CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

C03.2 Bijlage Toelichting Omgevingsplan De Witte Tulp.pdf

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken26.538 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Ad 1) In de huidige situatie is binnen plangebied een bedrijfspand aanwezig. In de berekening is ervan uitgegaan dat in de huidige situatie 48 personen uitsluitend in de dagperiode aanwezig zijn. Het aantal personen is gebaseerd op de BAG. In de toekomstige situatie is het voornemen om 116 woningen te realiseren. Er is uitgegaan van een aanwezigheid van 2,4 personen per woning met een aanwezigheidspercentage van 50% in de dagperiode en 100% in de nachtperiode.

41

Ad 2) De externe veiligheidsrisico's van de buisleiding zijn in een rapport (zie bijlagen bij toelichting bijlage 14) beschouwd. Uit de berekening van de hoogte van het groepsrisico blijkt dat de hoogte van het groepsrisico van buisleiding W-532-12-deel-1 zowel in de huidige als in de toekomstige situatie lager is dan de oriëntatiewaarde. Als gevolg van de planontwikkeling is sprake van een geringe toename van de hoogte van het groepsrisico. Ad 3) Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedrukaardgasleiding richt de brandweer zich op het veiligstellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaatsvindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeggelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten 'bereikbaarheid calamiteit' en de '(primaire en secundaire) bluswatervoorziening' spelen hierin een rol.

Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De bestrijdbaarheid/beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie 'Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid' van brandweer Nederland. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar zijn. In het onderhavige geval zal het plangebied met twee wegen op de 1e Loosterweg aangesloten worden. Vanaf de 1e Loosterweg is het plangebied vanaf het noorden en het zuiden bereikbaar. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd.

De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident De uitruktijd voor een beroepskorps ligt hoger dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerken zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. In het onderhavige geval wordt de opkomsttijd in geringe mate overschreden. Geadviseerd wordt om de geringe overschrijding te accepteren. Ad 4) Bij een fakkelbrand kunnen slachtoffers vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder doodwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. De ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Uitgangspunt is dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig in veiligheid kunnen brengen.

42

Mogelijkheden om zelfredzaamheid te vergroten Het risico op een incident met een hogedrukaardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijke bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast dient in het bestemmingsplan te zijn opgenomen dat binnen de belemmeringsstrook (4 m aan weerszijden van de leiding) een bouwverbod geldt. Dit is reeds het geval met de regeling die is opgenomen in het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij'. Gebleken is dat de belemmeringenstrook binnen de tuinen van de geprojecteerde woningen valt, waardoor dit een aandachtspunt vormt, aangezien binnen deze strook enkel activiteiten zijn toegestaan voor het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de leiding en de vervangende aanleg hiervan. Het plaatsen van tuinhuisjes of begroeiing kan een belemmering vormen. Bij de leidingbeheerder is daarom advies gevraagd, waaruit volgt dat het plaatsen van tuinhuisjes slechts is toegestaan indien deze volledig onderheid zijn of gemakkelijk verplaatsbaar zijn Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 m van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren.

Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario's waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. Personen die aanwezig zijn binnen de 100% letaliteitsgrens komen te overlijden. Het plangebied is gelegen binnen de 100% letaliteitsafstand van de buisleiding. Zelfredzaamheid is mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Vluchten kan dan alleen maar via een route buiten het zicht van de fakkel. Om de zelfredzaamheid te vergroten is het raadzaam om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met het verhogen van de brandwerendheid van de gevels aan de zijde van de aardgasleiding en het realiseren van veilige vluchtroutes. Hierdoor worden de gevolgen van hittebestraling beperkt. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Bij de inrichting van het plangebied zijn voldoende vluchtwegen aanwezig om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen zijn van de leiding of gericht.

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het relevante scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de veiligheidsregio uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Voornoemde punten zijn voor advies voorgelegd aan de veiligheidsregio. Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft een advies uitgebracht over de fysieke veiligheid (kenmerk D2021-11-002304, 23 november 2021). Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en /of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren, adviseert de veiligheidsregio het volgende: 1.

2.

De opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied wordt met circa 3 minuten overschreden. Vanwege de overschrijding adviseert de veiligheidsregio de 'rookmelderdichtheid' in de woningen te verhogen, zodat een beginnende brand vroegtijdig kan worden opgemerkt. Het plangebied wordt op twee plaatsen ontsloten op de 1e Loosterweg, waardoor er een U-vorm ontstaat en er rondgereden kan worden. De wegen binnen het plangebied moeten voldoende

43

3.

4.

5.

breed (minimale verharding 3,25 m) zijn voor een brandweervoertuig en de wegen (inclusief bruggen) moeten belastbaar zijn tot een gewicht van 100 kN (NEN 1008, klasse 30). De offensieve bluswatervoorziening (voor de bestrijding van kleine branden) is nog niet geprojecteerd in het plangebied. Te zijner tijd zal een voorstel met de projecteringstekeningen van de brandkranen en eventuele andere bluswaterwinmogelijkheden, inclusief de gereserveerde opstelplaats van het brandweervoertuig, aan de veiligheidsregio voorgelegd worden. Uit de verantwoording van het groepsrisico komt naar voren dat het gasontvangststation een veiligheidsafstand van 15 m kent. Geadviseerd wordt om ten minste de veiligheidsafstand van 15 m te respecteren. Het plangebied bevindt zich in de 100% letaliteitszone van een hogedrukaardgasleiding (W53212). Hierbinnen zal, in geval van een calamiteit met de leiding, iedereen komen te overlijden die zich onbeschermd buiten bevindt. Worst case scenario hierbij is het ontstaan van een fakkelbrand na (graaf)werkzaamheden. Afhankelijk van de locatie van de breuk is vluchten vrijwel niet mogelijk in de eerste fase, waardoor het aantal slachtoffers groot kan zijn.

