CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

C08 Ter Horst Projecten, zienswijze ontwerp omgevingsplan Buitengebied (anoniem).pdf

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken11.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeenteraad Hillegom Postbus 32

2180 AA HILLEGOM

Velsen-Noord, 15 december 2020

Betreft: Zienswijze ontwerp omgevingsplan Buitengebied (zaaknummer Z-20-140477)

Geachte leden van de gemeenteraad, Ik treed op namens mijn opdrachtgever te Hillegom, woonachtig aan de

te Hillegom.

Op 5 november ontvingen wij van het college een reactie op onze zienswijze van 25 maart 2020 op het Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij. De zienswijze betrof ons verzoek om in de gebruiksactiviteiten van ook een versmarkt op te nemen als ondergeschikte nevenactiviteit.

Tot onze vreugde heeft het college in zijn brief van 5 november aangegeven het Omgevingsplan naar aanleiding van ons verzoek aan te passen. Aangegeven werd dat bij de functie levendige linten kleinschalige nevenverkoop van verse levensmiddelen aan de algemene regels van de betreffende functie wordt toegevoegd. In een telefoongesprek met één van de betrokken ambtenaren werd toen gemeld dat het voorstel was om daaraan geen nadere beperkingen te stellen qua omvang. In het tweede ontwerp Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij lezen wij echter in artikel 3.11 (toegelaten gebruiksactiviteiten) dat binnen de Levendige Linten nevenverkoop tot 100 m2 is toegestaan. Wij begrijpen dat het college alsnog een restrictie in de omvang heeft willen toepassen en daarbij heeft willen aansluiten bij artikel 3.2 nevenverkoop tot 100 m2 van grondgebonden bollenteeltbedrijven, maar tegelijkertijd gaat ze ons inzien voorbij aan de specifieke situatie van Op grond van de classificatie in de Structuurnota Tuincentra 2.0 en het addendum (zie bijlagen) kan geclassificeerd worden als een In het overzicht op de volgende pagina staat beschreven wat verstaan wordt onder dit type

Tuincentrum

Type IV

Totale omvang perceel ÖrerdektWVÖ

->7oooi»l‘__________________________________

Niet overdekt WVO

ca. J00-Z500 m'

Aantal parkeerplaatsen

-> 150 (conform gemeentelijke norm)

Aankoopgedrag

ZZ

Verzorgingsgebied

Levend:

-> 6000 m'

Stedelijk gebied. Grootschalige Detailhandel Vestiging Recreatief winkelen

Regionaal tot landelijk

Tuinplanten en bomen

: Bloemen & Ranten Dieren

Bloembollen & Zaden

Niet Levend basis:

Gereedschap Decoiatie buitenhuis & binnenhuis (sfeer & interieur)

Klein en groot tuinonderhoud

Dier

Seizoenartikelen (zoals kerstmarkt) Tuinmeubelen

Niet L^end aanvullend:

Wonen (klein meubelen, etc.)

Wellness (zwembaden, sauna’s etc) i Tuin gerelateerde speelgoed

Streekproducten, Farmshop (groot fruit, giftshop) Horeca (ondersteunend)

Overige voorwaarde

; Restaurant 80% is basisassortiment en 20% is aanvullend assortiment

Belangrijke voorwaarde voor dit type tuincentrum is dat 80% van het vloeroppervlak gebruikt wordt voor het basisassortiment (levend, en niet levend) en 20% voor het aanvullend assortiment (niet levend aanvullend en horeca). Graag zouden wij zien dat het Omgevingsplan meer aansluit bij deze verdeling. In de praktijk van zou dit betekenen dat het om 1.300 m2 bvo (=20%) gaat. Mijn opdrachtgever zou echter met 10% ook goed uit de voeten kunnen, wat zou betekenen dat het totale vloeroppervlak voor nevenactiviteiten maximaal 650 m2 beslaat, dat is dus inclusief het huidige horeca oppervlak. Wij verzoeken u om artikel 3.11 van het Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij hierop aan te passen.

Met vriendelijke groeten. Ter Horst Projecten

Bijlage:

Structuurnota Tuincentra 2.0 (2013-2018) Addendum/aanvulling Structuurnota Tuincentra 2.0 (2013-2018)

structuurnota Tuincentra 2.0 (2013-2018)

Huidige planologische positie van tuincentra en het toekomstperspectief: duurzame groei

Royal HaskoningDHV Enhancing Society Together

TUINBRANCHE NEDERLAND

INHOUD 1

VOORWOORD

4

2

TUINCENTRA IN HET RUIMTELI)K BELEID VAN DE LOKALE OVERHEID

5

3 3-1 3-2 3-3

TUINCENTRA IN NEDERLAND Een tuincentrum, wat is dat? Organisatiestructuur Omzetsamenstelling tuincentra

7 7 8 9

4 4-1 4-2 4-3 4-4 4-5 4.6

TRENDS & ONTWIKKELINGEN Bereik Bronnen Bevolking Bestedingen Bewinkeling Beleving consument belangrijk

5 5-1 5-2 5-3

BELEID Landelijk beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 13 13 14

6

VISIE GEWENST PROFIEL & VESTIGINGSCRITERIA TUINCENTRA

18

7

INPASSING VAN HET BEDRIJF IN HET GEMEENTELIJKE BESTEMMINGSPLAN

20

8

COLOFON

31

Royal HaskoningDHV

10 10 10 10

10 11 11

TUINBRANCHE NEDERLAND

1

VOORWOORD

De Structuurnota Tuincentra 2.0 is tot stand gekomen in nauwe samenwer­ king met een projectgroep. In de projectgroep zijn naast vertegenwoordigers van Tuinbranche Nederland en Royal HaskoningDHV ook vertegenwoordigers

De Structuurnota Tuincentra 2.0 is mede mogelijk gemaakt vanwege een financiële bijdrage van de Commissie Bloemen en Planten van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD).

van detuincentrumformules, CBW-Mitex, Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) en IPO (Interprovinciaal Overleg) actief betrokken geweest. Deze brede vertegenwoordiging heeft de kwaliteit en autoriteit van de structuur-nota versterkt. Ook is dankbaar gebruik gemaakt van de kennis en ervaring van de vele vertegenwoordigers van gemeentelijke organisaties, waarmee sinds de vorige versie van de structuurnota goede contacten zijn opgebouwd.

Net zoals de eerste structuurnota is ook deze structuurnota bedoeld voor

zowel ondernemers als vertegenwoordigers van het bevoegd gezag. Onder­ nemers kunnen de structuurnota gebruiken om de aard en omvang van hun tuincentrum te illustreren bij de gesprekken met de gemeente. Vertegen­ woordigers van het bevoegde gezag kunnen de structuurnota gebruiken om

inzicht te krijgen in de sector en om een beeld te krijgen van het bestaande of beoogde bedrijf van de tuincentrumondernemer(s) in hun gemeente. In beide gevallen biedt de structuurnota praktische handvatten om de plano­ logische inpassing van tuincentrumondernemingen te vergemakkelijken.

Deze structuurnota biedt daarmee duidelijkheid maar geeft ook voldoende flexibiliteit voor maatwerk op locatie.

In de opbouw van de structuurnota is zo goed mogelijk rekening gehouden met de uitvoeringspraktijk. Via de website van Tuinbranche Nederland zijn diverse instrumenten beschikbaar die de praktische toepasbaarheid nog verder vergroten.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

i-

2

TUINCENTRA IN HET RUIMTELIJK BELEID VAN DE LOKALE OVERHEID De tuincentrumbranche werd al vroeg geconfronteerd met de ruimtelijke ordening in Nederland. Eind vorige eeuw werd een eerste profielschets opgesteld. Doel daarvan was overheid en achterban inzicht te geven in de

karakteristieken van tuincentra.

Stand van zaken van de tuincentra vanuit een terugblik op ontwikkelingen • Wat wordt verstaan onder tuincentrum? • Hoe is de landelijke spreiding van tuincentra?

• Hoe functioneren tuincentra? Welke trends en ontwikkelingen bepalen de toekomst van de tuincentra?

• Hoe ontwikkelt de tuinmarkt zich?

Vanwege toenemende discussies tussen bedrijven en overheden heeft Tuinbranche Nederland in 2007 de eerste Structuurnota Tuincentra laten ontwikkelen. Doel daarvan was het verduidelijken van de problematiek en

het geven van handvatten aan zowel bedrijven als overheid om met elkaar in gesprek te gaan over ruimtelijke ordening. Gelet op het gebruik in de praktijk heeft het document ongetwijfeld veel “Raad van State zaken” voorkomen.

