CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

D04 College, raadsbrief Praktijkondersteuner Jeugd bij de huisarts (POHJ).pdf

Gemeenteraad 11 november 2021, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken17.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De huisarts is in 2020 verantwoordelijk voor 67% van alle verwijzingen naar J-GGZ, t.o.v. 74% in 2018. dit is vooral gelegen in een toename van het aandeel J-GGZ verwijzingen door de gemeentelijke toegang.

Aantallen 2018 (zonder pilot)

Signaal

Signaal

Aantal onbekend

Aantal onbekend

HA

1.418 jeugdigen

HA 531 jeugdigen

327 jeugdigen

Toename jeugdhulpvragen bij de huisarts Daarnaast blijkt uit de monitoring van de POH-J’s dat de huisartsen in 2020 531 jeugdigen hebben doorgezet naar de POH-J (dit aantal ligt lager dan het totale aantal van 755, omdat de jeugdigen van 2021 niet zijn meegenomen). 327 van hen zijn door de POH-J zelf ondersteund of verwezen naar preventieve hulp of het JGT. De 204 jeugdigen die de POH-J alsnog verwezen heeft, maken deel uit van de 1.412 huisartsverwijzingen in 2020. Daarmee schatten we de totale jeugdhulpvraag bij de huisartsen in 2020 op zo’n 1739 kinderen: 1.412 + 327.

Aantallen 2020 (met pilot)

Tweedelijns jeugdhulp

POH-J

204 jeugdigen

Tweedelijns jeugdhulp

1208 jeugdigen

38

Invloed van de POH-J op totale verwijsstroom huisarts (2) ...minder groot dan verwacht Aanzuigende werking POH-J of algehele toename zorgvraag? Kortom, de jeugdhulpvraag die binnenkomt via de huisarts – al dan niet met tussenkomst van de POH-J – is tijdens de pilot (2020) groter dan in het jaar zonder POH-J pilot (2018). Dat zou kunnen duiden op een aanzuigende werking. In de interviews is regelmatig gewezen op de laagdrempeligheid van de POH-J, waardoor een groep ouders de weg naar de hulpverlening weet te vinden die niet automatisch bij het JGT aankloppen. Ook kan het zo zijn dat de algehele zorgvraag is toegenomen. Een meerjarige trendanalyse is nodig om hier sluitende uitspraken over te kunnen doen. 30% van de jeugdhulpvragen bij de huisarts komt bij de POH-J terecht Van de in totaal 1739 jeugdigen die in 2020 via de huisartsenroute binnenkomen is slechts een beperkt deel gezien door de POH-J (531 jeugdigen). Terwijl de veronderstelling was dat het overgrote deel van de jeugdhulpvragen door de huisartsen zouden worden doorgezet naar de POH-J. Veelgebruikte berekeningen over de kosteneffectiviteit van de POH-J zijn gebaseerd op onderzoeken die zich sec hebben gericht op de cliëntenstroom van de POH-J. In die berekeningen wordt de aanname gedaan dat (bijna) alle jeugdhulpcasuïstiek van de huisarts naar de POH-J wordt doorgezet.

Die aanname wordt in dit onderzoek niet bevestigd.

Mogelijk wordt dit percentage op termijn nog wel wat hoger a.g.v. ingroeiperiode waardoor nog niet alle huisartsen bekend zijn met de POH-J en de COVID situatie die opbouwen van een goede samenwerkingsrelatie met de huisarts heeft bemoeilijkt. POH-J’s geven aan dat ze op dit moment van een deel van de huisartsen nog geen of zeer beperkt casuïstiek doorgestuurd krijgen. Verwijzingen naar tweedelijns jeugdhulp via de POH-J beperkt Tegelijkertijd zien we dat het aantal jeugdigen dat via de POH-J naar de J-GGZ wordt verwezen aanzienlijk kleiner is, dan de verwijzingen via de huisarts; in slechts 204 gevallen (38%) is via de POH-J verwezen.* Daarmee zou je kunnen veronderstellen dat er mogelijk wel een afname in de verwijzingen was opgetreden als een groter percentage van de jeugdigen gezien zou zijn door de POH-J. Huisartsen voeren echter al een eerste triage uit en zetten specifieke casuïstiek door naar de POH-J, waarvan ze verwachten dat de POH-J hier iets in kan betekenen. Wanneer meer cases doorsturen naar de POH-J betekent dat hier ook een groot deel zeer complexe casuïstiek bij zit, betekent dit dat de POH-J vervolgens ook een groter deel zal doorverwijzen. Er kan niet zonder meer aangenomen worden dat de verhouding zelf behandelen versus doorverwijzen door de POH-J hetzelfde blijft als huisartsen een groter deel van de cases doorzetten naar de POH-J.

* We kijken hier enkel naar de verwijzingen naar J-GGZ en overbruggingshulp als ‘tussenstop’ voor een J-GGZ traject, en niet naar de andere verwijzingen (zoals die naar preventieve hulp of het JGT). Daarmee wijkt dit percentage af van de eerder genoemde 37% verwijzingen door de POH-J).

39

Verwijzingen door de POH-J Verhouding verwijzingen

Verhouding verwijzingen huisarts naar Jeugd GGZ (2018) 3 0%

Wanneer we naar de casuïstiek van zowel 2020 als 2021 kijken, zien we dat de POH-J’s zo’n 269 keer enige vorm van verwijzing hebben ingezet (ongeveer 1/3e van het totaal aantal cases) We zien dat wanneer de POH-J naar Jeugd GGZ verwijst, de verhouding basis en specialistische ggz in sterke mate overeenkomt met dat van de huisartsen. Een uitzondering is dat POH-J’s maar heel beperkt aangeven naar hoog specialistische GGZ te verwijzen, en dat huisartsen dit vaker doen. Huisartsen geven ook aan dat wanneer voor hen direct duidelijk is dat sprake is van een complexe GGZ vraag en/of specialistische diagnostiek nodig is, ze veelal direct doorverwijzen naar de GGZ, zonder tussenkomst van de POH-J. Dit kan het hogere percentage verwijzingen naar hoogspecialistische GGZ door de huisarts verklaren. Daarnaast is hier mogelijk sprake van een registratie-effect, omdat niet voor alle POH-J duidelijk is wat het verschil is tussen specialistische en hoog specialistische GGZ. We zien ook dat de POH naast verwijzingen naar de Jeugd GGZ, ook verwijst naar preventieve hulp en het JGT. Er is geen inzicht in het aantal verwijzingen door de huisarts zelf naar dit type hulp, wel kwam in de werksessies naar voren dat er slechts beperkt door de huisarts naar het JGT wordt verwezen.

In Katwijk wordt geen onderscheid gemaakt tussen preventieve hulp en JGT, een verwijzing naar preventieve hulp kan daarom ook op een verwijzing naar JGT wijzen.

