C03.2 Bijlage Toelichting Omgevingsplan De Witte Tulp.pdf
Tekst van het document
• • • •
faciliteren van de herstructurering, versterking en vernieuwing van het gehele bollen-, vaste planten- en bloemencomplex in combinatie met verbetering van het landschap; realiseren van de daarvoor benodigde ruimtelijke functiewijzigingen in de Duin- en Bollenstreek; bijdragen aan de sociaaleconomische vitaliteit van de greenportgemeenten; bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van de gehele regio Holland-Rijnland.
Planspecifiek De Duin- en Bollenstreek is een aantrekkelijke regio om te wonen. Voor de zes gemeenten van de Greenport Duin- en Bollenstreek zullen er tot 2030 in totaal 11.000 woningen moeten worden toegevoegd. De woningbouwopgave biedt kansen voor de herstructurering van de woningvoorraad en verbetering van de woonomgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt onder andere een voormalige bedrijfslocatie herontwikkeld naar woningbouw. Hiermee wordt de binnenstedelijke ruimte beter benut. De ontwikkeling van maximaal 115 woningen levert een bijdrage aan de woningbehoefte in de Greenport Duin- en Bollenstreek. Het groene karakter van de toekomstige situatie past bij het karakter van de kernen in de Duin- en Bollenstreek en zorgt voor een aantrekkelijke woonomgeving.
25
Het voorgenomen plan is gedeeltelijk op bollenteeltgronden voorzien. De planlocatie behoort tot het buitengebied van de Bollenstreek (werkingsgebied GOM), dat het gelegen is buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Dientengevolge is woningbouw op deze gronden in beginsel niet toegestaan, gelet op de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016. Het gebied rondom de planlocatie is in de ISG echter ook gekwalificeerd als ‘reservelocatie woningbouw’. In het onderhavige geval wordt gebruik gemaakt van de reservestatus. Mede gelet op de grote woningbouwopgave is het noodzakelijk dat van de reservestatus gebruik wordt gemaakt. Hiermee kan voldaan worden aan de woningbouwopgave zoals die opgenomen is in het regionaal woonbeleid (zie ook toelichting paragraaf 3.3.2). In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt nader toegelicht waarom de betreffende locatie buiten het bestaand stads- en dorpsgebied als een wenselijke locatie wordt beschouwd. Daarnaast wordt het verlies aan bollenteeltareaal financieel gecompenseerd. De compensatie wordt gebruik om elders in de Duin- en Bollenstreek nieuw bollenareaal te realiseren (zie ook toelichting paragraaf 3.2.2). Conclusie Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het initiatief in overeenstemming is met de ISG2016.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Hillegom 2030 Op 22 februari 2018 is de 'Omgevingsvisie Hillegom 2030' vastgesteld en op 17 oktober 2019 is de 'Omgevingsvisie Hillegom - herziening 2019' vastgesteld en op 15 juli 2021 is de herziening 'Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021' vastgesteld. Met de omgevingsvisie wordt de koers voor de gemeente uitgezet richting 2030. Met de omgevingsvisie als kompas, wil de gemeente samen met inwoners en ondernemers ook doelen bereiken op het gebied van duurzaamheid. Om hier gehoor aan te geven is duurzaamheid in brede zin als leidend principe gekozen in deze omgevingsvisie. In de omgevingsvisie denkt en handelt de gemeente vanuit het principe van de drie P’s ('People, Planet, Profit'). In de Omgevingsvisie staat de vraag centraal hoe de gemeente er in 2030 uitziet. Bij het opstellen van de omgevingsvisie is rekening gehouden met ontwikkelingen zoals vergrijzing, duurzaamheid, energie, klimaat, gezondheid, waterberging, sociale aspecten, enzovoort. Duurzaamheid is het leidend principe in de visie met aandacht voor landschap, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid e.d. In de omgevingsvisie is voorts een afwegingskader opgenomen dat gebaseerd is op Fysieke, Economische en Sociale Duurzaamheid (ook wel bekend als People, Planet, Profit).
Het is een integrale visie voor de fysieke leefomgeving waardoor de gemeente middels integraal beleid en perspectief de initiatieven voor inwoners, bedrijven en instellingen in Hillegom kan beoordelen. Daarbij is de omslag gemaakt naar het nieuwe principe “ja, mits” in plaats van “nee, tenzij”. In de visie zijn de ambities en de koers voor de gehele gemeente en per deelgebied in beeld gebracht, die vervolgens juridisch zijn vastgelegd in een Omgevingsplan en uitvoeringsprogramma(’s). In de Omgevingsvisie is het grondgebied in 7 deelgebieden opgedeeld: Duurzame Bloementuin, Hollandse Weides, Historisch Hart, Heerlijke Woonplaats, Werkplaats Hillegom, Levendige linten en Duurzame verbindingen. Per deelgebied is het karakter en de koers beschreven. Planspecifiek Uit het raadplegen van de omgevingskaart blijkt dat de planlocatie gelegen is binnen het deelgebied 'Heerlijke woonplaats'. Langs de 1e Loosterweg is een deel van het plangebied tevens gelegen binnen deelgebied 'Levendige Linten'. Heerlijke woonplaats Hillegom is door zijn landelijke, dorpse karakter met zijn afwisselende bebouwing met overwegend grondgebonden woningen en een ontspannen, groene inrichting van de openbare ruimte, een aantrekkelijke plek om te wonen. Ook de gunstige ligging draagt daar aan bij. De ambities van de gemeente die horen bij het deelgebied 'Heerlijke woonplaats' zijn als volgt:
•
behouden en versterken dorpse karakter;
26
• • • • • •
nieuwbouw binnenstedelijk realiseren; verduurzamen en kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad; bevorderen van gezondheid; sociale cohesie versterken; zorg dragen voor toekomstbestendige voorzieningen; behoud en verbeteren woon- en leefkwaliteit.