• Wat wil de consument? • En welke trends zijn zichtbaar bij tuincentra? Wat is het overheidsbeleid? • Gemeentelijk; • Provinciaal;

• Landelijk;

Toch kon ook die Structuurnota niet alle problemen voorkomen of onduide­ lijkheden wegnemen. Bovendien is de situatie gewijzigd ten aanzien van wetgeving, marktomstandigheden in de detailhandel, het gedrag van de consument en bedrijfsvoering. De begrippen “Tuincentrum”, het daarbij behorende assortiment en de benodigde ruimte waren toe aan een update. Tuinbranche Nederland heeft daarom Royal HaskoningDHV de opdracht gegeven voor het opstellen van de Structuurnota 2.0. Deze structuurnota biedt helderheid en duidelijkheid over de inpassing van

• Europees. Wat zijn de gewenste profielen van tuincentra? • Welke typen tuincentra kunnen in de toekomst onderscheiden worden? • En wat zijn de vestigingstypologieën van de typen tuincentra? Hoe kan de inpassing van tuincentra plaatsvinden?

Op dit moment staat de economische vooruitgang in Nederland enigszins onder druk. Tegelijkertijd met een economische heroriëntatie is een ontwikke­ ling zichtbaar waarbij er meer belangstelling en waardering ontstaat voor

Tuincentra op een wijze die voldoende flexibiliteit overlaat voor maatwerk op locatie. Daarnaast zijn in deze geactualiseerde Structuurnota de trends

alles wat met groen- en natuurbeleving te maken heeft.

en ontwikkelingen omschreven die van invloed zijn op de toekomst van Tuincentra.

Zodra die ontwikkelingen voor groeiende vraag gaan zorgen, zullen er ook weer nieuwe planologische opgaven ontstaan. Niet alleen ten aanzien van

vierkante meters (schaalvergroting) maar ook ten aanzien van de vloerbeDe nieuwe Structuurnota 2.0 is vooral gericht op de beantwoording van een aantal vragen. Deze zijn teruggebracht tot de volgende centrale onderzoeks­ vragen:

V

Royal HaskoningDHV

o

zetting (assortiment). In alle gevallen zal het noodzakelijk blijken dat er een open en constructief overleg plaatsvindt tussen tuincentrumondernemer en vergunningverlener / bevoegd gezag.

TUINBRANCHE NEDERLAND

k'-'

► 1 Deze structuurnota beoogd opnieuw het instrument te zijn dat dit gesprek kan optimaliseren, met als gevolg een soepeler planologische inpassing, borging van de overheidsdoelstellingen en meer ruimte voor ondernemer­

schap. Ondanks dat de structuurnota beoogd een oplossing te bieden voor veel voorkomende vragen over ruimte voor tuincentra, zal maatwerk altijd nodig

blijven. Op gemeentelijk niveau kunnen er altijd afwijkende omstandigheden zijn. Net zoals er geen ondernemer het zelfde is, zo is ook elke gemeente

weer anders. Toch is dat juist een mooie uitdaging. Om in goed overleg te komen tot een passende oplossing voor de wensen van de ondernemer

binnen de kaders van de overheid ten behoeve van een optimaal voorzien­ ingenniveau voor de burgers in Nederland.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

"1

3

TUINCENTRA IN NEDERLAND 3.1 Een tuincentrum, wat is dat?

Groen- en tuincentra zijn vaak ontstaan uit boomkwekerijen, hoveniersbe­ drijven, bloemisterijen en zaadhandels. In de praktijk zijn er nog steeds verschillende bedrijfstypen die onder het begrip "tuincentrum" vallen en

zich in meer of mindere mate als op de consument gericht tuincentrum dan wel als ambachtelijk bedrijf presenteren. Het verschil tussen tuincentrum en

groencentrum is in het verleden als volgt aangeduid: •

Overheden hebben veelal een eigen begripsomschrijving voor tuincentra. Veel gemeenten hanteren een eigen definitie of die van het stedenbouw­

kundig bureau dat in opdracht van de gemeente het bestemmingsplan opstelt. Tuinbranche Nederland, de landelijke brancheorganisatie voor tuin-centra, adviseert de volgende definitie te hanteren:

Tuincentra zijn grootschalige detailhandelscentra met een breed aanbod aan

Tuincentra besteden in hun assortiment beduidend meer aandacht aan de

‘levende en dode’ huis- en tuingerelateerde artikelgroepen in het basis­

groep niet-levend assortiment. Een tuincentrum heeft een omzetaandeel levend assortiment van tenminste 25% en een niet levend assortiment met een aandeel van tenminste 40%.

assortiment. Daarnaast wordt een nevenassortiment gevoerd dat o.a. bestaat uit vrije-tijds-artikelen.

Groencentra zijn veelal kleinere bedrijven met als achtergrond een

•

hoveniersbedrijf of kwekerij en een duidelijk accent op (tuin)planten. Voor groencentra geldt een omzetaandeel levend assortiment van tenminste 50% en niet-levend van tenminste 25%.

De tuincentra staan bij CBS geregistreerd onder SBI-code 47762. Hiertoe behoren winkels in:

•

Bloemen, planten, boomkwekerijgewassen, zaden en tuinbenodigdheden

•

algemeen assortiment waarbij het omzetaandeel van de artikelgroepen afzonderlijk minder dan 50% uitmaakt van de omzet; Bloemen, planten, boomkwekerijgewassen, zaden en tuinbenodigdheden algemeen assortiment in combinatie met het kweken van bloemen,

planten, boomkwekerijgewassen waarbij het omzetaandeel zelfgekweek­ •

te producten minder dan 35% uitmaakt van de omzet; Eventueel in combinatie met de verkoop van tuingereedschappen of het

maken van bloemstukken, bruidsboeketten, grafstukken e.d.

Gl-K, N’VT. Structuurondefz-jf- r ,i• ►-foencentra

'

Royal HaskoningDHV

;

TUINBRANCHE NEDERLAND

3.2 Organisatiestructuur De tuincentrumbranche heeft een hoge organisatiegraad. Bijna alle tuincentra

in Nederland zijn lid van Tuinbranche Nederland (TN). De tuincentrumbranche kent een groot aantal bedrijven georganiseerd in franchise formules. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de belangrijkste in Nederland vertegenwoordigde tuincentrum organisaties. In toenemende mate ontstaat er

Figuur 1: Tuincentra en aantal verkooppunten

Tuincentra & aantal verkooppunten 2012 Formules op franchisebasis • Intratuin (55)

verweving met ander detailhandel- en bouwbranches.

• •

GroenRijk (46) Life & Garden (21)

Het gemiddelde winkelvloeroppervlak (WVO) verschilt sterk per formule. Intra-

•

Tuinwereld (6)

tuin en Ranzijn kennen een gemiddelde van circa 7.000 mz WVO. Veel andere formules hebben een gemiddeld vloeroppervlak van circa 3.000 m’.

•

Tuincentrum Coppelmans (9)

Naast de formule bedrijven is er een groot aantal zelfstandige tuincentra. Uit een combinatie van de gegevens van het HBD en Locatus valt op te maken dat Nederland in totaal ongeveer 680 zelfstandige tuincentra en tuincentra behorende tot formules en inkooporganisaties telt. Gezamenlijk hebben deze tuincentra bijna 1.750.000 m’ aan winkelvloeroppervlakte

Centraal geleide filiaalbedrijven • Tuincentrum Overvecht (19) • Praxis Mega en Tuin (11) • • •

Ranzijn Tuin & Dier (8) Hornbach (8) De Bosrand (4)

• •

Tuinland (4) Tuincentrum Oosteinde (4)

• Rodenburg Groep (3) Samenwerkingsverbanden voor in- en verkoop • •

GRS Retail BV (164) Vrienden van de Tuin (53)

• Groengilde (13) Óverige gerelateerde detailhandel (Ketens). (Worden doorgaans niet als

tuincentrum in tellingen opgenomen) • • •

Royal HaskoningDHV

Agriretail (Welkoop/Boerenbond) (230) Uw Groene Vakwinkel (141) Aveve (7)

TUINBRANCHE NEDERLAND

ia

3.3

Omzetsamenstelling tuincentra

De tuinmarkt is onder te verdelen in drie hoofdgroepen: Bloemen en planten, niet levend en groot onderhoud. De omzet in de tuinmarkt bedroeg in 2011

Figuur 2: Aandeel in de omzet per productgroep in de totale tuinmarkt en bij tuincentra

ongeveer € 4,1 miljard. Hiervan kwam € 1,2 miljard bij de tuincentra terecht.

Productgroep

Tuinmarkt

Tuincentra

De tuincentra hebben hiermee een marktaandeel van 29%. Bij de tuincentra

Groot onderhoud

28%

16%

is met name het aandeel van groot onderhoud relatief beperkt. Wanneer groot onderhoud buiten beschouwing wordt gelaten hebben de tuincentra een mark­ taandeel van ruim 33%.

