CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

Db03 Raadsbrief ZHPLG-gebiedsplan Duin- en Bollenstreek.pdf

Gemeenteraad 12 februari 2026, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken12.078 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsbrief

ZHPLG-gebiedsplan Duin- en Bollenstreek aan: datum document: ons kenmerk: datum collegevergadering: portefeuillehouder: behandelend ambtenaar: emailadres: embargo: programma:

de raad van de gemeente Hillegom 13 januari 2026 Z-26-485364 27 januari 2026 Dhr. M. Dijkshoorn Eline van der Borg e.vanderborg@hltsamen.nl ☐ Leefomgeving

Ter informatie ontvangt u het Gebiedsplan Kust en Duinen; onderdeel Duin- en Bollenstreek en Oegstgeest (bijlage 1). De Provincie Zuid-Holland (PZH) heeft in het ZH-PLG (Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied) drie kerngebieden aangewezen, omdat het landschap in Zuid-Holland zo verschillend is. Ook de uitdagingen verschillen per gebied. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de bodemopgaven en de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Dit maakt dat men in het veenweidegebied voor andere uitdagingen staat dan aan de kust. Binnen de kerngebieden wordt gewerkt in zestien deelgebieden vanuit een gebiedsgerichte aanpak. Voor het opstellen van het Gebiedsplan Kust en Duinen zijn meerdere (maatschappelijke) organisaties betrokken geweest in (ambtelijke) werkgroepen. Evenals de gemeenten. Ook waren de gemeenten bestuurlijk betrokken in zogenoemde bestuurlijke regiegroepen. De provincie is organisator en penvoerder van dit Gebiedsplan. Als onderlegger voor het Gebiedsplan Kust en Duinen hebben de gemeenten Hillegom, Lisse, Teylingen, Katwijk en Noordwijk op 18 juli jl. het Ontwerp Programma Landelijk Gebied en Duurzame Greenport (Programma LGDG) ingediend als ‘gebiedsbod’. Ondertussen is het Programma LGDG vastgesteld door het college op 16 december 2025 en is in het Gebiedsplan Kust en Duinen rekening gehouden met deze definitieve versie.

De provincie heeft hoofdlijnen en ambities die de opgaven en uitdagingen in het gebied dienen, uit het vastgestelde programma overgenomen in het ZHPLGgebiedsplan Duin- en Bollenstreek. Proces en beoordeling Na het opstarten van samenwerkingsverbanden in de gebieden, was dit de volgende grote stap in de gebiedsprocessen van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG). De Zuid-Hollandse gebieden hebben hiermee de basis gelegd voor verdere samenwerking, voor de toekomst van het gebied. De provincie analyseert de komende maanden de gebiedsplannen. Eind maart wordt duidelijk in hoeverre de plannen bijdragen aan de doelen voor het landelijk gebied. Op basis van deze analyse – ook wel ‘het tweede peilmoment’ genoemd 1

– beslissen Provinciale Staten hóe met een meer generieke aanpak en hóe met een gebiedsgerichte aanpak verder te gaan voor een vitaal landelijk gebied. In de tweede helft van 2026 wil de provincie een besluit kunnen nemen over het financieren van nieuwe projecten uit de gebiedsplannen. Daarvoor is ZuidHolland afhankelijk van hoeveel geld beschikbaar is. In de tussentijd blijven we met alle gebiedspartners werken aan de projecten die al in uitvoering zijn, op basis van o.a. de 188 miljoen euro van de rijksoverheid die begin 2025 beschikbaar werd gesteld voor projecten. Belangrijke inhoudelijke onderwerpen In het Gebiedsplan Kust en Duinen wordt ingezet op onder andere de volgende opgaven: Leefgebieden habitattypen te herstellen en beschermen voor een bevordering van de biodiversiteit. Denk aan groenblauwe dooradering, bossenstrategie en doelstelling boerenlandvogels. Water en bodem sturend als leidend principe. De verbetering van de waterkwaliteit en het waarborgen van voldoende zoetwater, gericht op onder andere zoetwaterbeschikbaarheid en verzilting. De opgave voor waterkwantiteit richt zich op het toekomstbestendig maken van het water- en bodemsysteem, zodat het beter bestand is tegen zowel watertekorten als wateroverschotten. Om de doelen binnen Natura 2000-gebieden te realiseren, is het noodzakelijk om verschillende (externe) drukfactoren te verminderen.

Bevorderen van duurzame en toekomstbestendige landbouwpraktijken. De doelstelling vanuit het Programma LGDG wordt hieraan gekoppeld. Dat houdt in dat er in 2030 wordt gestreefd naar een nagenoeg emissievrije bollenteelt voor wat betreft gewasbeschermingsmiddelen. In 2040 is het doel om toe te werken naar een toekomst- en klimaatbestendig landschap. Met duurzame, winstgevende en nagenoeg emissievrije, en waar mogelijk biologische bollenteelt en veeteelt. Daarbij is nadrukkelijk aandacht voor agrarisch natuurbeheer, natuur, biodiversiteit, water, cultuurhistorie en recreatie. Deze opgaven, deels afkomstig uit Nationale en Europese wet- en regelgeving, zijn omgezet naar indicatieve gekwantificeerde doelen gericht op de Duin- en Bollenstreek. Deze zijn terug te vinden in het Gebiedsplan (pagina 7). Vanuit de verschillende (provinciale) opgaven is het voornemen de komende periode te werken aan verschillende onderzoeken en verkenningen waar mogelijk oplossingsrichtingen uit naar voren komen.

Vervolguitwerking SANE (Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie) Verkenning binnenduinrand kerngebied Kust en Duinen Verkenning boerenlandvogels en agrarisch natuurbeheer Ontwikkelen waterplan/waterkalender Duin- en Bollenstreek; hoe om te gaan met toenemende verzilting Projectfiches Vanuit verschillende partijen in het gebied zijn projectfiches ingediend met maatregelen die bijdragen aan het realiseren de verschillende ZHPLG-opgaven en/of indicatieve doelen. Dit is terug te lezen in het Gebiedsplan. Denk hierbij

2

aan regiocertificering, omschakeling veehouderij, kwaliteitsimpuls Oosterduinse Meer, RIA 10 en 11 (GBDA), aanpak probleemstoffen, herverkaveling 2.0. Samenhang trajecten In het gebied wordt in verschillende samenwerkingsverbanden gewerkt aan gerelateerde opgaven. Denk hierbij aan: Stichting Greenport Duin- en Bollenstreek, Greenport Ontwikkelmaatschappij, Regiodeal Sierteelt, Regionale investeringsagenda Holland Rijnland en Landschapsstrategie Nationaal Park Hollandse Duinen. Daarnaast lopen er meerdere ruimtelijke trajecten behorend bij de ruimtelijke puzzel/ruimtelijk voorstel binnen de proceslijn van de Provincie Zuid-Holland. Deze tafels verschillen van elkaar, omdat op de tafel van de gebiedsprocessen gesproken wordt over het buitengebied. De tafel ruimte gaat over de binnenstedelijke gebieden met een koppeling naar het buitengebied. Er wordt zoveel mogelijk verbinding gezocht met bovengenoemde samenwerkingsverbanden en gesprekstafels om het gebiedsplan te voeden. Herziening Omgevingsbeleid De herziening van het omgevingsbeleid in Zuid-Holland in 2025 omvat belangrijke wijzigingen in de Omgevingsvisie, het Omgevingsprogramma en de Omgevingsverordening van de provincie, met als doel een toekomstbestendige provincie Zuid-Holland te creëren. De terinzagelegging (zienswijzeperiode) liep tot en met 15 december 2025.

