgemeester en wethouders van Hillegom, overgenomen en op 19 juli 2023 in een m.e.r.-beoordelingsbesluit vastgelegd (zie bijlage X). Conclusie Op basis van het voorgaande en met inachtneming van de hierna beoordeelde milieu- en omgevingsaspecten wordt verwacht dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en dat daarom geen milieueffectrapport (m.e.r.) nodig is voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

33

Parkeren en verkeer Parkeren De parkeerbehoefte van het plan is berekend aan de hand van het parkeerbeleid van de gemeente Hillegom. Het gemeentelijke parkeerbeleid is opgenomen in de Nota Parkeernormen 2016. Het plangebied aan de Graaf Janlaan valt daarbij onder het gebied ‘overig Hillegom’. Onderstaande tabel geeft de voor woningen te hanteren parkeernormen weer.

Tabel 4.2 Parkeernormen voor woningen (bron: Nota Parkeernormen 2016). De gestapelde woningen in het plan hebben een brutovloeroppervlakte die binnen de range van 65 - 120 m2 bvo ligt. Voor de voorgenomen woningen geldt daarom in beginsel de parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning, met een aandeel voor bezoekers van 0,3 parkeerplaats. Conform het gemeentelijke parkeerbeleid mag bij sloop en nieuwbouw bij het bepalen van de parkeernorm rekening worden gehouden met de aanwezige parkeergelegenheid in de bestaande situatie. Specifiek het aspect parkeren is integraal voor fase 1 en 2 van het project ‘Graaf Janlaan’ beschouwd. In de bestaande situatie zijn in het projectgebied 120 woningen aanwezig, die parkeergelegenheid met een totale omvang van 96 parkeerplaatsen gebruiken. In totaal worden in het kader van het project 41 woningen toegevoegd, waarvan 21 in fase 1 en 20 in fase 2. Het voorgaande betekent dat er voor fase 1 en 2 in totaal (41 x 1,8=) 74 parkeerplaatsen moeten worden toegevoegd aan de bestaande parkeervoorraad om te voldoen aan het gemeentelijke parkeerbeleid. De benodigde toevoeging van 74 parkeerplaatsen wordt binnen het totale project ‘Graaf Janlaan’ op de volgende wijze gerealiseerd: -

Langs de openbare weg worden parkeerplaatsen toegevoegd. Aan de Juliana van Stolberglaan, Willem de Zwijgerlaan en Willem de Rijkelaan worden in totaal 11 parkeerplaatsen verwijderd. Vervolgens worden aan de Frederik Hendriklaan, Graaf Janlaan en Willem de Zwijgerlaan 42 parkeerplaatsen toegevoegd. Dit resulteert in een netto toevoeging van 31 parkeerplaatsen langs de openbare wegen. Alle nieuwe parkeerplaatsen worden uitgevoerd als langsparkeerplaatsen.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

34

-

Binnen het projectgebied worden twee parkeerkoffers voorzien, één betreft een uitbreiding van de bestaande parkeerkoffer ter plaatse van het deelgebied van fase 1 en één nieuwe in het plangebied. Deze parkeerkoffers omvatten respectievelijk 20 extra en 23 nieuwe parkeerplaatsen. De totale toevoeging in deze parkeerkoffers is daarmee 43 parkeerplaatsen.

Met de hiervoor beschreven aanleg van parkeerplaatsen worden in het projectgebied 74 extra parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee op projectniveau wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen. Verkeer De verkeersgeneratie als gevolg van het plan is berekend met behulp van de kengetallen voor verkeersgeneratie van de CROW. De locatie ligt in de categorie ‘rest bebouwde kom’ van een ‘matig stedelijk gebied’. Dit is in lijn met de indeling die de gemeente hanteert in de Nota Parkeernormen. De volgende kengetallen worden gehanteerd. Categorie woning

Aantal

Verkeersgeneratie

Totaal

per woning

(afgerond)

huur, appartement, duur (worst case)

36

5,2 – 6,0

188 – 216

huur, appartement, midden/goedkoop (incl.

44

3,2 – 4,0

141 – 176

sociale huur) Totaal plan

329 – 392

huur, appartement, midden/goedkoop (incl.