Eenjarige planten Meerjarige planten

5% 8% 18%

12%

19% 13%

2%

4%

3%

5% 16%

Bloemen/planten binnenshuis

Groot onderhoud heeft betrekking op materialen en produkten die bij aanleg of grondige renovatie worden gebruikt. Hierbij moet gedacht worden aan (sier-) bestrating, tuinafscheidingen, speeltoestellen, tuinhuisjes, vijver en vijverbenodigdheden, tuinbeelden en ornamenten, etc.

Klein onderhoud tuin Potten/vazen/schalen

Gereedschappen/Tuinartikelen/bbq Dierenartikelen

In de Nederlandse tuincentra zijn ongeveer 10.000 personen werkzaam. In

Kerstartikelen

combinatie met de bovengenoemde omzet mag derhalve geconcludeerd

Overige

12%

15% 4% 5%

5%

7% 4%

worden dat de tuinbranche een economische factor van betekenis is.

'

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

____

Ji

..J’’

4 TRENDS & ONTWIKKELINGEN

maar onze wereld vraag overstijgt voorlopig het aanbod. De stijgende

energieprijzen hebben daarom veel invloed op de kosten van handelswaar,

De detailhandel ondergaat een aantal ingrijpende veranderingen. Het winkellandschap zal erin 2020 ingrijpend anders uitzien dan op dit moment. In

niet alleen omwille van de transportkosten, maar ook vanwege het fabricage­ proces (CBW-Mitex 2010).

de publicatie Retail 2020 laat CBW-Mitex zien dat onder invloed van tien hoofdtrends de Nederlandse retailstructuur veranderd. Enkele belangrijke trends zijn: individualisering, de Digitale Superconsument, globalisering en

Naast aandacht voor energie is er ook toenemende aandacht voor voeding.

consuminderen.

Sommige tuincentra experimenteren al met de verkoop van streekproducten. Streekproducten en gezonde voeding in het algemeen kunnen een mooie

4.1

aanvulling zijn op het assortiment. Wanneer het wordt gekoppeld aan het groene karakter van tuincentra, aan het waardevolle groene leven, kan het de

Bereik

Internet heeft in een korte tijd een enorm bereik gekregen in Nederland. Uit

verkoop van andere, nieuwe producten stimuleren.

gegevens van de Wereldbank blijkt dat de internet-penetratie in Nederland in 20 jaar tijd is gestegen van 0,3% naar bijna 90% van de gehele bevolking.

4.3 Bevolking

Het snel groeiende belang van internet als aankoop en oriëntatie kanaal is ook zichtbaar bij de tuincentra.

Het aantal ouderen neemt snel toe. De groep boven de 65 jaar groeit snel. Tussen 2012 en 2020 zal deze groep met 25% toenemen tot 3,4 miljoen

Nederlanders. Verschillen in leeftijd werken door in de productgroepen die Tussen 2008 en 2011 is volgens Gfk het marktaandeel van internetwinkels sterk gegroeid. In 2008 hadden internetwinkels een marktaandeel van 3%,

gekocht worden bij tuincentra (GFK 2011).

in 2011 was dit 7%. De komende jaren zal Internet als winkelkanaal zeer waarschijnlijk verder blijven groeien.

Tuincentra kunnen inspelen op de veranderende bevolkingsamenstelling door in hun assortiment rekening te houden met leeftijdspecifieke verschil­ len in het aankoopgedrag. (CBW-Mitex 2010). Hierbij wordt opgemerkt dat de

Het groeiende marktaandeel van internetwinkels zorgt voor een verschuiving van bestedingen. Daarnaast zorgt de opkomst van mobiel Internet ervoor dat

consumenten anders gaan winkelen. Klanten kunnen in de winkel informa­ tie opzoeken en prijzen vergelijken. Snelle toegang tot relevante informatie via QR-codes en/of streepjescodes en app’s zal hierbij steeds belangrijker worden.

leeftijdsgroep boven de 55 jaar tradioneel al een belangrijke klantengroep is voor tuincentra. Met de veranderingen in de leeftijdsopbouw verandert ook de huishoudensamenstelling. Het aantal huishoudens neemt tussen 2012 en

2020 volgens het CBS met 6% toe. De uitdaging voor de tuincentra is om het assortiment op deze ontwikkeling af te stemmen. 4.4

4.2

Bronnen

Bestedingen

In 2011 werd er in Nederland ruim 4,1 miljard uitgegeven in de tuinbranche.

De natuurlijke hulpbronnen zijn eindig en dat is in de afgelopen jaren meer en meer duidelijk geworden. Ondanks economische teruggang zagen we

De omzet in de tuinmarkt was hiermee in 2011 nagenoeg gelijk aan de omzet in 2007 en slechts iets lager dan de historische piek uit 2008/2009. Tussen

prijzen voor energie stijgen. Alternatieven worden weliswaar aangewend

2003 en 2008 heeft de tuinmarkt een sterke groei van de omzet gekend.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

7'

Sinds 2009 loopt de omzet onder invloed van de economische crisis licht

4.5

Bewinkeling

terug. De omzet loopt vooral terug in de hoofdgroep “niet levend”. In de

Er is in de tuincentrumbranche sprake van een voortschrijdende schaalver­

hoofdgroep “levend” stabiliseert de omzet.

groting. Momenteel zijn er volgens het HBD (2011) in Nederland circa 680

De afname van het marktaandeel van de tuincentra wordt bij veel product­

tuincentra (810 in 2005). Ondanks deze afname van het aantal tuincentra neemt het totale aanbod in winkelvloeroppervlakte wel toe. Het gemiddelde tuincentrum wordt namelijk steeds groter. In 2005 was de gemiddelde

groepen veroorzaakt door een toename van de concurrentie doordat bedrijven in andere sectoren de producten aan hun assortiment toevoegen en door

de opkomst van bestedingen via internet. Tuincentra ondervinden steeds meer concurrentie van supermarkten, bouwmarkten, warenhuizen en huis­ houdelijke zaken. Ai deze winkels boden een assortiment met een steeds grotere diversiteit aan en veroverden een groter marktaandeel op de tuinmarkt.

Figuur 3; Marktaandeel van tuincentra per productgroep binnen de totale

Productgroep

Marktaandeel tuincentra

Groot onderhoud

16%

Eenjarige planten Meerjarige planten

63% 69%

Klein onderhoud tuin Potten/vazen/schalen Gereedschappen/Tuinartikelen/bbq Dierenartikelen

Kerstarti kelen Overige

Qua locatie hebben de tuincentra een unieke positie binnen de Nederlandse detailhandel. In de sterk reguleerde Nederlandse detailhandelsmarkt zijn winkels grotendeels gevestigd op concentratielocaties. Bij tuincentra is dit niet het geval. Verreweg de meeste tuincentra vallen onder de categorie solitaire vestiging. Het aandeel van deze categorie neemt de laatste jaren

echter wel iets af. Bij de locatiekeuze wordt steeds vaker gekozen voor vestiging op GDV locaties.

tuinmarkt

Bloemen/planten binnenshuis

winkelvloeroppervlakte nog 1.950 m" in 2011 is dit toegenomen tot 2.516 m’.

20%

51%

Figuur 4; Aandeel tuincentra naar type winkelgebied 2005 2011

2002

Solitaire vestiginge Grootschalige concentraties

87%

90%

86%

2%

2%

5%

Ondersteunende winkelcentra

3% 8%

2%

2%

6%

7%

Hoofdwinkelcentra

47% 39% 10%

4.6 Beleving consument belangrijk

52% 24%

Gemak en vermaak zijn al jaren de kernwoorden die het consumentengedrag het best beschrijven. Gemak betekent daarbij alles wat je nodig hebt bij

elkaar, met als kernwoorden efficiëntie en bereikbaarheid (doelgericht aankopen en boodschappen doen). Bij vermaak gaat het meer om de sfeer en de beleving (recreatief winketen als vorm van vrije tijd besteding, jezelf

verwennen).

TUINBRANCHE NEDERLAND ÊÏ--

Voor de Tuinbranche betekent de focus op gemak dat tuincentra steeds meer

concurrentie ondervinden van andere verkoopkanalen. Consumenten kopen steeds meer producten op het internet, maar ook het marktaandeel van andere gemakwinkels (supermarkten en bouwmarkten) groeit. Voor de komende jaren is de verwachting dat deze ontwikkeling nog verder door zal zetten.

In de Tuinbranche verschuift de focus steeds meer in de richting van vermaak. Tuincentra beschikken steeds vaker over grote horecagelegenheden en ook in de assortimentsamenstelling en uitstalling komt de nadruk steeds meer op beleving te liggen. Een tuincentrum wordt door veel consumenten als een “dagje uit” gezien.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

il

5

Beleid

5.1

Landelijk beleid

Vrijwel elke vierkante meter heeft in Nederland een bepaalde bestemming.