Ook Hillegom heeft een zienswijze ingediend op het Provinciaal Omgevingsbeleid. De definitieve vaststelling (inclusief Nota van Beantwoording) van de Herziening Omgevingsbeleid 2025 is voorzien in het tweede kwartaal van 2026. De provincie werkt toe naar een Modulaire herziening landbouw binnen het provinciale omgevingsbeleid. Deze herziening betreft de visie en beleidskaders voor de ontwikkeling naar een toekomstbestendige landbouw in Zuid-Holland. Daarnaast ontstaat nu vanuit de gebiedsprocessen van het ZH-PLG steeds meer inzicht over wat aan beleidskaders nodig is om in de gebieden tot doelbereik te komen. De provincie beziet wat hiervoor in deze Modulaire herziening landbouw kan worden meegenomen. Een startnotitie voor de Modulaire herziening landbouw verschijnt in het tweede kwartaal van 2026. SANE Met de Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie (SANE) beoogt de Provincie te laten zien welke bijdrage Zuid-Holland kan leveren om van het stikstofslot af te komen en geven zij aan wat zij van het Rijk verwachten. Er zijn vier maatregelsporen: aanpak drukfactoren, geborgde emissiereductie ammoniak melkveehouderij, strategisch grondbeleid en natuurlijke stoppers, aanpak industrie en mobiliteit (NOx). Provinciale Staten heeft december 2025 ingestemd met de vervolgaanpak SANE.

Concreet betekent dit de komende periode, dat voor alle overgangszones om de Natura-2000 gebieden de drukfactoren (druk op de natuurdoelen) via een maatwerkaanpak worden uitgewerkt. Dit is binnen de Duin- en Bollenstreek vooral voor Katwijk en Noordwijk relevant. Verder wordt er gewerkt aan het stikstofplafond van 35-45 kg/ha/jr. en een beloningssystematiek voor melkveehouders. Voor het spoor ‘Strategisch Grondbeleid’ is een pilot gestart waarvoor het Kagerplassen Polderproces als pilotgebied met boeren in de Bollenstreek en Groene Hart Noord is uitgekozen. Wat deze pilot inhoud is op dit moment nog niet bekend.

3

Rol gemeenteraad Voor eventueel uit te voeren initiatieven kan een omgevingsvergunning benodigd zijn. Als een dergelijk initiatief niet past in het omgevingsplan, is sprake van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het college is hiervoor het bevoegd gezag. De gemeenteraad heeft een lijst van gevallen van BOPA’s vastgesteld waarvoor zij bindend adviesrecht heeft. Wanneer een dergelijk geval zich voordoet, dan wordt deze voor bindend advies voorgelegd aan de gemeenteraad. Het college is gehouden het advies van de gemeenteraad in dergelijke gevallen op te volgen. _________________________________________________________ Bijlage: 1. ZHPLG-gebiedsplan Duin- en Bollenstreek

4

ZHPLG-GEBIEDSPLAN DUIN- EN BOLLENSTREEK

Versie 22 december 2025

Inhoudsopgave 1 Het Zuid-Hollands programma Landelijk gebied .................................................................................. 3 1.1 Het deelgebied Duin- en bollenstreek ........................................................................................... 3 1.2 Gebiedsplan versus gebiedsbod .................................................................................................... 4 2.

Opgaven en uitdagingen in het deelgebied ..................................................................................... 5 2.1

Indica eve (gekwan ficeerde) doelen Duin- en Bollenstreek ............................................... 6

2.2

Landschap van de Duin- en Bollenstreek ............................................................................... 7

3

Natuur en S kstof....................................................................................................................... 8 3.1 Natura2000 gebieden ................................................................................................................ 8 3.1.1

Drukfactoren Natura 2000-gebieden................................................................................. 8

3.2

Recrea e als drukfactor ................................................................................................... 12

3.3

S kstof als drukfactor ...................................................................................................... 12

3.4

Groenblauwe Dooradering .............................................................................................. 15

3.5

Bos- en bomenstrategie................................................................................................... 16

3.6

Natuurnetwerk Nederland .............................................................................................. 17

3.7

Boerenlandvogels: Weide- en akkervogels ...................................................................... 18

4

Water en Bodem ...................................................................................................................... 20

4.1

Water en Bodem Sturend WBS) ........................................................................................... 20

4.2 Waterkwaliteit ............................................................................................................................. 21 4.3Waterkwan teit............................................................................................................................ 24 4.3.1 4.4

Zoetwaterbeschikbaarheid en verzil ng ......................................................................... 24 Klimaat en bodem ................................................................................................................ 25

5.Vervolg samenwerking........................................................................................................................ 26 5.1 Lopende processen en samenwerkingsverbanden in de Duin- en Bollenstreek......................... 26 5.2 Verkenningen/onderzoeken ........................................................................................................ 27 BIJLAGE 1 Projec iches ......................................................................................................................... 33 BIJLAGE 2 Gebiedsbod Kagerplassen Polderproces .............................................................................. 59

1 Het Zuid-Hollands programma Landelijk gebied Zuid-Holland is een dichtbevolkte deltaprovincie, intensief benut door allerlei func es en kent een uniek gevarieerd landschap. Langs de kust vind je brede stranden en duingebieden. Landinwaarts zijn er historische steden en uitgestrekte polders met weilanden, boerderijen en vaarten. In dit landschap wonen, werken en recreëren veel mensen. Dit brengt een groeiende ruimtevraag met zich mee, hiermee staat de inrich ng van Zuid-Holland verder onder druk. Het woningtekort is nijpend, de OVbereikbaarheid van dorpen slinkt en sociale voorzieningen worden schaarser. De kwaliteit van de Zuid-Hollandse natuur, water en bodem lijdt sterk onder deze druk. Een samenhangende aanpak op deze problemen is nodig. In dit gebied werken we samen met onze partners aan doelen voor natuurherstel, waterkwaliteit en klimaat voor landbouw en landgebruik in het landelijk gebied. Een toekomstbestendige leefomgeving is onze topprioriteit. Ambi e is een vitaal landelijk gebied creëren binnen de randvoorwaarden zoals gesteld vanuit natuur, klimaat, water en bodem. We vinden het belangrijk dat het landelijk gebied een aantrekkelijk gebied kan blijven om te wonen, werken en recreëren en dat het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG) bijdraagt aan de brede welvaart in Zuid-Holland.

Hiervoor is een goede balans nodig tussen sterke en gezonde natuur met een economisch rendabele en volhoudbare land- en tuinbouw. De land- en tuinbouw hee in ZuidHolland een belangrijke rol, als producent van voedsel, grondstoffen en sierteeltproducten, maar ook als beheerder van ons landschap en drager van de sociale structuur in het landelijk gebied. De context waarin het ZH-PLG uitgevoerd wordt is veranderd. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) hee op 4 september 2024 het Na onaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) stopgezet; het Transi efonds was al eerder dat jaar vervallen. Hiermee is de aanleiding voor het opstellen van een Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) komen te vervallen. Daardoor volgt er voor Zuid-Holland geen ontwerp- en defini ef Programma (ZH-PLG). Het Voorontwerp ZH-PLG is in juni 2023 vrijgegeven maar is niet vastgesteld door GS en PS. Nederland hee afspraken gemaakt om doelen te halen voor natuur, water en klimaat. De provincie ZuidHolland is medeverantwoordelijk voor het halen van deze doelen en levert via het ZHPLG daar een bijdrage aan. Doelen en opgaven voor natuur, s kstof, water en klimaat en de we elijke taken en verantwoordelijkheden blijven bestaan. Ook de ambi e voor een lee aar en vitaal pla eland blij onverminderd bestaan.

De gebiedsgerichte samenwerking van de afgelopen twee jaar hee steeds meer (en meer integrale) samenwerking teweeggebracht, met onderling begrip en uitwisseling van kennis. Gebiedspartners zien het belang van het realiseren van de doelen en willen daar met de provincie aan bijdragen door te werken aan integrale, financierbare plannen. Wetende dat we niet alles alleen in en met het gebied kunnen oplossen.

1.1 Het deelgebied Duin- en bollenstreek Zuid-Holland is ingedeeld in 16 deelgebieden, waaronder het deelgebied de Duin- en Bollenstreek. Voor elk deelgebied wordt met gebiedspartners in 2025 een gebiedsplan gemaakt waarin komt te staan hoe de opgaven water, landbouw, s kstof, natuur en klimaat integraal kunnen worden opgepakt en welke randvoorwaarden daarvoor nodig zijn. Het gebiedsplan sluit aan op beschikbare Rijksfondsen (eenmalige investeringen/ extra middelen ecosysteemdiensten), en -naar waarschijnlijkheid- minder omvangrijke provinciale/Europese/ regionale fondsen en inzet van provinciale/rijksgronden.