De hulpdiensten zullen in geval van een fakkelbrand ook geen adequate hulpverlening kunnen bieden vanwege de aanwezige stralingswarmte (de brandweer kan in beschermde kleding maximaal een straling aan van 4 kW voor circa 4 minuten). Bij een breuk van de leiding op een verder gelegen afstand is het voor de aanwezigen van belang dat zij, onder dekking van bijvoorbeeld bouwwerken, van de risicobron af kunnen vluchten en het plangebied kunnen verlaten.

Ad 1) Er is geen wettelijke verplichting om een hogere rookmelderdichtheid toe te passen. Er zal ten minste voldaan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012. Ad 2) Bij de nadere uitwerking van het plan zal voldaan worden aan de door de veiligheidsregio genoemde voorwaarden over de breedte en belastbaarheid van wegen. Ad 3) Bij de nadere uitwerking van het plan zal voldaan worden aan de door de veiligheidsregio genoemde voorwaarden over de bluswatervoorzieningen. Dit zal te zijner tijd aan de veiligheidsregio voorgelegd worden. Ad 4) Er wordt voldaan de veiligheidsafstand van 15 m. Er zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de veiligheidsafstand voorzien. Ad 5) Bij een breuk van de leiding op een verder gelegen afstand is het voor de aanwezigen mogelijk dat zij onder dekking van bouwwerken van de risicobron af kunnen vluchten en het plangebied kunnen verlaten. Advies Gasunie Gasunie heeft in het kader van overleg ex artikel 3.1.1 Bro een reactie uitgebracht. Naar aanleiding van deze reactie is de begrenzing van het werkingsgebied ‘veiligheidszone en belemmeringenstrook’ in het voorliggende plan tot stand gekomen. Verder heeft Gasunie aandacht gevraagd voor het bouwen binnen de belemmeringenstrook (4 m) van de aardgastransportleiding. De schuurtjes in de belemmeringenstrook dienen volledig onderheid worden of gemakkelijk verplaatsbaar te zijn.

Aan deze eis wordt voldaan, wat geborgd is in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast wordt een zakelijk recht op de gronden gevestigd die tot de belemmeringenstrook behoren. Bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland Uit de voorliggende paragraaf blijkt dat het groepsrisico vanwege de buisleiding in de groene zone (groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriënterende waarde) ligt. Een activiteit die leidt tot een groepsrisico in de groene zone is toegestaan. Het groepsrisico is verwaarloosbaar. Er zijn in principe geen maatregelen nodig. Wel moeten de aspecten hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beoordeeld worden.

44

Het plan betreft het realiseren van kwetsbare objecten. Omdat het plangebied binnen het 100%letaliteitsgebied van een buisleiding ligt, is het van belang dat nader afgewogen wordt in hoeverre het bestuur de eventuele risico’s aanvaardbaar acht. De blokken 6, 7 en 10 liggen binnen het 100% letaliteitsgebied. Het voorliggende bestemmingsplan maakt ten hoogste 16 woningen binnen het 100% letaliteitsgebied mogelijk. Uitgaande van een aanwezigheid van 2,4 personen per woning en dat alle personen binnen het 100% letaliteitsgebied bij een incident komen te overlijden, is het aantal personen dat overlijdt 38,4 (afgerond 39). Op basis hiervan, samen met de verantwoording van het groepsrisico en het advies van de veiligheidsregio, kan het bestuur een afweging van de risico's maken. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de risico's verantwoord zijn. Aanvullende maatregelen, anders dan hetgeen wat volgt uit de voorliggende paragraaf en het advies van de veiligheidsregio, zijn niet benodigd. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.7 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 16). Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De volgende maatregelen dienen getroffen te worden ten aanzien van de Algemene zorgplicht:

•

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

45

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

Mogelijke overwinteringslocaties van (algemene) amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen, etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober-april.

•

De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Ook buiten de periode medio maart t/m medio juli mogen broedende vogels niet worden verstoord. Bij het dempen van de watergang dient in één werkrichting te worden gewerkt in de richting van de watergangen die gehandhaafd zullen blijven. Daarnaast dient het dempen te gebeuren op een moment dat het niet vriest.