De rijksoverheid bepaalt in grote lijnen hoe ons land er uit moet zien. Sinds 2008 regelt de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de inrichting van Nederland. De Wro geeft dus de kaders aan: welke overheid waarvoor verantwoordelijk is en welke “spelregels” gehanteerd moeten worden.

DeWabo is een goed instrument voor het gesprek tussen bedrijf en overheid. Bovendien scheelt het veel tijd door de bundeling van alle losse procedures. Echter het voorwerk om tot een goede aanvraag te komen is aanzienlijk. Voor

een efficiënt proces is het noodzakelijk om vanaf het begin een goed overleg te hebben tussen ondernemer en gemeente, op basis van wederzijds respect en vertrouwen. In hoofdstuk 7 wordt daar nader op ingegaan. 5.2

Provinciaal beleid

Over het algemeen zijn de plannen van de landelijke overheid grootschalig

Provincies vertalen het landelijk beleid naar concrete plannen voor de ruim­

en te weinig concreet voor een ondernemer. Wel kunnen er trends uit worden afgeleid. Bijvoorbeeld als het gaat om de vraag in welk gebied woningen

telijke inrichting van regio’s. Provincies stellen hiervoor provinciale structuur-

zullen worden gerealiseerd, waar nog uitbreiding van bedrijvigheid gewenst

is en hoe alles in de resterende natuur wordt ingepast.

visies op. Hoewel deze plannen ook nog een redelijk hoog abstractieniveau kennen is het belangrijk voor ondernemers om kennis te nemen van de groot­

schaliger ontwikkelingen in een bepaalde regio. Deze provinciale plannen zijn namelijk weer bepalend voor de inhoud van de gemeentelijke plannen.

Leidend principe is nog steeds “centraal wat moet, lokaal wat kan” (Nota Ruimte en Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte). Uitvoerende overheden hebben hierdoor meer ruimte gekregen zelfstandig invulling te geven aan het

Door de Wro is goedkeuring van een bestemmingsplan door de provincie niet meer nodig. Ook hoeft de provincie geen ‘verklaring van geen bezwaar’ meer

landelijk beleid. Dit biedt kansen voor maatwerk op plaatselijk niveau.

af te geven wanneer een tuincentrum, in afwijking van een bestemmingsplan, meer bouwruimte wil hebben.

Gemeenten kennen de plaatselijke situatie en de plaatselijke ondernemers vaak beter.

Ondanks goed overleg, zijn het de regels die het vaak lastig maken. Hoe interpreteren verschillende partijen de regels en hoe passen al die verschil­

lende procedures in elkaar? Om de regeldruk voor bedrijven en burgers te verminderen heeft de rijks­

overheid de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgesteld. Deze wet is op 1 oktober 2010 in werking getreden. Door deze wet zijn 25 vergunningen samengevoegd tot één omgevingsvergunning. (zie pagina paragraaf 5.3)

'

Royal HaskoningDHV

i-

"WHP

Hier staat tegenover dat provincies een aanwijzing kunnen geven die ertoe

strekt dat een gedeelte van het bestemmingsplan geen onderdeel blijft uitmaken van het bestemmingsplan. De provincie heeft daarmee nog altijd veel invloed op ruimtelijke ontwikkelingen binnen gemeenten. Het uitdragen van de visie van deze structuurnota door de branche in de richting van de provinciale beleidsbepalende instanties kan in belangrijke mate bijdragen

aan een optimale afstemming van wensen uit de tuincentrumbranche met de provinciale plannen. Zorg dat bekend is wat er regionaal speelt. Zoek daarom contact met provin­

cies en regionale samenwerkingsverbanden. Soms blijken regionale samen-

TUINBRANCHE NEDERLAND

....

s»

Oz

a werkingsverbanden ook eigen detailhandelsvisies te hebben. Deze bovenlo­

Bestemmingsplan

kale plannen hebben dan weer invloed op de mogelijkheden van individuele

Een bestemmingsplan geeft aan elk stuk grond binnen de gemeentegrens een bepaalde bestemming. Volgens die bestemming mogen alleen de omschreven activiteiten worden uitgeoefend. Om die activiteiten te mogen

gemeenten. Omgekeerd kunnen instrumenten zoals deze structuurnota

bijdragen aan het inzicht en de kennis van beleidsbepalende instanties en regionale samenwerkingsverbanden in de tuincentrumbranche. 5.3

uitvoeren moet de ondernemer voldoen aan speciale voorschriften.

Gemeentelijk beleid

Daarnaast zijn er altijd nog andere voorschriften van toepassing zoals de

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het onderzoeken van de bestaande toestand van het ruimtegebruik binnen hun grenzen, maar ook verantwoorde­ lijk om onderzoek te doen naar de mogelijke en wenselijke ruimtelijke

voorschriften van een melding of een omgevingsvergunning (zoals bouw- en of milieuvergunningen tegenwoordig heten).

ontwikkeling. Hiervoor stellen gemeenten structuurvisies en bestemming­

Een bestemmingsplan is het enige bindende plan voor burgers en onder­ nemers. Dat wil zeggen een bestemmingsplan maakt heel concreet wat

splannen op. Gemeenten zijn verplicht om voor het gehele grondgebied

bestemmingsplannen en één of meerdere structuurvisies op te stellen.

ruimtelijk wel of niet is toegestaan. Via een uitgebreide juridische procedure kan een ieder invloed uitoefenen op een bestemmingsplan. Voor onder­

Structuurvisie

nemers is het dus van het grootste belang om nog voor het eerste begin van

Een structuurvisie omschrijft op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikke­

de procedure voor de herziening van het bestemmingsplan, actief betrokken te raken.

lingen binnen een gemeente en geeft door middel van een uitvoeringsprogramma aan hoe deze ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden. Een structuurvisie is voor een gemeente vooral richtinggevend. Bij het opstellen van een structuurvisie dienen provinciale plannen en rijksbeleid als uitgangs­ punt.

Met de komst van de Omgevingswet, zou de term “bestemmingsplan” kunnen gaan verdwijnen. Omdat dit nog niet met zekerheid is te zeggen of dit gaat gebeuren en wanneer, spreken wij in de structuurnota nog van

bestemmingsplan. Bovendien kan de term dan wellicht worden vervangen, Een structuurvisie heeft geen juridische status in het kader van de Wro,

het instrument zal naar alle waarschijnlijkheid gewoon blijven bestaan.

maar speelt wel een belangrijke rol in het ruimtelijk ontwikkelingsbeleid. Bij initiatieven van bedrijven toetst de gemeente of de ontwikkelingen in lijn zijn met de structuurvisie. De medewerking van de gemeente aan de initiatieven is hiervan mede afhankelijk. Dit maakt het voor ondernemers belangrijk om

Een andere nieuwe ontwikkeling is het zogenaamde “globale bestemmen”. De gedachte daarachter is meer te werken met kaders waarbinnen onderne­

mers meer ruimte krijgen voor flexibele invulling van hun bedrijf. De doelstel­ ling is helder en plausibel. In de praktijk blijkt dat goed overleg tussen bedrijf

kennis te nemen van de structuurvisie. Deze is te raadplegen via de website van de gemeente.

en overheid hiervoor uitermate belangrijk is. En dat is nu precies de kern van de Structuurnota Tuincentra 2.0!

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

sa

■ ‘a... "W

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat een bestemmingsplan

Omgevingsvergunning

binnen een periode van lo jaar geactualiseerd moet worden. Deze periode kan eenmalig worden verlengd met lo jaar. Een bestemmingsplan legt de situatie dus voor langere tijd vast.