Dit gebiedsplan omvat een analyse van de opgaven (0-situa e, startpunt), zoveel mogelijk een gedeeld toekomstbeeld over de lange termijn toekomst van het gebied en mogelijke oplossingsrich ngen voor de opgaven in het gebied met daarbij uitvoeringsmaatregelen met bijbehorende begro ng en aandeel in doelbereik. Het plan focust op wat er vanuit het gebied gedaan wordt en kan worden. Welke samenwerkingen en ini a even er reeds opgepakt kunnen worden. Het is een stap van een langer proces naar een toekomstbestendig landelijk gebied. Het (deel-)gebied Duin- en Bollenstreek bestaat uit het grondgebied van de gemeenten Oegstgeest, Noordwijk, Hillegom en Lisse. De gemeente Teylingen ligt met het deel westelijk van de A44 in ZHPLGdeelgebied Duin- en Bollenstreek, het deel ten oosten van de A44 maakt onderdeel uit van deelgebied Groene Hart Noord. Hieronder is het landelijk gebied weergegeven met gearceerd het Bestaand stads- en dorpsgebied dat geen deel uitmaakt van het landelijk gebied. Zichtbaar zijn de bollenvelden, de duingebieden Coepelduynen en Kennemerland-Zuid, Keukenho os en de recrea eplassen Oosterduinsemeer en Klinkenbergerplas met tussendoor liggende verspreide weilanden.

1.2 Gebiedsplan versus gebiedsbod Het gebiedsplan Duin- en bollenstreek is opgebouwd uit verschillende componenten of bouwstenen. Een belangrijke bouwsteen is het Programma Landelijk Gebied en Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek. Dit programma, van de gemeenten Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen, is

een formeel programma onder de omgevingswet en bij de totstandkoming van het programma zijn provincie en waterschap als adviserend lid betrokken bij de (ambtelijke) projectgroep en de (bestuurlijke) stuurgroep. Het programma is door de Stuurgroep namens de betrokken gemeenten op 18 juli jl. aangeboden aan de Provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Rijnland als gebiedsbod.  

Met de gemeente Oegstgeest is apart overleg gevoerd over de inzet in het gebiedsplan; Een andere bouwsteen is het gebiedsbod van de agrariërs in het Kagerplassen polderproces, met ondernemers uit Teylingen, Hillegom, Noordwijk en Lisse; (bijlage 2)

Hierin werken agrarische ondernemers aan een toekomstbestendig bedrijfsmodel. Hun aanbod is het verbeteren van de kwaliteit van het water, biodiversiteit en omgeving en willen hierbij graag gesteund worden door de betrokken overheden. 

Tot slot hee de Allian e Bollenstreek zich gemeld en aangegeven graag in gesprek te gaan over hun rol en input voor het gebiedsplan.

2. Opgaven en uitdagingen in het deelgebied In Nederland zijn diverse natuuropgaven gericht op het beschermen en herstellen van de biodiversiteit, waterkwaliteit en het landschap. De biodiversiteit in Nederland staat onder druk door verschillende factoren zoals s kstofuitstoot, verstedelijking, intensieve landbouw en klimaatverandering. Deze factoren hebben geleid tot een afname van de biodiversiteit, wat zich uit in het verdwijnen van leefgebieden voor planten en dieren. Op dit moment bevinden zich bijvoorbeeld circa 75% van de in de Habitatrichtlijn1 benoemde soorten en 90% van de habita ypen landelijk in een onguns ge staat van instandhouding. Het is daarom essen eel om deze leefgebieden te herstellen en te beschermen. Dit omvat het verbeteren van de kwaliteit van bestaande natuurgebieden, het betere verbinden van natuurgebieden en het creëren van nieuwe natuurgebieden om de biodiversiteit te bevorderen.

Daarnaast speelt de waterkwaliteit een cruciale rol in het behoud van de natuur. Vervuiling door landbouw, industrie en huishoudens hee geleid tot een verslechtering van de waterkwaliteit, wat nega eve gevolgen hee voor aqua sche ecosystemen. De verbetering van de waterkwaliteit en het waarborgen van voldoende zoetwater zijn noodzakelijk voor zowel de natuur, als voor gebruik door de samenleving en voor economische ontwikkelingen. Door klimaatverandering nemen extremen in neerslag en droogte toe. De opgave voor waterkwan teit richt zich op het toekomstbestendig maken van het water- en bodemsysteem, zodat het beter bestand is tegen zowel watertekorten als wateroverscho en. Een andere belangrijke opgave is het bevorderen van duurzame en toekomstbestendige landbouwprak jken. Intensieve landbouw en tuinbouw hee een grote impact op de natuur, onder andere door het gebruik van gewasbescherming en (kunst-)mest, met impact op de bodem- en waterkwaliteit. Een landbouwprak jk met gebruik van minder meststoffen en middelen kan leiden tot verminderde opbrengsten met impact op het verdienmodel. Daarom is het belangrijk te komen tot alterna eve verdienmodellen met mogelijke alterna eve inkomstenbronnen die het verlies aan opbrengsten compenseren. Dit kan in sommige gevallen via agrarisch natuurbeheer of verbreding van het bedrijfsmodel, met bijvoorbeeld recrea eve mogelijkheden.

Om de natuuropgaves aan te pakken zijn er over de afgelopen decennia heen verschillende landelijke en Europese doelstellingen, strategieën en programma’s geformuleerd die nauw met elkaar samenhangen en elkaar versterken. Natura 2000-gebieden profiteren bijvoorbeeld van de verbeterde waterkwaliteit door de Kaderrichtlijn Water, wat essen eel is voor het behoud van biodiversiteit. Het Natuurnetwerk Nederland verbindt Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden, waardoor een robuust netwerk ontstaat dat de biodiversiteit bevordert. De Bossenstrategie draagt bij aan de klimaatdoelstellingen door CO₂-opslag en het verbeteren van de biodiversiteit. Groen Blauwe Dooradering (GBDA) versterkt het landschap en verbindt natuurgebieden, wat bijdraagt aan de doelen van het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. De Klimaatdoelstellingen ondersteunen alle bovenstaande ini a even door te zorgen voor een duurzame en klimaatbestendige omgeving. Door deze geïntegreerde aanpak wordt een breed scala aan milieuproblemen aangepakt, wat leidt tot een duurzamer en veerkrach ger Nederland. In het voorliggende gebiedsplan wordt de huidige situa e inclusief knelpunten geschetst en gee oplossingsrich ngen om de opgaven aan te pakken inclusief mogelijke maatregelen die bijdragen aan het bereiken van de doelen.

Dit plan benadrukt de mogelijkheden die vanuit het gebied kunnen worden opgepakt en focust minder op generiek provinciaal en/of Rijksbeleid.

2.1

Indica eve (gekwan ficeerde) doelen Duin- en Bollenstreek

Het Rijk hee eerder per provincie doelen vastgesteld die een indruk geven van wat er nodig is per provincie om te voldoen aan na onale en Europese afspraken zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Van de provinciale opgaven uitgaand zijn voor elk van de 16 deelgebieden indica eve doelen vastgelegd. Deze geven een kwan ta eve indruk van het globaal benodigde oppervlak om een bepaald doel, te realiseren. Maar de kwaliteit is net zo belangrijk. Zo gaat het bij de boerenlandvogels in eerste instan e om de hoeveelheid broedparen en minder om het gerealiseerde oppervlak.

Bij het vertalen van provinciale opgaven en doelen naar indica eve doelen per deelgebied wordt gewerkt met verdeelsleutels die zijn gebaseerd op inhoudelijke logica en relevante onderzoeken, zoals kansenkaarten voor boerenlandvogels en studies naar de impact van verhoging van de grondwaterstand. Voor boerenlandvogels is ervoor gekozen om te werken met ‘ranges’ in plaats van vaste aantallen, zodat er flexibiliteit is in de uitvoering. De gestelde doelen zijn geen harde eisen, maar dienen als richtlijn voor het gebiedsbod of -plan. Dit sluit aan bij de wens uit de gebieden om van de provincie meer concrete, indica eve doelen te ontvangen. Sommige doelen kunnen elkaar versterken, zo kan Groenblauwe dooradering een bijdrage leveren aan broedparen via bijvoorbeeld heggen en hagen, maar ook aan een betere waterkwaliteit via natuurvriendelijke oevers.

