D08 VNG, ledenbrief 25_028 Format beleidsregels hersteloperatie toeslagen.pdf
Tekst van het document
Het gaat dan in ieder geval om een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen zijn af te lossen. Ook andere objectieve criteria, zoals beslag, registratie bij het CAK en de benodigde voorzieningen vanuit de brede ondersteuning worden meegewogen. Als een schuld niet als problematisch gekwalificeerd wordt, wordt de aanvrager op andere wijze geholpen bij het in balans krijgen van inkomsten en uitgaven. Verder is het uitgangspunt dat de aanvrager zich binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, moet melden. Als in het eerste gesprek blijkt dat er een financiële hulpvraag is, dan wordt de financiële situatie van de aanvrager in kaart gebracht. Op grond van het tweede lid helpt het college de aanvrager daarbij. Om vast te kunnen stellen of een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod nodig is en waaruit dit moet bestaan, wordt de werkwijze uit de reguliere schuldhulpverlening gebruikt. De voorzieningen uit de reguliere schuldhulpverlening worden vervolgens ook ingezet om deze jongeren op maat te helpen. Artikel 11. Wijzigen plan van aanpak Het plan van aanpak kan worden gewijzigd als dit nodig is om de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid te bereiken.
Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er gefaseerd naar een doelstelling wordt toegewerkt binnen één leefgebied of wanneer er omstandigheden zijn waardoor de toegekende ondersteuning niet langer passend is. Hiernaast is het mogelijk dat er situaties zijn waardoor aanvullende ondersteuning op een van de leefgebieden nodig is, bijvoorbeeld wanneer een aanvrager tussentijds diens werk kwijtraakt en op het leefgebied ‘werk’ geholpen wil worden. Het college kan in samenspraak met de aanvrager tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak wijzigen en daarbij nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek. Deze termijnen brengen tot uitdrukking dat er in de brede ondersteuning een zekere fasering zit. In de eerste fase wordt bezien wat de aanvrager in de weg staat om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken. Om deze direct weg te kunnen nemen, kunnen er materiële
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
16/20
voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Vervolgens kan met de inzet van immateriële voorzieningen verder worden toegewerkt naar het bereiken van de doelstellingen. Het college kan het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager wijzigen, maar de aanvrager kan op grond van het tweede lid ook een aanvraag tot wijziging van het plan van aanpak indienen. Daarbij gaat het dan met name om het toekennen van nieuwe of andere voorzieningen. Het college kan een verzoek tot wijziging van een plan van aanpak bij beschikking goedkeuren of weigeren. Het college kan een verzoek ook gedeeltelijk goedkeuren. Bij een goedkeuring of een gedeeltelijke goedkeuring is het gewijzigde plan van aanpak onderdeel van de beschikking. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt. De in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen waarnaar stapsgewijs en integraal wordt toegewerkt, wordt op grond van het vierde lid alleen gewijzigd als nieuwe feiten en omstandigheden dit noodzakelijk maken. Bij een wijziging gaat het dus in beginsel alleen om andere onderdelen uit het plan en dus met name de voorzieningen. Alleen als zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen wijzigen ook de doelstellingen en de stappen daarnaartoe. Artikel 12. Voorzieningen De brede ondersteuning is gericht op het maken van een nieuwe start.
De brede ondersteuning moet de aanvrager in staat stellen om in de toekomst zo zelfstandig en zelfredzaam mogelijk op elk van de vijf leefgebieden zijn leven te kunnen leiden. De doelstellingen voor de vijf leefgebieden in het plan van aanpak vormen dus de kern. Om deze doelstellingen te bereiken worden er aan de aanvrager voorzieningen toegekend en verstrekt. Dit kunnen zowel materiële als immateriële voorzieningen zijn. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het gaat om voorzieningen die zijn toegekend in het plan van aanpak. In het tweede lid zijn de factoren benoemd die bij het toekennen van die voorzieningen een rol spelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de financiële draagkracht en armslag van de aanvrager, maar ook het duurzame karakter van de voorziening is van belang. Bij het toekennen van voorzieningen komt aan het college een hoge mate van beoordelings- en beleidsvrijheid toe. Het is aan het college om in overleg met de aanvrager per geval een afweging te maken en die afweging ook te onderbouwen. Bij de onderbouwing moet de geschiktheid (is de voorziening geschikt om de doelstelling te bereiken?), de noodzakelijkheid (is de voorziening noodzakelijk of nodig of kan het ook op een andere manier?) en de evenredigheid (staat de voorziening in verhouding tot het doel?) aan de orde komen. Artikel 13.