•

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig die in het van toepassing zijnde landschapstype compensatieplichtig zijn. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is er geen sprake van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Er dient middels een AERIUS-berekening inzichtelijk te worden gemaakt wat de effecten zijn met betrekking tot stikstofdepositie. Stikstofdepositie Voor de bouw- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (zie bijlagen bij toelichting bijlage 17) uitgevoerd. Er is intern gesaldeerd met de voertuigbewegingen en het gasgebruik in de huidige situatie. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase geen verschillen hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn berekend. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de gebruiksfase en de bouwfase van de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Daarmee is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect stikstofdepositie.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient verder rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

46

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling op de planlocatie uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

3.8 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Planspecifiek Archeologie De gronden waarop de beoogde ontwikkeling plaatsvindt vallen binnen het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij' binnen de kaartlaag 'archeologie' voor het overgrote deel binnen het werkingsgebied 'waardering middelhoog'. Grenzend aan de 1e Loosterweg valt een deel van het plangebied binnen het werkingsgebied 'waardering hoog'.

Ter plaatse van het werkingsgebied ‘waardering middelhoog’ zijn werkzaamheden niet dieper dan 100 cm en over een (totale) oppervlakte niet groter dan 500 m² toegestaan. Ter plaatse van het werkingsgebied ‘waardering hoog’ zijn werkzaamheden niet dieper dan 30 cm en over een (totale) oppervlakte niet groter dan 250 m² toegestaan. De navolgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'archeologie' van het omgevingsplan met de bijbehorende legenda.

Uitsnede kaartlaag 'archeologie' van het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij (plangebied rood omkaderd)

Bureauonderzoek Ten behoeve van het voorgenomen plan is door Transect een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, (zie bijlagen bij toelichting bijlage 18). Het doel van het bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting van het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek bevindt het plangebied zich op de flank van een strandwal. Deze strandwal heeft zich kunnen vormen op het moment dat de stijging van de zeespiegel omstreeks 3000 v.Chr. afnam (het Neolithicum). Na verloop van tijd zijn op de strandwal duinen ontstaan. De duinvorming was hierbij het sterkst in de periode van de Vroege- tot en met de Late-Middeleeuwen. Hoewel in het gebied ten westen van Hillegom momenteel nog volop sprake is van duinen, zijn de ‘oude duinen’ ter hoogte van Hillegom zelf en het gebied rond de spoorlijn afgegraven ten behoeve van zandwinning. Het plangebied, in de zone rond het spoor, is hierbij in de zandwinningspolder ‘de Zanderijpolder’ komen te liggen. Hier hebben tot aan de inrichting van het gebied voor de bollenteelt aan

47

het einde van de 19e eeuw zandafgravingen plaatsgevonden. Het zand werd dan afgevoerd en toegepast als bouwzand bij de uitbreiding van steden als Amsterdam en Leiden. Tot welke diepte in het plangebied zandafgravingen hebben plaatsgevonden, is niet bekend. De maaiveldhoogtes van de huidige duinen en het plangebied kunnen niet 1:1 met elkaar worden vergeleken, doordat de hoogte van de duinen verschilde met de afstand tot de kust. Wel blijkt uit archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied dat het duin niet geheel is 'verdwenen’. In de omgeving van het plangebied is sprake van kalkrijk duinzand onder een verstoringspakket met een dikte tussen circa 80 en 120 cm. De bollenteelt heeft naar verwachting in (in elk geval) een deel van het plangebied geleid tot bodemverstoringen tot een diepte van minimaal 80 cm -Mv. Alleen in het westen wordt nog relatief meer intact duinzand verwacht. Hier is, volgens een historische bodemkaart, sprake van een kalkloze zandtop. Richting het oosten toe wordt het intacte deel van het duinzand steeds kalkrijker, wat duidt op meer grootschalige vergravingen. Op basis van al het bovenstaande kunnen, met name in het westen van het plangebied nog archeologische resten worden verwacht uit de periode vanaf het Neolithicum.

Ook in het overige deel van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische resten echter niet geheel worden uitgesloten. Hier zouden zich nog archeologische resten kunnen bevinden onder het verstoringspakket. Binnen een diepte van 80 cm -Mv is hier sprake van een lage archeologische verwachting; daar beneden van een middelhoge verwachting. In het westen kan een dieptegrens van 30 cm -Mv (de bouwvoor) worden gehandhaafd. Hier is sprake van een hoge archeologische verwachting. Inventariserend veldonderzoek Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek heeft Transect een inventariserend veldonderzoek met verkennende boringen uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 19). Hieruit volgt dat de archeologische verwachting in het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld. De natuurlijke ondergrond in het plangebied bestaat uit strandafzettingen (vanaf 75 - 130 cm -Mv; 0,5 à 1,2 m -NAP). Deze worden afgedekt met een humeus zandpakket dat is ontstaan als gevolg van afgravingen en bollenteelt in het plangebied en een recent opgebracht pakket zand (al dan niet met oppervlakteverharding). Eventuele archeologisch relevante niveaus zijn verloren gegaan bij de afgraving van het duinzand in het plangebied. Op basis van het veldonderzoek worden geen intacte archeologische resten meer verwacht.

In het plangebied bestaat het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen waarna woningbouw zal plaatsvinden. Tot welke diepte de sloop- en bouwwerkzaamheden zullen reiken is nog niet bekend. Op basis van onderhavig onderzoek zijn er archeologisch gezien geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in dit deel van het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (in deze de gemeente Hillegom). Cultuurhistorie De (te verwijderen) bebouwing in het plangebied heeft geen monumentale status en is geen beeldbepalend pand. Bij de herontwikkeling zijn geen andere (mogelijk) cultuurhistorisch waardevolle structuren in het geding. Vanuit cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

48

3.9 Energie en klimaat Vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) Om de Kyoto-doelstellingen te realiseren is landelijk klimaatbeleid geformuleerd. Voor Nederland is de kortetermijndoelstelling het terugdringen van de uitstoot van de belangrijkste broeikasgassen met 6% ten opzichte van 1990. Op de lange termijn wil de overheid de overgang naar een duurzame energiehuishouding bereiken (een aandeel van 20% duurzame energie in 2020) en verdere beperking van de CO2-uitstoot realiseren (20% in 2020 ten opzichte van 1990). Het kabinet-Rutte III heeft deze doelstelling aangepast aan de Europese doelstelling van 14%. In het Klimaatakkoord (zomer 2019) heeft de overheid, in samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties, besloten om in 2030 49% minder CO2 uit te sloten ten opzichte van 1990. De Nederlandse overheid wil de helft van de nodige emissiereductie behalen met binnenlandse maatregelen en de andere helft uit het buitenland, met behulp van de flexibele instrumenten uit het Kyoto-protocol. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Klimaatverandering heeft een grote maatschappelijke impact. Daarom is het van groot belang om klimaatadaptief te gaan bouwen. Op 4 oktober 2018 hebben verschillende overheidsinstellingen en bedrijven, waaronder de provincie Zuid-Holland en het hoogheemraadschap van Rijnland, het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend.

Hierbij zijn afspraken gemaakt om nieuwbouwlocaties, inclusief transformatie- en uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk te ontwikkelen. Er wordt gestreefd naar: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

minder wateroverlast; meer biodiversiteit; minder hittestress; minder langdurige droogte en minder nadelige gevolgen ervan; minder bodemdaling en minder nadelige gevolgen ervan; minder kans op overstromingen.

Om deze ambities waar te maken is het Programma van Eisen voor de klimaatadaptiviteit van nieuwe ontwikkelingen opgesteld. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. Omgevingswet In de Omgevingswet is duurzaamheid een centraal thema. Alleen via duurzame ontwikkeling kan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gerealiseerd worden. Regionale afspraken Voor duurzaamheid in ruimtelijke ontwikkelingen zijn het Regionaal Beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS), de DuBoPlus-Richtlijnen en GPR-Gebouw leidend. In de omgevingsvisie is benoemd dat bij nieuwbouw van woningen in een van de zes deelgebieden de volgende streefwaardes (GPR Gebouw) worden gehanteerd:

• • •

DuurzaamheidsPrestatie Gebouwen (DPG, combinatie van milieu en energie) minimaal een 8; Gezondheid en gebruikskwaliteit minimaal een 8; Toekomstwaarde minimaal een 7 (of bij de keuze voor een ander instrument vergelijkbare streefwaardes te formuleren).

Regionaal Energieakkoord Op regionaal niveau wordt gewerkt aan de Regionale Energie Strategie (RES). Als de afspraken zijn vastgelegd en opgenomen zijn in de omgevingsvisie, komen deze in het omgevingsplan.

49

Omgevingsvisie In de omgevingsvisie loopt het thema duurzaamheid integraal door alle thema’s heen. In het afwegingskader voor initiatieven is uitgewerkt hoe deze bij kunnen dragen aan de sociale, fysieke en economische duurzaamheid. Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Hillegom 2018-2022 Het programma is opgebouwd rond drie thema's; sociale duurzaamheid (people), fysieke duurzaamheid (planet) en economische duurzaamheid (profit). Deze thema's zijn hierna verder uitgewerkt in verschillende onderwerpen. De komende jaren ligt de prioriteit bij het aspect fysieke duurzaamheid, omdat hier de grootste urgentie bestaat. Hierbij ligt de nadruk op de onderwerpen landschap en natuur, cultuurhistorie en archeologie, energie en klimaat, circulaire economie, duurzaam ruimtegebruik bij woningbouw, woningen, bedrijven en bedrijventerreinen en toerisme en recreatie. Lokale Energiestrategie In de Lokale Energiestrategie (LES) is omschreven hoe de gemeente Hillegom energieneutraal wil worden. Dat betekent dat alle energie die verbruikt wordt duurzaam opgewekt moet wordt, binnen de eigen gemeentegrenzen. Zonder dat er fossiele brandstoffen voor worden gebruikt, zoals aardgas, olie en kolen. In de LES staat hoeveel energie Hillegom op dit moment verbruikt en hoeveel zij verwacht te verbruiken in 2030 én 2050.

Op basis van het huidige en verwachte toekomstige energieverbruik worden de doelen voor 2030 gesteld: aan de ene kant hoeveel energie de gemeente wil besparen en aan de andere kant hoeveel duurzame energie de gemeente in 2030 al moet opwekken. Om energieneutraal te worden wil de gemeente beginnen met het stimuleren en ondersteunen van inwoners en bedrijven om zonnepanelen op hun daken te leggen. Planspecifiek Bij ontwikkelingen is het belangrijk dat zij bijdragen aan de ambitie energieneutraal in 2030 en klimaatneutraal in 2050. Om de ambities op dit aspect te kunnen waarmaken moeten initiatiefnemers bij nieuwe activiteiten bijdragen leveren aan de duurzaamheidsambities zoals beschreven in het afwegingskader en de koers per deelgebied. De nieuwe woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarnaast wordt er gestreefd naar het gebruik van duurzame materialen en installaties en zal er worden voldaan aan de BENG-eisen. De noodzakelijke maatregelen zullen bij de uitwerking van dit bouwplan worden aangegeven. Met het beoogde plan wordt op verschillende manieren ingespeeld op duurzaamheid. Dit kan onder andere met de volgende maatregelen:

• • • • • •

goede (zon)oriëntatie van de woningen;

•

bevorderen biodiversiteit door bijvoorbeeld plaatsen van nestkasten en groene daken op bergingen.

gasloos bouwen; streven naar minder verharding in het plan door minder parkeerplaatsen tuinen zoveel als mogelijk vergroenen (stimuleren en voorlichten); toepassen van groen- en boombeplanting om hittestress te verminderen; gezonde leefomgeving waarbij spelen (bewegen) en het gebruik van OV en fiets worden gestimuleerd;

3.10 Water Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

50

Provinciaal beleid/waterverordening In de provinciale waterverordening zijn algemene regels opgenomen over de provinciebrede onderwerpen, bijvoorbeeld het regionaal waterplan en het grondwater. Daarnaast zijn regels opgenomen op het gebied van het watersysteembeheer voor de Zuid-Hollandse water- en hoogheemraadschappen. Regionale afspraken Het hoogheemraadschap van Rijnland is in de regio het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Voor de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn en blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, op orde en toekomstbestendig worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met klimaatverandering. Het hoogheemraadschap van Rijnland, GOM en de ISG-gemeenten hebben een overeenkomst gesloten met betrekking tot de uitruil van ondergeschikte watergangen in het kader van de herontginning. Omgevingsvisie De omgevingsvisie zet in op een robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Daarmee wordt gedoeld op het zorgen voor voldoende waterberging (verbeteren waterberging en retentie), een goede waterkwaliteit, het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en het op peil houden van de waterveiligheid. Planspecifiek Watercompensatie Met de ontwikkeling neemt de oppervlakte aan verharding toe en worden watergangen gedempt. Als uitgangspunt voor de compensatie moet 15% van het verhard oppervlak gecompenseerd worden in extra oppervlaktewater. Te dempen watergangen dienen voor 100% gecompenseerd te worden. Om de toename van de verharding en de benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld. De navolgende tabel toont de waterbalans van de beoogde situatie, die tevens als bijlage bij de toelichting is gevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 20).

Waterbalans (bron: Van Rhijn projectontwikkeling d.d. 3 februari 2022)

51

Vanwege de toename aan verharding dient er in totaal 527 m² water gecompenseerd te worden. Verder dient er 425 m² gecompenseerd te worden vanwege het dempen van een bestaande watergang. In totaal dient er 952 m² aan water gecompenseerd te worden. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 1.065 m² nieuw wateroppervlak, waardoor wordt voorzien in voldoende watercompensatie binnen het plangebied. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat de planlocatie niet is gelegen in de nabijheid van een regionale waterkering. Riolering Er wordt een nieuw rioolsysteem aangelegd waar de nieuwe woningen op worden aangesloten. Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Om de infiltratie mogelijkheden te verbeteren wordt op diverse plekken gebruik gemaakt van verharding met een zeer grove funderingslaag met veel holle ruimtes. Daarnaast wordt een infiltratieriool aangelegd.

3.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 3.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Bestaande situatie Het plangebied bestaat uit het terrein van De Wit Transport en het terrein van Flowerfarm en KAVB. Op het terrein van De Wit Transport is een bedrijfsgebouw gesitueerd bestaande uit een loods en kantoren met een oppervlakte van ca.

2.250 m². Op het perceel van Flowerfarm en KAVB met een oppervlakte van ca. 1.000 m². Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 156,0 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van de categorie 'arbeidsextensief/bezoekersextensief' conform de CROW-normering. Programma Arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) Totaal

Aantal 100 m² bvo 32,5

Gemiddelde verkeersgeneratie per 100 m² bvo 4,8

Totale verkeersgeneratie 156,0

-

-

156,0

Beoogde ontwikkeling In het voorgenomen plan worden 115 woningen gerealiseerd. De navolgende tabel geeft de bijbehorende verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-normering. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorie 'matig stedelijk'. Volgens het parkeerbeleid van de gemeente is het plangebied gelegen in het buitengebied. Op dit moment ligt het plangebied buiten de bebouwde kom, maar na realisatie

52

zal het gebied binnen de bebouwde kom liggen. Derhalve is in de navolgende tabel van ‘rest bebouwde kom’ uitgegaan. Programma

Aantal 32

Gemiddelde verkeersgeneratie per woning 3,6

Totale verkeersgeneratie 115,2

Huur, appartement, midden/ goedkoop (incl. sociale huur) Koop, appartementen, duur Koop, huis, tussen/hoek

28

7,1

198,8

24

7,1

170,4

Koop, appartement, midden

20

5,6

112,0

Koop, huis, twee-onder-een-kap

10

7,8

78,0

Koop, huis, vrijstaand

1

8,2

8,2

Totaal

115

682,6

Uit de tabel volgt dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie gemiddeld 682,6 etmaal bedraagt. In de toekomstige situatie blijft de ontsluiting op de 1e Loosterweg behouden. Ten opzichte van de huidige situatie wordt de ontsluiting verbeterd door het toevoegen van een tweede ontsluiting vanaf de 1e Loosterweg. Daardoor is het mogelijk om het plangebied vanuit twee kanten te benaderen via een Uvormige route. Daarbij is ook rekening gehouden met een ruimtereservering ten behoeve van een eventuele verlenging voor langzaam verkeer bij de noordelijke ontsluiting. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. De raad van de gemeente Hillegom heeft in 2017 het Parapluplan Parkeren vastgesteld. Daarin is aangegeven dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw slechts wordt verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid.

In het geldende parkeerbeleid, de Nota Parkeernormen 2016, valt het plangebied binnen 'matig stedelijk gebied' en 'buitengebied'. De parkeernota gaat uit van de parkeerkencijfers van CROW-publicatie 317. In Hillegom is ervoor gekozen om de verscheidenheid aan woningen, die CROW hanteert bij haar kencijfers, te vereenvoudigen en te relateren aan het bruto vloeroppervlak achter de voordeur (m² bvo). Ook wordt er in Hillegom geen onderscheid gemaakt tussen koop of huur aangezien dit verschil nauwelijks relevant is voor de parkeerbehoefte als de woninggrootte wordt meegerekend. Planspecifiek Met de herontwikkeling de gronden aan de 1e Loosterweg moet er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd worden. Aan de hand van de Nota parkeernormen van de gemeente Hillegom is door Goudappel het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald (zie bijlagen bij toelichting bijlage 21). Volgens het parkeerbeleid van de gemeente is het plangebied gelegen in het buitengebied. Op dit moment ligt het plangebied buiten de bebouwde kom, maar na realisatie zal het gebied binnen de bebouwde kom liggen. Het gebied komt daarmee in ‘overig Hillegom’, oftewel in ‘rest bebouwde kom’, te liggen. Op basis van de gemeentelijke parkeernormen geldt een parkeerbehoefte van 220 parkeerplaatsen.

Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van 199 parkeerplaatsen, waarvan 128 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en, gerekend met een berekeningsaantal, 71 parkeerplaatsen op eigen terrein. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een theoretisch tekort van 21 parkeerplaatsen en dat er hiermee onvoldoende parkeercapaciteit is op basis van de gemeentelijke parkeernomen.

53

Er wordt afgeweken van de gemeentelijke parkeernormen op basis van een specifieke doelgroepenanalyse, waarbij gebruik is gemaakt van CBS-data voor het autobezit naar gestandaardiseerde inkomensgroep. De sociale huurappartementen hebben, op basis van de eigenschappen van de doelgroep, een parkeerbehoefte van 0,95 parkeerplaats per appartement (voor bewoners). Wanneer rekening gehouden wordt met de nabijheid van het station, daalt de parkeerbehoefte naar 0,81 parkeerplaats per appartement (voor bewoners). De totale parkeernorm (inclusief bezoekers) is 1,11 parkeerplaats per appartement. De beneden-/bovenwoningen hebben, op basis van de verwachte leeftijdsgroepen, een parkeerbehoefte van 1,38 parkeerplaats per woning. Wanneer rekening wordt gehouden met de nabijheid van het station daalt de parkeerbehoefte naar 1,17 parkeerplaats per woning. De totale parkeernorm (inclusief bezoekers) is 1,47 parkeerplaats per woning. Voor de rijwoningen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woning is geen reductie toegepast voor de nabijheid van het station. Dit is gedaan, omdat de verwachting is dat deze doelgroep minder gevoelig is voor de aanwezigheid van het nabijgelegen station. Het woningbouwprogramma en de ongewogen parkeervraag voor de woningen, op basis van de doelgroepenanalyse is in de navolgende tabel weergegeven.

Parkeerbehoefte (bron: Goudappel d.d. 30 maart 2022)

De totale parkeerbehoefte bedraagt 198 parkeerplaatsen. Het parkeeraanbod is 199 parkeerplaatsen. Parkeerbehoefte en parkeeraanbod zijn daarmee in balans. Het voorgenomen plan voorziet in voldoende parkeercapaciteit binnen het plangebied. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

3.12 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van

54

d.

het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn voor de in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Wanneer er geen noodzaak bestaat voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling, dient het bevoegd gezag op grond van artikel 7.19 Wm een expliciet besluit te nemen. Dit besluit dient uiterlijk op het moment van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan genomen te zijn. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 100 hectare of van 2.000 woningen of meer. Met onderhavig plan worden maximaal 115 woningen mogelijk gemaakt. Er kan daarmee volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Er dient op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU-richtlijn milieubeoordeling projecten beoordeeld te worden of belangrijke nadelige gevolgen door het project uitgesloten kunnen worden. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat er geen relatie met andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied is, waarvan de effecten in cumulatie met elkaar in acht moeten worden. Daarbij komt dat het een ontwikkeling is die zich beperkt tot bestaande bedrijfspercelen, waardoor productie van afvalstoffen, gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen per saldo beperkt is dan wel afneemt. De belangrijkste effecten van het project ontstaan in de (tijdelijke) aanlegfase. Tijdens de aanlegfase is tijdelijk sprake van een toename aan verkeer en werkzaamheden. Hierbij zijn luchtverontreiniging en geluidhinder relevant. Door de tijdelijke aard van de aanlegfase heeft dit geen belangrijke nadelige gevolgen. Verder wordt bij de werkzaamheden voor het aanleggen van de fundering gegraven in de bodem. Voor de bouw worden daarnaast de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal. Het gebruik van deze hulpbronnen heeft geen permanente nadelige gevolgen. Bouwafval wordt conform wet- en regelgeving afgevoerd.

Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. Ook afvalstoffen die in de gebruiksfase vrijkomen zullen conform wet- en regelgeving verwerkt worden. De planlocatie ligt in of nabij gevoelige gebieden. Uit toelichting paragraaf 3.7 volgt dat het plan geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 3. In het onderstaande overzicht wordt per milieuaspect beknopt aangegeven of belangrijke negatieve milieugevolgen uitgesloten kunnen worden.

55

- Bodem. Voor de locatie zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De aangetroffen verontreinigingen worden in het vervolg gesaneerd. Met de toekomstige sanering wordt het risico op belangrijke nadelige milieueffecten aanzienlijk verkleind. Bij de toekomstige activiteiten (wonen, tuin, groen, water, wegen, etc.) is er geen verhoogde kans op nieuwe verontreinigingen. Belangrijke milieugevolgen kunnen uitgesloten worden. - Geluid. De beoogde woningen bevinden zich binnen de onderzoekszone van enkele wegen en de spoorlijn Leiden-Haarlem. Omdat woningen daarnaast geen geluidbronnen als bedoeld in de Wgh zijn en de verkeersgeneratie als gevolg van de woningbouwontwikkeling beperkt toeneemt, worden er vanuit het aspect geluid geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. - Luchtkwaliteit. Voor dit plan is sprake van een plan dat 'niet in betekende mate' (<1.500 woningen) bijdraagt aan een eventuele verslechtering van de luchtkwaliteit. De wettelijke normen ten aanzien van luchtkwaliteit worden daarnaast niet overschreden. Er kan geconcludeerd worden dat er voor het aspect luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige milieueffecten zijn. - Milieuzonering. Omliggende bedrijven en activiteiten veroorzaken geen milieugevolgen voor de beoogde woningen.

De planontwikkeling levert tevens geen belangrijke milieugevolgen op, omdat het geen bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende activiteiten bevat. - Externe veiligheid. Nabij het plangebied bevinden zich een gasontvangststation en een buisleiding van Gasunie. De hoogte van het groepsrisico is berekend en verantwoord. De veiligheidsrisico's worden aanvaardbaar geacht. Daarnaast bevat het plan geen (nieuwe) risicobronnen. Daarmee zijn er geen belangrijke milieugevolgen vanuit het aspect externe veiligheid. - Natuur. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat het plangebied en de te slopen opstallen niet geschikt zijn voor beschermde soorten. Wel kunnen op het terrein algemene soorten aanwezig zijn. Er dienen maatregelen getroffen te worden om aan de algemene zorgplicht te voldoen. Naast gevolgen voor beschermde soorten kan het project ook negatieve effecten hebben op beschermde natuurgebieden. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de omvang van het project is een berekening naar de neerslag (depositie) van stikstof in de gebruiksfase en de bouwfase uitgevoerd. In de gebruiksfase en bouwfase zal de depositie op Natura 2000-gebieden, na intern salderen, niet meer dan 0,00 mol/ha/j zijn. Belangrijke milieugevolgen zijn daarmee vanuit het aspect ecologie uitgesloten. - Archeologie.

Uit de archeologische onderzoeken blijkt dat eventuele archeologisch relevante niveaus verloren zijn gegaan bij de afgraving van het duinzand in het plangebied. Op basis van het veldonderzoek worden geen intacte archeologische resten meer verwacht. Belangrijke milieugevolgen kunnen daarmee uitgesloten worden. - Cultuurhistorie. De bebouwing in het plangebied is niet aangemerkt als gemeentelijk monument. Er zijn geen rijksmonumenten in of nabij het plangebied gelegen. Ook andere (mogelijk) cultuurhistorisch waardevolle structuren zijn niet in het geding. De beoogde ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten voor het aspect cultuurhistorie. - Water. De planontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Watercompensatie is daarmee vereist. Dit is binnen het projectgebied voorzien. Het hemelwater van de nieuwe woningen wordt gescheiden van het gemeentelijk rioleringsstelsel afgevoerd. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Om de infiltratie mogelijkheden te verbeteren wordt op diverse plekken gebruik gemaakt van verharding met een zeer grove funderingslaag met veel holle ruimtes. Daarnaast wordt een infiltratieriool aangelegd. Dit zorgt voor een minder grote belasting van de afvalwaterketen. De ontwikkeling veroorzaakt geen nadelige gevolgen voor het watersysteem.

Op basis van deze plantoelichting, die gezien kan worden als aanmeldnotitie, kan geconcludeerd worden dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag neemt op basis van deze plantoelichting een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit is als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan gevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 22).

56

4 Juridische toelichting op de regels Het voorliggende plan is een partiële herziening van het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij'. Met het plan wordt het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij' op onderdelen herzien, teneinde de beoogde ontwikkeling (zie toelichting paragraaf 2.2) mogelijk te maken. Navolgend worden de onderdelen toegelicht waarop de werkingsgebieden en regels van het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij' herzien worden. Werkingsgebieden

• •

Omgevingsplangrens. De kaart 'omgevingsplangrens' geeft de grens van het plan weer. Dit betreft geen wijziging ten opzichte van het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij'. Het doel van de kaart is om aan te geven op welke gronden het plan betrekking heeft. Bouwvlak. Op de kaart 'bouwvlak' is het werkingsgebied 'bouwvlak' aangegeven. In de regels is opgenomen dat hoofdgebouwen (woningen) binnen het werkingsgebied 'bouwvlak' gebouwd mogen worden.

•

Archeologie. Er is op de kaart 'archeologie' geen werkingsgebied aangeduid. Hiermee komen de archeologische waarderingswaarden uit het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij' te vervallen. De aanleiding hiervoor zijn de resultaten van de archeologische onderzoeken, waaruit volgt dat er geen intacte archeologische resten meer worden verwacht.

•

Openbaar/niet openbaar. Op de kaart 'openbaar/niet openbaar' is het onderscheid tussen het toekomstig openbaar toegankelijk gebied en de resterende gronden, bestaande uit bouwpercelen bij woningen en ondergrondse parkeervoorzieningen (niet zijnde de inritten naar de ondergrondse parkeervoorzieningen), aangegeven.

•

Veiligheidszone en belemmeringenstrook. De veiligheidszone van het gasontvang- en verdeelstation en de belemmeringenstrook bij de aardgastransportleiding zijn op de kaart 'veiligheidszone en belemmeringenstrook' aangeduid. Binnen dit werkingsgebied zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan. Bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan, indien deze onderheid worden of verplaatsbaar zijn.

•

Legalisering gebruik. Met de kaart 'legalisering gebruik' is het werkingsgebied 'legalisering gebruik De Witte Tulp’ toegevoegd, waarvoor in de regels een specifieke regeling is opgenomen. Daarnaast zijn op de kaart 'legalisering gebruik' het maximum aantal woningen (per bouwvlak) en de oeverzones aangegeven.

Regels Met een administratieve bepaling is geregeld dat het voorliggende plan de regels en de werkingsgebieden van het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij' slechts herziet en/of aanvult op de wijze zoals is aangegeven in dit plan en dat de overige regels, tenzij anders bepaald in dit plan, ongewijzigd blijven. Aan afdeling 2.3 'Bouwen' is artikel 2.17a toegevoegd. Hierin worden eisen gesteld dat aan het bouwen van hoofdgebouwen (woningen). Er is bepaald dat het totaal aantal woningen niet meer dan 116 mag bedragen. Daarnaast zijn de diepte van grondgebonden woningen (15 m) en gestapelde woningen (22 m), de goothoogte van grondgebonden woningen (7,5 m), de bouwhoogte van grondgebonden woningen (12,75 m) en de bouwhoogte van gestapelde woningen (14 m) gemaximeerd. Verder is bepaald dat de afstand van vrijstaande woningen tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 2 m. In afdeling 2.9 'Uiterlijk van bouwwerken, cultureel erfgoed en archeologie' is onder paragraaf 2.9.1 'Welstand' artikel 2.59a toegevoegd. Met dit artikel wordt het beeldkwaliteitsplan van toepassing verklaard.

Tot slot is aan artikel 5.1 binnen de afdeling 5.1 'Legalisering gebruik' toegevoegd dat de gronden ter plaatse van het werkingsgebied 'legalisering gebruik De Witte Tulp' gebruikt mogen worden voor de beoogde activiteiten, zoals wonen, tuinen, erven, (ontsluitings)wegen, voeten fietspaden,

57

parkeren/parkeervoorzieningen, groen, speelvoorzieningen, water, kunstwerken en daarbij behorende voorzieningen. In artikel 5.1 is geborgd dat de benodigde maatregelen ter afscherming van drift van gewasbeschermingsmiddelen getroffen dienen te worden. Daarnaast is geregeld dat de bouwhoogte van bouwwerken, waaronder beschoeiingen, binnen het werkingsgebied ‘oeverzone’ niet meer mag bedragen dan 0,5 m. Voor de twee woningen waarvoor een hogere waarde van meer dan 58 dB vanwege railverkeer benodigd is, zijn de voorwaarden 6, 7 en 8 uit het geluidbeleid geborgd in de regels. Verder is geregeld dat het bouwen van bouwwerken binnen het werkingsgebied ‘veiligheidszone en belemmeringenstrook' (belemmeringenstrook van 4 m) uitsluitend toegestaan is, indien het bouwwerk onderheid wordt of verplaatsbaar is. Tot slot is ten aanzien van trillingen een regeling voor het bouwen van bouwwerken voor wonen opgenomen, waarbij wordt verwezen naar Richtlijn B van Stichting Bouwresearch.

58

5 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

59

6 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1735/documents/23367