2.2

Landschap van de Duin- en Bollenstreek

De Duin- en Bollenstreek ligt tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad en geniet interna onale bekendheid vanwege de Keukenhof en het bollencomplex. In de Duin- en Bollenstreek zijn economie en landschap van oudsher nauw verbonden. Het bollencomplex is bepalend voor de bollenteelt en occupa epatronen. In 2005 hee het kabinet de Duin- en Bollenstreek aangewezen als één van de vijf Greenports in Nederland. Daarmee erkent het Rijk het economisch belang van het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Bollenstreek, met zijn produc e, handel, distribu e, onderzoek en promo e. De Duin- en Bollenstreek hee een uniek cultuurlandschap dat in de loop der eeuwen vrijwel volledig door mensenhanden is vormgegeven. Daarnaast komt dit type landschap nergens anders ter wereld voor. Zowel na onaal als interna onaal is de Duin- en Bollenstreek uniek door de afwisseling van verschillende bijzondere landschappen op een betrekkelijk kleine oppervlakte. Zo zijn er oude en jonge duinen (strandwallen), strandvlakten, zanderijen, oeverwallen langs de Rijn, bossen, veenweidegebieden, plassen en droogmakerijen. Om externe bedreiging door verstedelijking van dit unieke landschap tegen te gaan is in 1996 het “Pact van Teylingen” gesloten tussen de provincie, gemeenten, het Hoogheemraadschap van Rijnland, KAVB en natuur- en milieuorganisa es.

Bij de Duin- en Bollenstreek als ZHPLG-deelgebied hoort ook het landelijk gebied van de gemeente Oegstgeest, gelegen in de Elsgeesterpolder. Oegstgeest is begonnen als boerendorp, ontwikkelde zich tot bollengemeente en is later verstedelijkt tot een groene woongemeente met een parkach ge landgoederenzone en mooie recrea egebieden. Oegstgeest bevindt zich als gemeente op een uniek erfgoedknooppunt tussen de Limes, de trekvaarten en de landgoederenzone. Een belangrijke ambi e is hier het versterken van de groenblauwe infrastructuur, het behoud van de waardevolle graslanden in de Elsgeesterpolder en de doorontwikkeling van de Klinkenbergerplas.

3 Natuur en S kstof 3.1 Natura2000 gebieden Context: Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden met als doel de biodiversiteit te behouden door bedreigde plant- en diersoorten en hun leefgebieden te beschermen. In Nederland zijn er meer dan 160 Natura 2000-gebieden. Uit de Vogel- en Habitatrichtlijn volgt dat wij we elijk verplicht zijn om de Natura 2000 doelen te behalen. De belangrijkste doelstellingen van Natura2000 gebieden zijn: 1. Bescherming van biodiversiteit: Het behouden en herstellen van natuurlijke habitats en soorten die van belang zijn voor de Europese biodiversiteit. 2. Beheer en herstel: Het opstellen en uitvoeren van beheerplannen om de instandhoudingsdoelen te bereiken. 3. Verminderen van s kstofuitstoot: Het aanpakken van de s kstofproblema ek die schadelijk is voor de natuur in deze gebieden. Concreet betekent dit: 2025: 40% areaal van s kstofgevoelige habita en in 2025 in N2000-gebieden onder de kri sche deposi ewaarde 2030: 50% areaal van s kstofgevoelige habita en in 2030 in N2000-gebieden onder de kri sche deposi ewaarde 2035: 74% areaal van s kstofgevoelige habita en in 2035 in N2000-gebieden onder de kri sche deposi ewaarde 4. Verbetering van waterkwaliteit: De Kaderrichtlijn Water vereist dat alle waterlichamen in N2000 gebieden tot 2027 aan de ecologische vereisten voldoen.

Om de doelen te bereiken, moeten onder andere drukfactoren worden verminderd. Drukfactoren voor N2000-gebieden zijn bijvoorbeeld s kstof, exoten en recrea e. Dit gebeurt zoveel mogelijk met maatregelen binnen de Natura 2000-gebieden, maar dit is niet voldoende. Ook buiten de Natura 2000-gebieden zijn maatregelen nodig om de drukfactoren weg te nemen. Een belangrijke algemene kernopgave voor het Natura 2000-landschap Duinen is landschappelijke samenhang en interne compleetheid; samenhangend landschap met een aantal gradiënten en mozaïeken.

3.1.1 Drukfactoren Natura 2000-gebieden In een notendop:  Om de doelen binnen Natura 2000-gebieden te realiseren, is het noodzakelijk om verschillende (externe) drukfactoren te verminderen. Hiervoor zijn ook (bron)maatregelen buiten het Natura 2000-gebied nodig.

In het kader van het gebiedsplan werken we met de gebieden aan maatregelen die bijdragen aan het verlagen van de druk op de N2000 gebieden.

Context: Om de doelen voor Natura 2000-gebieden te realiseren, is het noodzakelijk om verschillende (externe) drukfactoren te verminderen. Voorbeelden van dergelijke drukfactoren zijn s kstofdeposi e, de aanwezigheid van invasieve exoten en verstoring door (verwachte) recrea edruk. Het verminderen van deze drukfactoren vindt zoveel mogelijk plaats door het nemen van maatregelen binnen de Natura 2000-gebieden. Dit is echter niet voldoende om de natuurdoelen te behalen. Daarom zijn ook maatregelen buiten de Natura 2000-gebieden nodig, zodat de drukfactoren effec ef kunnen worden weggenomen en daarmee het behalen van de Natura 2000-doelen binnen bereik komt. Naast maatregelen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied, zoals natuurherstel en op malisa e van het beheer, wordt ook ingezet op het nemen van maatregelen rondom de Natura 2000-gebieden met waar nu g en nodig de inzet van overgangszones. In deze zones kunnen specifieke maatregelen verder worden uitgewerkt en kunnen er instrumenten (bijvoorbeeld subsidies) gekoppeld worden aan een zone voor het uitvoeren van deze maatregelen. Situa e in Zuid-Holland In Zuid-Holland hebben we voor alle 21 Natura 2000-gebieden per gebied inzichtelijk gemaakt voor welke drukfactoren maatregelen buiten de begrenzing nodig zijn, deze inventarisa e is gedaan op basis van de Natuurdoelanalyses2.

Voor de 13 s kstofgevoelige Natura 2000-gebieden – waar alle Natura 2000-gebieden in de Kust en Duinen onder vallen – is een verdiepend ecologisch onderzoek gedaan naar deze drukfactoren en bijpassende maatregelen door Arcadis. Dit onderzoek wordt in januari 2026 ter informa e met Provinciale Staten gedeeld, als bijlage van het vervolg SANE (Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie). Daarnaast is in de Herziening van het Omgevingsbeleid 2025 voorgesteld om aan de hand van een gebiedsgerichte aanpak, met waar nu g en noodzakelijk overgangszones, aan de slag te gaan met maatregelen rondom de Natura 2000-gebieden voor het verminderen van drukfactoren. Deze aanpak is voorgesteld op basis van de uitkomsten van de Omgevingseffectrapportage (OER). In de OER is voor drie representa eve drukfactoren (recrea e, waterkwan teit en exoten) onderzocht welke aanpak het beste scoort op doelbereik en wat voor effecten dit hee op de leefomgeving. In dit onderzoek zijn ook zones rondom het Natura 2000-gebied meegenomen. Uit deze OER is gebleken dat het niet zinvol is een vaste zone te doen, aangezien dit te beperkend is en geen recht doet aan de diversiteit van drukfactoren. Om die reden is er gekozen voor een gebiedsspecifieke aanpak per Natura 2000-gebied en per drukfactor, waarbij per drukfactor wordt gekeken welke maatregelen nodig zijn voor het verminderen van de drukfactor.