60

3,2 – 4,0

192 – 240

sociale huur) Totaal bestaande situatie

192 – 240

Tabel 4.3 Kengetallen verkeersgeneratie. In totaal heeft het plan dus een verkeersgeneratie van minimaal 329 en maximaal 392 verkeersbewegingen per etmaal. In de bestaande situatie is sprake van een verkeersgeneratie van minimaal 192 en maximaal 240 bewegingen. De toename is dus minimaal 137 en maximaal 152 bewegingen per etmaal. Er van uitgaande dat vrijwel alle van deze bewegingen plaatsvinden in de periode 07.00 – 23.00 is er sprake van een extra verkeersgeneratie van circa 9 á 10 verkeersbewegingen per uur. Gezien de ontsluitingsfunctie, gebruiksintensiteit en capaciteit van de omliggende ontsluitingswegen is deze toename beperkt. Daarnaast is de te rijden afstand van en naar de Weerlaan (een belangrijke ontsluitingsroute in Hillegom) kort: de afstand van verst gelegen parkeerplaatsen aan de Frederik Hendriklaan of Juliana van Stolberglaan is circa 270 meter. Voor het grootste deel van de auto’s (van de parkeerkoffers tussen de woongebouwen) is de afstand echter veel korter, circa 120 meter. Het verkeer kan daarom naar verwachting zonder noemenswaardige problemen in het reguliere verkeersbeeld opgenomen worden. Door de lage snelheid op de ontsluitingswegen (30 km/u) worden verder geen onaanvaardbare verkeerseffecten

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

35

verwacht. Waarschijnlijk zal de verkeerintensiteit iets hoger zijn in het ochtend- en avondspitsuur dan tijdens de rest van de dag, echter is de toename in verkeersbewegingen dermate beperkt dat hier geen belemmeringen te verwachten zijn. Conclusie De aspecten parkeren en verkeer vormen geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. In artikel 5.16 van de Wm is vastgelegd dat voor een plan dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, geen uitgebreid luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd hoeft te worden en het plan doorgang kan vinden. Met andere woorden, draagt een project niet of niet in betekenende mate bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering. De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdrage kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit. Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd.

NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In het Besluit NIBM is in artikel 5 een zogenaamde anticumulatiebepaling opgenomen. Hiermee wordt de verplichting opgelegd om nieuwe plannen die van dezelfde ontsluitingswegen gebruik maken en individueel als NIBM aan te merken zijn, ook als één geheel te beschouwen. Hiermee wordt voorkomen dat een groot plan met een grote invloed op de luchtkwaliteit opgedeeld wordt in kleinere NIBM deelplannen. Beoordeling In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn een aantal activiteiten opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Hieronder vallen woningbouwlocaties die, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten. De

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

36

voorgenomen ontwikkeling betreft per saldo 20 nieuwe woningen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruimschoots onder de grens voor niet in betekenende mate. Op grond van het voorgaande valt geen negatief effect op de luchtkwaliteit c.q. een toename van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) ter plaatse te verwachten. Heersende luchtkwaliteit Toetsing aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) is gezien het voorgaande niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna nog wel kort ingegaan op de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in het plangebied, in relatie tot de geldende grenswaarden. Via het dichtst bij het plangebied gelegen rekenpunt op de kaart van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ten oosten van het plangebied aan de Willem de Zwijgerlaan) zijn hierover de volgende data verkregen: -

De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) bedroeg circa 15,5 µg/m3 in 2020.

-

De jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) bedroeg circa 16,6 µg/m3 in 2020

-

De jaargemiddelde concentratie zeer fijnstof (PM2,5) bedroeg circa 8,5 µg/m3 in 2020.