In Hillegom is de vraag naar nieuwe woningen groot en dit zal naar verwachting de komende jaren zo blijven. In het bestaande dorpsgebied is nog voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de eigen behoefte. De voormalige bedrijfslocatie, in de directe nabijheid van het station, aan de 1e Loosterweg is dan ook een binnenstedelijke locatie waar woningbouw gewenst is. Het is belangrijk dat de inbreiding met woningbouw niet ten koste gaat van de leefbaarheid en het groene, dorpse karakter van Hillegom. Het plangebied wordt ingericht rekening houdend met de aanwezige landschapskwaliteiten in de vorm van zanderijsloten. Het is belangrijk dat alle doelgroepen in Hillegom bediend worden. Het is dan ook wenselijk om verschillende woningtypen van verschillende prijsklassen te realiseren. Onderhavig plan voorziet hierin, waarbij een groot deel in de sociale sector ontwikkeld wordt. Het realiseren van een gemengde wijk voor verschillende doelgroepen draagt bij aan het bevorderen van de sociale cohesie. Door de openbare ruimte in te richten met veel groen, wordt de leefbaarheid in het gebied verbeterd. Al met al voorziet het plan in een ruime hoeveelheid aan woningen voor verschillende doelgroepen en wordt er aangesloten op het dorpse en groene karakter van Hillegom. Het groene karakter stimuleert de bewoners in de wijk tot bewegen, waardoor de gezondheid bevorderd wordt.
Levendige linten De gemeente Hillegom kent een grote verscheidenheid aan typen bebouwingslinten. In het buitengebied zijn doorzichten tussen de bebouwing aan de linten van grote waarde om vanaf de weg het landschap te kunnen ervaren. De gemeente zet in op de levendigheid van de linten, waar verschillende functies samenkomen. Deze levendigheid moet behouden blijven. Hierdoor biedt de gemeente ruimte aan initiatieven, mits deze zorgen voor een kwaliteitsverbetering (cultuurhistorisch-landschappelijk, ecologisch, recreatief en/of op het gebied van duurzaamheid, gezondheid, zorg, enz.). Een belangrijk ruimtelijk uitgangspunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de karakteristieken en kwaliteiten van het betreffende type lint. De gemeente zet in op het verhogen van de woon- en leefkwaliteit langs de linten. Het voorgenomen plan voorziet in de toevoeging van een vrijstaande woning binnen het bestaande lint van de 1e Loosterweg. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de levendigheid van een bestaand lint. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief in lijn is met de Omgevingsvisie Heerlijk Hillegom, herziening 2021. 3.4.2 Woonprogramma 2020 - 2024 De gemeenteraad van de gemeente Hillegom heeft op 9 juli 2020 het Woonprogramma Hillegom 20202024 vastgesteld.
Dit programma is een uitwerking van de omgevingsvisie 'Heerlijk Hillegom', waarbij de hoofdambities zijn opgenomen in de herziening van de omgevingsvisie in 2021. In het woonprogramma beschrijft de gemeente Hillegom haar visie, ambities en keuzes op het gebied van wonen voor de komende jaren. De opgave wordt als volgt samengevat: 1.
2. 3.
Een evenwichtige bevolkingsopbouw a. voldoende en divers woningaanbod b. Inzet voor woningzoekenden in de knel Een toekomstbestendig woonaanbod in de wijken Passend woonaanbod bij iedere levensfase
Deze ambities zijn het vertrekpunt voor de uitwerking van het woonprogramma, het uitvoeringsprogramma en het afwegingskader voor woningvoorraadontwikkeling. Voor woningbouwontwikkelingen wordt door de
27
gemeente het afwegingskader woningbouw gehanteerd. Daarin worden plannen aan verschillende kwantitatieve en kwalitatieve aspecten getoetst. Dit is in navolgende tabel weergegeven. Hillegom Ca. 1.440 woningen
Kwantitatief tot 2030 Kwalitatief Variatie in het plan
Bij kleine plannen, bijdrage aan variatie in de omgeving. Bij grotere plannen van meer dan 8 woningen, variatie binnen het plan De gemeente Hillegom gaat vanuit haar verduurzamingsbeleid in principe uit van de normering GPR uit de omgevingsvisie voor nieuwbouw. Conform Woonkeur-label op aspect toegankelijkheid:
Duurzaamheid
Levensloopgeschikt
•
Als eis op locatie nabij (300 m) centrum- of zorgvoorzieningen.
•
Op andere locaties als wens.
Woonzorg
Woonzorginitiatieven op locaties nabij centrum- of zorgvoorzieningen Invulling van het bouwprogramma (voor ontwikkelingen van meer dan 8 woningen) 40% • Vrij bouwprogramma
•
Sociale huur tot €737,14 (liberalisatiegrens, prijspeil 2020), bij voorkeur door toegelaten instellingen. Minimaal woonoppervlak: bij voorkeur 40 m²
25%
•
Betaalbare koopwoningen tot € 250.000/ middeldure huur tot € 1.000 (jaarlijks maximaal te verhogen met de consumentenprijsindex) Minimaal woonoppervlak: bij voorkeur 50 m²
35%
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 115 woningen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve opgave van ca. 1.440 woningen tot 2030. Op het gebied van kwaliteit is het plan ook passend binnen het woonprogramma. Het plan bestaat uit een variatie aan woningen, bestaande uit rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en appartementen in de (sociale) huur- en koopsector. Met de diversiteit aan woningen wordt bijgedragen aan de ambities uit het gemeentelijke woonprogramma. Het woningbouwprogramma bestaat uit 32 sociale huurwoningen (ca. 28%) 20 betaalbare koop/middeldure huurwoningen (ca. 17%) en 63 woningen in het vrije programma (ca. 55%). Er worden daarmee meer sociale huurwoningen gerealiseerd dan waarvan in het Woonprogramma 2020-2024 uitgegaan wordt. Het aandeel koop/middeldure huurwoningen daarentegen is lager. De reden hiervan is dat de initiatiefnemer en gemeente voorafgaand aan het Woonprogramma 2020-2024 afgesproken hebben dat 45% van het aantal woningen in het sociale en betaalbare segment gerealiseerd wordt. Dit komt overeen met de percentages uit de Woonvisie 2015-2019. In paragraaf toelichting paragraaf 3.9 wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid. Hieruit blijkt dat er op verschillende manieren ingezet wordt op duurzaamheid.