Met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn 25 vergunningen op het gebied van bouwen, ruimte, natuur en milieu samengevoegd tot 1

in de praktijk zit het nog iets anders. Wie wacht tot een bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, kan wel eens verrast worden. Wellicht klopt de huidige situatie niet, of wordt er onvoldoende rekening gehouden met de toekom­

stige belangen van de ondernemer. Om te voorkomen dat je als ondernemer “verrast” wordt is het van het allergrootste belang om al ver voor die tijd met

vergunning: de omgevingsvergunning. Daarnaast is het met een uitgebreide

omgevingsvergunningprocedure tevens mogelijk om af te wijken van het bestemmingsplan. Gemeenten kunnen bij ontwikkelingen die niet passen binnen het bestemmingsplan dus kiezen voor afwijking door middel van

een omgevingsvergunning of voor het opstellen van een nieuw (postzegel) bestemmingsplan. Deze keuze is onder andere afhankelijk van de gewenste flexibiliteit, snelheid en de concreetheid van de plannen.

de gemeente in gesprek te zijn. Aanpassen of uitbreiden van een bedrijf via een omgevingsvergunning heeft

Het is de kunst om zo’n goede relatie met de gemeenteambtenaren te ontwikkelen, dat er als het ware “automatisch” met de belangen van uw

als voordeel dat direct bouw- en milieuvergunningen worden afgegeven met de toestemming om af te wijken van het bestemmingsplan. In één ronde is de

onderneming wordt rekening gehouden. Dat kan alleen als u als ondernemer

vergunningsprocedure dan klaar. Bij concrete bouw- ofveranderplannen is dit

hen de informatie verstrekt over uw huidige en toekomstige bedrijfsvoering. In hoofdstuk 7 wordt daar nader op ingegaan.

de voorkeursroute. Indien er geen directe wens bestaat tot verbouwen, uitbreiden of verplaatsen,

Ladder voor duur / .5 i 1 I

r■ '

; r

I!; a i I ’ k-

Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. De “ladder voor duurzame verstedelijking” is onder andere toegevoegd. De ladder is bedoeld om de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk te benutten. De ladder kent 3 treden. Deze zijn achtereenvolgens:

1.

Is er regionale behoefte?

2. Zo ja, kan die behoefte worden opgevangen binnen bestaand stedelijk gebied? 3.

Indien niet, zoek dan een locatie die goed ontsloten is of kan worden.

of indien er meer gefaseerd gewerkt wordt aan het realiseren van het optimale bedrijfsplaatje, dan is het maken van een postzegelbestemmingsplan de aangewezen weg. Via een aparte procedure wordt dan de footprint gemaakt van het nieuwe bedrijf. Zodra die procedure is afgerond kunnen via omgevingsvergunningprocedures de benodigde vergunningen worden verkregen. Dit is een langere weg, maar geeft flexibiliteit in de exacte vormgeving en

timing van de (nieuw-) bouwplannen.

Detai Iha ndelbele id

Gemeenten kunnen via het bestemmingsplan rechtstreeks sturen op de Feitelijk vormt de “ladder” dus een normaal afwegingskader voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen. Dit is vooral van toepassing op nieuw vestiging of verplaatsing van tuincentra.

locatie, de omvang, de branchering en het assortiment van winkels. Beperkingen ten aanzien van de branchering en het assortiment worden

vooral opgelegd bij de aanwijzing van perifere locaties. Traditioneel

Royal HaskoningDHV

al

TUINBRANCHE NEDERLAND

worden in de periferie alleen branches toegestaan die vanwege de benodigde

Bij het aanvechten van nieuwe winkelontwikkelingen is bepalend of het

uitstallingsruimte van de producten, distributiemogelijkheden en de bereik­

initiatief leidt tot duurzame ontwrichting. Hierbij is duurzame ontwrichting gedefinieerd vanuit de consument. Beoordeeld wordt of het voor de consu­

baarheid voorde consument moeilijk in te passen zijn in een reguliere winkelstraat. In de eerste plaats kan worden gedacht aan brand- en explosie­ gevaarlijke stoffen. Voorts worden ook de ABC-bedrijven (auto’s, boten en caravans), meubelzaken, bouwmarkten en tuincentra veelal onder de perifere detailhandel geschaard. Vanwege de voortschrijdende schaalvergroting (meer meters én functievervlechting/thematisering) zijn er steeds meer winkels die zich perifeer willen

(en ook mogen) vestigen. Naast de traditionele PDV locaties zijn er steeds

meer GDV locaties (Grootschalige detailhandels vestigingen). Veel gemeenten leggen via het bestemmingsplan echter nog wel beperkingen op aan de branches die zich perifeer mogen vestigen. Hierin kent de gemeente echter

ment mogelijk is om op aanvaardbare afstand haar geregelde aankopen te doen. In de praktijk blijkt het erg lastig te zijn om duurzame ontwrichting aan te tonen. Binnen de fijnmazige Nederlandse detailhandelstructuur is het voor de consument nagenoeg altijd mogelijk om binnen aanvaardbare afstand haar geregelde aankopen te doen. In een bestemmingsplan kunnen dus beperkingen opgenomen worden ten

aanzien van de locatie en het assortiment van tuincentra. Voor het opleggen van deze beperkingen dienen echter ruimtelijk relevante argumenten aange­ dragen te worden. Het blijft voor gemeente een uitdaging om een goede

afweging te maken bij de vestiging of planologische inpassing van tuincentra.

geen onbeperkte vrijheid. Voor onderscheid in branchering en in de maximale

omvang van winkels zal de gemeente een onderbouwing moeten aandragen. De argumenten waarop de onderbouwing is gebaseerd dienen ruimtelijk relevantie zijn. Voorbeelden van ruimtelijk relevante argumenten zijn onder andere:

Indien op een agrarische locatie dezelfde mogelijkheden worden geboden als op een “PDV-achtige”-locatie komt de structuur van de winkelvoorzien­

ingen in gevaar. Het kan in strijd zijn met de ruimtelijk relevante argumenten rondom duurzaam ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit, ruimtelijke synergie en mobiliteit. Om een goede afweging te kunnen maken moeten gemeenten

• • •

Ruimtelijke inpasbaarheid Ruimtelijke kwaliteit Duurzaam ruimtegebruik

inzicht hebben in de aard en omvang van het tuincentrum dat de ondernemer voor ogen staat.

•

Ruimtelijke synergie en

Indien een ondernemer zich nadrukkelijk wil profileren in de markt als

•

Mobiliteit

de groenspecialist, dan ligt een planologische inpassing op een (semi-) agrarische bestemming in het buitengebied voor de hand. Indien de onder­

In het verleden werden er voor de vestiging van detailhandel ook economische

criteria gehanteerd. Met de inwerkingtreding van de Europese Dienstenricht­ lijn is dit niet langer mogelijk. De Europese dienstenrichtlijn schrijft voor dat

nemer de nadruk toch vooral wil leggen op het wonen met producten voor binnen en buiten, dan is planologische inpassing op een perifere detailhandelsvestiging een goede mogelijkheid.

er geen beperkingen opgelegd mogen worden op basis van economische criteria. Nieuwe winkelontwikkelingen die leiden tot het faillissement van

Belangrijk is inzicht in de verschillende typen tuincentra. Ondernemers

bestaande winkels mogen niet op die grond afgewezen worden.

kunnen dan een keuze maken voor een bepaald type tuincentrum dat volgens

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

hen het beste past in de regio (klanten) en bij hen zelf. Gemeenten kunnen

belangrijk deel van de jaaromzet van tuincentra wordt in de einde­

dan de bij dat type tuincentrum behorende definities en eigenschappen gebruiken voor het bepalen van de voorschriften die bij de bestemming moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan.

jaarsperiode gerealiseerd. De verkoop van vuurwerk past goed binnen dit thema.

Niet alle tuincentra in Nederland zullen vuurwerk (willen) verkopen. Door Dit schept duidelijkheid naar de ondernemer en naar de omgeving (omwonen­ den en ander bedrijfsleven). Op deze wijze wordt voorkomen dat er steeds

vuurwerkverkoop bij tuincentra toe te staan wordt gehoor gegeven aan

weer opnieuw bezwaar- en beroepsprocedures komen over de vestiging van

bij bewoond gebied. Bovendien stelt het tuincentra in staat drie dagen per jaar extra aanloop en omzet te genereren.

tuincentra en de gevoerde producten. In hoofdstuk 6 en 7 wordt nader ingegaan op de wijze waarop inpassing

van tuincentra in bestemmingsplannen kan plaatsvinden. De structuurnota richt zich daarbij zowel op nieuwe vestigingen van tuincentra als bestaande

tuincentra. Voor het oplossen van planologische knelpunten bij bestaande tuincentra zal in de regel meer maatwerk nodig zijn.

maatschappelijke bezwaren tegen de verkoop van vuurwerk op locaties dicht

Een ondernemer die vuurwerk wil verkopen, heeft doorgaans een verkoopvergunning van de gemeente nodig. Omdat een winkelier dan ook vuurwerk opslaat, zijn ook de regels voor vuurwerkopslag van toepassing. Zo moet een ondernemer:

•

toestemming van de gemeente hebben om ergens vuurwerk op te slaan;

•

voldoen aan de eisen van het Vuurwerkbesluit 2002;

•

een omgevingsvergunning hebben. In die vergunning staan de

Vuurwerk Vuurwerk maakt geen deel uit van het basisassortiment van een tuincen­ trum. Er zijn echter verschillende redenen om vuurwerk wel in tuincentra te verkopen.