Voor stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijnstof zijn voor het jaargemiddelde respectievelijk de volgende grenswaarden van toepassing: 40 μg/m3 (NO2), 40 μg/m3 (PM10) en 25 μg/m3 (PM2,5). Aan deze grenswaarden wordt in het plangebied ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Geluid Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet 'geluidgevoelige bestemmingen' zoals wonen, zorg en onderwijs. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een ruimtelijk plan: -

bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een zone;

-

bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe gezoneerde (spoor) wegen (niet zijnde rijkswegen of hoofdspoorwegen vallend onder de Wet milieubeheer);

-

reconstructie van gezoneerde wegen (niet zijnde rijkswegen);

-

bestemmen van gronden voor gezoneerde industrieterreinen;

-

wijzigen van de grenzen van gezoneerde industrieterreinen of bijbehorende zones.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

37

De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 4853 dB voor rijkswegen en 48-63 dB voor lokale wegen, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). Beoordeling De voorgenomen woningen betreffen geluidgevoelig objecten, die zijn geprojecteerd binnen de geluidzone van de Weerlaan en de Meerlaan. Om die reden is een akoestisch onderzoek voor wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie ook bijlage II). De conclusies van dit onderzoek luiden als volgt: -

Meerlaan: de berekende geluidbelasting is ten hoogste 42 dB na toepassing van 5 dB aftrek. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden. Vanuit de Wet geluidhinder zijn er vanwege deze weg géén bezwaren tegen de ontwikkeling van woningen.

-

Weerlaan: de berekende geluidbelasting is ten hoogste 56 dB na toepassing van 5 dB aftrek. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 8 dB overschreden. Bij dit project zijn geluidbeperkende maatregelen geen optie. Deze maatregelen zijn niet doeltreffend genoeg en kennen technische, financiële en/of stedenbouwkundige bezwaren. De gemeente Hillegom kan in dit geval een hogere waarde voor de geluidbelasting vaststellen. Daar zijn wel voorwaarden aan verbonden.

-

Er wordt niet zondermeer voldaan aan de specifieke criteria die de gemeente Hillegom hanteert voor het vaststellen van hogere waarde voor wegverkeerslawaai. In bijlage IV [bij het akoestisch onderzoek] is per bouwlaag aangegeven met welke afschermende voorzieningen ter plaatse van balkons er wél voldaan kan worden aan de criteria die gehanteerd worden door de gemeente Hillegom.

-

30 km/u-wegen: de geluidbelasting vanwege omliggende 30 km/u-wegen is ten hoogste 48 dB na toepassing van de wettelijke aftrek. Hiermee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

-

De gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeer is ten hoogste 61 dB zonder toepassing van de wettelijke aftrek vanaf de 1e verdieping voor woningen langs de oostgevel. We adviseren om de geluidwerende maatregelen af te stemmen op de gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeer, zodat toekomstige bewoners beter beschermd worden tegen de geluidbelasting in de omgeving.

Uit het onderzoek blijkt dat voor 43 woningen in het plangebied hogere waarden vanwege de geluidbelasting door wegverkeer over de Weerlaan nodig zijn. Om te voldoen aan het gemeentelijk beleid voor hogere waarden zijn daarbij voor 27 balkons langs de Weerlaan (en één balkon langs de Willem de Rijkelaan) akoestisch gesloten borstweringen en akoestisch absorberende plafonds nodig. Voor de borstweringen varieert de benodigde hoogte daarbij tussen de 1,2 en 1,8 meter, met als uitgangspunt dat de uitvoering hiervan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

38

Conclusie Het aspect geluid vormt, met inachtneming van de aan te vragen hogere waarden en benodigde afschermende c.q. akoestische voorzieningen ter plaatse van balkons, geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Bedrijven en milieuzonering De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid moet erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Tabel 4.4 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

39

van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de tabel 4.4 zijn de richtafstanden weergegeven.

Beoordeling Vanwege de ligging in een woongebied kan het omgevingstype geclassificeerd worden als een ‘rustige woonwijk’. In een straal van minimaal 120 meter om het plangebied zijn in het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden Treslong-Meer en Dorp’ vrijwel uitsluitend woonbestemmingen aanwezig. Binnen deze bestemming zijn naast woningen ook aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten toegestaan. Onder deze activiteiten wordt respectievelijk verstaan: het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, ontwerptechnisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch of daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, dat ondergeschikt aan de woonfunctie thuis kan plaatsvinden’’ en ‘’het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer geldt en waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. Uitgangspunt is dus dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en dat de ruimtelijke uitstraling niet wordt aangetast. Hiermee is geborgd dat de toegestane activiteiten geen belemmering vormen voor de beoogde woningen in het plangebied. In het vigerende bestemmingsplan zijn ook enkele maatschappelijke bestemmingen van toepassing: -

Circa 63 meter ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een fysiotherapeut. Deze functie behoort tot milieucategorie 1 uit de VNG-lijst, met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand.