Met waar nu g en noodzakelijk een eventuele overgangszone waarbinnen bijvoorbeeld bepaalde regels kunnen gelden of subsidies worden opengesteld. Gebiedsgerichte aanpak van drukfactoren rondom Natura 2000-gebieden Bij het verminderen van drukfactoren stree de Provincie Zuid-Holland naar een integrale aanpak waarin rekening wordt gehouden met bestaande aanpakken en overlappende doelstellingen.

2

De Natuurdoelanalyses zijn aangeboden aan Provinciale Staten en terug te vinden op: h ps://www.zuidholland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/natuurrijk-zuid/natura-2000/

Hieronder worden twee tabellen weergegeven waarbij in tabel 1 voorbeelden gegeven worden van doelen waarop de vermindering van drukfactoren kan meeli en en in tabel 2 voorbeelden over doelen die gestapeld kunnen worden. Tabel 1: Meeli en op andere doelen Door het treffen van maatregelen voor de realisa e van we elijke doelen, voor bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water (KRW), het Klimaatakkoord (2019), Wet s kstofreduc e en natuurverbetering (Omgevingswet, ar kel 2.15a) en Waterveiligheid worden drukfactoren op de N2000-gebieden automa sch verminderd. Voor kerngebied Kust & Duinen staat in de tabel hieronder voor welke doelen en maatregelen dit onder andere geldt. Drukfactor N2000instandhoudingsdoelen

Ander doel

Maatregelen andere doel

KRW, hydrologische condi es S kstofreduc e Waterveiligheid

Langer vasthouden water rondom N2000-gebieden Emissieplafond 40 kg NH3/ha/jr. Bevorderen instuivend zand (o.a. zandmotor, kerven in duinen)

Kust en duinen Verdroging Vermes ng en verzuring Gebrek aan dynamiek

Tabel 2: Stapelen van doelen Door maatregelen die nodig zijn voor de realisa e van andere doelen slim te combineren/stapelen rondom de N2000-gebieden, in plaats van ergens anders, kunnen drukfactoren verminderd of weggenomen worden. Per kerngebied staat in de tabel hieronder voor welke doelen dit onder andere geldt. Drukfactor N2000instandhoudingsdoelen Kust en duinen Onvoldoende dynamiek

Ander doel

Maatregelen andere doel

Waterveiligheid

Recrea e Vergroten leefgebied

CO2-reduc e VHR

S kstof, Versnippering

VHR

Afstemming zandsupple es rondom N2000 Realisa e bos en bomen rondom N2000 Aanleg groenblauwe dooradering rondom N2000 Realiseren weide- en akkervogelgebied concentreren rondom N2000-gebieden

Uitgelicht drukfactor recrea e De duinen worden druk bezocht door mensen, voor het grootste deel zijn dit bewoners van de kuststreek. Uit belevingsonderzoek blijkt dat bezoekers het duin bijzonder waarderen (de hoogste waardering van de recrea e en natuurgebieden in Zuid-Holland. Recrea e kan echter nega eve impact hebben op natuur. De beheerders van de N2000 duingebieden hanteren daarom een zonering binnen de grenzen van het gebied: een beperkt deel van het gebied is toegankelijk voor bezoekers, sommige delen zijn beperkt toegankelijk (bijvoorbeeld alleen buiten het broedseizoen) en het grootste deel is niet toegankelijk. Hiermee blij de impact van recrea e beperkt, maar kan niet helemaal voorkomen worden. Er zijn veel verschillende vormen van recrea e en de impact daarvan verschilt. Op dit moment hebben loslopende honden waarschijnlijk impact op natuurwaarden, met name door verstoring

van broedvogels. Ook dragen ze bij aan de verspreiding van an vlooien middelen in de natuur. Om de impact hiervan te bepalen is nog meer onderzoek nodig. Ook loslopende ka en hebben vermoedelijk een nega eve impact op de natuurwaarden van N2000. Het lijkt het zinvol om, samen met Na onaal Park Hollandse Duinen, in te ze en op bewustwording bij de eigenaren van huisdieren die in of nabij N2000 gebied wonen. Een andere verstorende vorm van recrea e is het vliegen met drones en modelvliegtuigjes. Binnen de grenzen van N2000 wordt dit in het kader van de beheerplannen aan banden gelegd. Op langere termijn zal drukte in de toegankelijke delen van de N2000 gebieden toenemen. Er komen immers nog veel inwoners bij in het kustgebied, en ook het kus oerisme neemt toe. De verwach ng is dat – zonder jdige maatregelen - de verstoring door recreanten daarmee zal toenemen. Ook omdat de bereidheid om de bestaande zonering binnen het N2000 te respecteren afneemt naar mate de drukte toeneemt en recreanten elkaar ‘in de weg gaan zi en’. Het is daarom belangrijk om recrea eve mogelijkheden in het (achterland van het) kustgebied uit te breiden op plekken die minder kwetsbaar zijn, waarmee de kwetsbare delen van de Natura2000-gebieden ontlast kunnen worden.

Daarvoor dient het recrea eve netwerk inclusief parken en gebieden in het brede kustgebied versterkt en ontwikkeld te worden, waarbij een bewuste afweging nodig is waar ruimte is voor ontwikkeling van nieuwe aantrekkelijke routes en bestemmingen en waar de bestaande capaciteit in stand gehouden wordt, maar niet verder wordt uitgebreid. De ligging van startpunten (parkeerplaatsen en ov-haltes), parkpoorten van Hollandse Duinen, voorzieningen, bestemmingen en (bekendheid van) routes zijn instrumenten om invloed te hebben op ‘drukte’. Het doorgaande fietspad door de duinen – langeafstandsfietsroute 1, onderdeel van de interna onale Noordzeeroute) – wordt zeer intensief gebruikt, mogelijk kan een aantrekkelijke binnenduinrandroute (buiten het N2000-gebied) de recrea edruk vanwege dit pad verlichten. Sturen van recrea eve bezoekersstromen o ewel; bezoekersmanagement kan een belangrijke rol spelen bij het terugdringen van de recrea edruk. De provincie is bezig met het ontwikkelen van beleid op dit onderwerp en het wordt ook benoemd. N2000-gebieden in De Duin- en Bollenstreek Voor de Natura 2000-gebieden in de Bollenstreek – Coepelduynen (gelegen in Katwijk en Noordwijk) en Kennemerland-Zuid (Noordwijk)- worden hieronder de belangrijkste drukfactoren genoemd, deze zijn a oms g uit de Natuurdoelanalyses.

Voor het N2000-gebied Coepelduynen zijn vijf drukfactoren geïden ficeerd, waarvan een aanpak noodzakelijk is voor het halen van de instandhoudingsdoelen: 1. (Grond)waterkwan teit is onvoldoende; 2. Onvoldoende dynamiek (verstuiving van zand en winddynamiek); 3. Verstoring door (verwachte) recrea edruk; 4. Verzuring en vermes ng (s kstof;) 5. Exoten (invasieve exoten die bestaande soorten wegconcurreren, zoals Mahonie, rimpelroos). Voor het N2000-gebied Kennemerland-Zuid zijn vijf drukfactoren geïden ficeerd, waarvan een aanpak noodzakelijk is voor het halen van de instandhoudingsdoelen: 1. Grondwaterkwan teit (geohydrologische omstandigheden) is onvoldoende; 2. Onvoldoende dynamiek (verstuiving van zand en winddynamiek); 3. Verstoring door (verwachten) recrea edruk; 4. Verzuring en vermes ng (s kstof);

5. Exoten (invasieve exoten die bestaande soorten wegconcurreren, Mahonie, rimpelroos).

3.2

Recrea e als drukfactor

Zwemwater en recrea edruk Om de recrea edruk op de N2000 gebieden te verminderen is de wens in Noordwijk om de recrea eve waarde van het Oosterduinsemeer meer te versterken door onder meer de (zwem-) waterkwaliteit te verbeteren. In Oegstgeest is de herinrich ng van de Klinkenbergerplas kortgeleden afgerond, ook hier is de wens om de zwemwaterkwaliteit te verbeteren en hiermee mogelijk een bijdrage te leveren aan het verminderen van de recrea eve druk op de nabijgelegen N2000 gebieden.