1. De ligging van de meeste tuincentra: buiten de bebouwde kom. De veiligheidsvoorschriften voor vuurwerkopslag vergen niet per definitie een opslag buiten de bebouwde kom. Echter het maatschappelijk gevoel voor veiligheid brengt met zich mee dat de vestiging van een vuurwerkopslag binnen de bebouwde kom niet de voorkeur geniet. Tuincentra zijn over het algemeen ruim opgezet en grenzen niet

bouweisen voor de bewaarplaats (kluis), bijvoorbeeld voor brand­ werende deuren en muren, blusapparaten en sprinklerinstallaties, en

de hoeveelheid vuurwerk die u mag opslaan; •

een ontwerpprogramma van eisen opstellen voor een nieuwe brandmeldinstallatie en sprinklerinstallatie en die laten keuren door de brandweer.

rechtstreeks aan woningen of woonwijken. Dat maakt een tuincentrum

geschikt voor vuurwerkverkoop en vuurwerkopslag. 2. Tuincentra hebben de ruimte om op veilige afstand vuurwerkbunkers te realiseren. 3. Tuincentra staan sinds jaar en dag bekend om hun kerstshows. Een

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

I

wmr w ■ fe-.

1 6 VISIE GEWENST PROFIEL & VESTIGINGSCRITERIA TUINCENTRA In de eerste versie van de Structuurnota Tuincentra in 2007 is ervoor het eerst gewerkt met 4 typen tuincentra. Dat was een uitbreiding ten opzichte van de oude profielschets waarin twee typen werden onderscheiden, te

PDV kan worden gekenmerkt. Dit heeft vaak gevolgen voor de inpasbaarheid van tuincentra in bestemmingsplannen. Typel

Het groencentrum ligt nog het dichtst bij het tuincentrum zoals het circa

weten tuincentra en groencentra. De afgelopen 5 jaar heeft de indeling in 4 typen in goed gewerkt in de praktijk.

50 jaar geleden begonnen is. Vanuit de kwekerij begon men steeds vaker

Ondernemers maakten een keuze voor een bepaald type en gingen vervol­ gens het gesprek aan met de gemeenten. Gemeenteambtenaren waren door

het tuincentrum. Soms is de kwekerijfunctie verdwenen maar ligt de nadruk nog wel sterk op groen. Als nieuwe economische drager kan een groencen­

middel van de Structuurnota voorbereid op de komst van de ondernemer en de gevolgen van zijn of haar plannen.

trum een waardevolle bijdrage leveren aan een vitaal platteland.

planten te verkopen en langzamerhand kwamen daar potten, aarde en bemestingsstoffen bij. Vaak is nog daadwerkelijk sprake van een kwekerij bij

Type II Ontwikkelingen in de sector van de tuincentra staan niet stil. Het assortiment

Het traditionele tuincentrum is veelal gelegen aan de rand van het dorp of de

is permanent in beweging. De behoefte aan meer vierkante meters gaan op

stad en is sterk op die kern gericht. Het assortiment heeft zich in de loop der

en neer met de conjunctuur. Veranderende (Europese) wetgeving maakt een

jaren uitgebreid naar alles wat met de tuin te maken heeft. Waarbij de tuin vaak gezien wordt als verlengstuk van de woonkamer. De nadruk ligt op de

flexibele opstelling steeds noodzakelijker.

tuin en alles wat daarmee te maken heeft. Sommige tuincentra wensen door te ontwikkelen in de richting van woon­ winkel en/of bouwmarkt. Terwijl andere tuincentra eigenlijk weer meer rich­

Type lil

ting groencentrum, voedsel en natuur- en milieueducatie willen opschuiven.

Sinds het begin van deze eeuw is dit tuincentrum type sterk in opkomst. Bij

Een ontwikkeling die zich eigenlijk bij alle typen tuincentra voordoet is de belangstelling voor locale of streekproducten. De consument zoekt weer

dit type tuincentrum wordt de combinatie van binnen- en buitenleven veel verder doorgevoerd dan in het type II tuincentrum. Er wordt sterk ingespeeld

contact met het land. Juist tuincentra kunnen de brug slaan tussen de mo­ derne consument en de oorsprong van ons voedsel. Presentatie en distributie van lokale (biologische) producten vormen daarbij een aanvullende schakel.

op woontrends en het onderscheid tussen de binnentuin en de buitenkamer is steeds minder goed te maken. De nadruk ligt op alles wat met leven in en om het huis te maken heeft.

De indeling in 4 typen voldoet daarom nog prima. Gelet op de feitelijke locatie van de verschillende typen tuincentra kan er een "knip” gemaakt kunnen

Type IV Dit type tuincentrum zal naast de verkoop vooral moeten voorzien in de behoefte van consumenten aan vermaak en beleving. Het gaat hier om zeer

worden tussen type II en III. Type I en II zijn meestal aan de kernrandzone van dorpen en steden gevestigd, of zelfs helemaal in het buitengebied. Terwijl de

grootschalige detailhandel vestiging. Voor de tuincentrumbranche, is de ver­

tuincentra van het type Hl en IV vaak op locaties zijn gevestigd die meer als

wachting dat er in de komende jaren ruimte is voor vestiging in thema/ieisure

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND i.ii

iW

1

k gebieden voor huis, tuin en buitenleven. Deze gebieden creëren

mogelijkheden voor detaillisten op het gebied van huis en tuin, maar trekken het aanbod veel verder door. Detaillisten die zich hier vestigen combineren de

verkoop van hun producten met het gebruik van de producten als vermaak.

Belangrijk is te beseffen dat de indeling in typen en de bijbehorende kenmerken en assortimenten indicatief zijn. Er zal altijd maatwerk nodig blijven om tuincentra goed in te passen in de plaatselijke planologische situatie. Open overleg met behulp van de structuurnota kan daarbij het resultaat sterk positief beïnvloeden. Hoofdstuk 7 gaat daar dieper op in.

Planologische situering De typen I en II tuincentra zijn dus veelal gelegen in het buitengebied of aan

de rand van een stad of dorp. Om onder andere de ruimtelijke inpasbaarheid

en ruimtelijke kwaliteit te waarborgen is het gewenst om deze tuincentra specifiek te bestemmen als tuin- (of groen-) centrum. Het geeft duidelijkheid naar de ondernemer, naar de omgeving en de overige detailhandelsinfrastructuur. Typen Hl en IV tuincentra zijn meestal groter en hebben veelal een breed assortiment en een overlap met het assortiment van de bouwmarkten- en

woonwinkels. Hier is het wenselijk om een brede detailhandelsbestemming

toe te passen.

De hier gehanteerde indeling is geen strak keurslijf of standaardverhaal. Er zal altijd sprake blijven van maatwerk. De structuurnota biedt echter structuur aan de gedachtebepaling. Bovendien zullen er verschillen per type ontstaan in formuleontwikkeling en vernieuwingskracht. Dit kan leiden tot een verschuiving van de verdeling van de aantallen tuincentra per type.

In bijlage i t/m 4 staan per type de belangrijkste kenmerken in een tabel. Ondernemers kunnen deze tabellen gebruiken voor het bepalen van hun bedrijfsbeeld. Gemeenten kunnen deze tabellen gebruiken bij het, in overleg met de ondernemer, planologisch inpassen van tuincentra in bestemming­

splannen.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

II

7

INPASSING VAN HET BEDRIJF IN HET GEMEENTELIJKE BESTEMMINGSPLAN

7.2 Ondernemers

7.1 Gemeenten

de bedrijfsactiviteiten. Omdat het door velen als ingewikkelde materie wordt ervaren geeft dit hoofdstuk een praktische leidraad aan ondernemers om voor hun belangen op te komen.

Ondernemers zijn zelf ook verantwoordelijk voor een bestemming die past bij Op basis van de indeling van tuincentra in de verschillende typen, met de

daarbij behorende vestigingscriteria, is het goed mogelijk om de tuincentra in te passen in het gemeentelijk beleid. Daarbij zat worden gekeken welke bestemming past bij welk type tuincentrum. Gemeenten kunnen in overleg

De volgende stappen zijn in ieder geval nodig:

met de ondernemer, die voor een bepaald bedrijfsbeeld (type) gekozen heeft,

1. Bepalen van het eindbeeld van het bedrijf. Welk einddoel (welk type)

bepalen welke bestemming dan het beste bij het gekozen bedrijfsbeeld in het bestemmingsplan kan worden opgenomen.

streeft u als ondernemer na?; 2. Inventarisatie van de bestaande situatie van de wijze waarop het

bedrijf nu is opgenomen in het geldende bestemmingsplan; Voor gemeenten is het een belangrijke uitdaging om de plannen van de

ondernemers af te stemmen met de eigen visie voor het gebied waarin de onderneming gevestigd is of gaat worden. Door een open communicatie is het mogelijk verder te kijken dan de bestaande plannen van zowel onder­

nemer als gemeente. Het is niet denkbeeldig dat ondernemingsplannen als een hefboom kunnen werken bij het realiseren van gemeentelijke plannen. Deze structuurnota beoogt daar een instrument bij te zijn.