-

Circa 115 meter ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een kinderopvang. Deze functie behoort tot milieucategorie 2 uit de VNG-lijst, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand.

-

Circa 160 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een basisschool. Deze functie behoort tot milieucategorie 2 uit de VNG-lijst, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand.

Verder bevinden zich in de omgeving geen bedrijven die een belemmering vormen voor de in het plangebied geprojecteerde woningen.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

40

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Externe veiligheid Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: -

Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);

-

Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen);

-

Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen;

-

Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten.

Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen. -

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.

-

Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10 -5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar.

Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

41

verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Beoordeling Ontwikkeling in relatie tot de omgeving In het onderhavige plan worden geen functies mogelijk gemaakt die tot een risicovolle inrichting behoren. Ook wordt er geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. De ontwikkeling heeft geen invloed op de veiligheid in het gebied. Omgeving in relatie tot de ontwikkeling Op basis van de Risicokaart zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportwegen voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig. In de toelichting van het vigerende bestemmingsplan wordt in het kader van het aspect externe veiligheid verder nog toegelicht dat alleen het zwembad aan de Vosselaan relevant is omdat er opslag plaatsvindt van chloor en zwavelzuur. Echter is de omvang van de opslag dusdanig beperkt dat dit geen beperkingen oplevert voor de omgeving. Er zijn dan ook geen risicocontouren aanwezig die tot het plangebied reiken. Daar komt bij dat de onderlinge afstand ruim 350 meter bedraagt.

Wel volgt uit informatie van de Omgevingsdienst West-Holland dat het plangebied (net) binnen het invloedsgebied van de regionale transportroute voor gevaarlijke stoffen over de N208 ligt. Dit invloedsgebied reikt tot 880 meter vanaf de N208 en het plangebied ligt op een afstand van 800 meter. Het voorgaande betekent dat bij een incident met toxische stoffen op de N208 een giftige gaswolk kan ontstaan die het plangebied kan bereiken. Hierover is door de omgevingsdienst het volgende geadviseerd: Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Het plan heeft verder geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Bodem In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

42

past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Beoordeling Bij de Omgevingsdienst West-Holland zijn voor het plangebied geen bodemonderzoeken bekend. Wel zijn er historische gegevens voor handen. Relevant is dat in het verleden op de locatie een sierplanten- en struikenkwekerij en bloembollen- en bloemknollenkwekerij aanwezig zijn geweest. Voor 1961 lag de locatie nog in het landelijk gebied en waren er meerdere sloten aanwezig. Deze sloten zijn in 1961 gedempt, waarna de huidige woningen zijn gebouwd. Het is niet bekend met welk materiaal de sloten zijn gedempt. Daarom zijn de dempingen verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen. De locatie ligt verder niet in een toemaakdekgebied, en tevens zijn er geen ondergrondse tanks bekend. Gezien het voorgaande is door de omgevingsdienst geadviseerd om voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd (zie bijlage III) en daarin is het volgende geconcludeerd: -

De bovengrond is licht verontreinigd met zware metalen, PAK en/of PCB. Deze grond is geclassificeerd als “altijd toepasbaar” of ”wonen”.

-

Plaatselijk is in de bovengrond een gehalte aan PFOS aangetoond boven de achtergrondwaarde waardoor voor hergebruik van de grond toepassingsbeperkingen gelden.

-

De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen en/of PAK. Deze grond is geclassificeerd als “altijd toepasbaar” of ”wonen”.

-

Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en er is in de fractie < 20 mm geen asbest aangetoond.

-

Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium en zink.

De samenvattende conclusies luiden daarbij als volgt: -

Er zijn geen verontreinigingen aangetoond in gehalten/concentraties boven de tussenwaarde; het uitvoeren van een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

-

De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen werkzaamheden. Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

43

Water Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Waterwet In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal.