Materiële voorzieningen Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct noodzakelijk is voor het bereiken van een in het plan van aanpak opgenomen doelstelling. Een materiële voorziening is noodzakelijk als het direct een belemmering wegneemt of beperkt, die de betrokkene bij het bereiken van een doelstelling ervaart. Het gaat dan veelal om een voorziening die onmiddellijk noodzakelijk is om de hulpverlening te kunnen starten en de immateriële voorzieningen te kunnen inzetten, het bieden van perspectief voor de toekomst staat dus ook hier voorop. Het toekennen van een materiële voorziening is maatwerk. Wat er noodzakelijk is, hangt af van situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak. Verder is er ook aandacht voor de achterliggende ondersteuningsbehoefte. Dit betekent dat in veel gevallen de financiële zelfredzaamheid aandacht vraagt. Wat is er nodig om inkomsten en uitgaven in balans te krijgen en te houden en ervoor te zorgen dat een materiële voorziening nu of in de toekomst niet meer nodig is en de aanvrager daar zelf in kan voorzien?
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
17/20
Materiële voorzieningen zijn zaken als bedoeld in artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek. Gedacht kan worden aan een wasmachine die noodzakelijk is om een huishouding te voeren binnen een gezin of een laptop die noodzakelijk is voor het volgen van een opleiding. Wat er precies vereist is, is maatwerk. Dit hangt van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak af. De noodzakelijkheid van de materiële voorziening wordt ook onderbouwd in het plan van aanpak. Toegelicht wordt waarom de verstrekking noodzakelijk is voor het wegnemen of beperken van een belemmering en hoe de verstrekking een bijdrage levert aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd. Benadrukt wordt dat materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Dit vloeit voort uit artikel 2.21, lid 4a, van de Wht. Die periode vormt echter geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan ook na die periode plaatsvinden. Artikel 14. Immateriële voorzieningen Bij het toekennen van een immateriële voorziening is niet de striktere eis van noodzakelijkheid aan de orde die wel voor materiële voorzieningen geldt. Bij de immateriële voorzieningen draait het om de vraag of een voorziening nodig en passend is.
Dit betekent dat een voorziening adequaat en duurzaam moet zijn en dus niet alleen voldoende geschikt, maar ook op de langere termijn geschikt moet zijn om een doelstelling uit het plan van aanpak te bereiken. Verder gaat het bij immateriële voorzieningen om het ontwikkelen van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties door de aanvrager. De persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager staat dus centraal. Het gaat om diens zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Bij immateriële voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan hulpverlening of begeleiding, maar ook aan een opleiding of cursus. Ook voor de immateriële voorzieningen geldt dat de toekenning maatwerk is en dat dit van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak afhangt. Verder moet de toekenning van een immateriële voorziening eveneens in het plan van aanpak worden onderbouwd. Waarom is deze voorziening nodig en passend en hoe levert deze een bijdrage aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd? Benadrukt wordt dat immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Die periode vormt echter ook hier geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan langer doorlopen dan twee jaar. Artikel 15.