3. Proceduremanagement. Zorg er voor dat altijd bekend is welke ambtenaar nu uw zaak behandelt, neem op tijd zelf actie.

Bepalen eindbeeld Elke ondernemer heeft een soort ideaalplaatje van hoe het bedrijf er uit zou moeten zien als er geen beperkingen zouden zijn. Weliswaar zijn er allerlei

beperkingen, maar het is toch aan te bevelen om het plaatje van het gewen­ ste eindbeeld te maken. Wanneer dat “wensplaatje” vervolgens naast de

Hoewel de structuurnota bedoeld is heldere structuren te geven zal maat­ werk altijd een deel van de oplossing blijven. Afwijken van de typering in

geïnventariseerde bestemmingsplansituatie wordt gelegd, zal blijken dat er (grote) verschillen tussen bestaan. Het is dan zaak om proceduremanage­

deze structuurnota kan heel goed mits zowel ondernemer als gemeente zich hierin kunnen vinden. Indien bij een tuincentrum door ontwikkelingen eigen­

ment toe te passen.

lijk de omschrijving van type II beter zou aansluiten, maar het tuincentrum nu als type I in het bestemmingsplan is omschreven, dan is er geen beletsel om bij overeenstemming tussen gemeente en ondernemer de noodzakelijke

Inventarisatie Vanuit de onderneming zal allereerst geïnventariseerd moeten worden hoe

planologische procedures te voeren die de voorgestane verandering legaliseren. Het is echter geen automatisme dat met de ontwikkeling van een tuincentrum ook het type meegroeit. Daarvoor zal steeds weer overleg tussen overheid en

de bestaande situatie is. Hoe wordt het bedrijf nu omschreven in het be­ stemmingsplan? Welke voorschriften gelden er ten aanzien van bebouwing? Actuele bestemmingsplannen kunnen geraadpleegd worden op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Indien het bestemmingsplan nog niet op internet

staat kan deze opgevraagd worden bij de gemeente.

ondernemer plaats moeten vinden.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

In onderstaande tabel staan de belangrijkste vragen die beantwoord moeten worden om de bestaande situatie in kaart te brengen.

Figuur 5: Inventarisatieschema voor de ondernemer.

nr.

INVENTARISATIE BESTEMMINGSPLANSITUATIE Beoordelingscriteria

2

Welk bestemmingsplan is geldend voor uw locatie? Wat is de datum van het bestemmingsplan?

3

Wanneer wordt het bestemmingsplan herzien?

4 5

Welke bestemming is voor uw bedrijf opgenomen?

1

Is binnen deze bestemming detailhandel mogelijk? Is de definitie tuincentrum opgenomen?

7

JWordt verwezen naar de structuurnota?

9„

Staat het assortiment omschreven? Sluit het assortiment aan bij de gewenste verkoop?

bedrijf van toepassing is gaat wijzigen is via het Internet. Via www.staatscourant.nl worden wijzigingen bekendgemaakt. De nieuwste ontwikkeling is dat men zich kan aanmelden voor automatische berichtge­ ving bij wijziging van het betreffende bestemmingsplan. Ook de eerder genoemde website www.ruimtelijkeplannen.nl is een aanrader.

Hierop staat niet alleen alle bestemmingsplaninformatie, maar aan deze website is ook een attenderingsservice gekoppeld. Alle mogelijkheden dus om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen. Om echter op het juiste moment de juiste actie te ondernemen in het eigen ondernemersinitiatief nodig.

Procedure De bestemmingsplanprocedure bestaat uit vier fasen en duurt, zonder bezwaren, ongeveer 1 jaar.

10 j£het bouwvlak voldoende groot? 10 J^een bedrijfswoning toegestaan? 11

Welke ontheffingsmogelijkheden staan in de planregels?

12 _Bieden de planregels uitbreidingsmogelijkheden?

23

Zijn in de planregels parkeernormen opgenomen?

14

Zijn regels of verbeelding in strijd met situatie?

Proceduremanagement

Zoals eerder al opgemerkt vormt een bestemmingsplan het belangrijkste bindende ruimtelijke plan voor een ondernemer. In principe moet een bestemmingsplan eens per 10 jaar worden herzien. Daarvoor hanteert de

overheid een vaste procedure. Het is van groot belang om heel alert te zijn op een procedure waarbij het bestemmingsplan weer wordt herzien. Dat

kan door heel nauwgezet de huis-aan-huisbladen te lezen. De gemeente is

namelijk verplicht om via die bladen wijzigingsprocedures bekend te maken. Een modernere manier om bij te houden of het bestemmingsplan dat op het

'

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

K

Figuur 6. Aandachtspunten bij bestemmingsplanprocedure.

Fase Onderdeel 1

Planvoorbereiding en inspraak

i

L :2

Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad

controleer of de plannen van de ge­

maal 1 ambtenaar van de gemeente waarin de onderneming is gevestigd als “bedrijfs-ambassadeur" kan dienen.

meente in overeenstemming zijn met de bedrijfsplannen. Indien niet, altijd

Actieplan voor tuincentrum ondernemers:

Aandachtspunt

schriftelijk reageren!

1. Bepaal het ideaalplaatje voor het bedrijf;

opnieuw controleren, want bestemmings­ plannen kunnen ook gewijzigd ten

2. Inventariseerde huidige bestemmingsplansituatie; 3. Zorg voor aansluiting bij het lokale bedrijfsleven; 4. Zoek draagvlak voor de ondernemingsplannen bij de ambtenaar (van

opzichte van eerdere versies worden

i—i-......

vaak niet veel meer gedaan worden. De wijze les uit het verleden is: "Praat zo vroeg mogelijk met de juiste personen van de gemeente”. Zorg dat er mini­

vastgesteld. Ook dan altijd schriftelijk reageren ___

■3: Provincies kunnen een aanwijzing Dit kan gevolgen hebben voor de i ! geven die ertoe strekt dat een (omgeving van) de onderneming die j gedeelte van het bestemmings­ ' schriftelijk bezwaar maken noodzakelijk

Economische Zaken en Ruimtelijke Ordening);

5. Toets bij de Wethouder wat redelijkerwijs mogelijk is; 6. Pas het plan voor het ideaalplaatje aan; 7. Overleg met derden (winkeliersverenigingen, omwonenden, leden van de gemeenteraad, etc);

maken

8. Dien een principeverzoek in waarin u verzoekt om medewerking van de gemeente aan de realisatie van uw plannen;

4 Beroep tegen het bestemmings­

De Raad van State is het hoogste rechts-

9. Volg uw plan (zoals omschreven in het principeverzoek) gedurende de

plan bij de Afdeling Bestuurs­ rechtspraak van de Raad van

orgaan in Nederland. De uitspraak van de Raad van State in een geschil over

State

het bestemmingsplan is bindend

gehele procedure door de overheid, net zo lang tot het eindresultaat zwart op wit staat in een onherroepelijk bestemmingsplan; 10. Reageer op (voorontwerp) bestemmingsplannen als de ondernemings­

plan geen onderdeel blijft uit­ maken van het bestemmingsplan

! j_____ __

plannen niet (volledig) in het bestemmingsplan zijn opgenomen 11. Schakel eventueel de wethouder(s) in;

Het is van het grootste belang om juist al in de eerste fase te reageren indien het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de werkelijkheid en/of uw plannen. Indien het ontwerpbestemmingsplan wordt vastgesteld zonder

12. In het kader van dualisme kan de gemeenteraad soms uitkomst bieden

om de ondernemingsplannen te kunnen realiseren.

dat een ondernemer bezwaar maakt verliest de ondernemer het recht om

Instrumenten

verderop in de procedure alsnog bezwaar te maken.

Als Bijlage 6 is het instrumentenschema opgenomen. Daarin wordt in de onderste balk aangegeven hoe ondernemers te werk gaan bij het ontwik­ kelen van hun bedrijf. In de bovenste balk staat de veelal door de gemeente

Via Tuinbranche Nederland zijn deskundige adviseurs beschikbaar die ondernemers kunnen adviseren bij hun contacten met de overheid. Schakel

gehanteerde planologische (bestemmingsplan) procedure. De balk daar­

die echter wel tijdig in. Indien juridische termijnen zijn verstreken kan er

tussen in geeft aan welke praktische instrumenten de ondernemer kan

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

I ■ i

i inzetten om zijn doel te bereiken. En in welke fase dat instrument het beste kan worden ingezet. De instrumenten zelf zijn te vinden op de website van

Tuinbranche Nederland (www.tuinbranche.nl) Hoewel het op dit moment nog te verkiezen is dat er een grote mate van

duidelijkheid bestaat over wat wel (en wat niet) mag op de locatie van het tuincentrum, ligt het in de lijn der verwachtingen dat er in de toekomst

gewerkt zal gaan worden met meer globale bestemmingen. Voorwaarde daar­ bij is dat er dan gewerkt moet worden vanuit een heet sterk formulebeleid (thematische identiteit). De formule zelf is dan zo helder en afgebakend, dat

geen verdere omschrijving noodzakelijk is Besef dat het een kwestie van geven en nemen is. Het is onmogelijk om ieder­ een voor 100% tevreden te stellen. Echter wanneer alle partijen echt willen en bereid zijn tot concessies, dan valt er met 90% tevredenheid bij alle betrokkenen heel goed te werken en te leven.