193 14%

Jeugd-ggz behandeling regulier

68 5%

Jeugd-ggz behandeling hoog specialistisch

761 57%

325 24%

Jeugd-ggz behandeling specialistisch Jeugd-ggz diagnostiek Jeugd-ggz crisis behandeling

Verhouding verwijzingen door POH (2020 + 2021) 1% 13% 40% 21%

Jeugd GGZ behandeling regulier Jeugd GGZ behandeling hoog specialistisch Jeugd GGZ behandeling specialistisch crisishulp verwijzing preventieve hulp

4%

18%

verwijzing JGT inzet

3%

verwijzing anders

40

Verwijzingen door de POH-J Aantal contactmomenten vóór de verwijzing De POH-J verwijst niet altijd direct of na 1 contactmoment door. Uit de monitoring blijkt dat het grootste deel van de verwijzingen naar Basis GGZ na 1 contactmoment plaatsvindt, en maar een enkele keer na 6 tot10 contacten. Verwijzing naar specialistische GGZ gebeurt zelden na 1 contact, maar het meest na 2 tot 5 contacten.

In de doorontwikkeling van de pilot verdient het aanbeveling dit nader te verdiepen en onder andere tweedelijns zorgaanbieders waar naar doorwezen te bevragen naar hun ervaringen op dit punt. In het onderzoek ‘Stelsel in Groei’ (AEF, 2021) waarin o.a. de financiële effecten van de POH-J zijn onderzocht, geven GGZ-instellingen aan dat de verwijzingen van POHJ’s over het algemeen passender zijn dan die van huisartsen. Vrijwel alle bevraagde aanbieders gaven aan dat de POH-J in alle gevallen passend verwijst.

Uit de toelichting in het monitoringsformat blijkt dat dit soms komt, omdat het kind op de wachtlijst van de GGZ wordt geplaatst. Verdere ondersteuning door de POH-J is dan eigenlijk overbruggingshulp, maar wordt niet als zodanig geregistreerd, omdat het in eerste instantie een verwijzing betrof. Daarnaast wordt in de monitoring vaak genoemd dat de hulpvraag of problematiek is verduidelijkt tijdens de inzet door de POH-J; mogelijk zijn hier meerdere contactmomenten voor nodig. Ook in de interviews geven de POH-J’s aan dat ze de indruk hebben passender te kunnen verwijzen, met name omdat ze meer tijd hebben voor de vraagverheldering. We kunnen op basis van de monitoring niet objectiveren of deze uitgebreide vraagverheldering ook tot meer passende verwijzingen leidt; ook wel ‘matched care’. Mogelijk leidt de tussenkomst in sommige gevallen tot stepped care; eerst lichte inzet door de POH-J en als na enkele contactmomenten blijkt dat meer specialistische dan wel intensievere inzet nodig is een verwijzing naar specialistische jeugdhulp. Dat laatste is nadrukkelijk niet de insteek van de pilot; leidt tot een extra schakel in een zorgtraject en heeft daarmee een kostenopdrijvend effect.

Aantal contacten bij verwijzing naar tweedelijns jeugd GGZ 30 25 20

meer dan 10 contacten 6 tot 10 contacten

15

2 tot 5 contacten

10

1 contact

5

(nog) onbekend

0 verwijzing Basis verwijzing Spec. verwijzing Spec. GGZ (licht) GGZ (midden) GGZ (hoog)

Grafiek exclusief Katwijk

crisishulp

41

Financieel effect: potentiële besparing in de Jeugd-GGZ Substitutie POH-J vooral voor B-GGZ trajecten Uitgangspunt van de pilot is dat de POH-J zich minimaal terug moet kunnen verdienen. In dit hoofdstuk brengen we de potentiële besparing van de POH-J op tweedelijnszorgkosten in beeld. Die besparing zetten we af tegen de kosten van de POH-J. Een vergelijking van de data 2020 en 2018 laat geen afname in het aantal verwijzingen zien. Echter, mogelijk wordt dit verklaard door factoren die buiten de invloedsfeer van de POH-J liggen: algehele toename zorgvraag, beperkte doorverwijzing door de huisarts (mogelijk als gevolg van opstartjaar, en het COVID effect op instroom en beperkte aanwezigheid in de praktijk).

Dat neemt niet weg dat de monitoringsformats laten zien dat de POH-J in 42% van de cases zelf ondersteuning biedt. Hiermee wordt een tweedelijns traject voorkomen. In de data zien we een lichte afname van verwijzingen naar B-GGZ. Daarom veronderstellen we dat de POH-J vooral B-GGZ trajecten heeft gesubstitueerd. Daarnaast is het door uitgebreidere triage en expertise van de POH-J ook mogelijk dat er in een aantal gevallen een S-GGZ traject is voorkomen. In de TWO-data is in 2020 een stijging in het aantal SGGZ trajecten te zien, maar dit zou ook door andere factoren (hierboven toegelicht) kunnen komen; mogelijk heeft de POH-J deze stijging deels verminderd. Op basis van de jaarlijkse kosten voor iedere gemeentelijke pilot, kunnen we voor de meeste gemeenten de gemiddelde POH-J kosten per uur

bepalen. Deze uurprijs ligt binnen een range van € 49 tot € 74 (exclusief Lisse door inzet JGT uren en Leiden door onbekend bedrag per POH-J). Als we hiervan het gemiddelde nemen en een uurtarief bepalen inclusief indirect cliënt contact (dossiervorming en afstemmingsmomenten), komt dit neer op €81,- (uitgaande van 33% extra tijd indirect cliënt contact naast de tijd voor het directe cliënt contact, zie bijlage 1). Van de 518 jeugdigen die de POH-J’s in 2020 hebben gezien, hebben ze 244 jongeren zelf behandeld of begeleid voor zo'n 1, 2-5 of 6-10 contacten.

Op de volgende pagina is voor een conservatief en optimistisch scenario berekend welke besparing de POH-J's in 2020 hiermee mogelijk hebben gerealiseerd. Uit beide scenario's blijkt dat de POH-J's zichzelf in 2020 nog niet hebben terugverdiend; echter is er in 2020 sprake geweest van een ingroeipad in iedere pilot; POH-J’s hebben hierdoor niet vanaf het begin op de maximale capaciteit gedraaid. Ook geldt dat in een enkele gemeente de POH-J zichzelf wel heeft terugverdiend; hier zien we een verband met eerdere ervaring als POH-J. Op basis hiervan concluderen we dat de POH-J's de potentie hebben om zichzelf terug te verdienen op het moment dat zij voldoende caseload en enige ervaring als POH-J hebben.

42

Financieel effect: potentiële besparing in de Jeugd-GGZ Substitutie op B-GGZ, mogelijk ook op S-GGZ Optimistisch scenario

Conservatief scenario Uit de TWO data van 2018 blijkt dat een B-GGZ traject in de scope van de pilot gemiddeld zo’n €876,- kost. Een kort POH-J traject kan dus een flinke besparing opleveren, een lang POH traject een lichte besparing t.o.v. de inzet van een B-GGZ traject. In het conservatieve scenario doen we de aanname dat de POH-J's met hun trajecten van 2-5 contacten en 6-10 contacten een B-GGZ traject hebben voorkomen. Daarmee hebben de POH-J’s in 2020 zo'n €170.000,- aan J-GGZ kosten bespaard op regio-niveau.