28
Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief in lijn is met de Woonprogramma 2020 - 2024. 3.4.3 Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Hillegom De raad van de gemeente Hillegom heeft op 27 januari 2022 de Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Hillegom vastgesteld. In deze verordening zijn de sociale huurwoning, de sociale koopwoning en de middeldure huurwoning opgenomen. De maximale koopprijs voor sociale koopwoningen en de maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen en de huurverhoging (op basis van indexatie) wordt hiermee vastgelegd binnen de wettelijke kaders die hiervoor gelden. Ook regelt de verordening dat deze woonsegmenten gedurende een bepaalde periode als zodanig beschikbaar moeten blijven. Dit zijn de instandhoudingstermijnen. 3.4.4 Welstandsnota 2016 De gemeente Hillegom heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Met de herziening van 2016 heeft de gemeente het welstandsbeleid geactualiseerd en vereenvoudigd. De Welstandsnota 2016 bevatten de criteria die de gemeente hanteert bij de beoordeling van plannen. Het doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten.
Het is van belang om aanvragers door middel van de welstandsnota van tevoren op de hoogte te stellen van de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling. Tevens geeft het welstandsbeleid de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Planspecifiek Uit het raadplegen van de niveaukaart van de welstandsnota van de gemeente Hillegom blijkt dat het welstandsniveau voor het plangebied 'minimaal' is. De meeste bebouwing binnen de gemeente beschikt over dit niveau. Bouwplannen in gebieden met een minimaal welstandsniveau doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Het stedenbouwkundig plan en het ontwerp van de woningen zijn besproken met de welstandscommissie van de gemeente Hillegom. Deze gesprekken hebben geleid tot een verfijning van de ontwerpen. De woningontwerpen zijn op 26 september 2022 door de welstandscommissie akkoord zijn bevonden. Ten behoeve van het voorgenomen plan is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is behandeld in toelichting paragraaf 2.3. De ruimtelijk relevante randvoorwaarden zijn verwerkt in het voorliggende plan. Het beeldkwaliteitsplan is ter advisering aan de welstandcommissie voorgelegd. De welstandscommissie kan zich vinden in de inhoud van het beeldkwaliteitsplan.
Het beeldkwaliteitsplan zal als bijlage bij het ontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd, met de mogelijkheid om een reactie op het beeldkwaliteitsplan in te dienen. Het beeldkwaliteitsplan zal, tegelijkertijd met het bestemmingsplan, als een aanvulling op de Welstandsnota 2016 vastgesteld worden.
3.5 Milieuaspecten en gezondheid 3.5.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
29
Planspecifiek Met het voorgenomen plan is er sprake van de herontwikkeling van een bedrijfslocatie en agrarische gronden naar woningbouw. De beoogde ontwikkeling betreft derhalve een wijziging naar een strenger bodemgebruik. In dit kader zijn enkele bodemonderzoeken uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Verkennend bodemonderzoek 1e Loosterweg sectie A nummer 7352 Voor het kadastrale perceel sectie A nummer 7352 is door Soilution een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (12 april 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond lichte verontreinigingen zijn aangetoond met enkele zware metalen (lood, kwik en zink), minerale olie, PAK, PCB en DDD. In de ondergrond zijn plaatselijk lichte verontreinigingen met PAK, minerale olie en PCB aangetoond. Het grondwater is, uitgezonderd een incidenteel licht verhoogde concentraties minerale olie en barium, niet verontreinigd met de onderzochte stoffen Voor de algemene bodemkwaliteit kan de opgestelde hypothese, lichte verontreinigingen, worden aanvaard. Deze lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. Onder de puinlaag ter plaatse van de boringen AS01 t/m AS03 is met brokken puin en laagjes baksteen aanwezig. Vermoedelijk betreft dit materiaal waarmee de voormalige sloot is gedempt.
Dit dempingmateriaal is verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreiniging (inclusief asbest). Ter plaatse van de gedempte sloot wordt een watergang gegraven. Om de hergebruiksmogelijkheden van het dempingsmateriaal vast te stellen is het nodig dat ter plaatse van deze slootdemping aanvullend bodemonderzoek naar asbest en de overige stoffen uit het NEN-pakket wordt uitgevoerd. Aanvullend bodemonderzoek 1e Loosterweg sectie A nummer 7352 Met een aanvullend onderzoek is de bodemlaag met dempingsmateriaal ter plaatse van de gedempte sloot op het kadastrale perceel sectie A nummer 7352 onderzocht (16 augustus 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit het aanvullend onderzoek volgt dat in de slootbodem geen asbest waargenomen of aangetoond is. Echter is vastgesteld dat de oude slootbodem sterk verontreinigd is met PAK. Gelet op het verontreinigd oppervlak is 90 m², circa 30 m³, sterk met PAK verontreinigde grond aanwezig die vanwege de overschrijding van het volumecriterium grond wordt beoordeeld als een geval van ernstige bodemverontreiniging en waarschijnlijk deel uitmaakt van een groter geval, te weten de gehele bodem van de gedempte sloot die zich grotendeels bevindt op het perceel aan de 1e Loosterweg 30. Mogelijk is de bodem ter plaatse van de slootdemping ook sterk verontreinigd met zink.