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

a

BIJLAGEN

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

o

BIJLAGE 1

Tuincentrum type I

Tuincentrum

Type I

Totale omvang perceel

maximaal 5000 m""

Overdekt WVO

ca. 500-2000 m’

Niet overdekt WVO

ca. 500-2500 m’

Aantal parkeerplaatsen

10 - 50 (conform gemeentelijke norm)

Ligging

i

Landelijk gebied mogelijk agrarische bestemming en perifere stedelijke gebieden

Aankoopgedrag

Doelgericht aankopen (gemak)

Verzorgingsgebied

Lokaal

Levend:

Tuinplanten en bomen Bloemen & Planten Bloembollen & Zaden

Niet Levend basis;

Gereedschap Tuin Groengerelateerde decoratie

Materiaal t.b.v. klein tuinonderhoud Niet Levend uitgebreid:

Streekproducten

Horeca (ondersteunend)

Kofflecorner

Overige voorwaarde

1. Kwekerij 2. Kleinschalig

'

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

BIJLAGE 2

Tuincentrum type II

Tuincentrum

Typen

Totale omvang perceel

ca. 4000-7000 m’

Overdekt WVO

ca. 1000-2500 m""

Niet overdekt WVO

ca.500-2500 m’

Aantal parkeerplaatsen

25 - 60 (conform gemeentelijke norm)

Ligging

Perifere stedelijke gebieden

Aankoopgedrag

Doelgerichte aankopen (gemak)

Verzorgingsgebied

Lokaal

Levend:

Tuinplanten en bomen

Bloemen & Planten Dieren

Bloembollen & Zaden Niet Levend basis:

Gereedschap Tuin Decoratie buitenhuis Decoratie binnenhuis (sfeer & interieur)

Klein onderhoud Tuin Dier

Seizoensartikelen zoals kerstmarkt Groot onderhoud Tuin Tuinmeubelen

Niet Levend aanvullend:

Streekproducten, Farmshop (groot fruit)

Horeca (ondersteunend)

Lunchroom

Overige voorwaarde

80% is basis assortiment en 20% is aanvullend (brancheverwant) assortiment met een maximale WVO van 1000 m’

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

»

BIJLAGE 3

Tuincentrum type III

Tuincentrum

Type III

Totale omvang perceel

ca. 5000-10000 m’

Overdekt WVO

ca. 2500-6000

Niet overdekt WVO

ca. 500-2500 m"

Aantal parkeerplaatsen Ligging

___

4 50 -150 (conform gemeentelijke norm) Stedelijk gebied, Grootschalige Detailhandel Vestiging

Aankoopgedrag

Doelgerichte aankopen en deels recreatief winkelen

Verzorgingsgebied

Regionaal

Levend:

Tuinplanten en bomen

Bloemen & Planten

Dieren Bloembollen & Zaden Niet Levend basis:

Gereedschap Decoratie buitenhuis & binnenhuis (sfeer en interieur) Klein en groot tuinonderhoud

Dier

Seizoenartikelen (zoals kerstmarkt) Tuinmeubelen

Niet Levend aanvullend:

Wonen (klein meubelen etc.)

Wellness (zwembaden, sauna's etc)

Tuin gerelateerde speelgoed

Streekproducten, Farmshop (groot fruit) Horeca (ondersteunend)

Restaurant

Overige voorwaarde

80% is basisassortiment en 20% is aanvullend assortiment met een maximale WVO van 2000 m’

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

I

♦

■*s«s BIJLAGE 4

Tuincentrum type IV

Tuincentrum

Type IV

Totale omvang perceel

7000 m’ 6000 m’

Overdekt WVO

■

Niet overdekt WVO

ca. 500-2500 m’

Aantal parkeerplaatsen

■■■•■> 150 (conform gemeentelijke norm)

Ugging

Stedelijk gebied. Grootschalige Detailhandel Vestiging

Aankoopgedrag

Recreatief winkelen

Verzorgingsgebied

Regionaal tot landelijk

Levend:

Tuinplanten en bomen

Bloemen & Planten

Dieren 1....

Bloembollen & Zaden

Gereedschap

Niet Levend basis:

Decoratie buitenhuis & binnenhuis (sfeer & interieur)

Klein en groot tuinonderhoud ;

Dier Seizoenartikelen (zoals kerstmarkt) Tuinmeubelen

Niet Levend aanvullend;

Wonen (klein meubelen, etc.)

Wellness (zwembaden, sauna's etc) Tuin gerelateerde speelgoed

Streekproducten, Farmshop (groot fruit, giftshop) Horeca (ondersteunend)

Restaurant

Overige voorwaarde

80% is basisassortiment en 20% is aanvullend assortiment

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND

r

4''

*

BIJLAGE 5

Royal HaskoningDHV

Bestaande instrumenten zoals vermeld op de website www.tuinbranche.nl

TUINBRANCHE NEDERLAND

Bediijfspiapne^'i

fjvierhetrfsi.trocösïurt*

Instrumentarium

E >

f>PSte!T,fl'5tn<.lSPi r»n ;

■

BW'

II

i

i

n

InkxmM voo^»««

Q

J

*

— M -•

Cd A — tn

Pnnapeveaoek doen

O>

<

• Bedriifsbezoek wethouder _ •

o 3.

1

-• Verzoek aan college B&W

»

O

Raddbieden bezoek

p,

b) vt <9

jy 'ii|

■M -•

Bi

00 -•

Verzoek gemeenteraad

r

»

Gesprek burgemeester Nationale Ombudsman Reactie structuurvisies

I

o’

o •o-I O o o a c Ji a

Zienswige indtenen Nd -» Beroep bij Raad van State

*5

iiUli

HIHï

niH

«1

is1 W'

w • Postzegeibestemmingspian

-

WABO'^anvraag

Ruimtelijk l economische) ondBrtxwwing os ■* i

.i*®

O 4ï

Reactio oo best plan

O

1

fes' ■

I

*

«Ml i

iHh’f ‘IHUf

Ptanschadc

.'W

S ?

hO Oï I Ck»

o $

IIIPI

f

s.

n’ 3-

9

fr«

O\

• Conlad ambsenaren RO.tZ -

m x* o 3

wT n zr 3 &) 5’

SI 2 3 S 3

3 T3

5n o. c

3 JA

tl *4

Colofon Opdrachtgever

Project Dossier

© Copyright Tuinbranche Nederland, januari 2013.

Tuinbranche Nederland Structuurnota Tuincentra 2.0 (2013-2018)

Vermenigvuldiging van (delen van) deze uitgave is toegestaan, mits met bron­

BA1316-102-100

vermelding. Hoewel aan de samenstelling van deze uitgave de uiterste zorg is

Omvang rapport Auteur

25 pagina's Gert Olbertijn

besteed, kan voor de inhoud geen aansprakelijkheid worden aanvaard. Aan

Bijdrage

Ronald Meijer en Han de Groot

Interne controle Projectleider

Projectmanager Datum

de inhoud kunnen ook geen rechten worden ontleend.

Rinus Hoogeslag Gert Olbertijn Gert Olbertijn 25 januari 2013

Naam/Paraaf

'

Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND hSBfciO...

■

V

...

De Structuurnota Tuincentra is in opdracht van

Tuinbranche Nederland opgesteld door Royal HaskoningDHV

TUINBRANCHE NEDERLAND Tuinbranche Nederland Postbus 762 3700 AT Zeist

Royal HaskoningDHV Enhancing Society Together

Bezoekadres: Arnhemse Bovenweg loo 3708 AG Zeist

Telefoon: 0348-430676 Fax: 0348-431038 Internet: www.tuinbranche.nl E-mail: info@tuinbranche.nl

7

Royal HaskoningDHV Enhancing Society Together

Notitie / Memo

HaskoningDHV Nederland B.V. Industry & Buildings

Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie:

Tuinbranche Nederland Rinus Hoogeslag (Royal HaskoningDHV, Gert Olbertijn (Stabilitas B.V.) 23 maart 2017 Stabilitas B.V. I&BBE9276N001D0.1 Open

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/142/documents/15558