Naast de aanname dat de POH-J vooral B-GGZ trajecten kan vervangen, kan het ook voorkomen dat de POH-J een S-GGZ traject vervangt, bijvoorbeeld door zelf een intensiever traject te bieden van 6 – 10 contacten. Hiermee voorkomt de POH-J een traject van gemiddeld €2.994,(o.b.v. TWO-gegevens uit 2018). In het optimistische scenario doen we de aanname dat in 30% van de trajecten van 6-10 contacten een S-GGZ traject wordt voorkomen, in de overige 70% een B-GGZ traject, en alle 2-5 contacten een B-GGZ voorkomen. Daarnaast doen we de aanname dat bij 25% van de trajecten van 1 contact door de POH-J, een B-GGZ traject wordt voorkomen. Als dit in 2020 het geval is geweest, hebben de POH-J's ruim €205.000 aan J-GGZ kosten bespaard op regioniveau. Dit dekt ruim de helft van de kosten die de gemeenten in het pilotjaar voor de POH-J's hebben gemaakt.

Lengte traject 1 contact 2-5 contacten 6-10 contacten Gemiddelde Katwijk (7.9) Totaal

Aantal trajecten (2020)

Gem kosten POH-J Besparing op per traject B-GGZ kosten 49 € 81 NVT 95 € 325 € 83.220 36 € 650 € 31.536 64 244

€ 642

€ 56.064 € 170.820

Lengte traject 1 contact 2-5 contacten 6-10 contacten Gemiddelde Katwijk (7.9) Totaal

Aantal trajecten Besparing op Besparing op (2020) B-GGZ kosten S-GGZ kosten 49 € 10.731 NVT 95 € 83.220 NVT 36 € 22.075 € 32.335 64 244

€ 10.496 € 115.791

€ 57.485 € 89.820

In het onderzoek ‘Stelsel in Groei’ (AEF 2021) waarin de financiële effecten van de POH-J zijn doorgerekend wordt gerekend met een gemiddelde trajectprijs van 2.100 tot 2.500 euro. Kijkend naar de trajectprijzen in de regio Holland Rijnland komt dit bedrag meer in de buurt van de S-GGZ traject dan een B-GGZ traject. Wij achten het op basis van de data waarschijnlijker dat de POH-J voornamelijk B-GGZ trajecten weet te voorkomen.

43

Wanneer verdient de POH-J zichzelf terug? 2 rekenvoorbeelden Naast een inschatting van de potentiële baten van de POH-J in 2020, kan met de informatie uit de monitoringsformats ook een inschatting worden gemaakt van het aantal trajecten dat de POH-J jaarlijks zou moeten voorkomen om zichzelf terug te verdienen. In de twee rekenvoorbeelden hiernaast is dit berekend voor een gemeente met een groot aantal uren (Oegstgeest) en een gemeente met een laag aantal uren (Lisse) op basis van het conservatieve scenario (alleen B-GGZ trajecten worden vermeden). Uit deze rekenvoorbeelden is te zien dat het mogelijk is voor de POH-J om zichzelf terug te verdienen. Wel betekent dit in beide gemeenten dat de POH-J het grootste aandeel van de beschikbare uren zou moeten inzetten voor kortdurende behandeling/begeleiding door de POH-J zelf, zonder dat hier een verwijzing op volgt. Op basis van de huidige monitoringsinformatie zien we dat dit in de meeste gemeenten nog niet het geval is. De rekensom wijst uit dat de POH-J zo’n 2/3e van haar tijd effectief moet besteden aan het voorkomen van B-GGZ trajecten om kosteneffectief te zijn. Het aandeel uren dat de POH-J daarmee houdt voor ander type trajecten (overbruggingshulp, een niet effectief traject, e.d.) en bijkomende taken is bij de gemeente met een klein aantal uren heel beperkt: slechts 1.5 uur per week.

Bij de gemeente met een groter aantal uren is hier meer ruimte voor: 10 uur per week. Om voldoende slagkracht als POH-J te hebben, is daarom een zekere minimumcapaciteit gewenst. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een ingroeiperiode van minimaal een jaar.

Rekenvoorbeeld o.b.v uren Oegstgeest

POH-J werkt 32 uur per week voor €100.000 (uurtarief is €81)

Om zichzelf terug te verdienen moet ze € 100.000 aan GGZ kosten besparen. Dit zijn 114 BGGZ trajecten. Op basis van de huidige verhouding gaan we uit van 50% trajecten van 2-5 contacten en 50% trajecten van 6-10 contacten. • Dit staat gelijk aan 57 trajecten van 2-5 contacten in een jaar. • En 57 trajecten van 6-10 contacten in een jaar. Dit staat gelijk aan 911 uur werk voor de POH-J. Dit houdt in dat de POH-J 19 uur per week besteed aan trajecten waardoor doorverwijzing voorkomen wordt. • Waarvan 15 uur direct klantcontact. • En 5 uur indirect klantcontact. . Rekenvoorbeeld o.b.v uren Lisse

POH-J werkt 4 uur per week (uurtarief is €81)

Om zichzelf terug te verdienen moet ze € 12.688 aan GGZ kosten besparen. Dit zijn 14 BGGZ trajecten. Op basis van de huidige verhouding gaan we uit van 50% trajecten van 2-5 contacten en 50% trajecten van 6-10 contacten. • Dit staat gelijk aan 7 trajecten van 2-5 contacten in een jaar. • En 7 trajecten van 6-10 contacten in een jaar. Dit staat gelijk aan 116 uur werk voor de POH-J Dit houdt in dat de POH-J 2.5 uur per week besteed aan trajecten waardoor doorverwijzing voorkomen wordt. • Waarvan 1.8 uur direct klantcontact. • En 0.6 uur indirect klantcontact.

7 Verklarende factoren: lokale, regionale en maatschappelijke context

45

Maatschappelijke en regionale context Verklarende factoren COVID Als gevolg van COVID zien we een versterkte conjunctuur in het aantal aanmeldingen bij de POH-J’s: een stevige dip tijdens de eerste lockdown en een piek begin van de zomer. De totale zorgvraag (TWO Data 2020) in Holland Rijnland laat een vergelijkbaar beeld zien. COVID heeft ook effect gehad op de inbedding van de pilot: hierdoor waren de POH-J’s minder aanwezig op locatie, waardoor geen of beperkt face-to-face contact met andere zorgprofessionals mogelijk was. Dit heeft ook impact gehad op het opbouwen van een samenwerkingsrelatie met de huisartsen en daarmee waarschijnlijk ook op het aantal verwijzingen vanuit de huisarts naar de POH-J. Een aantal pilots is als gevolg van COVID later gestart.