Landschapsstrategie Na onaal Park Hollandse Duinen (NPHD) (2020) De Landschapsstrategie Na onaal Park Hollandse Duinen (NPHD) uit 2020 is opgesteld als ruimtelijke koers voor de ontwikkeling van het na onaal park van Hoek van Holland tot Hillegom. De strategie is gebaseerd op drie pijlers: het ontwikkelen van rijke natuur, het versterken van de gebiedsiden teit en het realiseren van een gastvrij park. De Landschapsstrategie richt zich niet alleen op de natuurkernen, maar betrekt ook het omliggende landschap en stedelijke gebieden, om zo een robuust ecologisch systeem en een samenhangende recrea eve structuur te creëren. Belangrijke ontwikkelrich ngen zijn ‘vergroten’ (meer ruimte voor natuur en recrea e), ‘versterken’ (hoogwaardige inrich ng en samenwerking) en ‘combineren’ (integrale aanpak van natuur, cultuur, recrea e en economie). De strategie is tot stand gekomen in samenwerking met partners en vormt de basis voor het uitvoeringsprogramma Na onaal Park Hollandse Duinen 2021-2025 met strategische projecten gericht op natuurherstel, ecologische verbindingen, klimaatadapta e, recrea ezonering en het versterken van de landschappelijke kwaliteit van het gebied, inclusief een verkenning naar het recrea ef netwerk.

Een volgende stap is gezamenlijk te onderzoeken waar in dit netwerk ontwikkelruimte is om meer bezoekers op te vangen en welke delen van dit netwerk de recrea eve func e kunnen behouden/koesteren maar niet verder uitbreiden. Een ‘bezoekersspreidingsmodel’ voor het kustgebied. Dit kan vanuit de provincie worden opgepakt in samenwerking met Na onaal Park Hollandse Duinen.

3.3

S kstof als drukfactor

S kstofdeposi e vormt een belangrijke drukfactor voor alle Natura 2000-gebieden in het kerngebied Kust & Duinen en dus ook in de Duin- en Bollenstreek. Deze deposi e is a oms g van emissies van

s kstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3), voor het overgrote deel van bronnen buiten de Duin- en Bollenstreek. In het ZHPLG focust de aanpak op ammoniakemissies. Hiervoor bestaat een provinciale opgave en zijn regionale bronmaatregelen effec ef. Uiteraard moet de emissie van s kstofoxiden evenzeer omlaag. Hiervoor zijn vooral maatregelen op grotere schaal (vooral landelijk, deels provinciaal) effec ef. Het gaat bijvoorbeeld om generiek industrie- (reduc e van uitstoot van s kstofoxiden li mee op reduc e van CO2-emissies), mobiliteits- (elektrificeren van het wegverkeer) en vervoersbeleid (reduc e van emissies uit scheep- en luchtvaart).

N2000-gebied: Kennemerland-Zuid Uit: Gebiedsplan s kstof, Zuid-Holland, 2022

N2000-gebied Coepelduynen

De ammoniakemissies in Zuid-Holland concentreren zich rond de landbouw, met uitzondering van enkele grote industriële uitstoters in het Ro erdamse Havengebied. Van de totale deposi e wordt in het kerngebied Kust&Duinen slechts een rela ef klein deel (zo’n 20%) veroorzaakt door de land- en tuinbouw. Het leeuwendeel van de s kstofdeposi e komt uit het buitenland (30-50%). Zeescheepvaart speelt ook een belangrijke rol (10-15%) door de vele drukke scheepvaartroutes en ankerplaatsen voor de Nederlandse kust. Verder is de deposi e a oms g van woningen, bedrijven en mobiliteit (bij elkaar 15-25%). Gezien de beperkte invloed van land- en tuinbouw zal de aanpak van ammoniakemissies uit deze sectoren in de Duin- en Bollenstreek voornamelijk generiek plaatsvinden. Dit sluit aan op de Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie (SANE), zoals vastgesteld door Provinciale Staten in juni 2025. Deze aanpak focust op vier maatregelen: • • • •

Aanpak drukfactoren, waar nu g en noodzakelijk in overgangszones Geborgde emissiereduc e ammoniak melkveehouderij Strategisch grondbeleid en natuurlijke stoppers Aanpak Industrie en mobiliteit (NOx-reduc e)

De vier maatregelen die nu voorliggen, spitsen zich toe op s kstofreduc e en betreffen een eerste stap voorwaarts om de vergunningverlening weer op gang te krijgen. Elke sector zal naar verhouding moeten bijdragen aan de oplossing en daarvoor volgen op termijn nog meer voorstellen. De provincie voelt de noodzaak om zelf aan de slag te gaan en moet tegelijker jd ook onderkennen dat met het maatregelenpakket nog geen 10 procent van het probleem in Zuid-Holland kan worden opgelost. Er is een grote a ankelijkheid van Rijksmaatregelen.

Voor elk van deze maatregelen geldt dat deze verder uitgewerkt moeten worden. Zo wil de provincie toewerken naar een emissieniveau van (gemiddeld) 35-45 kg/ha/jr ammoniak in de melkveehouderij op bedrijfs- of gebiedsniveau. Daarbij hoort toekomstperspec ef voor de sector. Ook de aanpak van drukfactoren, waaronder s kstof, in overgangszones vereist verder onderzoek. In gebieden waar een groot deel van de deposi e a oms g is van verder weg gelegen bronnen, zoals in de Duin- en Bollenstreek het geval is, zal een overgangszone voor s kstof waarschijnlijk weinig toegevoegde waarde hebben ten opzichte van generiek beleid. De maatregel gericht op strategisch grondbeleid en natuurlijke stoppers, sluit direct aan op het ZHPLG. Het gaat hierbij om het faciliteren van agrariërs die willen extensiveren en/of hun bedrijfsvoering op een andere plek voort willen ze en en agrariërs die uit eigen beweging willen stoppen, bijvoorbeeld omdat ze geen opvolging hebben. Nadere uitwerking van de maatregel moet plaatsvinden in samenhang met de lopende gebiedsprocessen.

A eelding: Schema sche weergave samenhang SANE, ZH-PLG en herziening Omgevingsbeleid. In welke mate de deposi e in de Natura 2000-gebieden in de Duin- en Bollenstreek te beïnvloeden is door bronmaatregelen in het gebied, kan per maatregel sterk verschillen. Wel is duidelijk dat de regio geen gebieden kent met sterke concentra e van NH3 uitstoot (landbouwgebieden). Voor de enkele verspreid geves gde melkveehouderijen in het gebied past een generieke aanpak (de geborgde emissiereduc e). De enige geconcentreerde open teelt in Kust & Duinen betre de bollenteelt. Het gebruik van organische meststoffen (en daarmee uitstoot van NH3) in deze sector is beperkt. In de aanpak door middel van regiocer ficering is een KPI voor s ksto odemoverschot opgenomen. Hiermee wordt de totale s ksto alans voor de teelt geop maliseerd en hier li de uitstoot van NH3 op mee.

Grenzend aan het kerngebied Kust & Duinen bevindt zich wel een groot brongebied van NOx in de vorm van de Ro erdamse haven. Deze valt buiten de aanpak van het ZHPLG en de begrenzing van het kerngebied Kust & Duinen. Het is duidelijk dat deze uitstoot wel degelijk een effect hee in de drie deelgebieden binnen Kust & Duinen, met name op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor industrie geldt een algemene reduc e opgave. Deze reduc e volgt vooral uit een bredere verduurzamingsopgave: minder gebruik van fossiele brandstoffen leidt tot een afname van NO x uitstoot. In het SANE-pakket wordt hier verdere invulling aan gegeven (zie bovenstaande figuur voor de samenhang SANE, OER en ZHPLG) met aanvullende maatregelen op provinciaal niveau. S kstof en regiocer ficering In de aanpak door middel van regiocer ficering is een KPI voor s ksto odemoverschot opgenomen. Hiermee wordt de totale s ksto alans voor de teelt geop maliseerd en hier li de uitstoot van NH3 op mee.