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Hoogheemraadschap Rijnland – Keur 2020 Het Hoogheemraadschap van Rijnland zorgt voor een veilig en gezond watersysteem voor het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Om het watersysteem zo optimaal mogelijk te laten functioneren, heeft een waterschap de bevoegdheid, op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet, verordeningen vast te stellen die het nodig acht voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan een waterschap worden opgedragen, betreffen – volgens artikel 1 van de Waterschapswet – de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater en eventueel kan nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. Ook de Omgevingsverordening, Waterverordening Rijnland en het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland bepalen de kaders. Naast voornoemde wet- en regelgeving, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen. De keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: -

voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met;

-

bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en

-

vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

44

Beoordeling Ten behoeve van het beoogde plan is op 22 maart 2022 een digitale watertoets uitgevoerd. Op basis van de ingevoerde gegevens is de conclusie dat het Hoogheemraadschap van Rijnland voor dit plan de korte procedure hanteert. Naar aanleiding van de digitale watertoets is door het hoogheemraadschap ook een advies uitgebracht, waarin vooral is gewezen op het relevante, watergerelateerde beleid en hoe de initiatiefnemer hiermee rekening kan houden. Over het plan zijn daarbij geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt, waarmee het advies een positief karakter heeft c.q. geen belemmering vormt. Het plan heeft een beperkte invloed op het watersysteem. In of in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen waterkeringen, oppervlaktewateren (of bijbehorende beschermingszones) of kunstwerken in het watersysteem. Verhard oppervlak/waterberging Voor het uitbreiden van het verhard oppervlak geldt conform de Keur en Uitvoeringregels van het Hoogheemraadschap (onder andere) dat bij het aanleggen van minder dan 500 m2 verharding alleen de zorgplicht van toepassing is. Bij een dergelijke kleine uitbreiding worden negatieve effecten voor het watersysteem niet aan de orde geacht en hoeven dan ook geen extra maatregelen genomen te worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2.

Gezien de huidige inrichting van het plangebied is juist sprake van een afname van verharding. Compenserende c.q. waterbergende maatregelen zijn op grond van de Keur en Uitvoeringregels van het Hoogheemraadschap dan ook niet aan de orde. Riolering en waterkwaliteit Vanuit het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 van de gemeente Hillegom wordt geadviseerd om bij nieuwbouw een gescheiden rioleringssysteem aan te leggen, waarbij het hemelwater en afvalwater gescheiden worden afgevoerd. Hemelwater moet op het eigen terrein verwerkt worden. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Gebieds- en soortenbescherming Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

45

(hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar moet het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde.

Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. Beoordeling Soortenbescherming: natuurtoets In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage IV). De conclusies van deze natuurtoets zijn inzake de soortenbescherming als volgt: -

De beoogde ontwikkeling is mogelijk strijdig met de Wnb vanwege het mogelijk voorkomen van beschermde soorten en/of beschermde functies. Het gaat hierbij om: o

Verblijfplaatsen van vleermuizen

o

Jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw, huismus en sperwer

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

46

o

Tijdens het broedseizoen beschermde vogelnesten

Soortenbescherming: nader onderzoek en ontheffing Vanwege het voorgaande is in het kader van de soortenbescherming nader onderzoek naar vleermuizen en de vogelsoorten gierzwaluw, huismus en sperwer uitgevoerd (zie bijlage V). De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: -

In het plangebied ontbreekt het aan beschermde functies van huismus en sperwer. Van gierzwaluw zijn nestplaatsen en van gewone dwergvleermuis zijn zomer- en paarverblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Voor gierzwaluw en gewone dwergvleermuis zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Te denken valt aan het werken buiten kwetsbare periodes, het plaatsen van tijdelijke en permanente alternatieve nest- en verblijfplaatsen en ecologische begeleiding.

Het voorgaande betekent dat vanwege verwachte negatieve effecten op gierzwaluw en gewone dwergvleermuis een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Deze ontheffing is inmiddels aangevraagd. Een ontheffing kan alleen worden verkregen als: 1.