Wachtlijsten jeugd-GGZ Niet alleen in Holland Rijnland, maar in heel Nederland is sprake van wachtlijsten in de jeugd-GGZ. Dat heeft ertoe geleid dat de POH-J regelmatig overbruggingszorg heeft geboden, terwijl dit eigenlijk niet bij de taakopvatting van de POH-J hoort. Overbrugging leidt ook niet tot substitutie, omdat de aard van de problematiek vraagt om een vorm van specialistische inzet die de POH-J niet kan bieden. Hoewel het inhoudelijk zeer wenselijk kan zijn dat deze jeugdige tijdig ondersteuning krijgen, heeft dit op korte termijn een kostenopdrijvend effect.

Vergelijkbaarheid met overige onderzoeken naar effect POH-J Dit is niet het eerste onderzoek naar de effecten van de POH-J. Bij aanvang van deze MBC hebben we verschillende bronnen bestudeerd. Veel van deze bronnen kenden beperkte onderbouwing, waardoor we deze niet als referentiekader hebben gebruikt. De meest betrouwbare bron betreft onderzoek uitgevoerd door Accare, Karakter en Molendrift in 2019, onder 51 POH-J’s. Ter vergelijking; het Holland Rijnland onderzoek heeft betrekking op 11 POH-J’s in 6 gemeenten. In veel daaropvolgende onderzoeken en landelijke vergelijkingen wordt het onderzoek van Accare et al. aangehaald; o.a. Samenwerking tussen huisarts en wijkteam (NJI, 2019) en Stelsel in Groei (AEF, 2020). De rapportage van het NJI ziet met name op de kwalitatieve effecten van de POH-J. Deze zijn, net als in het onderzoek van Accare et al., vergelijkbaar met de effecten die we in dit onderzoek hebben gezien. In het rapport Stelsel in Groei wordt de potentiële besparing van de POH-J berekend. Hierin wordt aanname gedaan dat met de komst van de POH-J alle huisartsverwijzingen naar de J-GGZ nu eerst via de POH-J lopen. Dit is echter niet onderzocht. In dit onderzoek hebben we hier wel naar gekeken, en op basis daarvan geconstateerd dat slechts 30% van de huisartsverwijzingen via de POH-J loopt.

Daarnaast rekent AEF met S-GGZ trajectprijzen, terwijl de Holland Rijnland data aanleiding geven te veronderstellen dat primair B-GGZ wordt voorkomen door de inzet van de POH-J. Dat verklaart waarom het besparingspotentieel in het AEF rapport veel groter is, dan waar de resultaten van dit onderzoek aanleiding toe geven.

46

Impact van verschillen in lokale context Vier relevante factoren De pilots zijn op verschillende wijzen ingericht. In de startfoto zijn de belangrijkste verschillen tussen gemeenten opgesomd. Op basis van de monitoringsgegevens en gevoerde gesprekken kunnen een aantal elementen worden onderscheiden die bepalend zijn voor het effect c.q. succes van de POH-J.

Capaciteit In gemeenten waar de POH-J’s meer uren beschikbaar hebben, zien we ook een hoger aantal cases. Daarnaast zien we dat ook relatief meer intensieve trajecten worden ingezet als meer uren beschikbaar zijn. Een langere periode van monitoring en verdiepende analyse zal moeten uitwijzen of dit ook tot meer duurzame inzet leidt, of dat een korter traject volstaat. Achtergrond en ervaring POH-J De wijze waarop de POH-J haar rol invult is afhankelijk van de deskundigheid en ervaring van de POH-J. Bij sommige POH-J’s ligt het zwaartepunt op coaching en begeleiding, anderen bieden ook kortdurende behandeling en voeren lichte diagnostiek uit.

De variatie in opleidingsniveau en ervaring tussen de POH-J’s is groot. Daarnaast verschillen de pilots in aantallen en type casuistiek die door huisartsen wordt doorgezet naar de POH’s en wordt er op sommige plekken wel of niet samengewerkt met een POH-GGZ. Dat maakt dat we geen uitspraken kunnen doen over welk deskundigheidsprofiel het meest passend is c.q. de grootste meerwaarde biedt.

Wel zien we dat de POH-J die al ervaring had als POH-J het grootste deel van de casuistiek zelf oppakt. Positionering In 1 praktijk zorgt voor sterkere samenwerkingsrelatie tussen POH-J en huisarts In meerdere praktijken zorgt voor meer bereik Fysieke aanwezigheid in de praktijk is een belangrijke succesfactor Werkgeverschap vanuit JGT of de zorggroep/huisarts kent beide voor en nadelen. POH-J’s die ook als JGT’er werkzaam zijn geven aan dat zij soms makkelijk kunnen schuiven in hun caseload door langdurige trajecten over te dragen naar het JGT. De jeugdige blijft dan wel dezelfde hulpverlener houden. In dienst van de zorggroep/huisarts vergemakkelijkt het werken in hetzelfde systeem, waardoor informatie-uitwisseling tussen de huisarts en de POH-J veel beter is ingeregeld. Inrichting van lokale zorglandschap De POH-J is een aanvulling op het lokale zorglandschap. De POH-J vult 'gaten' in het aanbod op, zowel qua capaciteit als deskundigheid. In de opstartfase was dit voor veel POH-J’s nog een zoektocht; een POH-J ging bij de start bijvoorbeeld te veel op de stoel zitten van het CJG. Daarnaast is de POH-J sterk afhankelijk van het aantal en type casuïstiek dat door de huisarts wordt doorverwezen naar de POH-J.

8 Conclusies en doorontwikkeling

48

Conclusies POH-J is van waarde, maar heeft nog beperkte invloed op verwijslijn huisarts POH-J als interventie om een deel van de jeugdhulpvragen kortdurend en laagdrempelig op te vangen bij de huisarts werkt Uit de werksessies en gesprekken komt een eenduidig beeld naar voren dat men positief is over de POH-J. Snelle toegang tot zorg, laagdrempelige inzet, normaliserend effect en kortere lijnen tussen de huisarts en het JGT en het ontzorgen van de huisarts worden als belangrijkste successen genoemd. De POH-J draagt bij aan één van de doelen van de Jeugdwet, normalisering. Ouders en jeugdigen ervaren de ondersteuning van de POH-J als prettig. Regelmatig kunnen ouders en kind na 1 of enkele gesprekken weer zelfstandig verder. Kwalitatieve effecten vergelijkbaar met pilots elders in het land Het beeld van de inzet, werkwijze en effecten van de POH-J is vergelijkbaar met evaluaties elders in het land. De pilots in Holland Rijnland ‘scoren’ op elementen zelfs beter. Zo wordt door de POH-J’s in Holland Rijnland gemiddeld genomen minder doorverwezen naar specialistische jeugdhulp, dan de cijfers uit het onderzoek van Accare onder 51 POH-J’s laten zien (in Holland Rijnland doen 11 POH-J’s mee).