3.4

Groenblauwe Dooradering

Context: Groenblauwe Dooradering (GBDA) bestaat uit kleinschalige landschapselementen (veelal lijnelementen) tot enkele hectaren, die veelal aaneengesloten zijn en een netwerk vormen; ze worden hiermee een drager van natuurwaarden. GBDA sluiten zoveel mogelijk aan op/bij sloten, wegen, perceelsgrenzen; veel op randen van percelen. Er ligt geen we elijke opgave op het gebied van GBDA, wel draagt het verhogen van het areaal GBDA bij aan het behalen van de VHR-doelen. GBDA kan dan ook gezien worden als een middel om doelen te behalen en niet als doel op zich. Het gaat dan om de VHR-doelen, de KRW en klimaatdoelen. Het is als ambi e opgenomen in het provinciaal Omgevingsbeleid, om in 2050 10% van het landelijk gebied (exclusief NNN, inclusief gronden die geen agrarische func e hebben) ingevuld te hebben met GBDA. Er is voor alle deelgebieden gekeken naar het huidige uitgangspunt: waar staan deze deelgebieden nu met hun areaal GBDA. Vervolgens is het de provinciale wens om in 2030 de hel (50%) van de opgave rich ng 10% gerealiseerd te hebben, en in 2050 dus de 10%. De uitbreiding vindt op zowel overheidsgronden als agrarische gronden plaats. Voor de realisa e van de uitbreiding is het belangrijk om met gemeenten, provincie, terreinbeheerders en agrariërs in gesprek te gaan en samen te werken.

Duin- en Bollenstreek In het PLGDG is fijnmazige groenblauwe dooradering als één van de drie leidende principes. De inzet is het huidige percentage van circa 3,9% via het programma te laten groeien naar 7%. In de bollenstreek kent de ambi e voor GBDA samenhang met de akkervogelambi e. Het kleinschalige landschap van de Duin- en Bollenstreek biedt veel voordelen voor biodiversiteit die nu al worden benut. In het gebied komen rela ef veel akkervogels voor (veldleeuwerik, gele kwikstaart, patrijs). Overheden kunnen met ecologisch bermbeheer, natuurvriendelijke oevers en op andere gemeentelijke eigendommen een bijdrage leveren aan een hogere biodiversiteit. Ook kunnen ze par culiere eigenaren s muleren meer te doen aan biodiversiteit.

Op kavelniveau kunnen kavels groenblauw worden ingericht door aanleg van heggen en hagen, inzaaien van akkerranden en het aanleggen van wintervoedselakkers. Maar ook de aanleg van natuurvriendelijke oevers levert een bijdrage aan de biodiversiteit. In Oegstgeest wordt op dit moment al gewerkt met bermbeheer conform Kleurkeur. Kleurkeur: Bermbeheer volgens kleurkeur staat voor goed maaibeheer van bermen en watergangen. Met Kleurkeur kunnen opdrachtgevers en aannemers zich voorbereiden op een nieuwe standaard voor ecologisch beheer. Kleurkeur is ontwikkeld door De Vlinders ch ng en S ch ng Groenkeur.

3.5

Bos- en bomenstrategie

Context: In 2020 hee het Rijk samen met alle provincies de bossenstrategie vastgesteld na afspraken hierover in het Klimaatakkoord. De Zuid-Hollandse uitwerking hiervan is geland in het bos- en bomenbeleid, wat onder andere focust op bescherming en uitbreiding van bos. Bescherming bestaand bos De bescherming van bestaande bos- en boomstructuren is we elijk verankerd in de landelijke wet natuurbescherming. Deze wet stelt duidelijke eisen aan het behoud van bestaande houtopstanden, waarmee wordt voorkomen dat waardevolle bossen en bomen ongecontroleerd verdwijnen. Om de houtopstand in Zuid-Holland goed te beschermen zijn in de provinciale verordening de volgende regels opgenomen: 

Verplichten van boscompensa e: wanneer er bos verdwijnt moet er vooraf verplicht een compensa eplan ingediend en goedgekeurd worden.

Bos dat gekapt is buiten het NNN (Natuur Netwerk Nederland), mag niet meer binnen het NNN gecompenseerd worden. Hiermee wordt voorkomen dat het totale oppervlakte aan groengebied afneemt. Compensa e in recrea egebieden (als de kap buiten deze gebieden hee plaatsgevonden) is nog wel toegestaan. Alleen moet er dan een twee keer zo groot oppervlakte voor terug geplant worden.

Extra bescherming voor A-loca e bossen, bosreservaten en groene houtopstanden van minimaal 1000m2 die voor 1850 zijn aangeplant.

Bosuitbreiding De provincie Zuid-Holland hee op basis van de bossenstrategie een doel vastgesteld van 400 ha bosuitbreiding in heel de provincie in 2030, t.o.v. referen ejaar 2020. Deze 400 ha bosuitbreiding is globaal onder te verdelen in 150 ha binnen NNN, 150 ha binnen recrea egebieden en 100 ha daarbuiten. Op de lange termijn (2050) wil de provincie toewerken naar een doorontwikkeling tot 1000-2000 ha nieuw bos. Deze koppeling van natuur- en klimaatdoelen biedt kansen om de kwaliteit van het landschap te versterken en tegelijker jd bij te dragen aan een duurzame, toekomstbestendige provincie. De duidelijke opgave voor uitbreiding van bos en bomen in Zuid-Holland, dient twee belangrijke doelen.

-

Enerzijds draagt het bij aan de versterking van de biodiversiteit en het realiseren van natuurdoelstellingen; Anderzijds speelt het een cruciale rol in de klimaatopgave, doordat bomen en bossen bijdragen aan de opname en opslag van koolstof (CO₂-reduc e). Bijkomend voordeel is dat het bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving door hun meerwaarde voor recrea e en jdens hete zomers zorg voor een verkoelende werking

De opgave rondom bos en bomen is nadrukkelijk kansen-gestuurd. Dit betekent dat er geen vaste doelstelling per deelgebied wordt opgelegd, maar dat we samen verkennen waar mogelijkheden liggen. Het is aan de Provincie Zuid-Holland en de gebiedspartners om in gesprek te gaan en te bepalen of een ambi e van bijvoorbeeld 10 tot 15 hectare haalbaar en wenselijk is. Hiervoor ligt er een kansenkaart ter inzage. Logische plekken voor bosuitbreiding in de Duin- en Bollenstreek zijn de binnenduinrandzone, de landgoederenzones, recrea egebieden en in en om nieuw te realiseren woonloca es. Een project uit de Uitvoeringsagenda Na onaal Park Hollandse Duinen hiervoor is bijvoorbeeld het Oosterduinse meer. De in het PLGDG voorgestelde groenblauwe landschapskamers passen goed in de provinciale Bossenstrategie. Voor de bollenstreek is door de provincie de volgende opgave gedefinieerd: “toekomstbestendige bollenteelt in een kleinschalig landschap” In de Duin- en Bollenstreek worden kansen gezien om mét behoud van de bollenteelt bos en bomen toe te voegen op kavelniveau. Bijvoorbeeld in overhoeken en het versterken van bestaande boomsingels en hagen. Bij Klein Leeuwenhorst worden mogelijkheden verkend voor bosuitbreiding.

3.6

Natuurnetwerk Nederland

Context: Natuurgebieden zijn de afgelopen eeuw steeds kleiner geworden en kwamen steeds verder van elkaar af te liggen. Ook in Zuid-Holland. Om deze achteruitgang te stoppen worden nieuwe natuurgebieden aangelegd en bestaande natuurgebieden beschermt en beter met elkaar verbonden (ecologische verbindingszones). Zo ontstaat er een netwerk dat func oneert als een groot robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN) dat bestand is tegen externe druk zoals verstedelijking, s kstofdeposi e en klimaatadapta e. Alle NNN-gebieden moeten uiterlijk 2027 gerealiseerd zijn. Resterende opgave areaal voor Natuurnetwerk Nederland (NNN) De begrenzing en de doelen van het realiseren van het NNN liggen grotendeels vast en het gebiedsproces en contact met grondeigenaren loopt vaak ook. De Zuid-Hollandse opgave voor het areaal NNN is 3.270 ha gerekend vanaf begin 2022. Hiervoor geldt dat dit gerealiseerd moet worden voor eind 2027. De resterende realisa e opgave voor de Duin- en Bollenstreek loopt via het uitvoeringsprogramma Netwerk Natuur Zuid-Holland (NN-ZH) (ca. 893 ha).