De staat van instandhouding niet verslechterd.

2.

Het belang van het voornemen een overtreding rechtvaardigt (wettelijk belang).

3.

Uit een alternatievenafweging blijkt dat er ten aanzien van bijvoorbeeld de locatie, planning, inrichting en ontwerp en werkwijze geen reële opties zijn die gunstiger uitpakken voor benadeelde soorten.

Hierna is gemotiveerd hoe aan deze (ontheffing)voorwaarden voldaan kan worden, op basis van het activiteitenplan dat ten grondslag is gelegd aan de ontheffingsaanvraag. Het activiteitenplan ziet echter op zowel fase 1 als 2 van het woningbouwplan, terwijl deze toelichting c.q. dit bestemmingsplan alleen fase 2 betreft. Waar nodig zijn de onderstaande tekstpassages uit het activiteitenplan daarom aanvullend toegespitst op het plangebied voor fase 2. 1.

Staat van instandhouding:

Gewone dwergvleermuis; Afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding vindt niet plaats. Het voornemen betreft een in verhouding gering aantal verblijfplaatsen. Door het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen vindt geen afbreuk plaats aan de staat van instandhouding. De tijdelijke en permanente voorzieningen zorgen ervoor dat er te allen tijde beschikbare verblijfplaatsen aanwezig zijn. Zowel tijdens als na de werkzaamheden. Doordat de planning wordt afgestemd op gewone dwergvleermuis, huidige verblijfplaatsen vooraf ongeschikt gemaakt worden en een controle op de aanwezigheid van gewone dwergvleermuis wordt uitgevoerd, wordt het verwonden en/of doden van gewone dwergvleermuis voorkomen. Hierdoor blijven de lokale populatie en de beschikbare verblijfplaatsen behouden. Door het hanteren van een compensatiefactor van minstens 4 voor alternatieve verblijfplaatsen in de toekomstige situatie en het vergroenen van de wijk, krijgt het leefgebied van gewone dwergvleermuis een kwaliteitsimpuls. Cumulatieve effecten zijn uitgesloten.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

47

Om voorgaande redenen is er geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis. Gierzwaluw; Afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van gierzwaluw vindt niet plaats. Het voornemen betreft een klein aantal nestplaatsen. Door het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen vindt geen afbreuk plaats aan de staat van instandhouding. De tijdelijke en permanente voorzieningen zorgen ervoor dat er te allen tijde beschikbare nestplaatsen aanwezig zijn. Zowel tijdens als na de werkzaamheden. Doordat de planning wordt afgestemd op gierzwaluw, huidige nestplaatsen vooraf ongeschikt gemaakt worden en een controle op de aanwezigheid van gierzwaluw wordt uitgevoerd, wordt het verwonden en/of doden van deze soort voorkomen. Hierdoor blijven de lokale populatie en de beschikbare nestplaatsen behouden. Door het hanteren van een compensatiefactor van minstens 10 voor alternatieve nestplaatsen in de toekomstige situatie krijgt het leefgebied van gierzwaluw een kwaliteitsimpuls. Cumulatieve effecten zijn uitgesloten. Om voorgaande redenen is er geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van gierzwaluw. 2.

Wettelijk belang:

Landelijk is sprake van een tekort van circa 300.000 woningen. Er zijn lange wachttijden voor sociale huurwoningen en op koophuizen wordt flink overboden (NOS, 2021). De koers van de Omgevingsvisie Hillegom 2030 is verduurzamen, het bevorderen van de gezondheid en het behouden en verbeteren van het woon- en leefklimaat. De 120 verouderde woningen [waarvan 60 in het plangebied voor fase 2] met bouwjaar 1958 en het omliggende plangebied sluiten niet aan op de visie van de gemeente. De woningen uit de jaren 50 zijn sterk verouderd, hebben een laag energielabel, zijn gehorig en hebben een indeling niet passend bij de woonbehoefte van nu en in de toekomst. De woningen voldoen niet aan de (brand)veiligheidseisen anno 2022, in de woningen is asbest aanwezig en de slechte isolatie en ventilatie zorgen voor een ongezond binnenklimaat. Daarnaast is er een flinke parkeerdruk in de wijk en kent het gebied nagenoeg geen openbare ruimte en groen. Aan de oostzijde van het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van de geluidsbelasting overschreden door het verkeer op de Weerlaan tot een geluidsbelasting van maximaal 58 dB. De herontwikkeling biedt de kans circa 160 nieuwbouwwoningen [waarvan 80 in het plangebied voor fase 2] ten opzichte van de huidige 120 woningen [waarvan 60 in het plangebied voor fase 2] te realiseren die qua duurzaamheid en woonbehoefte klaar zijn voor de toekomst.