Holland Rijnland: 37% doorverwijzingen + 10% overbruggingshulp Onderzoek onder 51 POH-J’s: 47% doorverwijzingen + 12% overbruggingshulp

Nog steeds veel rechtstreekste verwijzingen vanuit de huisarts naar de JGGZ Wat dit onderzoek vooral heeft aangetoond, is dat er ondanks de komst van een POH-J nog steeds heel veel rechtstreekse verwijzingen via de huisarts lopen. Het effect van de POH-J op het totaal aantal huisartsverwijzingen is daarmee beperkt. Impact POH-J op het totaal aan verwijzingen en zorgkosten daarmee beperkter dan in eerder onderzoek is aangenomen Eerdere onderzoeken naar kosteneffectiviteit van de POH-J baseren zich op de aanname dat de POH-J vrijwel alle huisartsverwijzingen naar jeugdhulp ‘afvangt’. Wij hebben geen onderzoek gevonden waarin deze aanname kon worden onderbouwd met data. In dit onderzoek is wel een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar het totaal van huisartsverwijzingen in een jaar met en zonder POH-J. Dit onderzoek laat zien dat de huisartsen slechts 30% van de jeugdhulpcasuïstiek doorzet naar de POH-J en daarmee in 70% nog steeds rechtstreeks verwijst naar tweedelijns jeugdhulp. Dit is de belangrijkste verklaring waarom de financiële baten van deze interventie lager uitvallen dan op voorhand verondersteld werd. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de effecten van COVID, waardoor de resultaten van de pilot enigszins vertekend zijn en 2020 geen representatief jaar is.

49

Conclusies Potentie zichzelf terug te verdienen, geen omvangrijke besparing De POH-J heeft de potentie zichzelf terug te verdienen De inzet van de POH-J substitueert met name B-GGZ trajecten, en mogelijk in enkele gevallen ook een S-GGZ traject. Op basis van de data 2020 ligt de potentiële besparing van vermeden GGZ-trajecten tussen de €170.000 en €205.000 euro. Hiermee hebben de pilots zichzelf in 2020 op totaal van de regio nog niet terugverdiend. In enkele afzonderlijke gemeenten is dit wel (al) het geval. Inachtneming dat 2020 een opstartjaar was, maar ook dat de COVID-19 crisis effect heeft gehad op de caseload van de POH-J’s, concluderen we dat de POH-J’s de potentie hebben zichzelf op termijn wel terug te verdienen. Geen omvangrijke besparing te verwachten Een omvangrijke besparing is echter ook op langere termijn niet te verwachten. De POH-J is een hoog-deskundige professional met bijbehorend kostenplaatje. Dat deskundigheidsniveau is onderdeel van het succes. De trajecten die de POH-J vervangt zijn in de regel de kortdurende lichtere B-GGZ trajecten met een beperkt kostenplaatje. Daarom is het ook ingeval een groter bereik niet te verwachten dat hier een grote besparing uit voortvloeit.

Duurzame inzet als lonkend perspectief De waarde wordt vooral bepaald door de snelle, laagdrempelige en normaliserende inzet, die door ouders en jeugdigen als zeer prettig wordt ervaren. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit ook tot meer duurzame inzet leidt. Net als de verwachting dat de POH-J door de meer grondige vraagverheldering tot betere verwijzingen leidt. Daar gaat op lange termijn wel een kostenbesparend effect van uit. Het vraagt echter langjarige monitoring om hier onderbouwde uitspraken over te kunnen doen.

50

Aanbevelingen Inrichting en doorontwikkeling Aandachtspunten voor de inrichting Dit onderzoek heeft een aantal randvoorwaarden opgeleverd die bijdragen aan het succes van de POH-J. Fysieke aanwezigheid van de POH-J in de huisartsenpraktijk zorgt voor korte lijnen en een betere samenwerkingsrelatie met de huisarts POH-J toegang geven tot het systeem van de huisarts met oog op informatie-uitwisseling tussen POH-J en huisarts Huisartsen goed meenemen en informeren bij de start, en aandacht voor een heldere communicatiestrategie richting huisartsen gedurende de uitvoering van de pilot Capaciteit POH-J afstemmen op beoogde doelen; als een gemeente streeft naar een zekere mate van substitutie van tweedelijnsjeugdhulp is meer inzet nodig, dan wanneer het doel primair gericht is op het ontlasten van de huisarts. Als vuistregel geldt dat de POH-J 2/3e van haar tijd effectief moet besteden aan het voorkomen van B-GGZ trajecten om kosteneffectief te zijn. Gegeven de overige werkzaamheden van de POH-J is een zekere minimumcapaciteit vereist om voldoende slagkracht te hebben. Met oog op de doorontwikkeling

Duidelijke opdracht en afbakening takenpakket

Alle POH-J’s geven aan zoekend te zijn in hun rol; wat doe je zelf, wanneer zet je door, hoe lang ondersteun je als POH-J? Die ruimte en vrijheid hoort bij experimenteren, maar inmiddels is dermate veel ervaring opgedaan met POH-J’s in het land dat met oog op de doorontwikkeling en het vergroten van de effectiviteit het wenselijk is hier een nadere afbakening in aan te brengen.

Een duidelijkere rol en takenpakket kan ook helpen in de communicatie met huisartsen, zodat zij beter weten waarvoor ze de POH-J kunnen benutten.

Kennis uitwisselen Faciliteer een frequente ontmoeting tussen POH-J’s onderling om kennis uit te wisselen en samen te sparren, om zo van elkaar te leren. Op deze wijze kan de functie van POH-J verder worden geprofessionaliseerd. Denk aan methodisch werken, het vereiste deskundigheidsprofiel, kwaliteitsstandaarden etc. met de kanttekening de functie niet te veel dicht te timmeren, en voldoende professionele ruimte te behouden voor maatwerk.

Bereik POH-J vergroten

Naar verwachting wordt het effect van de POH-J groter als het lukt het bereik van de POH-J te vergroten. We zien twee 2 knoppen waar je aan kunt draaien: Ontvankelijkheid en bekendheid van huisartsen vergroten om de POH-J in te zetten. De door ons geïnterviewde huisartsen die nauw betrokken zijn bij de pilot gaven aan dat ze de meeste jeugdhulpvragen naar de POH-J doorsturen. Capaciteit van het aantal POH-J uren omhoog schroeven. Heeft tevens beperkingen omdat succes ook zit in vast gezicht, aanwezigheid praktijk etc. dat lukt niet meer als je heel veel POH-J’s inzet.

51

Aanbevelingen doorontwikkeling Monitoring en samenhang in jeugddomein Inbedden monitoring

Naar een samenhangend pakket aan interventies

De monitoring die in het afgelopen jaar in de pilot is uitgevoerd, geeft mooie inzichten in de werkwijze en de caseload van de POH-J’s. Uitbreiding van de monitoring kan nog meer inzichten geven in de effectiviteit van de POH-J:

De transformatie van de jeugdhulp is een fikse opgave. Zeker gezien de toenemende financiële druk bij gemeenten. De interventie POH-J staat niet op zichzelf en krijgt vooral waarde als deze in samenhang met andere interventies wordt ingezet.