Om de afvoermogelijkheden te bepalen is mogelijk nog aanvullend onderzoek nodig naar de aanwezigheid van zink. Voor het aangetoonde geval van ernstige bodemverontreiniging dient een saneringsplan en/of een BUSmelding ingediend te worden bij het bevoegd gezag, te weten de Omgevingsdienst West-Holland. De initiatiefnemer heeft in zijn exploitatie rekening gehouden met saneringskosten. Graafwerkzaamheden ter plaatse van de slootdemping zijn pas toegestaan nadat het saneringsplan of de BUS-melding goedgekeurd is. Verkennend bodemonderzoek 1e Loosterweg 44 Voor de locatie aan de 1e Loosterweg 44 is door Soilution een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (17 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond lichte verontreinigingen aangetoond met enkele zware metalen (lood, kwik en zink), drins, minerale olie en PAK. In de puinhoudende toplaag is geen asbest aangetoond. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is, uitgezonderd licht verhoogde concentraties cyanide, barium en incidenteel molybdeen, niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Deze lichte verontreinigingen geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek. Nabij de zuidwestelijke perceelgrens zijn in het grondwater sterk verhoogde concentraties polycyclische en vluchtige aromatische koolwaterstoffen aanwezig.
Uit een recente monitoring (kenmerk SWNL378302, 17 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5) is gebleken dat deze zich in enige mate in noordelijke richting zijn verspreid. Initiatiefnemer van de sanering van het terrein van de voormalige gasfabriek Hillegom is verantwoordelijk voor het treffen van adequate maatregelen ter voorkoming van een verdere verspreiding en herstel van de uitgangssituatie.
30
De geconstateerde lichte verontreinigingen in de toplaag en het grondwater vormen geen belemmering voor een functiewijziging van bedrijfsmatig naar wonen. De aanwezigheid van een grondwaterverontreiniging kan, afhankelijk van het bouwplan, een beperking opleveren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een grondwateronttrekking in geval van bouwen onder de bestaande grondwaterspiegel. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek 1e Loosterweg 30 Voor de locatie aan de 1e Loosterweg 30 is door Soilution een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (7 mei 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit de analyseresultaten blijkt het volgende:
• • •
de bovengrond is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB, OCB en minerale olie; de ondergrond is, uitgezonderd incidenteel licht verhoogde concentraties kwik en PAK, niet verontreinigd met de onderzochte parameters; het grondwater is, uitgezonderd een incidenteel licht verhoogde concentratie barium, niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.
Uit het onderzoek blijkt dat de grond nabij het afleverpunt voor dieselolie licht tot plaatselijk sterk verontreinigd is met minerale olie. Op basis van de chromatogrammen wordt een deel van de aangetoonde olie gekarakteriseerd als dieselolie. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd. De verhoogde concentraties minerale olie in de grond dienen mogelijk te worden beschouwd als een nieuw geval waarbij rekening dient te worden gehouden met sanering in het kader van de zorgplicht. Ten gevolge van ophoging van het terrein, ter verbetering van de draagkracht van de bodem en demping van oppervlaktewater en de aanleg van de geluidswal is gebruik gemaakt van puin/puinhoudend materiaal. In de puin(houdende) lagen is olie aangetoond. Getoetst aan de samenstellingswaarde voor puin (1000 mg/kgds) wordt alleen ter plaatse van de boringen 12 (12, 12a en 12b) deze norm overschreden, hetgeen verklaard wordt door de aanwezigheid van asfalt. Incidenteel zijn afwijkingen waargenomen en aangetoond. Ter plaatse van de inspectiesleuven in de geluidswal sl04 en sl07 zijn ten gevolge van de aangetroffen asbesthoudend buisleidingen, sterk verhoogde concentraties asbest aangetoond.
Ter plaatse van boring 24 is in de fijne fractie van de met puin opgevulde sloot een sterk verhoogde concentratie PAK aangetoond en ter plaatse van boring 36 is in de ophooglaag een sterk verhoogd oliegehalte (dieselolie) aangetoond. Aanbevolen wordt een vervolgonderzoek uit te laten voeren naar PAK, asbest en minerale olie en dit te combineren met het eindsituatieonderzoek. Hierbij dient meer inzicht te worden verkregen in de aanwezigheid van PAK en asbest in de demping en in de geluidswal op basis waarvan een doelmatig plan van aanpak ten behoeve van de verwijdering kan worden opgesteld. In samenloop hiermee kan de omvang van de olieverontreiniging bij het afleverpunt voor dieselolie, i.c. nieuw geval van bodemverontreiniging, en de omvang van de olieverontreiniging nader in kaart worden gebracht. Vervolgonderzoek geluidswal 1e Loosterweg 30 Op de locatie 1e Loosterweg 30 te Hillegom is vervolgonderzoek (i.c. een indicatieve partijkeuring) verricht ter plaatse van de geluidswal die is aangebracht langs de zuidzijde van het perceel (14 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7).
Doel van het onderzoek is een beter inzicht te verkrijgen in de mate van verontreiniging met asbest en de verdeling in de toepassing en om vast te stellen of door middel van zeven een zodanige kwaliteitsverbetering kan worden bewerkstelligd dat bij het verwijderen van de wal herbruikbare deelstromen vrijkomen. De concentraties asbest in de sleuven A t/m I bevatten (uitgezonderd F) allemaal asbest in de vorm van plaatmateriaal. De berekende concentraties variëren tussen de 1,5 en 106 mg/kg nat gewicht. De gemiddelde concentratie bedraagt 40 mg/kgds. In de fijne fractie is geen asbest aangetoond en deze komt indicatief in aanmerking voor hergebruik (i.c. functieklasse industrie).