Het voornemen draagt door een toename van 40 woningen [waarvan 20 in het plangebied voor fase 2] bij aan het tegengaan van de landelijke woningnood. Ook wordt ruim 4200 m2 openbaar gebied [waarvan circa 1.500 m2 in het plangebied voor fase 2] toegevoegd wat voorheen, veelal versteend/verhard, privébuitenruimte was. Hierdoor vindt een enorme vergroening plaats van het plangebied wat zorgt voor een gezond leefklimaat, goede waterhuishouding en meer ruimte voor groen en beschermde soorten. Op het gebied van veiligheid worden gewone straten woonerf en komen er extra parkeerplekken wat voorkomt dat net als in de huidige situatie wordt geparkeerd buiten parkeervakken zoals op het trottoir. Bij de nieuwbouw wordt tevens rekening gehouden met de geluidsbelasting. Er wordt geluidswering toegepast bij de buitenruimtes (balkons) en er is in het openbaar gebied aan de geluidsluwe kant aandacht voor ontspannen verblijfsplekken in het groen. De beoogde ontwikkeling komt de gezondheid en veiligheid van de bewoners ten goede. Het

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

48

voornemen zorgt tevens voor verduurzaming en daarmee voor het milieu wezenlijk gunstige effecten en zorgt voor verlichting van de druk op de woningmarkt. 3.

Alternatievenafweging:

Sloop en herontwikkeling; Een grootschalige renovatie in plaats van sloop en nieuwbouw heeft een enorme impact op de bewoners en het gebied, is zeer kostbaar en levert niet het gewenste resultaat passend bij de Omgevingsvisie van de gemeente Hillegom. De sloop van de 120 verouderde woningen [waarvan 60 in het plangebied voor fase 2] en een herontwikkeling van het plangebied is onvermijdelijk. Renovatie van de bestaande bebouwing met behoud van de nest- en verblijfsplaatsen is niet mogelijk. Renovatie zou tevens een zelfde negatief effect op nest- en verblijfplaatsen hebben als sloop en nieuwbouw. Bij renovatie van de woningen zouden de nest- en verblijfplaatsen immers ook verloren gaan. Anders dan bij renovatie kan bij de nieuwbouw echter makkelijker een nest- of verblijfplaats worden geïntegreerd in het ontwerp. Dit maakt het makkelijker de nieuwe permanente voorzieningen voor gewone dwergvleermuis en gierzwaluw te plaatsen. Vanwege de matige bouwkundige staat en het verouderde karakter van de bestaande woningen en het plangebied zijn deze hiervoor ongeschikt. Zodoende bestaan er geen geschikte alternatieven voor de voorgenomen ontwikkeling. Locatie; De problemen met betrekking tot de verouderde staat zijn net als de aangetroffen nest- en verblijfplaatsen locatiegebonden. De werkzaamheden zijn noodzakelijk vanwege een slechte bouwtechnische staat van de huidige woningen.