Als deze monitoring in de komende jaren wordt doorgezet, kan deze ook inzicht geven in de duurzaamheid van de interventie en mogelijke recidivevermindering. Bijvoorbeeld door de POH-J periodiek te laten reflecteren op de caseload en te identificeren of er sprake is geweest van terugval. De huidige monitoring kan worden uitgebreid met inzicht in de verwijzingen door deelnemende huisartsen. Het is hierbij belangrijk om te inventariseren welke cliënten de huisarts naar de POH-J verwijst, welke de huisarts doorzet naar vormen van tweedelijns jeugdhulp, en welke afweging de huisarts hierbij maakt. Ook kan de monitoring worden uitgebreid door bij tweedelijns zorgaanbieders te inventariseren wat de ervaring is met verwijzingen door de POH-J’s. Bijvoorbeeld middels een periodieke uitvraag over de ervaringen met POH-J’s, of door (steekproefsgewijze) navraag na doorverwijzing van een client door de POH-J. Het onderscheid tussen overbruggingshulp en een verwijzing door de POH-J blijkt soms moeilijk te duiden. In de toekomstige monitoring raden we aan een scherpe definitie voor overbruggingshulp te bepalen, waarbij ook het type overbruggingshulp (BGGZ, SGGZ, etc.) kan worden aangeduid door de POH-J.

Tot slot dient steeds een goede afweging te worden gemaakt tussen de inspanning die de monitoring vergt en de inzichten die het oplevert, om de registratielast bij de POH-J’s niet onnodigt te verzwaren.

In samenhang met interventies gericht op het oplossen van door- en uitstroomproblematiek, zodat de POH-J capaciteit niet voor een groot deel wordt opgeslokt door overbruggingshulp a.g.v. toenemende wachttijden voor J-GGZ. Oog voor het samenspel tussen JGT’s, huisartsen en POH-J’s als belangrijkste verwijzers. Een strengere selectie aan de ene poort, resulteert regelmatig in meer druk aan de andere poort (waterbedeffect). Er ontstaat meer grip en sturingsmogelijkheden wanneer ontwikkelingen in huisartsverwijzingen in samenhang met verwijzingen vanuit de gemeentelijke toegang worden gemonitord. Er worden verschillende interventies ingezet gericht op het verlagen van de druk op de huisarts en het substitueren van J-GGZ inzet. Bijvoorbeeld de inzet van ADHD diagnostiek op school, en vaste GGZ-deskundigheid in het onderwijs. Deze hebben net als de POH-J invloed op de huisartsenverwijslijn en de inzet van tweedelijns J-GGZ. Deze interventies kunnen elkaar versterken als ze in samenhang worden ingezet. Tegelijkertijd dient ook rekening te worden gehouden met een aanzuigende werking, wanneer op verschillende plekken laagdrempelig aanbod wordt gecreëerd en bestaat er een risico van dubbeltelling op potentiële besparing op J-GGZ kosten.

Bijlagen

53

Bijlage 1: methodologische verantwoording Het doel van de MBC is enerzijds om inzicht te geven in de werkwijze van de POH-J; en anderzijds om de kwalitatieve en kwantitatieve effecten van de POHJ in beeld te brengen. Om deze verschillende inzichten in kaart te brengen, zijn in deze MBC 3 gegevensbronnen gebruikt: Analyse van de casuïstiek van de deelnemende POH-J’s: op basis van de monitoring in de periode januari 2020 t/m maart 2021 (N=755); Analyse van de totale stroom aan huisartsenverwijzingen van de praktijken geïncludeerd in de pilot, op basis van TWO data (N= 1418 (in 2018)); Inzichten van POH-J’s, huisartsen, overige zorgprofessionals en beleidsmedewerkers: op basis van gemeentelijke werksessies en interviews Elk van de deze gegevensbronnen heeft een eigen doel: De monitoringsgegevens geven inzicht in de werkwijze van de POH-J en de effecten binnen 1 traject.

De TWO data plaatst de POH-J in breder perspectief door inzichten over de totale verwijsstroom van huisartsen naar de tweedelijns jeugdhulp, en het aandeel van de POH-J daarin.

De werksessies zijn ingezet ten behoeve van een praktijktoets op de data; mate waarin deze cijfers worden herkend. En om deze nader te duiden en in de lokale context te plaatsen. Ook heeft elke gegevensbron eigen aandachtspunten:

De monitoringsgegevens in deze MBC zijn door POH-J’s zelf bijgehouden en ons achteraf toegestuurd (wel is het monitoringsformat afgestemd met de gemeente). Hierdoor kunnen fouten in de registratie optreden of data missen. Tijdens de analyse van de TWO-data van 2020 bleek dat de facturatiegegevens van een aantal aanbieders missen. Dit maakt informatie over de kosten in 2020 onvolledig en dus onbruikbaar. Daarom is de gebruikte TWO-data in deze MBC is grotendeels afkomstig uit 2018 (verdere toelichting op het gebruik van de data in bijlage 3) Bijna alle POH-J’s hebben deelgenomen aan de werksessies. Echter gold voor de huisartsen dat vooral de actief betrokken huisartsen deelnamen aan de werksessies. Hierdoor hebben we beperkt zicht op de inzichten van de totale groep huisartsen (hier is in de analyse rekening mee gehouden).

54

Bijlage 2: Scope jeugdhulp Productcodes die zijn meegenomen in de TWO data-analyse Productcodes

Omschrijving

54001 54002 54003 54004 54016 54070 54080

Jeugd-ggz behandeling regulier Jeugd-ggz behandeling specialistisch Jeugd-ggz behandeling hoog specialistisch Jeugd-ggz diagnostiek Jeugd-ggz crisis behandeling Consultatie basis GGZ Consultatie specialistische curatieve GGZ

45A48

Jeugdhulp ambulant regulier: inspanningsgericht (individueel)

45A49

Jeugdhulp ambulant regulier: inspanningsgericht (groep)

45A52

Jeugdhulp ambulant regulier: inspanningsgericht (op locatie)

45A53

Jeugdhulp ambulant specialistisch: inspanningsgericht (individueel)

45A54

Jeugdhulp ambulant specialistisch: inspanningsgericht (groep)

45C57

Therapeutische jeugdhulp bij de zorgaanbieder

45A57

Jeugdhulp ambulant specialistisch: inspanningsgericht (op locatie)

45A65 45A69

Behandeling: inspanningsgericht Behandeling: inspanningsgericht (op locatie)

45A71

Jeugdhulp ambulant laag tarief: inspanningsgericht (groep)

45A75

Behandeling paramedisch binnen KDC

* Deze zijn in overleg met TWO bepaald.