31
Onder de geluidswal is een slootdemping aangetroffen die voornamelijk is samengesteld uit puin (>50%). Ook in deze demping is asbest aanwezig, uitsluitend in de vorm van plaatmateriaal. De gemiddelde concentratie bedraagt 50 mg/kgds. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de wal en de onderliggende demping meer dan 20% puin bevatten en visueel verontreinigd zijn met asbest. Door zeven van het materiaal (0-20 mm) kan een kwaliteitsverbetering kan worden gerealiseerd, waarbij naar verwachting herbruikbare grond vrijkomt. Het asbest kan door handpicking uit het puin verwijderd worden, waardoor ook de puin mogelijk in aanmerking komt voor hergebruik. De geluidswal zal voorafgaand aan de herinrichting worden verwijderd. Voorafgaand aan de verwijdering dient (opnieuw) een partijkeuring uitgevoerd te worden. Het is niet toegestaan grond uit de geluidswal te herschikken op de locatie. Na het verwijderen van de geluidswal is aanvullend bodemonderzoek naar de exacte ligging en de kwaliteit van het dempingsmateriaal van de slootdemping onder de geluidswal nodig. Aanvullend bodemonderzoek en eindsituatie 1e Loosterweg 30 Er is een aanvullend onderzoek, dat tevens een onderzoek naar eindsituatie is, naar de verontreinigingen met PAK en minerale olie uitgevoerd (17 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8).
Aanleiding hiervoor zijn een sterk verhoogd gehalte aan PAK in de fijne fractie van boring 24 (geplaatst in het tracé van een gedempte sloot) en een sterk verhoogd oliegehalte (waarneming dieselolie) in de bovengrond van boring 36 (distributieloods). Ter plaatse van beide boringen is aanvullend onderzoek verricht. Met het onderzoek is vastgesteld dat de sterk verhoogde concentraties PAK en minerale olie incidenteel zijn. De sterke olieverontreiniging ter plaatse van boring 36 is op een afstand van 1 m niet meer aangetroffen. Voor beide punten is sprake van afwijkende spots met volumes ruimschoots kleiner dan 25 m³. Langs de noordzijde van het terrein zijn met puin gedempte sloten aanwezig. In de puindempingen is visueel asbest aanwezig. In de fijne fracties van de puindemping is geen asbest aangetoond en uitgezonderd een incidenteel sterke verhoogde concentratie PAK zijn hierin geen sterke verontreinigingen aangetoond. De berekende concentraties asbest zijn lager dan 100 mg/kgds, waarmee er formeel geen beperkingen zijn ten aanzien van het hergebruik van het puin. Ter plaatse van de puindemping langs de zuidzijde van het terrein wordt oppervlaktewater aangelegd en ter plaatse van de wal langs de noordzijde wordt een groenstrook aangelegd waarin bomen worden aangeplant. De milieuhygiënische noodzaak voor verwijdering is door het onderzoek niet aangetoond.
Verwijdering zal alleen plaatsvinden voor de toekomstige functie (aanleg oppervlaktewater en/of graven van plantgaten van bomen). In het kader van de zorgplicht dient de dieselolieverontreiniging te worden verwijderd en in het kader van de herinrichting dienen de op het terrein aanwezige stabilisatielaag (puin en asfalt), geluidswal en ten minste een deel van de puindempingen te worden verwijderd. In samenloop hiermee worden de spots ter plaatse van de boringen 24 (1e Loosterweg 36a) en 36 (1e Loosterweg 30) verwijderd. Aanbevolen wordt hiervoor een plan van aanpak op te stellen en voor te leggen aan het bevoegd gezag, te weten de Omgevingsdienst West-Holland. Historisch onderzoek 1e Loosterweg 28 Om aan te tonen wat de te verwachten bodemkwaliteit op het perceel aan de 1e Loosterweg 28 is en of er belemmeringen te verwachten zijn voor het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning is een historisch onderzoek uitgevoerd (18 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Op basis van het historisch gebruik en de beschikbare bodeminformatie wordt de locatie 1e Loosterweg 28 als onverdacht beschouwd.
32
3.5.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Hillegom op ca. 5 m afstand uit de as van de 1e Loosterweg.
De 1e Loosterweg is ter hoogte van de locatie een 30 km weg zonder geluidzone. Buiten de komgrens is de 1e Loosterweg een 60 km weg met een geluidzone. De komgrens ligt op ca. 49 m afstand van de meest nabijgelegen woning binnen het plangebied. De ontwikkeling ligt tevens op 190 m uit de as van de Pastoorslaan, binnen de zone van de weg. De in de nabijheid gelegen 2e Loosterweg en Stationsweg zijn 30 km wegen zonder geluidzone. Het plangebied ligt tevens binnen de geluidzone van de spoorlijn, op ca. 28 m van het spoor. Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dienen de geluidsbelastingen op de gevels van de woningen te worden onderzocht en getoetst. Er is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting door wegverkeer en railverkeer uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). De woning aan de 1e Loosterweg 28, die wordt omgezet van bedrijfswoning naar burgerwoning, is niet meegenomen in het onderzoek, omdat dit reeds een geluidgevoelig object is en de akoestische situatie niet wijzigt. Wegverkeerlawaai De geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de 1e Loosterweg bedraagt ten hoogste 44 dB na aftrek van 5 dB ex artikel 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Pastoorslaan bedraagt ten hoogste 40 dB na aftrek van 5 dB ex artikel 110-g Wgh.