De huidige woningen zijn niet toekomstbestendig en zijn niet energiezuinig. De keuze voor herontwikkelen is uitvoerig overwogen en onderzocht op alternatieven. Het is niet mogelijk om de voorgenomen woningbouw op een andere locatie te realiseren. De woonbehoefte bevindt zich juist binnen de kern van Hillegom en in omliggend (landbouw)gebied is geen ruimte bestemd voor woningbouw. Bovendien is niet uitgesloten dat woningbouw op alternatieve locaties leidt tot verstoring van soorten die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, met name wanneer dit in het landelijk gebied zou zijn. Er is hier bewust een keuze gemaakt voor inbreiding zodat geen druk gelegd wordt op het buitengebied en dit beschikbaar blijft voor andere natuurwaarden. Planning, werkwijze en inrichting; De plannen zullen zodanig worden uitgevoerd dat zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezige beschermde soorten. Er worden maatregelen genomen om de negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen, te verminderen en/of te compenseren. Er wordt voldoende rekening gehouden met de kwetsbare periodes van gewone dwergvleermuis en gierzwaluw. Bij het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen worden de gestelde gewenningsperiodes uit de kennisdocumenten van BIJ12 per soort gehanteerd.

Verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis worden tijdelijk en permanent gecompenseerd met minstens factor 4. Nestplaatsen van gierzwaluw worden zowel tijdelijk als permanent gecompenseerd met minstens factor 10. In de nieuwbouw zijn nest- en verblijfplaatsen opgenomen in het ontwerp voor de gewone dwergvleermuis en gierzwaluw in het gebied. In de tijdelijke en nieuwe situatie zijn daarmee meer dan voldoende geschikte nest- en verblijfplaatsen aanwezig. Qua planning, werkwijze en inrichting zijn er geen alternatieven die gunstiger uitpakken voor de aanwezige (nest- en verblijfplaatsen van) gewone dwergvleermuis en gierzwaluw.

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

49

Op basis van de voorgaande motivering en met het treffen van de maatregelen zoals hiervoor benoemd (zoals ook uitgebreider beschreven in het activiteitenplan) ligt het in de lijn der verwachting dat de ontheffing wordt verleend. Daarbij kan niet uitgesloten worden dat voorschriften met maatregelen onderdeel uitmaken van de ontheffing. De Wet natuurbescherming staat ten aanzien van de soortenbescherming dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan. Gebiedsbescherming: natuurtoets Het plangebied ligt niet in of binnen de invloedsfeer van een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming en/of NNN. In de genoemde natuurtoets is daarom ook aangegeven dat een toetsing op beschermde gebieden niet van toepassing is (met uitzondering van stikstofdepositie, zie hierna). In aanvulling hierop is nog van belang dat het plangebied geen onderdeel is van de volgende provinciaal aangewezen gebieden: de strategische reservering natuur, het belangrijk weidevogelgebied en de karakteristieke landschapselementen. Dit houdt in dat ook deze provinciaal beschermde gebieden geen belemmering vormen voor het in het plangebied voorziene woningbouwplan.

Gebiedsbescherming: stikstofdepositie Gezien de in de bouw- en gebruiksfase van het project verwachte inzet van materieel en verkeersbewegingen is een mogelijk effect vanwege de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Daar komt bij dat de bouw- en gebruiksfase vanuit het kader van de Wet natuurbescherming en de m.e.r.-beoordeling (cumulatie, zie verder paragraaf 4.1 en bijlage I) in samenhang voor fase 1 en 2 van het project ‘Graaf Janlaan’ moet worden beschouwd. Om die reden is een stikstofberekening voor de bouw- en gebruiksfase van het project uitgevoerd (zie bijlage VI), waarin nadrukkelijk fase 1 en 2 gezamenlijk zijn beoordeeld. De conclusies van deze stikstofberekening luiden als volgt: -

Uit het voorliggende onderzoek blijkt dat stikstofemissies tijdens de bouw- en gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie per saldo niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar.

-

Hierdoor kan op basis van deze voortoets op voorhand significant negatieve gevolgen ten aanzien van vermesting en verzuring van stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000gebieden worden uitgesloten. Dit betekent tevens dat een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Conclusie

Het aspect gebieds- en soortenbescherming vormt, met inachtneming van de benodigde ontheffing inzake de beschermde soorten gierzwaluw en gewone dwergvleermuis, geen

R0490201aa.2259RXH.jwi | versie 07_001 | 1 september 2023

50

belemmering voor de voorgenomen bouw van de 2 woongebouwen met in totaal 80 woningen in het plangebied aan de Graaf Janlaan in Hillegom.

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1998) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1577/documents/20168