Duin- en Bollenstreek De NNN-opgaven in de Duin- en Bollenstreek zijn vooral gericht op het verbinden van de aanwezige NNN-gebieden zoals Keukenho os en verschillende landgoederen. Deze Ecologische verbindingszones worden veelal op basis van koppelkansen gerealiseerd.

In de regio ontbreken nog stukken langs de Haarlemmer- Leidse Trekvaart, langs de Steengracht Kanaal, hierover lopen gesprekken met de provincie. Ook ontbreekt een van Leeuwenhorst met de duinen en tussen Leeuwenhorst en Landgoed Offem. Deze verbinding is ook expliciet benoemd als uit te werken in het PLGDG. Als kans wordt benoemd het versterken en vergroten van de landgoederenzone bij Nieuw Leeuwenhorst.

3.7

Boerenlandvogels: Weide- en akkervogels

Indica eve doelstelling  15-25 broedparen voor akkervogels;  20-30 weidevogel broedparen. Context: Het Ac eplan Boerenlandvogels Zuid-Holland richt zich op het behoud en de verbetering van leefgebieden voor akker- en weidevogels. Dit gebeurt door het op maliseren van de gebiedsinrich ng en het verbeteren en, waar nodig, uitbreiden van het beheer. Het doel is om de huidige neerwaartse trend in de aantallen boerenlandvogels om te buigen naar een groei. Op basis van de landelijke opgave is een verdeling gemaakt van het gewenste aantal extra broedparen per provincie. Vervolgens is per deelgebied het poten eel voor groei in beeld gebracht. Voor elk deelgebied is een ‘range’ opgesteld, die vervolgens is vertaald naar het benodigde aantal hectares leefgebied. Hierbij geldt dat de benodigde oppervlakte a ankelijk is van de intensiteit en kwaliteit van het beheer: effec evere maatregelen kunnen leiden tot meer broedparen op minder hectares. Bedreigingen De achteruitgang van de boerenlandvogels wordt veroorzaakt door een achteruitgang van geschikte voedsel- en nestgelegenheden door een intensievere landbouw. Preda e kan ook een rol spelen. Het gaat hierbij zowel om preda e van eieren en kuikens als volwassen vogels, door een scala aan predatoren zoals zwarte kraai, vos en bruine rat of de al eerdergenoemde huiskat.

Duin- en bollenstreek In de regio is biodiversiteitsfieldlab LAB7 bezig met onderzoek naar de “bollenvogels”, dit zijn akkervogels zoals de Gele Kwikstaart, Veldleeuwerik en de Patrijs, in samenwerking met ANLV Geestgrond om de hotspot die het gebied nu al is, nog verder te versterken. Hiertoe wordt een biodiversiteits-KPI ontwikkeld die een plek moet gaan krijgen in regiocer ficering waarmee de bollenkwekers een meetbare bijdrage gaan leveren aan de doelen. Voor akkervogels, is het doel om in 2040 15 tot 25 extra broedparen te realiseren ten opzichte van 2019. Dit vraagt om een uitbreiding van het leefgebied met 100 tot 150 hectare. Voor weidevogels, is het (provinciale) doel voor de Duin- en Bollenstreek om in 2040 ten opzichte van het referen ejaar 2019 het aantal broedparen met 20 tot 30 uit te breiden. Hiervoor wordt (door de provincie) gestreefd naar een uitbreiding van het geschikte leefgebied met 100 tot 150 hectare. Ter verduidelijking, dit betre areaal agrarisch natuurbeheer.

In de Duin- en Bollenstreek en Oegstgeest wordt nog weinig gebruik gemaakt van agrarisch natuurbeheer, dit geldt voor akker- en weidevogels. Hiervoor is het nodig enerzijds het collec ef Groene Klaver te versterken en anderzijds om specifiek op de bollenteelt gerichte pakke en en aanpakken te ontwikkelen. In het PLGDG is één van de speerpunten het openhouden van bestaand grasland, voor veehouderij, agrarisch natuurbeheer, recrea ef medegebruik en als onderdeel van een aantrekkelijk landschap. Hierbij zijn de Rooversbroekpolder en de Lisserpoelpolder belangrijk voor de weidevogels. Met de Elsbroekerpolder als beste broedgebied voor de kievit, gru o en tureluur in de regio. De graslanden in de bollenstreek inclusief de graslanden van Oegstgeest, vormen een kenmerkend, maar inmiddels zeldzaam onderdeel van het bollenlandschap en deze vallen daarom onder beschermingscategorie 1 van de provinciale verordening. Figuur: Lab B7 – Aan de slag met Biodiversiteit in de Bollenteelt

4 Water en Bodem Het landschap van de Duin- en Bollenstreek is met kleiafze ngen, zandgronden maar ook veenvorming rijk aan invloeden van nieuwe duinen, oude duinen en strandvlakten, de Oude Rijn met kleiafze ngen, en de meren en plassen (Kagerplassengebied en droogmakerijen). De kustzone kent zandgronden (duinen), zeeklei en veen. Het duingebied combineert meerdere func es: kustverdediging, natuur, recrea e en drinkwaterproduc e. In de duinen wordt rivierwater geïnfiltreerd voor de produc e van drinkwater. Door deze infiltra e zijn na e duinvalleien ontstaan, deze zijn gevoelig voor verdroging. De balans tussen alle func es is kwetsbaar. Behalve de zoetwaterbel onder de duinen is het grondwater in het kustgebied brak. Door zeespiegels jging zal de kweldruk toenemen en zal ook de verzil ng via schutsluizen toenemen. De mogelijkheid om het zout weg te spoelen neemt af door veranderende rivierafvoer en door toename van de watervraag in andere gebieden, mede door peilopzet in de veengebieden. Waterbeschikbaarheid is op de langere termijn problema sch: de provinciale vraag neemt toe, terwijl de kwan teit achteruitgaat door klimaatverandering. Alle watervragende func es zullen rekening moeten houden met verzil ng, vooral in situa es met lage rivierafvoeren; droge zomers.

4.1

Water en Bodem Sturend WBS)

Context: Water en Bodem Sturend (WBS) betekent dat het natuurlijke water- en bodemsysteem leidend is bij ruimtelijke ordening, inrich ng en landgebruik. De urgen e hiervoor is groot: door intensief ruimtegebruik en klimaatverandering zijn de grenzen van het Nederlandse water- en bodemsysteem bereikt. Problemen als wateroverlast, droogte, bodemdaling en verzil ng nemen toe. Door water en bodem sturend te maken, wordt ingezet op een veerkrach g en toekomstbestendig landschap dat beter bestand is tegen deze extremen. Hiervoor zijn een aantal principes geformuleerd, waaronder de volgenden:  Geen bouw of func everandering op plekken waar het water- en bodemsysteem dat niet toelaat (zoals diepe polders of gebieden met een hoog overstromingsrisico).  Meer ruimte voor waterberging, natuurlijke oevers en het vasthouden van water in het landschap.  Het aanpassen van landbouw en stedelijke func es aan de draagkracht van bodem en water, bijvoorbeeld door extensivering of func everandering waar nodig.  Prioriteit geven aan maatregelen die bijdragen aan een robuust bodem- en watersysteem, zoals het verhogen van grondwaterstanden in veengebieden om bodemdaling te beperken. In het PLGDG is WBS als één van de leidende principes benoemd en daarmee rich nggevend voor beslissingen over de inrich ng van het gebied.

Een duurzaam en klimaatbestendig landschap vraagt om een inrich ng die rekening houdt met bodemdaling, verzil ng, waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid. Dit is uitgewerkt in 3 speerpunten: 1. Opze en waterstanden veenweidegebieden en droogmakerijen; Rond de Kagerplassen wordt gewerkt aan het verhogen van waterstanden om bodemdaling tegen te gaan en water vast te houden. Deze maatregel draagt bij aan schoon en voldoende water, het tegengaan van verzil ng en het versterken van natuur- en recrea ewaarden. De aanpak sluit aan op de na onale en provinciale veenweidestrategieën en vraagt om een robuust watersysteem afgestemd op de bodemcondi es. Aandachtspunt hierbij is de klimaatbestendige inrich ng van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1811/documents/24179