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Een hogere waarde voor wegverkeer is voor de woningen niet nodig. Spoorweglawaai De hoogste geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 62 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt op de geluidbelaste gevels van acht woningen overschreden, te weten één vrijstaande woning (rekenpunt 1, 2 en 4), één appartementengebouw (rekenpunt 5, kopgevel,
33
derde woonlaag) en zes tweekappers (rekenpunt 77, 81, 84 en 85). De maximale hogere waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Hogere waarden en streefwaarde Er zijn hogere waarden voor railverkeer op deze locatie nodig. Een hogere waarde kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Door bronmaatregelen kan de geluidbelasting tegen hoge kosten met ten hoogste 3 dB worden gereduceerd. Bronmaatregelen zijn daarmee niet doelmatig. Afschermende maatregelen zijn mogelijk in de vorm van een verdiepinghoog geluidscherm. Deze maatregel is stedenbouwkundig ongewenst. Bovendien moet de afscherming worden onderbroken om toegang tot de ontwikkeling mogelijk te maken. Dit gaat ten koste van de afschermende werking waardoor deze mogelijk niet doelmatig is. Voor de gevels van zeven woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van ten hoogste 62 dB voor railverkeer. Het gebouw voldoet daartoe aan de volgende criteria:
• •
De woningen zijn gesitueerd in de nabijheid van een station. Alle woningen hebben een geluidluwe gevel.
In de toekomstige situatie is sprake van een woongebied. Bedrijfsmatige activiteiten zijn niet meer in deze omgeving aanwezig. Gelet op de ambitie van de gemeente zoals die opgenomen is in de Omgevingsvisie, wordt geadviseerd om uit te gaan van een rustige woonwijk en als uitgangspunt een streefwaarde van 55 dB (de standaardwaarde voor railverkeerslawaai uit het Bkl) voor de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen te hanteren. Van deze streefwaarde kan gemotiveerd afgeweken worden. Voor de motivatie van de afwijking wordt het plan navolgende getoetst aan het hogere waardenbeleid. Conform voorwaarde 6 uit het geluidbeleid moet bij een geluidbelasting van meer dan 58 dB vanwege railverkeer akoestische compensatie toegepast worden. De geluidbelasting vanwege railverkeer is meer dan 58 dB bij de beoogde vrijstaande woning aan de 1e Loosterweg (west- en noordgevel) en zijgevel (westgevel) van de meest westelijke twee-onder-een-kapwoning. Voor de gevels met een geluidbelasting van meer dan 58 dB vanwege railverkeer wordt akoestische compensatie toegepast door extra geluidwering toe te passen. Deze geluidwering zal resulteren in een binnenniveau van ten hoogste 28 dB bij de betreffende gevels. Dit is geborgd in de regels van het voorliggende plan.
Conform voorwaarde 7 worden bij een hogere waarde van meer dan 58 dB verblijfsruimten en ten minste één buitenruimte niet aan de gevel gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt, tenzij overwegingen vanuit stedenbouw of volkshuisvesting zich daartegen verzetten. In dat laatste geval wordt de buitenruimte afsluitbaar uitgevoerd. Bij de twee woningen met een hogere waarde van meer dan 58 dB bevinden zich de woonkamer en ten minste één slaapkamer aan de geluidluwe zijde. De buitenruimten bij deze twee woningen zijn niet aan de gevel gesitueerd waar de hoogste geluidbelasting optreedt, maar aan de achtergevels. Bij een grondgebonden woning ligt het voor de hand dat de buitenruimte aan de achtergevel wordt gesitueerd. Overwegingen vanuit stedenbouw of volkshuisvesting verzetten hier dan ook niet tegen. Daarmee is realiseren van een afsluitbare buitenruimte niet aan de orde. Aan de voorwaarden 8, 9 en 10 van het hogere waardenbeleid wordt voldaan (stille gevel, geen dove gevel, geen hogere waarde hoger dan 63 dB). Het besluit hogere waarden is als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan gevoegd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 25). Geluidwering Het Bouwbesluit stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering wordt uitgegaan van de maatgevende geluidbelasting door railverkeer.
De hoogste geluidbelasting bedraagt zonder aftrek 62 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering voor deze gevel
34
bedraagt dan GA;k 34 dB, om sprake te laten zijn van een binnenniveau van 28 dB, wat volgt uit voorwaarde 6 van het geluidbeleid. Warmtevoorziening Alle woningen, met uitzondering van de vier penthouses (appartementengebouwen blok 1), krijgen warmtevoorzieningen die geen buitenunits hebben. De installaties worden inpandig (technische ruimte) geplaatst en zullen geen geluidhinder voor bewoners van andere woningen veroorzaken. De vier penthouses worden voorzien van een lucht-waterwarmtepomp. De penthouses hebben één buitenunit per woning, die op dak en vanwege het geluid op gepaste afstand worden geplaatst. 3.5.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM).
Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 115 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk.
Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied zijn als volgt: Fijnstof en stikstofdioxide PM10 PM2,5 NO2
Achtergrondconcentratie 16 μg/m³ 8 μg/m³ 14 μg/m³
Grenswaarde 40 μg/m³ 25 µg/m³ 40 μg/m³
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
35
3.5.4 Milieuzonering Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Door de ligging van het plangebied in de omgeving van bedrijven en woningen, kan het plangebied beschouwd worden als een gemengd gebied. Ook vallen gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur zoals spoorlijnen, liggen onder het omgevingstype gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Navolgende tabel geeft weer welke inrichtingen/bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Bedrijf/ activiteit
Adres
SBI 2008
Milieucat.
Transformatorkast
ten westen van 1e Loosterweg 42 1e Loosterweg 42a 1e Loosterweg 42a ten oosten en noorden van het plangebied 1e Loosterweg 1-D 1e Loosterweg 1-C
35 C1
Gasdrukregel- en meetstation Gasontvang- en verdeelstation Bollenteeltgronden
Kees van den Aardwegh Hachmang & Maas
2
Richtafstand gemengd gebied (m) 10
Afstand tot de woningen(m) 85
35 D4
2
10
18
35 D5
3.1
15
n.v.t.
n.v.t.