[Titel] | Status: [...]

Bijlage 3: Toelichting analyse TWO data Welke analyse hebben we in de MBC toegepast? In deze MBC wordt zowel in de startfoto als bij de effecten en de berekening van de potentiële besparing (pagina 16, 33, 34, 36, 42 en 43) gebruikt gemaakt van informatie over het totaal aantal verwijzingen naar tweedelijns jeugdhulp. Deze informatie is afkomstig uit de facturatiegegevens van zorgaanbieders van de regionale inkooporganisatie TWO. Zoals in bijlage 1 is toegelicht, wordt in deze MBC gebruik gemaakt van de TWO data uit 2018 om tot over aantal trajecten en trajectprijzen te komen. De TWO data bevat de volgende informatie: Geanonimiseerde BSN jeugdige

Gemeente jeugdige Aanmelddatum Productcode (zie bijlage 2) Verwijzer Zorgaanbieder Prijs per maand

Op basis van die informatie hebben wij de volgende berekeningen opgenomen in de MBC: Totale prijs van jeugdhulptrajecten per verwijzer (bepaling van trajecten wordt toegelicht op volgende slide) Totaal aantal jeugdhulptrajecten per verwijzer

Gemiddelde trajectprijs per productcode De methode die we hebben gebruikt om tot deze informatie te komen, wordt in de komende slides verder toegelicht.

55

[Titel] | Status: [...]

Bijlage 3: Toelichting analyse TWO data Hoe komen we aan de trajectaantallen en -prijzen? Bij het selecteren en filteren van de data is er een aantal afwegingen gemaakt die van invloed zijn op de data (vooral de aantallen verwijzingen) die in de startfoto en bij de effecten (pagina) wordt gepresenteerd. Op advies van inkooporganisatie TWO hebben we geen verwijzingen meegenomen die vóór 5 januari plaats hebben gevonden, omdat dit herverwijzingen uit het vorige jaar betreffen en we verwachten dat de POH-GGZ Jeugd hier geen invloed op heeft. De TWO data bestaat uit factuurregels per jeugdige, gekoppeld aan verwijzingsgegevens van de verwijzer. Om te bepalen wanneer deze factuurregels 1 traject vormden, hebben we een aantal aannames gedaan: Een traject heeft altijd een unieke BSN code; Een traject heeft altijd dezelfde aanmelddatum, startdatum en einddatum; Een traject heeft altijd dezelfde woonplaats (van de jeugdige); Een traject heeft altijd dezelfde hoofd-productcode (zie bijlage 2): wanneer 1 jeugdige op dezelfde dag zowel een verwijzing voor een

hoog specialistisch als basis GGZ traject krijgt, tellen we deze dus als 2 trajecten. Vervolgens hebben we bepaald wat de gemiddelde trajectprijs van deze trajecten was. Dit hebben we gedaan door de bedragen van de factuurregels binnen 1 traject bij elkaar op te tellen. Vervolgens is via steekproeven en door vergelijking met trajectprijzen in andere regio’s gecheckt of deze trajectprijzen aannemelijk waren.

56

[Titel] | Status: [...]

Bijlage 3: Toelichting analyse TWO data Hoe hebben we de scope van de analyse bepaald? Eerdere startfoto’s in deze MBC zijn opgesteld op basis van de scope van de huisarts. Hiervoor is op basis van gemeentelijke informatie en deskresearch per gemeente een lijst van huisartsen opgesteld die binnen de scope vallen. Alleen verwijzingen die vallen binnen de scope van de gemeente op basis van de huisartsen (dus niet de jeugdigen) werden meegenomen in de data-analyse. Echter bleek dat deze filtering niet voor iedere huisarts mogelijk was voor de data van 2020; wegens nieuwe AVG-regels mag TWO deze informatie niet meer bijhouden. Voor de gemeenten waarin meer dan 80% van de huisartsen deelnam aan de pilot, zijn daarom alle verwijzingen binnen die gemeente meegenomen (dit kunnen in enkele gevallen ook verwijzingen door huisartsen buiten de pilot of buiten de gemeente zijn). Hierdoor kunnen de aantallen enigszins (maar niet significant) afwijken van het werkelijke aantal verwijzingen door de deelnemende huisartsen. Voor de gemeenten waarin alleen de huisartspraktijken binnen een bepaalde dorpskern deelnemen, zijn alle verwijzingen uit een bepaald postcode gebied (zie volgende slide) meegenomen. Ook hier kunnen de aantallen enigszins afwijken van het werkelijke aantal verwijzingen door de deelnemende huisartsen.

Van één huisartspraktijk was de informatie voor 2020 nog wel te achterhalen in de TWO data: praktijk Wantveld. Op deze praktijk is de eerder genoemde filtering toegepast in het data bestand. Hiervoor geldt dat lege/anonieme entries of verkeerd opgegeven namen niet zijn meegenomen in de scope. Het aantal verwijzingen kan daardoor (zowel voor 2018 als voor 2020) een onderschatting zijn van het werkelijke aantal. Gemeente

Scope

Katwijk

•

Alle huisartsverwijzingen uit de gemeente

Hillegom

•

Alle huisartsverwijzingen uit de gemeente

Lisse

•

Alle huisartsverwijzingen uit de gemeente

•

huisartsverwijzingen uit postcodegebieden: 2215+2360+2361+2362

•

Alle huisartsverwijzingen uit de gemeente

Teylingen Oegstgeest

Leiden

• Scope pilot niet uit TWO data gefilterd: naam deelnemende huisartsen is in 2020 niet geregistreerd bij verwijzing.

Noordwijk

• huisartsverwijzingen uit postcodegebieden: 2211+2210 • huisartsverwijzingen met verwijzer uit praktijk Wantveld

57

58

Bijlage 4: Legenda monitoringsformats Indicatorenset: vaste antwoordcategorieën, aangevuld met open toelichting n1

n2

n3

n5

n6

Leeftijd Datum Patiënt (bij eerste nummer aanvang) GeslachtVerwijzer consult

0-21

Man

Huisarts

Vrouw Jeugdarts Wijkteam

n7a Klacht/vraag

n7b

n8b

toelichting hulpverlenings n8a geschiedenis toelichting n7a

Aandacht Concentratie/school Emotieregulatie Slaapproblemen

School Ouders Anders

n8a

Systeemproblemen Onzekerheid en zelfvertrouwen Opvoedingsproblem atiek Angst, dwang, stemming Eetgedrag Lichamelijke klachten Sociale interactie Trauma of rouwverwerking ASS Overig

nee ja, zelfde problematiek ja, andere problematiek ja, gezinsleden ja, actuele hulpverlening in gezin

n9

n10

n11

n12

n13

n14a

doel / gewenst Welke interventie is erIntensiteit POH duur van de resultaat ingezette ingezet? inzet POH inzet locatie hulp hulp doelbereik