Medewerking aanvrager Om te kunnen beoordelen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is en hierover dus een zorgvuldig besluit te nemen, kan het college de aanvrager om medewerking verzoeken. Het gaat dan met name om medewerking om een beeld te krijgen van de situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden. Te denken valt aan een huisbezoek om te beoordelen of, en zo ja welke, materiele voorzieningen nodig zijn om een woning in een veilige staat te brengen of het geven van informatie over vooropleidingen bij immateriële voorzieningen voor een opleiding als de aanvrager niet beschikt over een startkwalificatie. Verder geldt ook hier dat het om informatie over de financiële situatie kan gaan. Met name om bespreekbaar te maken hoe een aanvrager meer zelfstandig en zelfredzaam kan worden en hier op langere termijn zelf in kan voorzien. In de beleidsregels staat voorop dat het college de aanvrager om medewerking vraagt. Dit veronderstelt dat het college met de aanvrager in gesprek gaat. Waar ziet de medewerking precies op en wat kan de aanvrager daarin bieden? Dit is in lijn met het uitgangspunt dat een aanvrager zelf regie moet kunnen voeren en de brede ondersteuning ruimhartig is en geen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
18/20
onnodige drempels opwerpt. In het verlengde daarvan is het ook niet de bedoeling in een harde bewijslast te voorzien. Het moet voor het college aannemelijk zijn dat een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Voor het inzicht in de financiële draagkracht hoeft het overleggen van salarisspecificaties of bankafschriften van de afgelopen maanden bijvoorbeeld niet nodig te zijn, gedacht kan ook worden aan een gesprek over de inkomsten en uitgaven. Als de aanvrager niet op het verzoek van het college ingaat, dan is het aan het college om te beoordelen of dit betekent dat er onvoldoende informatie voorhanden is om te bepalen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Als dat zo is, dan kan het college besluiten een voorziening niet toe te kennen. Zie de weigeringsgronden in artikel 16. Artikel 16. Weigeren voorzieningen Het college kan besluiten een door de aanvrager gevraagde voorziening te weigeren. Bijvoorbeeld als het om een voorziening met terugwerkende kracht gaat of de voorziening niet aan de vereisten voldoet. Het college onderbouwt de weigering in een beschikking. Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open. Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning De brede ondersteuning wordt in de eerste plaats op grond van artikel 2.21, lid 4b, van de Wht beëindigd als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken.
Verder eindigt de brede ondersteuning op grond van diezelfde bepaling uiterlijk twee jaar nadat het eerste gesprek is gevoerd. Benadrukt wordt dat dit niet betekent dat de brede ondersteuning automatisch na twee jaar stopt. Binnen de periode van twee jaar wordt wel een volledig plan van aanpak opgesteld en worden alle voorzieningen toegekend, maar toegekende voorzieningen kunnen na de deze periode nog wel worden verstrekt en dus ook na de periode van twee jaar doorlopen. Daarnaast eindigt de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21, zesde lid, van de Wht als de aanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel wordt afgewezen. Dit binnen een termijn van 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen het college heeft geïnformeerd dat een afwijzende beschikking is gegeven. Het indienen van bezwaar bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) tegen de afwijzende beschikking schort de beëindiging van de brede ondersteuning niet op. In aanvulling hierop heeft de aanvrager op grond van de beleidsregels de mogelijkheid om de brede ondersteuning zelf te beëindigen. De aanvrager kan het college daarom verzoeken. Tot slot kan de brede ondersteuning in uitzonderlijke gevallen eindigen als de aanvrager daar niet binnen een redelijke termijn gebruik van heeft gemaakt en ook niet heeft gereageerd op een oproep van het college om dit alsnog te doen.
Voordat het college een beëindigingsbeschikking stuurt, bespreekt het college de actuele situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden om te zien wat de effecten van de brede ondersteuning zijn en of aanvullende reguliere ondersteuning nodig is waar het plan van aanpak niet in voorziet. Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier Het is mogelijk dat, ondanks de brede ondersteuning, de persoonlijke doelstellingen uit het plan van aanpak niet zijn bereikt en de aanvrager na beëindiging van de brede ondersteuning binnen de vijf leefgebieden nog steeds problemen ervaart terwijl het plan van aanpak niet in een overgang naar reguliere ondersteuning voorziet. Te denken valt aan ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In dat geval is in dit artikel vastgelegd dat het college zorgt voor een warme overdracht naar deze reguliere ondersteuning. Een warme overdracht betekent dat er vanuit de brede ondersteuning direct contact wordt gelegd met de afdeling of organisatie die de benodigde (reguliere) ondersteuning biedt, dat de situatie wordt uitgelegd en dat de hulpvraag wordt toegelicht.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
19/20
Artikel 19. Hardheidsclausule Artikel 9.1, tweede lid, onder d, van de Wht bepaalt dat het college, ook wanneer er sprake is van brede ondersteuning, gebruik kan maken van een hardheidsclausule. Dit houdt in dat het college de bevoegdheid heeft om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels die op grond de Wht gelden. Zo’n afwijking is toegestaan wanneer toepassing van de regels, gelet op de belangen die de regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze mogelijkheid geldt ook voor de toepassing van de beleidsregels. Indien het college gebruik maakt van de hardheidsclausule, motiveert het college de afwijking, zodat inzichtelijk is waarom van het geldende beleid of de beleidsregel is afgeweken.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
20/20