30 (geluid) 50 (gevaar) 50
011, 012, 013 011, 012, 013
2
10
60
2
10
60
10
Agrarische bedrijven Er zijn twee akkerbouw/tuinbouw bedrijven aanwezig rond het plangebied. Het gaat hier om de bedrijven Kees van den Aardwegh en Hachmang & Maas. De richtafstand voor deze bedrijven bedraagt in een gemengd gebied 10 m. In bovenstaande tabel is te zien dat ten aanzien van de twee bedrijven voldaan wordt aan de richtafstand van 10 m. Transformatorkast Aan de westzijde van de 1e Loosterweg 42 staat een transformatorkast, die tot een activiteit van milieucategorie 2 wordt gerekend. In gemengd gebied bedraagt de richtafstand 10 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Gasdrukregel- en meetstation en gasontvang- en verdeelstation Aangrenzend aan het plangebied staan twee gebouwen, te weten het gasdrukregel- en meetstation en het gasontvang- en verdeelstation. Het zuidelijk gelegen gebouw betreft het gasontvang- en verdeelstation van de Gasunie. Voor het gasontvang- en verdeelstation type C geldt een richtafstand van 30 m vanwege het aspect geluid en een richtafstand van 50 m vanwege het aspect gevaar. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. Echter wordt er wel voldaan aan de veiligheidsafstand van 15 m uit tabel 3.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De minimale afstand van de beoogde woningen tot het gasontvang- en verdeelstation bedraagt 15,5 m. De bouwvlakken in het voorliggende plan liggen op een afstand van
36
minimaal 15 m van het gasontvang- en verdeelstation. Binnen een afstand van 15 m zijn wel vrijstaande bergingen voorzien, maar die worden niet als (beperkt) kwetsbaar object aangemerkt. Het noordelijk gelegen gebouw betreft het gasdrukregel- en meetstation van Liander. Volgens de richtstanden van de VNG moet vanaf dit gebouw in gemengd gebied een afstand van 10 m tot gevoelige bestemmingen (woningen) worden aangehouden. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De minimale afstand van de beoogde woningen tot het gasdrukregel- en meetstation bedraagt 18 m. Bollenteeltgronden Achter het perceel liggen meerdere bollenvelden. Bij bollenteelt wordt er gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Om te kunnen motiveren of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat is er een memo opgesteld over eventuele drift van gewasbeschermingsmiddelen (spuitzone) (zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Aan de hand van wetenschappelijke inzichten en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is beoordeeld of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een belemmering vormt voor aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.
Gelet op de hoogteverschillen van minimaal 2,0 m tussen de bollenteeltgronden en de gevoelige bestemmingen bij de blokken 1 en 8 zijn aanvullende voorzieningen, anders dan een glazen afscherming bij de balkons op de eerste bouwlaag, niet benodigd. Om rekening te houden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de bollenteeltgronden wordt geadviseerd om bij de twee-onder-een-kapwoningen een bladhoudende windhaag van 1,0 m hoog te plaatsen. De benodigde maatregelen, die bestaan uit een haag bij de twee-onder-een-kapwoningen, een glazen afscherming bij de balkons op de eerste bouwlaag en het hoogteverschil, zijn met een voorwaardelijke verplichting in de regels van het voorliggende plan geborgd. Deze maatregelen gelden uitsluitend voor de woningen aan de buitenrand, die grenzen aan de bollenteeltgronden. Conclusie Gezien het voorgaande vormen de bedrijven en overige milieubelastende activiteiten rondom het plangebied geen belemmering voor de realisatie van 115 woningen. Er dient geconcludeerd te worden dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven in de omgeving niet verder belemmerd worden in hun mogelijkheden. 3.5.5 Trillingen Voor trillingen bestaan geen wettelijke normen. Wel is door de Stichting Bouwresearch (SBR Richtlijn) een richtlijn opgesteld die een handvat biedt voor de vaststelling en beoordeling van trillingen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat trillingen en mogelijke trillingshinder meegewogen dienen te worden. Planspecifiek Er is een trillingonderzoek ten gevolge van railverkeer uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). Ten behoeve van het onderzoek zijn op een tweetal meetposities trillingmetingen uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat ter hoogte van de voorste bebouwingslijn de Vmax-waarde vanwege (goederen)treinpassages in de verticale richting ten hoogste 0,24 bedraagt. In de horizontale richtingen bedraagt het maximale trillingniveau niet meer dan 0,26. Op meetpositie 2 zijn lagere trillingniveaus gemeten die (afgerond) niet hoger zijn dan 0,2. De gemiddelde trillingniveaus Vper op meetpositie 1 voldoen niet aan de streefwaarde A3 van 0,05 in de dag- en avondperiode. De maximale en gemiddelde trillingniveaus op meetpositie 1 op maaiveld zijn enigszins hoger dan de streefwaarde A2 van 0,2 voor de nachtperiode en de streefwaarde A3 van 0,05 in de dag- en avondperiode. Ter plaatse van de bestaande woning nabij meetpositie 1 wordt voldaan aan de streefwaarden voor bestaande situaties, die een factor 2 hoger zijn dan voor nieuwe situaties.
In het algemeen leidt een voldoende zware en stijve fundering tot een demping van de trillingen op maaiveld, zodat voldaan kan worden aan de streefwaarden voor maximaal toelaatbare trillingniveaus, zowel ten aanzien van de streefwaarde A2 voor het maximale trillingniveau als ten aanzien van de streefwaarde A3
37
voor het gemiddelde trillingniveau Vper. Trillingen vormen derhalve geen belemmeringen om woningbouw op de planlocatie in het voorliggende plan op te nemen. De beoogde nieuwe woning ter plaatse van meetpositie 1 is, om te bepalen in hoeverre daadwerkelijk voldoende trillingreductie wordt gerealiseerd, doorgerekend op dempend vermogen van de fundatie en op opslingering (resonantie) door aanstoting van eigenfrequenties van vloeren (zie bijlagen bij toelichting bijlage 13). Uit de berekening volgt dat de te verwachten trillingniveaus op de vloeren van de te realiseren vrijstaande woning die het dichtst bij het spoor is gelegen (meetpositie 1), zowel in verticale als horizontale richting, niet hoger zijn dan de strengste streefwaarde A2 van 0,2 die geldt voor de nachtperiode uit de SBR Richtlijn B. Ook de streefwaarde A3 wordt niet overschreden. Daarmee is sprake van een acceptabele situatie, waarbij trillinghinder niet op zal reden. In de regels is ten aanzien van trillingen een regeling voor het bouwen van bouwwerken voor wonen opgenomen. Hierin wordt verwezen naar Richtlijn B van Stichting Bouwresearch.
