D12 College, raadsbrief Inspectierapport Jeugdbescherming 5 juli 2021.pdf
Tekst van het document
In de gesprekken met ¨Bij ouders en of jongeren waar forse weerstand tegen jeugdbeschermers kwam de hulpverlening is moet ik de beschikking van de belemmering naar voren dat rechtbank meenemen om binnen te komen. Als dat is beschikkingen van de rechtbank niet gelukt komt vaak een samenwerking pas op gang. ¨ tijdig worden toegestuurd. In de praktijktoets blijkt dat bij 2 van de Jeugdbeschermer 22 getoetste casussen bij JB west de beschikking 4 weken na zitting niet ontvangen was. Gezinnen gebruiken het feit dat de gerechtelijke uitspraak (nog) niet ‘zwart op wit’ staat om de jeugdbeschermer buiten de deur te houden. Norm 2
Voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een gedragen koers Tijdig: De koers is tijdig wanneer deze binnen zes weken is bepaald, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. Gedragen: De koers is gedragen als deze is uitgezet in samenspraak met het gezin, netwerk en met betrokken professionals. Wensen, behoeften, mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn bekend bij hulpverleners. De jeugdige en ouders bepalen, binnen hun mogelijkheden, in samenspraak met de hulpverlener de hulpvraag en de doelen van de geboden hulp. Koers: Er is sprake van een koers bij een jeugdbeschermingsmaatregel als de doelen en de noodzakelijke hulp zijn bepaald, die leiden tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging / het recidiverisico. De inspecties spreken van een koers en niet van een ‘plan’. In de praktijk wordt de koers vastgelegd in een plan, maar het plan is het middel, niet het doel. Het moet voor hulpverleners, jeugdigen en hun ouders duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe hieraan gewerkt wordt. De doelen en afspraken zijn haalbaar, concreet en ontwikkelingsgericht.
6
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd (november 2019) p12.
14 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bevindingen De regio is er met een enkele uitzondering in geslaagd tijdig voor elke kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tot een gedragen koers te komen. In de monitoringsfase kwam naar voren dat de wettelijke termijn voor het na 6 weken gereed hebben van een plan van aanpak voor JB west een groot aandachtspunt is. Meer sturing van leidinggevende en audits gericht op het behalen van de wettelijke termijn zijn ingezet als interventie. De inspecties hebben in totaal 26 casussen beoordeeld op de aanwezigheid van een koers. In alle zaken was er een koers. De inspecties hebben in totaal 26 casussen beoordeeld op de tijdigheid van de koers. Dit was in alle gevallen op orde. De inspecties hebben 26 zaken beoordeeld op de gedragenheid van de koers. In 25 zaken was dit op orde. De gesprekken die de inspecties hebben gevoerd met ouders en jeugdbeschermers hebben bijgedragen aan een completer beeld en bevestigen dat jeugdbeschermers tijdig in contact staan met hun cliënten, goed bereikbaar zijn en dat zij met jeugdige en ouders tijdig werken aan een gedragen koers. Het lukt de jeugdbeschermers naar eigen zeggen vaak om helder te krijgen welke hulp passend is en draagvlak te vinden voor het inzetten van hulp bij het gezin. Praktijkvoorbeeld van jeugdbeschermer ¨Ouders of jongeren zeggen soms achter de koers te staan, maar laten dit in de praktijk niet zien.
Een jeugdreclasseringsmaatregel is een strafmaatregel met zowel een pedagogisch- als een vergeldingselement. De keuze voor een jongere bij het accepteren van een door de rechter ‘opgelegde’ koers in de vorm van bijvoorbeeld schorsende voorwaarde, kan de keuze zijn tussen vastzitten of een enkelband. Zo accepteerde een jongere van 17 jaar een enkelband als schorsende voorwaarden, maar knipte deze enkele dagen nadat hij thuis was af en was zo enkele weken niet in zicht van ouders, jeugdreclassering en politie. De jongere is uiteindelijk door de politie weer staande gehouden en vastgezet.¨
Bij jeugdreclasseringszaken is het bewerkstelligen van een gedragen koers het uitgangspunt voor de GI, maar vanwege het strafrechtelijk kader kan het zijn dat de koers opgelegd wordt door de rechter in de vorm van (schorsende) voorwaarden. Toch investeren de jeugdreclasseerders in het duurzaam bestendigen van de ingezette koers, zodat de jeugdige hier ook achter staat. Dit is belangrijk om recidive te voorkomen.
15 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 3
Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind / gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.
Bevindingen ¨Een meisje met een lichte verstandelijke beperking en autisme die niet naar school ging heeft 8 maanden moeten wachten op de passende hulp.¨ Jeugdbeschermer De regio Zuid West is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp die leidt tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico, in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. In totaal zijn bij de vier GI’s in de regio 25 casussen getoetst op de tijdige inzet van passende hulp. In zes casussen was in overleg met het gezin (nog) geen hulp ingezet. In de 19 overgebleven casussen was in 10 gevallen tijdig passende hulp ingezet. Eén casus kon niet worden beoordeeld. De inspecties hebben in de praktijktoets voorbeelden gezien van jeugdigen en gezinnen met zware problematiek. Tijdige inzet van passende hulp is noodzakelijk om te zorgen dat problemen niet verder verergeren. Voorbeelden zijn baby’s en jonge kinderen waarvan de ouders niet in staat zijn voor hen te zorgen vanwege middelengebruik of ernstige psychiatrische problemen, (jonge) kinderen die slachtoffer of getuige zijn van huiselijk geweld, en jeugdigen die zelf niet mee kunnen doen in de samenleving vanwege middelengebruik, persoonlijkheidsproblematiek en/of het plegen van ernstige delicten.
Hieronder geven de inspecties weer welke factoren uit de casuïstiek en uit de gesprekken met jeugdbeschermers en ouders naar voren kwamen bij het tijdig organiseren van passende hulp voor jeugdigen met een maategel. Aanvullend is na de praktijktoets een uitvraag gedaan bij de contactpersonen van de regio’s binnen Zuid West. Vaak waren deze contactpersonen verbonden aan de expert- / expertiseteams (dit kan per regio een andere naam dragen) die een rol hebben gespeeld in de doorbraakaanpak.
16 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Belemmerende factoren bij de inzet van hulp Doorbraakaanpak beperkt succesvol Zoals eerder aangegeven verschilde de aanpak, de voortvarendheid en de mate van succes van de doorbraakaanpak per jeugdhulpregio (zie 3.1). De werkwijze van de doorbraakaanpak is niet bij alle jeugdbeschermers bekend of wordt niet als een meerwaarde ervaren. Vaak hebben de jeugdbeschermers zelf al (bijna) alle mogelijkheden om hulp in te zetten geprobeerd. Van hen wordt echter ook een actieve participatie verwacht bij de doorbraakaanpak om naar beleving van de jeugdbeschermer weer van vooraf aan te beginnen met onvoldoende vertrouwen in het resultaat. Binnen de doorbraakaanpakken is geen partij met doorzettingsmacht, om de hulp aan kinderen met complexe problematiek te regelen. Samenwerking in de regio In het toezicht zijn op verschillende niveaus knelpunten in de samenwerking tussen gemeenten, GI’s en zorgaanbieders naar voren gekomen. Dit geldt voor de samenwerking tussen regio’s om te komen tot kwalitatief en kwantitatief toereikend specialistisch jeugdhulpaanbod. Voor het bestendigen en innoveren van het specialistisch jeugdhulpaanbod is een goede samenwerking nodig tussen de regio’s, de gecertificeerde instellingen en het specialistische jeugdhulpaanbod.
De jeugdhulpregio’s benoemen dat er belemmeringen zijn wanneer hulp vanuit verschillende domeinen nodig is (LVB, GGZ, jeugd- en opvoedhulp en sociaal domein inkomen/wonen, enz.), verschillende gemeenten betrokken zijn, of volwassen hulpverlening betrokken/nodig is maar daar onvoldoende aansluiting in is.
Voorbeeldcasus In een gezin met drie kinderen is sprake van psychiatrische problematiek bij één van de ouders. Opvoedondersteuning vereist dat de psychiatrische problematiek wordt verminderd door GGZ-behandeling, de psychiater vereist dat er eerst rust komt in de gezinssituatie voordat behandeling kan starten. De jeugdbeschermer kan hier geen doorzettingsmacht inzetten maar is wel verantwoordelijk dat de opvoedomgeving veilig wordt.
Op casusniveau spelen visieverschillen een rol bij de tijdige inzet van passende hulp. Jeugdbeschermers ervaren dat zij, naast het gezin, ook wijkteams of zorgaanbieders moeten motiveren om de hulp in te zetten die nodig wordt geacht. Bijvoorbeeld wanneer de hulpverlening niet werkt aan de doelen waarvoor de jeugdbeschermer de hulpverlening heeft ingezet. Tekort aan (specialistische) hulp Het ontbreken van voldoende specialistisch hulpaanbod is een groot knelpunt in de regio. Over de hele linie zijn wachtlijsten (gezinshuizen, jeugd-GGZ, ambulante jeugdhulp, forensische zorg). De regio heeft een tekort aan residentiële jeugdhulp. Kinderen met complexe gedragsproblematiek moeten lang wachten op een woonplek. Datzelfde geldt voor twaalf- tot achttienjarigen met LVBproblematiek. Vaak blijven deze jongeren dan thuis met veiligheidsafspraken, maar wordt de noodzakelijke behandeling niet geboden. Het tijdig inzetten van (residentiële) jeugdhulp die bijvoorbeeld nodig is om jongere uit detentie te laten schorsen lukt ook onvoldoende. Voor jeugdigen waarvoor een vervolgplek nodig is na verblijf in een instelling (na behandeling of omdat zij 18 jaar zijn geworden) is ook onvoldoende aanbod. De jeugdhulpregio’s benoemen dat een gezamenlijke visie van jeugdhulpregio’s en jeugdbescherming op (de inzet van) residentiële zorg gewenst is.
17 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Om de ontwikkelingsbedreigingen voor kinderen weg te nemen is vaak ook hulp voor ouders nodig (GGZ, WMO, schuldhulpverlening, enz.). Deze hulp is te beperkt beschikbaar, waardoor bijvoorbeeld een ¨Wanneer een jongere lang moet terugplaatsingstraject niet gestart kan worden om een wachten op een intakegesprek of start kind (weer) thuis te kunnen laten wonen. van de hulpverlening raken zij hun motivatie kwijt en moet je de volgende In de praktijk leidt het zoeken naar de passende hulp, de keer nog harder werken om ze inzet van alternatieve hulp of overbruggingshulp tot gemotiveerd te krijgen.¨ onduidelijkheid voor ouders en kind. De motivatie van ouders die is opgebouwd doordat een jeugdbeschermer of Jeugdbeschermer jeugdreclasseerder samen met hen aan een plan heeft gewerkt verdwijnt als de hulp waar zij samen achter staan, niet beschikbaar blijkt te zijn. Jeugdhulpregio’s onderkennen dat inzet van alternatieve hulp betekent dat concessies worden gedaan en dat dit kan leiden tot een minder positief of duurzaam effect voor de jeugdige. Afwijzen jeugdigen met complexe problematiek Jongeren met een combinatie van problemen, zoals gedragsproblemen, drugsgebruik en een LVB zijn moeilijk te plaatsen.
Zorgaanbieders wijzen jeugdigen af omdat er een contra-indicatie is, bijvoorbeeld omdat zij wel gespecialiseerd zijn op het gebied van gedragsproblematiek, maar niet op het gebied van LVB, en vice versa. Voorbeeldcasus Een 17-jarige jongen wordt conform de uitkomst van een psychologisch onderzoek, aangemeld bij een jeugd-GGZ-instelling voor behandeling en begeleiding voor zijn autisme. De aanbieder wijst op inhoud de aanmelding af. Er is veel overleg geweest, maar zonder resultaat. De jeugdbeschermer heeft daarnaast veel tijd gestoken in het behoud van draagvlak bij ouders en jongere om bij een andere aanbieder hulp aan te vragen. De jongere is nu bij een andere jeugd-GGZ-instelling waar hij nu op de wachtlijst staat.
¨Ik voel me soms meer accountmanager dan jeugdbeschermer.¨ Jeugdbeschermer Verschillende werkwijzen in de regio’s leiden tot vertraging bij de inzet van passende hulp De inspecties benoemen in het rapport uit 2019 dat de gecertificeerde instelling de wettelijke taak heeft te bepalen of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De Jeugdwet schrijft voor dat de GI hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd en anderzijds dat de gemeente als financier dient te weten welke jeugdhulp nodig wordt geacht (en dus moet worden ingekocht). 7 Dit overleg is niet bedoeld om te komen tot overeenstemming over de bepaling van de jeugdhulp door de GI, de GI heeft hierin de eindverantwoordelijkheid. Goede samenwerking en gezamenlijke besluitvorming op casusniveau tussen gecertificeerde instelling moet gericht zijn op tijdige inzet van de passende hulp voor de jeugdige. Het administratieve en bureaucratische proces mag niet vertragen, of ertoe leiden dat de noodzakelijke hulp aan een jeugdige wordt onthouden. Het overleg dient plaats te vinden met inachtneming van de privacywetgeving en de regels omtrent het beroepsgeheim.
7
Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 684, F; Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 684, F p.45 e.v.
18 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Met regelmaat is er volgens de jeugdbeschermers met gemeenten overleg nodig over de inzet van hulp, bijvoorbeeld over de beschikbaarheid en inzetten van niet gecontracteerde hulp. De werkwijze hierin verschilt per regio en soms per gemeente. Dit is volgens de meeste jeugdbeschermers niet werkbaar. Jeugdbeschermers missen een integraal zicht op het hulpaanbod in regio Zuid West. Ook de jeugdhulpregio’s benoemen dat de sociale kaart in de regio ingewikkeld is geworden. In de monitoringsfase werd eerder al duidelijk dat het jeugdzorglandschap binnen de regio’s binnen Zuid West verschillend is ingericht. Het voorliggend veld werkt in deze verschillende regio’s (en in de verschillende gemeenten) anders als het gaat om het aanvragen van hulp, of het escaleren als niet tijdig de passende hulp ingezet kan worden. Regio Zuid West is onderverdeeld in vier subregio’s (Haaglanden, Midden Holland, Holland Rijnland en Zuid-Holland Zuid). Het jeugdhulplandschap verschilt binnen regio Zuid West niet enkel per sub-regio maar ook binnen deze regio’s, zoals in Holland Rijnland, zijn verschillende werkwijzen tussen gemeenten. Dit hangt samen met de keuzes die de verschillende jeugdhulpregio’s hebben gemaakt en is inherent aan de decentralisatie van de jeugdhulp.
Het pakt in Zuid-West echter nadelig uit voor het tijdig organiseren van passende hulp voor jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Wanneer een kind naar een andere regio of gemeente verhuist zorgt dit met regelmaat voor discussie tussen gemeenten over het woonplaatsbeginsel en het vergoeden van de jeugdhulp. In 2017 heeft de VNG een convenant 8 opgesteld om gemeenten de gelegenheid te geven om de knelpunten in gezamenlijkheid op te lossen. De gemeenten in Zuid West hebben onderling geen duidelijke afspraken gemaakt over hoe ze omgaan met het woonplaatsbeginsel, waardoor jeugdbeschermers ervaren dat het lastiger kan zijn om passende hulp in te zetten. De jeugdhulpregio’s herkennen dit knelpunt en willen meer flexibiliteit in de financieringsafspraken als een jeugdige verhuist. Het afstemmen op de verschillende werkwijzen vraagt veel tijd van jeugdbeschermers en zorgt voor een verhoogde werkdruk bij hen, zonder dat daarbij de uitkomst (tijdige passende hulp) gegarandeerd is. Enerzijds door de extra tijd die uitgaat naar het zoeken naar passende hulp en motiveren van zorgaanbieders om een hulpvraag aan te nemen en anderzijds het gezin gemotiveerd houden voor de hulp. Dat in de tussentijd de ontwikkelingsbedreigingen en risico’s op (acute) onveiligheid vergroot wordt, verzwaart volgens de meeste jeugdbeschermers hun taak.
Bevorderende factoren bij de inzet van hulp Specifiek voor de jeugdreclassering geldt dat hulp inzetten niet altijd nodig is en de (schorsende) voorwaarden hun werk doen. Ook is er vanuit jeugdreclassering meer ruimte en tijd om zelf met jongere in gesprek te gaan (in plaats van een hulpverlener), waardoor soms inzet van verdere hulpverlening niet nodig is. Voor de LWI’s geldt dat binnen de organisatie regio overstijgend overleg met gedragsdeskundige en collega’s helpend is. Voorbeeldcasus
Jongere van 17 jaar zit in detentie, gezien de voortzetting van protectieve factoren zoals o.a. schoolgang, een bijbaan, hulpverlening is het meer dan wenselijk dat deze jongere wordt geschorst. Ouders, jongere, Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclasseerder zijn het hier mee eens. Wat ontbreekt is echter een residentiële woonvorm die nodig is omdat hij niet (meer) thuis kan wonen. Gezien het delictverleden wordt dit als eis voor schorsing neergelegd door de rechter-commissaris. Het lukt de jeugdreclasseerder niet om deze hulpvorm tijdig te organiseren, waardoor de jongeren langer dan nodig zou zijn in detentie verblijft.
8
Microsoft Word - Convenant Woonplaatsbeginsel Jeugd VNG.docx
19 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
5 Conclusie 5.1 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer heeft en dat voor elk kind met een maatregel tijdig een gedragen koers is uitgezet. De inspecties voerden in februari en maart 2021 een verdiepende praktijktoets uit om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties stellen vast dat de regio voor wat betreft de jeugdigen met een maatregel die wordt uitgevoerd door Jeugdbescherming west grotendeels aan deze normen voldoet. Om kwalitatief goed uitvoering te geven aan een jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregel, heeft een GI nodig dat het personeelsbestand op orde is en ruimte biedt voor onvoorziene situaties. Daarnaast is het belangrijk dat een GI kan investeren in de deskundigheid en het werkplezier van hun medewerkers. Dit vraagt (financiële) bewegingsruimte bij de GI. De regio heeft hier de afgelopen jaren in geïnvesteerd. De tariefstelling voor JB west is bijvoorbeeld per 1 januari 2021 geharmoniseerd en draagt hieraan bij.
Drie van de vier regio’s (Holland Rijnland, Haaglanden en Midden Holland) hebben aanvullend een lumpsumfinanciering beschikbaar zodat JB west de caseload verder kon verlagen. Ondanks deze positieve ontwikkelingen ervaren de jeugdbeschermers nog altijd een hoge werkdruk. Over de landelijk werkende instellingen (LJ&R en WSS) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport.
5.2 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp De inspecties hebben in oktober 2020 daarnaast aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ontvangt. De inspecties hebben in februari en maart 2021 een verdiepende praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties hebben waardering voor de inspanningen die de regio Zuid West heeft verricht bij het vormgeven en uitvoeren van de doorbraakaanpak. Tegelijkertijd stellen de inspecties vast dat de regio Zuid West niet aan de norm voldoet. De doorbraakaanpak heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. De inspecties hebben binnen regio Zuid West verschillende (doorbraak)aanpakken gezien. De samenwerking in de doorbraakaanpak heeft in de regio’s Haaglanden en Midden Holland meer resultaat opgeleverd dan in de andere regio’s in Zuid West. In regio’s Holland Rijnland en ZuidHolland Zuid kwam de (doorbraak)aanpak traag op gang. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de noodzakelijke hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd, de jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden.
Een ondertoezichtstelling wordt hooguit voor een jaar uitgesproken. De inspecties vinden het niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten. Dit beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten en kan leiden tot verergering van de problematiek. Een maatregel kán worden verlengd, maar de inspecties vinden het niet acceptabel wanneer deze verlenging het gevolg is van niet tijdige inzet van hulp. Het is de inspecties gebleken dat het in de regio ontbreekt aan effectieve (bovenregionale) samenwerking die nodig is op thema’s als residentiële zorg en bovenregionale inkoop van hoog
20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
specialistische zorg voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Het hulpaanbod sluit niet afdoende aan bij de hulpvraag van ouders en hun kinderen en is niet voldoende beschikbaar om tijdig ingezet te worden. Wachtlijstproblemen komen voornamelijk voor bij gezinshuizen, jeugdGGZ, ambulante jeugdhulp en forensische jeugdhulp, residentiele voorzieningen voor kinderen vanaf 12 jaar met complexe gedragsproblemen en met LVB-problematiek. Verder is het hulpaanbod voor complexe scheidingen onvoldoende effectief en zijn er onvoldoende mogelijkheden voor doorstroom uit residentiële voorzieningen. De inspecties zien extra belemmeringen wanneer de inzet van hulp vanuit verschillende domeinen nodig is, verschillende gemeenten betrokken zijn, of volwassen hulpverlening betrokken/nodig is maar daar onvoldoende aansluiting in is. Verder is het de inspecties gebleken dat de regio Zuid West het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel verschillend heeft georganiseerd en hierdoor zodanig complex is dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Afstemming tussen de GI en de gemeente dient gericht te zijn op en ondersteunend aan het vinden van passend aanbod, op basis van de koers die de GI met het gezin heeft uitgezet. Voor een jeugdhulpbepaling voor een jeugdige met een maatregel is geen beschikking van de gemeente nodig.
De inspecties stellen vast dat de wethouders die de verschillende jeugdhulpregio’s in Zuid West vertegenwoordigen zijn doordrongen van de noodzaak om de doorbraakaanpak aan te scherpen en voort te zetten en dat zij voornemens zijn de bovenregionale samenwerking te intensiveren om te komen tot een kwalitatief en kwantitatief toereikend hulpaanbod. Dit is positief, tegelijkertijd hebben de inspecties zorgen over de jeugdigen met een maatregel die op dit moment wachten op passende hulp en oorzaken die hieraan ten grondslag liggen.
5.3 Vervolg passende hulp: Verscherpt toezicht Gelet op het voorgaande kan de inspectie er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de jeugdhulpregio’s, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders binnen de jeugdbeschermingsregio alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties zullen hiertoe in de regio Zuid West verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten. Concreet verwachten de inspecties per direct dat de regio’s zorgen dat elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp krijgt. Hiervoor is nodig: Gemeenten
Maak mogelijk dat de GI de noodzakelijk geachte hulp zonder vertraging kan inzetten. Dat wil zeggen dat de inzet van hulp onverwijld plaatsvindt en dat de noodzakelijk geachte hulp niet wordt heroverwogen. Neem bureaucratische belemmeringen weg.
GI’s
Overleg indien nodig tijdig met de daartoe aangewezen inhoudelijk deskundige van de gemeente over de beschikbaarheid en de mogelijkheden om de noodzakelijke hulp in te zetten. Tijdig wil zeggen: Gedurende of direct na het uitzetten van de koers met jeugdige, ouders en intern (en eventueel extern) betrokken disciplines. Schaal tijdig op naar het expertteam indien de passende hulp niet tijdig beschikbaar blijkt.
21 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Jeugdhulpregio’s, GI’s, zorgaanbieders en lokale teams gezamenlijk
Scherp gezamenlijk de doorbraakaanpak aan op basis van de analyse van de inspecties en zet deze in voor kinderen met een maatregel die nu wachten op passende hulp.
Daarnaast verwachten de inspecties in de periode van het verscherpt toezicht:
Dat (betrokken partijen in) de jeugdhulpregio’s in deze periode tot een gezamenlijke aanpak komen, waarvan zij aannemelijk kunnen maken dat dit op de korte termijn leidt tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel.
De inspecties zien tot slot dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. De inspecties spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
22 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bijlage Reactie van de jeugdbeschermingsregio.
23 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
24 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
25 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
26 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Duidelijk. Onafhankelijk. Eerlijk. www.igj.nl
27 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd Landelijk rapport 2021 vervolgtoezicht
Utrecht, juli 2021
Voorwoord
Dit rapport gaat over kinderen die een jeugdbeschermingsmaatregel hebben. Het kan zijn dat zij door de rechter onder toezicht zijn gesteld. Het kan ook zijn dat ze vanwege een strafbaar feit een jeugdreclasseringsmaatregel kregen opgelegd. Dit doet een rechter niet zomaar. De zorgen zijn dan groot. In beide situaties hebben jeugdbeschermers bij een gecertificeerde instelling de zware taak om deze kinderen te begeleiden. Achter al deze maatregelen zitten lange en persoonlijke verhalen. In dit rapport noemen we bijvoorbeeld K., een baby van acht maanden oud met ouders die beiden verslaafd zijn aan drugs. En Q., die met haar vijf jaar zag dat haar moeder werd geslagen en misbruikt. Of drie jonge kinderen die al meerdere keren geweld meemaakten en inmiddels op zeven verschillende plekken hebben gewoond. En de veertienjarige M. Hij heeft een zedendelict gepleegd en is uit huis geplaatst. Deze verhalen maken indruk en laten je voelen waar het bij dit onderwerp écht om gaat. Een jeugdbeschermingsmaatregel gaat niet over regels of procedures maar gaat over kinderen die het recht hebben om te worden beschermd. Wanneer we ons laten doordringen in welke situaties deze kinderen zich bevinden, voelen we een enorm besef van urgentie. We gunnen deze kinderen een jeugdbeschermer die samen met hen en hun ouders bespreekt wat nodig is om de problemen op te lossen.
En juist omdat deze kinderen vaak al zoveel hebben meegemaakt is het fijn als één iemand ze een tijd begeleidt, zodat zij elkaar leren kennen en kunnen vertrouwen. Dit lukt niet als er steeds iemand anders komt aan wie zij hun verhaal moeten vertellen. Ook gunnen we hen dat snel duidelijk is welke hulp zij nodig hebben om hun problemen op te lossen. En áls dan het besluit genomen is welke hulp er moet komen, is het belangrijk dat zij niet te lang op deze hulp moeten wachten. Sterker nog, de kans is groot dat de problemen tijdens dat wachten alleen maar groter worden. De vergelijking met de intensive care blijft opgaan. De jeugdbescherming is de intensive care voor de meest kwetsbare kinderen. In Nederland kan iemand die acute medische zorg nodig heeft terecht op de intensive care. Het is zo afgesproken dat daar altijd bedden beschikbaar zijn. Een kind dat acute jeugdbescherming en jeugdhulp nodig heeft, zou er ook zeker van moeten kunnen zijn dat deze hulp tijdig beschikbaar is. Het is onze opdracht als inspecties om te kijken of de jeugdhulp in ons land goed en veilig is. Dit is de rapportage over het vervolgtoezicht in 2021 na ons rapport Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd uit 2019. In het najaar van 2020 schreven we dat verbeteringen voor kinderen die nu een maatregel hebben niet langer konden wachten. We vroegen om een actiegerichte doorbraakaanpak.
We hebben in de afgelopen periode gezien dat er door alle betrokken partijen hard gewerkt wordt voor deze kinderen. In alle jeugdbeschermingsregio’s zien we verbetering.
Pagina 3 van 48
Maar in de ene regio is meer vooruitgang geboekt dan in de andere. Deels komt dit door gemaakte keuzes en een actiegerichte vooruitstrevende aanpak en anderzijds heeft het te maken met structurele problemen die moeilijk het hoofd te bieden zijn. Realiteit is dat het hele systeem zo onder druk staat dat een regio die nu in staat is om tijdig een vaste jeugdbeschermer, een gedragen koers en passende hulp te bieden, binnenkort een regio kan zijn waar dit niet lukt. Het is een wankel evenwicht: de regio die vandaag “groen” is kan morgen “rood” zijn. Ondanks de ingezette verbeteringen blijft de jeugdbescherming enorm kwetsbaar. Alle mensen die een taak hebben binnen de jeugdbescherming vinden het belangrijk dat deze kinderen goed geholpen worden en zetten zich maximaal in. We verwachten met dit rapport in handen, de aanbevelingen die we doen en de eerder getoonde betrokkenheid van alle partijen, dat ieder kind in de jeugdbescherming de komende tijd ervaart dat er tijd, ruimte en hulp voor hen is. Dat ze belangrijk zijn. Korrie Louwes, Hoofdinspecteur Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Hans Faber, Hoofdinspecteur Inspectie Justitie en Veiligheid
Pagina 4 van 48
Samenvatting
Dit rapport is een vervolg op eerdere rapportages over tijdige hulp aan kinderen en ouders die te maken hebben met jeugdbescherming en jeugdreclassering (hierna: jeugdbescherming). De jeugdbescherming is de intensive care voor de meest kwetsbare kinderen in de samenleving. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd en de overheid grijpt - via de jeugdbeschermer - direct in op het gezin. Dat gebeurt na een besluit van de kinderrechter. De jeugdbeschermer heeft slechts beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Het is niet acceptabel dat deze beperkte tijd wordt gevuld met wachten. Dit leidt tot verergering van de problematiek bij jeugdigen en beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten. In oktober 2020 hebben de inspecties gevraagd om een onorthodoxe, actiegerichte doorbraakaanpak.
De doorbraakaanpak moest leiden tot tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel, tijdig een uitgezette gedragen koers en tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. De inspecties richten zich op alle betrokken partijen in de jeugdbeschermingsregio: de accounthoudende regio voor de jeugdbescherming, de gemeenten in de regio, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders. De inspecties hebben de uitkomsten van de doorbraakaanpak in alle jeugdbeschermingsregio’s uitgebreid aan de hand van vele casussen getoetst. Dit rapport bevat de overstijgende bevindingen van de inspecties. Gelijktijdig met dit landelijke rapport publiceren de inspecties elf regiorapporten. Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Sinds 2019 is veel verbeterd bij de gecertificeerde instellingen (GI’s) voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Tegelijkertijd blijft de vitale functie van jeugdbescherming zeer kwetsbaar.
Jeugdbescherming Brabant, Jeugdbescherming Gelderland, De Jeugd- en Gezinsbeschermers, en het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering zijn er met de jeugdhulpregio’s niet in geslaagd om samen voorwaarden te creëren waardoor elke jeugdige met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers heeft. Voor deze instellingen bepalen de inspecties het vervolgtoezicht na een bestuurlijk gesprek. Briedis is per 1 juni 2021 failliet verklaard. De inspecties houden daar toezicht op de overdracht van jeugdigen met een maatregel naar andere GI’s en richten zich hierbij op de continuïteit van hulp aan deze jeugdigen. In Zeeland en Brabant is de situatie na de verdiepende praktijktoets verder verslechterd als gevolg van het faillissement van Briedis, de beëindiging van het contract van de Zeeuwse gemeenten met Intervence en een tijdelijke opnamestop bij Jeugdbescherming Brabant en de William Schrikker Stichting. De inspecties volgen de situatie in deze regio’s intensief. Elk kind tijdig passende hulp De jeugdbeschermingsregio’s Friesland en Overijssel zijn er grotendeels in geslaagd om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig van passende hulp te voorzien. De inspecties sluiten het toezichttraject op deze norm in deze regio’s af.
Pagina 5 van 48
De jeugdbeschermingsregio’s Gelderland, Groningen & Drenthe, Limburg, Utrecht & Flevoland en Zeeland, zijn er niet in geslaagd om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig van passende hulp te voorzien. De inspecties hebben voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er alsnog op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties volgen dit vanuit het reguliere toezicht. De jeugdbeschermingsregio’s Brabant, Noord-Holland/Amsterdam, Rijnmond, Zuid West zijn er niet in geslaagd om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig van passende hulp te voorzien. De inspecties hebben niet voldoende aanwijzingen dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp te bieden. De inspecties zullen hiertoe in deze regio’s verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten. Daarmee intensiveren de inspecties hun activiteiten in deze regio’s. Intensief toezicht en nauw contact met de betrokken regio’s moet eraan bijdragen dat op korte termijn, alsnog elk kind met een beschermingsmaatregel tijdig passende hulp krijgt.
De betrokken regio’s delen het nut en de noodzaak van extra maatregelen en zullen hun inspanningen de komende periode kracht bij zetten. Aanbevelingen Dit rapport en de elf afzonderlijke regiorapporten bevatten aanbevelingen aan de jeugdbeschermingsregio’s waarin de gemeenten, GI’s, zorgaanbieders en lokale teams samenwerken. Daarnaast doen de inspecties aanbevelingen aan het Rijk. Deze richten zich op het in beeld brengen van vraag en aanbod en vervolgens op de garantie van een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdbescherming, jeugdreclassering en specialistische jeugdhulp voor jeugdigen met een maatregel.
Pagina 6 van 48
Inhoud
Voorwoord Samenvatting Inhoud 1 1.1 1.2
Inleiding Voorgeschiedenis Dit onderzoek
8 8 9
2 2.1 2.2
Kinderen en ouders in de jeugdbescherming Waarom is tijdig passende hulp voor hen noodzakelijk? Wat is nodig om de ontwikkelingsbedreiging/recidiverisico af te wenden?
12 12 14
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2
Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Grote stappen gezet … … maar kwetsbaarheid blijft Werken met ‘de minimale variant’ Verloop en verzuim
15 16 19 19 19
4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.2 4.2.1
21 23 23 24 26
4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5
Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp De doorbraakaanpak Successen van de doorbraakaanpak Knelpunten doorbraakaanpak Structurele problemen Onvoldoende residentieel hulpaanbod voor jeugdigen met de meest complexe problemen Onvoldoende specialistisch ambulant (GGZ) hulpaanbod : wachtlijsten Onvoldoende bovenregionale samenwerking Knelpunten in de toeleiding naar passende hulp Knelpunten bij zorgaanbieders
5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.2
Conclusies en aanbevelingen Conclusies 30 Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Elk kind met een maatregel tijdig passende hulp Aanbevelingen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
26 26 27 28 29 30 30 31 32
Overzicht bevindingen per regio Overzicht bevindingen per regio Gecertificeerde instellingen werkend in meerdere regio’s Samenvattingen per jeugdbeschermingsregio Gehanteerde normen
Pagina 7 van 48
1
Inleiding
Jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn te beschouwen als de intensive care van de samenleving voor de meest kwetsbare kinderen. Wanneer de ontwikkeling van een jeugdige ernstig bedreigd wordt en een afname van de bedreiging niet van de grond komt, krijgen gezinnen te maken met jeugdbescherming. De overheid zet na de uitspraak van de kinderrechter een jeugdbeschermer naast de ouder(s). De jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de gezaghebbende ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de hulp zonder vertraging wordt ingezet. Het is niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten. Wachten verergert de problematiek en beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de juiste stappen te zetten om tot verbetering van de situatie te komen. 1.1
De bescherming van kwetsbare kinderen: een overheidstaak Ieder kind heeft recht op bescherming tegen mishandeling. Hieronder vallen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling, verwaarlozing en (seksueel) misbruik. Zowel in het gezin als daarbuiten. De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen. Ook moet de overheid zorgen voor opvang en behandeling van kinderen die hiervan slachtoffer zijn (artikel 19 IVRK).
Voorgeschiedenis In het najaar van 2019 oordeelden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de inspecties) in het rapport en signalement met de titel Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd respectievelijk Jeugdbeschermingsketen in gevaar dat de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering op dat moment werd uitgevoerd niet acceptabel was. De inspecties stelden dat de overheid onvoldoende haar verantwoordelijkheid nam om kinderen die ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd te beschermen. Daarnaast constateerden zij dat de jeugdbeschermingsketen maximaal onder druk stond door structurele problemen zoals personeelsverloop bij de jeugdbescherming, financiële tekorten en wachttijden voor passende hulp. De inspecties vroegen om directe actie die zou leiden tot hulp zonder vertraging voor kwetsbare kinderen. Hierop zetten de inspecties een intensief toezicht traject in. In 2020 en 2021 volgden de inspecties de activiteiten die moeten leiden tot een directe verbetering op de korte termijn en structurele verbetering op de langere termijn. In de voortgangsrapportage van oktober 2020 deden de inspecties verslag van de eerste bevindingen.
De inspecties zagen dat er voor de lange termijn een positieve beweging in gang was gezet, maar stelden tegelijkertijd vast dat er onvoldoende was gebeurd voor de kinderen die nu een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel hebben en nog geen hulp krijgen. Om die reden vroegen de inspecties aan de jeugdbeschermingsregio’s om, samen met de gecertificeerde instellingen, zorgaanbieders, lokale teams en gemeenten om een doorbraak te forceren voor alle kinderen met een jeugdbeschermings- of reclasseringsmaatregel door middel van een onorthodoxe actiegerichte doorbraakaanpak.
Pagina 8 van 48
Deze doorbraakaanpak moest leiden tot tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel, een tijdig uitgezette gedragen koers en een tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. Daarmee geeft de jeugdbeschermer op een adequate manier invulling aan de maatregel die de rechter heeft uitgesproken. 1.2
Dit onderzoek Monitoring Van oktober 2020 tot en met februari 2021 monitorden de inspecties de doorbraakaanpak van elke jeugdbeschermingsregio door frequent gesprekken te voeren met door de regio aangewezen contactpersonen. Aanvullend zijn andere onderzoeksactiviteiten ingezet. In Zeeland voerden de inspecties bijvoorbeeld tussentijds een verdiepende praktijktoets uit wegens de (beoogde) beëindiging van het contract met de gecertificeerde instelling Intervence. Verdiepende praktijktoets In maart 2021 hebben de inspecties tijdens de verdiepende praktijktoets getoetst of kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp hebben. Dit is gedaan door middel van dossiertoetsen en gesprekken met kinderen, ouders en jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders. Aanvullend en op maat hebben de inspecties in een aantal regio’s gesprekken gevoerd met jeugdhulpregio’s en/of zorgaanbieders. De normen waarop de inspecties hebben getoetst staan in bijlage 5. In dit rapport staan de geaggregeerde resultaten en conclusies van de monitoring en de verdiepende praktijktoetsen in de regio’s.
In dit rapport gebruiken de inspecties deze begrippen: Accounthoudende regio: Voor elke gecertificeerde instelling is binnen de jeugdbeschermingsregio een accounthoudende jeugdhulpregio aangewezen die naar andere jeugdhulpregio’s acteert bij risico’s van discontinuïteit. Gecertificeerde instelling (GI): Nederland kent 15 gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Dit zijn de bevoegde instanties voor het uitvoeren van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De opdracht aan de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering op basis van de Jeugdwet is om te bepalen welke hulp het kind nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De in te zetten hulp moet verantwoord zijn, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Jeugdhulpregio: In 2015 is de jeugdhulp gedecentraliseerd naar gemeenten. Een aantal vormen van jeugdhulp kan niet op gemeentelijk niveau uitgevoerd worden wegens de benodigde deskundigheid, de beperkte omvang van sommige doelgroepen en de schaal waarop sommige gespecialiseerde voorzieningen zijn
Pagina 9 van 48
georganiseerd. Daarom zijn er jeugdhulpregio’s, waarbinnen gemeenten gezamenlijk hulp organiseren. Jeugdbeschermingsregio: De inspecties zijn bij het toezicht in de regio’s uitgegaan van de gebieden waarbinnen een regionale gecertificeerde instelling werkzaam is en benoemen deze gebieden in het rapport als ‘jeugdbeschermingsregio’. Voor de meeste jeugdbeschermingsregio’s komen deze grenzen overeen met de provinciegrenzen van één of twee provincies. In Noord- en Zuid-Holland zijn twee regionale gecertificeerde instellingen werkzaam. Lokale teams: Wijkteams of jeugdteams die een rol spelen bij het toeleiden van inwoners naar verschillende vormen van hulp, waaronder jeugdhulp. Lokale teams bieden in veel gemeenten ook zelf laagdrempelige hulp. Zorgaanbieders: Aanbieders van (specialistische) jeugdhulp, zoals jeugd- en opvoedhulp, jeugd-GGZ en hulp aan jeugdigen met een licht verstandelijke beperking.
Pagina 10 van 48
Dit is een kaart van Nederland met daarin aangegeven de elf jeugdbeschermingsregio’s: Friesland, Groningen/Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht/Flevoland, NoordHolland/Amsterdam, Zuid-West, Rijnmond, Zeeland, Brabant en Limburg.
Pagina 11 van 48
2
Kinderen en ouders in de jeugdbescherming
De inspecties spraken met ouders, jeugdigen en jeugdbeschermers en bekeken vele dossiers. In totaal hebben de inspecties zicht gekregen op de situatie van 400 jeugdigen en gezinnen met een maatregel. Kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel zijn kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hun ouders zijn (tijdelijk of structureel) niet in staat om hen de bescherming of begeleiding te bieden die nodig is om gezond en veilig te kunnen opgroeien. Het lukt ook niet met steun van het sociale netwerk en met vrijwillige hulpverlening. Pas als alle mogelijkheden in het vrijwillig kader zijn uitgeput, komt het tot een kinderbeschermingsmaatregel, nadat ook de kinderrechter heeft bepaald dat hulp in het vrijwillig kader ontoereikend is gebleken en er geen afdoende alternatieven meer zijn. De overheid draagt de verantwoordelijkheid om deze kinderen zonder vertraging te beschermen tegen de bedreigingen in hun gezonde en veilige ontwikkeling, omdat ouders dit niet kunnen of omdat zij zelf de bedreiging vormen. Het gaat ook om jeugdigen met een jeugdreclasseringsmaatregel. Ook de problematiek van deze kinderen en hun ouders is vaak complex, waardoor deze kinderen dringend zorg en ondersteuning nodig hebben. Hiertoe legt een kinderrechter een jeugdige een jeugdreclasseringsmaatregel op.
De overheid draagt de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van deze jeugdige, gericht op het voorkomen van recidive, de re-integratie en het borgen van de veiligheid van de jeugdige en zijn omgeving. 2.1
Waarom is tijdig passende hulp voor hen noodzakelijk? De urgentie om in te grijpen in een gezin is groot op het moment dat de kinderrechter een jeugdbeschermingsmaatregel uitspreekt. De overheid grijpt in de privélevens van deze gezinnen in om de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen op te heffen, respectievelijk te voorkomen dat een jeugdige recidiveert in zijn strafbare gedrag. Deze urgentie maakt het noodzakelijk dat een kinderbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel integraal, deskundig en zonder vertraging wordt uitgevoerd. De noodzakelijke hulp moet onmiddellijk kunnen starten zodat concreet zicht is op verbetering. De opsomming in het kader hiernaast laat zich lezen als afzonderlijke casuïstiek. Maar de baby die in deze belaste omstandigheden wordt geboren, is zonder tijdige inzet van de juiste hulp aan zijn ouders en voor hemzelf een paar jaar later mogelijk het kind van 8 met forse trauma’s en gedragsproblemen. Het kind van 8 met forse trauma’s en gedragsproblemen, dat als gevolg van de eigen problematiek en die van haar ouder niet meer thuis kan wonen, loopt zonder passende plek het risico om verder in de tijd af te glijden naar criminaliteit, verslaving, wordt mogelijk loverboyslachtoffer of komt bij zware specialistische zorgvormen terecht.
In veel gevallen zien de inspecties in de onderzochte casuïstiek terug dat ouders zelf ook een belast verleden of een geschiedenis in de jeugdzorg hebben.
Pagina 12 van 48
Voorbeelden kinderen en ouders met een kinderbeschermings- of jeugd reclasseringsmaatregel
P. is vijf maanden oud en heeft ouders met ernstige psychiatrische problemen. Tijdens ruzies zijn zij soms gewelddadig. K. is een baby van acht maanden, zijn beide ouders zijn verslaafd aan drugs. B. is een peuter van 13 maanden, ze is uithuisgeplaatst, omdat haar ouders veel drank en drugs gebruiken. Ze was getuige van heftige ruzies. Ouders willen geen afspraken maken met hulpverleners. I. is een peuter van 2 jaar. Door kindermishandeling heeft ze kale plekken op haar hoofd en blauwe plekken op haar lichaam. De ouders van J. hebben veel meegemaakt. Hier kunnen ze niet goed mee omgaan. Hun relatie is gewelddadig. C. is 4 jaar. Zijn moeder is in het buitenland en zijn vader mishandelt hem. N. is 4 jaar. Hij heeft last van de scheiding van zijn ouders. N. laat zorgelijk gedrag op school zien en vraagt of hij in een ander gezin mag wonen. Zijn moeder heeft N. een jaar geleden bij vader afgezet en hem langere tijd niet gezien. Zijn vader heeft ernstige psychische problemen. Q. is 5 jaar en woont bij haar moeder. Haar moeder heeft veel nare dingen meegemaakt. Q. heeft gezien dat haar moeder seksueel werd misbruikt en geslagen. M., S. en E. zijn drie jonge kinderen, die meerdere situaties van huiselijke geweld meemaakten. Ze hebben al op zeven plekken gewoond. F. is 10 jaar, haar moeder is slachtoffer van de toeslagenaffaire. Beiden hebben last van psychische problemen.
Er zijn financiële problemen en daarmee samenhangende problemen, zoals een dreigende huisuitzetting. D. van 9 en S. van 10 jaar, zitten knel in de complexe scheiding van hun ouders. Ouders geven beide geen toestemming voor start van hulp of woonplek bij de andere ouder. De ouders van H. zitten in een zeer complexe scheiding. Omdat de vader van H. erg agressief is, draagt zijn moeder een aware knop Door haar (verslavings-)problematiek heeft de moeder van de elfjarige G. hem ernstig verwaarloosd. Het oudste kind Z. van 14, in een gezin van drie kinderen laat steeds meer zorgelijk gedrag zien (verslaving, criminaliteit). K. is een jongen van 12 jaar. Hij woont al langere tijd bij oma, maar oma kan de zorg niet meer aan. De problemen van K. vragen om specialistische behandeling. P. is een jongen van 12 jaar. P. zit klem tussen ouders door de complexe scheiding. P. heeft aangegeven niet meer te willen leven, de ouders worden het niet eens over behandeling van P. Y. is een meisje van 13 met een trauma. Zij is zeer seksueel grensoverschrijdend binnen haar gezin en naar andere kinderen. S. is een meisje van 14 met psychische problemen. Ze beschadigt zichzelf. Haar ouders mijden de zorg, waardoor S. buiten beeld en uit zorg blijft. M. is een jongen van 14. Hij is dader van een zedendelict en uithuisgeplaatst. Er zijn grote zorgen over alle aspecten van zijn ontwikkeling. F.
is 15 jaar en heeft een succesvolle behandeling in de JeugdzorgPlus achter de rug. Er is geen vervolgplek voor haar beschikbaar. B. is een jongen van 15 jaar. Hij is als kind mishandeld en heeft situaties met huiselijk geweld meegemaakt. B. ‘loopt over zijn ouders heen’ en laat zelfbepalend gedrag zien. B. heeft op wacht heeft gestaan bij beroving. R. is 16 jaar en slachtoffer van een loverboy. J. is een autistische jongen van 16 jaar die drugs gebruikt en verzuimt van school. J. is veroordeeld voor diefstal met geweld tegen personen. V. is een jongen van 16 en zeer agressief in zijn gezin. V. is uit huis geplaatst. L. is een meisje van 16 met een combinatie van complexe problemen en een geschiedenis in instellingen. Ze verblijft herhaaldelijk op de Zeer intensieve kortdurende observatie en stabilisatie afdeling (ZIKOS) van de JeugdzorgPlus . D. is een jongen van 17, lange hulpverleningsgeschiedenis, woonde vijf jaar op groepen. Er is geen vervolgplek voor hem. M. is een jongen 17 jaar, verdacht van poging tot doodslag.
Pagina 13 van 48
2.2
Wat is nodig om de ontwikkelingsbedreiging/recidiverisico af te wenden? Om de ontwikkelingsbedreiging of het recidiverisico af te wenden zijn deskundige jeugdbeschermers nodig. De vaardigheden van jeugdbeschermers moeten divers zijn om die jeugdigen en ouders die niet open staan voor hulp, hier tóch toe te bewegen en gemotiveerd te houden, ook als die hulp niet direct beschikbaar is. Jeugdbeschermers zetten hun bevoegdheden pas in wanneer dit echt nodig is. Het is van belang dat jeugdbeschermers direct na het uitspreken van de maatregel aan het werk kunnen met het gezin. En dat zij tijd en professionele ruimte hebben om met ouders en jeugdige aan de slag te gaan om vervolgens een goede inschatting te kunnen maken welke hulp het beste aansluit en zal helpen. De jeugdbeschermer heeft daarnaast ook tijd en ruimte nodig voor overleg met de gemeente, school, netwerk, specialisten en het lokale veld over wat nodig en mogelijk is. Nadat duidelijk is welke hulp nodig is voor het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging of het verminderen van recidiverisico, moet deze zonder vertraging kunnen worden ingezet.
Pagina 14 van 48
3
Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer en een gedragen koers Feiten en cijfers - Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer Cijfers CBS Volgens de voorlopige cijfers van het CBS zijn in 2020 10.310 jeugdigen ingestroomd in de jeugdbescherming (OTS en voogdij). In 2020 zijn volgens het CBS 5.015 jeugdigen ingestroomd in de jeugdreclassering. Cijfers verdiepende praktijktoets Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer De inspecties hebben voor 354 jeugdigen beoordeeld of zij tijdig een jeugdbeschermer toegewezen hebben gekregen. Dit was voor 307 jeugdigen gelukt (87%). De inspecties hebben voor 400 jeugdigen beoordeeld of zij een vaste jeugdbeschermer hebben. Dit was het geval voor 367 jeugdigen (92%). Geëxtrapoleerd naar 2020 zou betekenen dat bijna 2.000 jeugdigen waarvan de maatregel in 2020 is gestart niet tijdig een vaste jeugdbeschermer hebben gekregen. Zo’n 1.400 jeugdigen hebben in 2020 in de eerste maanden van de uitvoering van de maatregel met meer dan één wisseling van de jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder te maken gehad, of zijn bij uitval van de jeugdbeschermer ondergebracht bij de bureaudienst of wachtlijstbeheer. Hierbij merken de inspecties op dat zij voor het overgrote deel zaken hebben getoetst die zijn gestart in de periode augustus 2020 – januari 2021 en geen voogdijzaken hebben onderzocht.
Bij langer lopende zaken zijn vaak veel verschillende jeugdbeschermers betrokken, zowel in het kader van preventieve jeugdbescherming als bij de uitvoering van een maatregel. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van personeelsverloop en verzuim. Elk kind tijdig een gedragen koers De inspecties hebben voor 283 jeugdigen beoordeeld of voor hen een koers is uitgezet. Dit was voor 262 jeugdigen gelukt (93%). De inspecties hebben voor 258 jeugdigen beoordeeld of de koers tijdig was. Dit was voor 230 jeugdigen gelukt (89%). De inspecties hebben voor 278 jeugdigen beoordeeld of de koers gedragen was. Dit is voor 249 jeugdigen gelukt (90%). Geëxtrapoleerd naar heel 2020 zou dit betekenen dat bijna 1.700 jeugdigen waarvan de maatregel in 2020 is gestart niet tijdig een gedragen koers hebben gekregen.
Pagina 15 van 48
De feiten en cijfers per regio staan in de afzonderlijke regiorapporten.
Deze kaart van Nederland gaat over de normen ‘Elk kind tijdig een vaste jeugdbeschermer’ en ‘Elk kind tijdig een gedragen koers’. In de jeugdbeschermingsregio’s Friesland, Groningen/Drenthe, Overijssel, Utrecht/Flevoland, Amsterdam, Rijnmond, Zeeland en Limburg sluiten de inspecties het toezichttraject wat deze normen betreft af. In de regio’s Brabant, Noord-Holland en Gelderland voeren de inspecties een bestuurlijk gesprek met respectievelijk Jeugdbescherming Brabant, De Jeugd- en Gezinsbeschermers en Jeugdbescherming Gelderland. Ook met het Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering volgt een bestuurlijk gesprek. Afhankelijk van de uitkomsten van het gesprek bepalen de inspecties het vervolg. In de regio Zeeland vind er vanuit de inspecties intensief toezicht plaats.
Bijlage 1 bevat een overzicht van de conclusies per regio. Bijlage 3 bevat een samenvatting van de bevindingen van de landelijk werkende instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering: Briedis, Jeugd Veilig Verder, Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering en de William Schrikker Stichting. Bijlage 4 bevat een samenvatting van de bevindingen per regio.
Pagina 16 van 48
3.1
Grote stappen gezet …. Sinds 2019 is er veel verbeterd bij de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering en daar omheen. De inspecties zien dat een aantal regio’s heeft geïnvesteerd in de samenwerking rond en inrichting van jeugdbescherming en jeugdreclassering, waardoor de meeste GI’s erin slagen om tijdig een vaste jeugdbeschermer in te zetten voor jeugdigen met een maatregel. Zelfs al is de bezetting krap, en werkt de GI met een instroomteam of met wachtlijstbeheer, dan nog slagen jeugdbeschermers er vaak in om tijdig een gedragen koers uit te zetten met de jeugdige en zijn gezin. Jeugdbeschermers zetten zich – ondanks de ervaren langdurig hoge werkdruk – hier volop voor in. Jeugdbeschermers geven mooie voorbeelden van de manier waarop zij inzicht krijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en hoe ze deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, samenwerkende houding. Ook vertellen ze hoe ze het gezin motiveren tot het bereiken van een doel, al dan niet met de inzet van hulpverlening. Een tijdige start van de maatregel met een deskundige jeugdbeschermer die luistert naar het gezin, maar ook grenzen stelt, helpt om een gedragen plan op te stellen. In de praktijk zagen de inspecties dat zo’n snelle start en laagdrempelig contact ook helpt om ouders en jeugdigen gemotiveerd te krijgen en te houden voor het traject.
GI’s hebben in een aantal regio’s geïnvesteerd in het werven van personeel en in het behoud van de huidige medewerkers. GI’s hebben inwerkprogramma’s voor nieuwe medewerkers, intervisie groepen en bieden deskundigheidsbevordering. Van bestuurders hoorden de inspecties dat ze het belangrijk vinden dat jeugdbeschermers weer trots kunnen zijn op hun werk. Het beroep van jeugdbeschermer is een vak dat veel van de professional vraagt. Daar moet de werkgever aandacht voor hebben en regelmatig bij stil staan. Het werk is intensief, soms zwaar, maar het is ook leuk, mooi en dankbaar werk, dat maatschappelijke waardering verdient.
Aandachtpunt: spreken met kinderen De inspecties zien dat jeugdbeschermers niet altijd met de kinderen spreken. Als een kind erg jong is of niet kán spreken, is dit navolgbaar. Jeugdbeschermers kiezen er soms ook voor om een kind niet te spreken omdat dit te belastend voor het kind zou zijn, of omdat andere professionals al met het kind spreken. De inspecties vinden dat er nooit een goede reden is het kind niet te spreken, zeker bij ingrijpende beslissingen over het kind, zoals bijvoorbeeld een uithuisplaatsing. De inspecties verwachten dat jeugdbeschermers altijd zoeken naar manieren om de ‘stem van het kind’ een plek te geven in hun overwegingen. Een heel klein kind hoeft niet geïnterviewd te worden, maar kan misschien in de ruimte waar de ouders een gesprek hebben in een hoekje spelen. Aanwezigheid bij gesprekken is bijna altijd mogelijk en voor kinderen belangrijk in het proces. De jeugdbeschermer kan het kind helpen om te begrijpen wat er gebeurt en om iets van de situatie te mogen vinden. Het gevoel van controle, regie en inspraak waar dat mogelijk is, is voor kinderen belangrijk om ingrijpende stappen als een uithuisplaatsing te kunnen verwerken.