1 gesprek, geen verdere hulpvraag verwijzing preventieve hulp

1 contact 2 tot 5 contacten 6 tot 10 verwijzing JGT inzet contacten kortdurende begeleiding/behand eling door POH meer dan 10 jeugd contacten crisishulp overbruggingshulp verwijzing Basis GGZ (licht) verwijzing Spec. GGZ (midden) verwijzing Spec. GGZ (hoog)

n14b

datum toelichting einde n14a zorg

< 1 maand thuis <2 maanden school <3 maanden wijk

1 (nee)

3 tot 6 maanden >6 maanden

vroegtijdig gestopt / uitval

gemeente buiten gemeente

n15

2 (deels) 3 (ja)

59

Bijlage 4: Toelichting analyse monitoringsformats De analyses over de inzet van de POH-J zijn grotendeels gebaseerd op de uitkomsten uit de monitoringsformats (zie vorige slide voor legenda van de monitoringsformats). In totaal hebben we van 11 POH-J’s monitoringsformats ontvangen (uit 7 gemeenten). Daarnaast hebben we analyses ontvangen van de monitoringsformats uit Katwijk (zij hebben een eigen monitoringsformat ingericht). De POH-J’s hebben de monitoringsformats bij de start van de pilot ontvangen (met een enkele aanpassing in de daaropvolgende maanden). De inhoud van de monitoringsformats is tijdens de regionale werksessies afgestemd met de beleidsmedewerkers van iedere gemeenten, daarnaast zijn alle gemeenten zijn in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen over de monitoringsformats. Eind 2020/begin 2021 zijn de eerste uitkomsten uit de monitoringsformats met de POH-J’s besproken, evenals knelpunten en vragen over het format. Bij de analyse van de formats zijn hier en daar een aantal bewerkingen gedaan op de uitkomsten (denk aan het maken van overkoepelende categorieën voor bijvoorbeeld leeftijd, type verwijzing (naar preventieve hulp), maar is de invoer van de POH-J’ers zelf nooit veranderd.

De informatie uit Katwijk is zoveel mogelijk gematcht met de informatie uit de monitoringsformats; echter kunnen er op basis van de informatie uit Katwijk geen dwarsverbanden worden gelegd (zoals type interventie en het aantal contacten). Wanneer dit in de rapportage wel is gedaan, is hier de informatie uit Katwijk niet in meegenomen.

Belangrijkste uitkomsten uit andere grote onderzoeksrapporten Accare: Jeugdhulp bij de huisarts (november 2019) Dit onderzoek onder 51 POH’s Jeugd laat zien dat zij een deel van de jeugdigen die in de huisartsenpraktijk komt, kunnen helpen. Ook liggen er kansen voor vroegsignalering van problemen en voor kortere effectievere behandelingen. Jeugdigen en hun ouders zijn over het algemeen erg tevreden over de dienstverlening. Het opleidingsniveau van de POH’s Jeugd in dit onderzoek was minimaal een HBO-opleiding. In 47% van de trajecten werd doorverwezen naar jeugdhulp en in 10% van de trajecten was er sprake van overbruggingshulp. In 41% van de trajecten deed de POH Jeugd zelf het begeleidingstraject. De meeste hulpvragen hadden betrekking op emotionele problemen (23%), gedragsproblemen (18%) en gezins- en opvoedingsproblemen (13%). De meeste begeleiding was kortdurend en intensief: 48% had maximaal 2 en 82% had maximaal 5 contacten, van de trajecten was 35% binnen een week, 49% binnen drie weken en 76% binnen 10 weken afgesloten.

Aanbevelingen uit dit onderzoek: - voldoende GGZ-ervaring op minimaal HBO-niveau - kennis van samenwerking en de sociale kaart, inzetten op samenwerking met wijkteam - het versterken van het netwerk is een kerntaak, -positionering bij de huisarts, - directe beschikbaarheid en kortdurende hulp - duidelijke kaders (randvoorwaarden) en goede afspraken rond dossiervorming. Nivel: Evaluatie pilot "Huisarts in de praktijk van de jeugdzorg" (2015) Dit onderzoek volgt via interviews een pilot van een zorggroep van huisartsen om in het kader van de transitie van de jeugdzorg Jeugd-GGZ binnen de huisartsparktijken vorm te geven. Conclusies: het gebruik van de Jeugd-POH-GGZ ging niet gepaard met toenemend psychofarmacagebruik en ook niet met toename van verwijzingen. De pilot liet aanzetten zien tot verdere samenwerking tussen huisarts, jeugdarts en GGZ-praktijken. Van alle deelnemers is ongeveer de helft (45%) behandelt door de POH Jeugd en ongeveer de helft (45%) doorverwezen, bij 10% was behandeling of doorverwijzing na een gesprek niet meer nodig. De ervaringen van jeugdigen en ouders zijn positief: laagdrempelige zorg van goede kwaliteit. Netwerkvorming kost tijd, samenwerking met basisscholen ging goed, maar breder (peuterspeelzalen, maatschappelijk werk, etc) moet nog van de grond komen. De pilot was te kort om samenwerking met sociale wijkteams te realiseren.

AEF ‘Stelsel in de groei’ (2020) Dit rapport beveelt aan om het aanstellen van een POH Jeugd te overwegen en in het beleid de nadruk te leggen op normaliseren, de-medicaliseren en eigen kracht. Het rapport nodigt uit om de transitie van de jeugdzorg te bekijken in het licht van verbeteringen. De huidige problemen zitten in toegenomen zorgkosten per cliënt door een steeds langere duur van behandelingen tussen 2015-2019. Daarnaast is er sprake van een groeiende instroom. Het rapport noemt ontwikkelingen in de samenleving als oorzaak voor de hoge instroom. Een conclusie van AEF is dat preventie en vroegsignalering mogelijk een kostenopdrijvend effect heeft voor gemeenten doordat een latente vraag wordt aangeboord: aanbod creëert vraag. Het AEF ziet de POH Jeugd als een kansrijke beheersmaatregel: volgens een voorzichtige schatting komt 40% van de jeugdigen via de POH Jeugd niet meer in de specialistische Jeugdhulp terecht. Sommige huisartsen verwijzen alle kinderen eerst naar de POH Jeugd, terwijl andere huisartsen hier een selectie in maken. Volgens AEF verwijst de POH Jeugd vaker door naar het voorliggend veld, en GGZ instellingen vinden de vragen van doorverwezen jeugdigen duidelijker als dit via de POH Jeugd gaat. Ongeveer 1,0-1,2fte POH is nodig op 10.000 jeugdigen en een POH Jeugd kost, exclusief ruimte, €100.000,- €110.000,- voor 1 fte (38 uur, schaal 9-10).

Mits ook huisartsen enthousiast zijn (naast eerdergenoemde randvoorwaarden) is voor hen minder werkdruk mogelijk, er is meer samenwerking in de keten, meer normalisering, minder wachttijd en betere kwaliteit van de zorg voor jeugdigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1407/documents/17240