3.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn
38
ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.
Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland Het bestuurlijk kader externe veiligheid Holland Rijnland geeft invulling aan de keuzes die mogelijk zijn bij externe veiligheid.
De verantwoording van het groepsrisico is in deze visie geoperationaliseerd met het zogenaamde stoplichtmodel: een laag GR (groen) betekent in beginsel een 'ja', een relevant GR (geel) betekent een 'ja', mits er voldoende maatregelen kunnen worden getroffen om de veiligheid te bevorderen en een hoog GR (oranje) betekent een 'nee', tenzij aan een aantal strikte voorwaarden wordt voldaan. De grens tussen het gele en het oranje gebied is de door de wetgever vastgestelde oriëntatiewaarde. Het bestuurlijk kader vereenvoudigt de verantwoording groepsrisico, omdat deze de meeste aspecten van de verantwoordingsplicht dekt. In de verantwoording kan dan naar dit bestuurlijk kader worden verwezen.
39
Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)
Transport gevaarlijke stoffen Over de N208 ten oosten van het plangebied vinden transporten van gevaarlijke stoffen plaats. Op de risicokaart staat de N208 niet aangegeven als een weg met een extern veiligheidsrisico. Daarnaast bevinden zich langs de N208 geen bedrijven die transporten van gevaarlijke stoffen veroorzaken. Volgens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen dienen transporten met gevaarlijke stoffen binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk te vermijden. Transporten van gevaarlijke stoffen mogen alleen door de bebouwde kom plaatsvinden als de bestemming van het transport enkel via die route bereikbaar is. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er over de N208 slechts een beperkt aantal transporten plaats zal vinden. Tevens heeft het plan geen effect op de hoogte van het groepsrisico, de bereikbaarheid, capaciteit hulpdiensten of zelfredzaamheid. Risicovolle inrichtingen Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich aan de 1e Loosterweg 42a een gasontvangststation. Door Kragten zijn de veiligheidsafstanden inzichtelijk gemaakt (zie bijlagen bij toelichting bijlage 14). Met betrekking tot de opstelplaats van een gasdrukmeet en regelstation ten opzichte van kwetsbare objecten zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden opgenomen die in acht moeten worden genomen.
De in acht te nemen veiligheidsafstand is afhankelijk van het type station en de opstellingswijze. Uit de informatie van de risicokaart volgt dat het gasontvangststation is aan te merken als een ondergronds type C-station, de opstellingswijze is niet vermeld. Het gasontvangststation heeft capaciteit tot en met 40.000 m³ per uur, waardoor de maximale te respecteren veiligheidsafstand tussen het station en een kwetsbaar object 15 m bedraagt. Ten noorden van het gasontvangstation van Gasunie bevindt zich een station van Liander. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand tot een kwetsbaar object van dit station 10 m. Voor het nabijgelegen gasontvangstation geldt een maximale te respecteren veiligheidsafstand van 15 m. De bouwvlakken in het voorliggende plan liggen op een afstand van minimaal 15 m van het gasontvang- en verdeelstation. Daarnaast worden met het werkingsgebied 'veiligheidszone en belemmeringenstrook' (beperkt) kwetsbare objecten uitgesloten binnen een afstand van 15 m. Binnen een afstand van 15 m zijn
40
wel vrijstaande bergingen voorzien, maar die worden niet als (beperkt) kwetsbaar object aangemerkt. Hiermee wordt er voldaan aan de veiligheidsafstand tot een kwetsbaar object van 15 m. Buisleidingen Grenzend aan de planlocatie ligt een gasleiding van Gasunie. Door Kragten is inzichtelijk gemaakt in hoeverre de buisleiding een mogelijke belemmering vormt voor de planontwikkeling. Tevens is bepaald welke effecten het voorgenomen plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. De berekening heeft overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA (zie bijlagen bij toelichting bijlage 14). Uit de berekening volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een plaatsgebonden 10-6 risicocontour van een buisleiding. Het plangebied ligt wel binnen de 100% letaliteitsafstand en de 1% letaliteitsafstand voor externe veiligheid van buisleiding W-532-12-deel l, zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding inzichtelijk is gemaakt. Voor de buisleiding is de hoogte van het groepsrisico zowel vóór als ná planrealisatie berekend. Uit deze berekeningen blijkt dat in de huidige situatie de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en zelfs lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde.
Uit de berekening blijkt verder dat de planrealisatie leidt tot een geringe rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding. De hoogte van het groepsrisico blijft echter ook in de toekomstige situatie lager dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt geen belemmering voor de planrealisatie. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. Verantwoording groepsrisico Door Kragten is een notitie omtrent de verantwoording van het groepsrisico opgesteld (zie bijlagen bij toelichting bijlage 15). Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het maatgevende ongevalsscenario voor een hogedrukaardgasleiding is een fakkelbrand, die na een beschadiging van een buisleiding ontstaat als gevolg van een ontsteking. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht voor de buisleiding, waarbij de verantwoording in dient te gaan op de volgende onderdelen: 1. 2.
3. 4.
Aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken. Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet.