CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Omgevingsplan Noorder Leidsevaart 26 Toelichting.pdf

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 25: Gewijzigd vaststellen omgevingsplan Noorder Leidsevaart 26, Hillegom11.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM). AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd.

De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan. Beoordeling planvoornemen De (negatieve) effecten van het project op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBM-rekentool (www.infomil.nl). Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het project al dan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht. Aangezien de verkeersaantrekkende werking door de uitbreiding nihil is, zijn er geen (negatieve) effecten te verwachten voor wat betreft luchtkwaliteit (zie ook de uitgebreide toelichting onder 3.2 Verkeer en parkeren).

Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het

plangebied voor het peiljaar 2017 (toetspunten gelegen langs de Van Berckelweg).

Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 19,6 en 18,5 µg/m3 is. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. Deze is in het plangebied maximaal 10,7 µg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6.5 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 4: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Maximale achtergrondwaarde in de NSL monitoringstool

Jaargemiddelde grenswaarde conform de Wet milieubeheer

[μg/m3]

[μg/m3]

NO2

19,6

40

PM10

18,5

40

PM2,5

10,7

25

Stof

Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8

Stikstofdepositie

De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Beoordeling planvoornemen Deze berekening is opgesteld met behulp van AERIUS Calculator versie 2023.0.1. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Als gevolg van het planvoornemen treedt er daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. Het volledige rapport met AERIUS-uitvoeringsbestanden is als bijlage toegevoegd. Conclusie stikstofdepositie Per saldo leidt het planvoornemen niet tot een significante toename aan stikstofdepositie. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de plannen.

4.9

Water

Wetgeving Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak

gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.

Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).

2.

Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap en van de gemeente relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap. Waterbeheerprogramma 6: Water wijst de weg Op 8 februari 2022 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) gepubliceerd. Dit programma beschrijft het waterbeer voor de periode tussen 2022 en 2028. De ondertitel van het programma luidt: Water wijst de weg. Binnen het programma worden er 5 maatschappelijke opgaves benoemd, waar het Hoogheemraadschap de kerntaken aan koppelt: -

Bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; Tegengaan van bodemdaling; Versterking van de biodiversiteit; Energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050.

Per deelgebied heeft het Hoogheemraadschap een interactieve visiekaart gemaakt, met de 4 landschapstypen (veen, steen, zand en zout). Afhankelijk van het plangebied geldt een ander visie. Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en wordt er meer water afgevoerd via de grote rivieren. Dit kan grote gevolgen hebben voor de (primaire) waterkeringen. Rijnland beschrijft in het WBP6 dat het als taak heeft het leefgebied, de inwoners en bedrijven te beschermen tegen overstromingen vanuit de zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voor het beschermen van het gebied is samenwerken van belang. Rijnland zorgt er op die manier voor dat er bij ruimtelijke plannen waterveiligheid wordt meegenomen. Ook de overige (water gerelateerde) onderwerpen zoals peilbeheer, het watersysteem en wateroverlast) komen

aan bod in het WBP6). Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur (opvolger van de Keur 2015) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van het totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000m2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd.

De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:

a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Beoordeling planvoornemen De ontwikkeling vindt niet plaats in de nabijheid van een waterkering. Het initiatief voldoet aan het beleid van het hoogheemraadschap en heeft ook positieve gevolgen in het kader van klimaatadaptatie. De vermindering van verharding gaat lokale opwarming tegen en vermindert het versneld afvoeren van hemelwater.

Conclusie watertoets Gelet op het voorgaande zijn er in het kader van de planontwikkeling geen watercompenserende maatregelen nodig. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

4.10

M.e.r.-beoordeling

Wetgeving Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten:

a. een oppervlakte van 100 hectare of meer, b. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of c. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Beoordeling planvoornemen De bouw van twee woningen valt niet onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als bedoeld in bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet nodig. Bovendien worden de bovengenoemde drempelwaarden met dit planvoornemen bij lange na niet gehaald. Derhalve is het hier niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.

Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De bouw van twee woningen vallen niet onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als bedoeld in bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Er is geen sprake van een activiteit zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling en m.e.r.beoordelingsbesluit is niet nodig.

Juridische aspecten 5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding van de van toepassing verklaarde werkingsgebieden Bouwvlak en Legalisering gebruik.

5.2

Opzet van de planregels

Voor de regels van dit plan wordt in zijn volledigheid verwezen naar het Omgevingsplan Hillegom Buitengebied en de Zanderij. Voor dit plan zijn enkel de werkingsgebieden ‘Bouwvlak’ en ‘Legalisering gebruik’ gewijzigd zodat ze ook van toepassing zijn op de planlocatie. Hierdoor wordt het mogelijk woningen te realiseren binnen het daarvoor nieuw aangewezen bouwvlak. De regels die bij deze twee werkingsgebieden (en de overige) behoren, staan in het Omgevingsplan Hillegom Buitengebied en de Zanderij. Ten opzichte daarvan vinden geen inhoudelijke wijzigingen plaats. Op een paar punten zijn deze aangevuld met specifieke regels voor dit plan. Dit betreft met name artikel 2.17b (aanvullende beoordelingsregels) en artikel 2.44 (aanwijzing bladhoudende haag).

Uitvoerbaarheid 6.1

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

Een Omgevingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. De voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het Omgevingsplan, zijn reeds bekend bij de directe omgeving. Zij zullen in het kader van de formele procedure betrokken worden bij het proces. Het ontwerpbesluit wordt per 20 december zes weken ter inzage gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. Vervolgens wordt het plan ter vaststelling aangeboden aan de raad. Vooroverleg Het ontwerp Omgevingsplan is bij de wettelijke vooroverlegpartners voorgelegd. Hierop zijn enkele reacties binnengekomen. De volgende reacties hebben niet geleid tot aanpassingen: Liander, Veiligheidsregio, Tennet en GOM. De volgende reacties hebben geleid tot enkele tekstuele aanpassingen: Hoogheemraadschap, Omgevingsdienst West-Holland en CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek. De aanpassingen hebben betrekking op de motivatie van het ontbreken van aantoonbare cultuurhistorisch waarden van de schuur en de bijdrage aan de openheid van het landschap die wordt beoogd met het plan. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van woensdag 20 december tot en met dinsdag 30 januari ter inzage gelegen. Een ieder kon in die periode zijn of haar zienswijze indienen. Er zijn twee zienswijzen binnengekomen.

Deze zienswijzen hebben aanleiding geven tot aanpassingen van de toelichting van het bestemmingsplan. De aanpassingen hebben betrekking op de beoordeling van het planvoornemen aan het provinciaal beleid en op cultuur historische waarde. 6.2

Financiële uitvoerbaarheid

Tussen de ontwikkelaar en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal gewaarborgd is. Zowel de gemeentelijke kosten, als de kosten van de initiatiefnemer zijn hiermee gedekt. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar.

6.3

Eindconclusie

Geconcludeerd wordt dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en projectgebied, zowel ruimtelijk als milieu hygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen.

Bijlagen •

Bijlage 1. Locatiespecifieke onderbouwing Noorder Leidsevaart 26

•

Bijlage 2. Milieukundig bodemrapport Noorder Leidsevaart 26

•

Bijlage 3. Quickscan Wnb Noorder Leidsevaart 26

•

Bijlage 4. Akoestisch onderzoek gevel Noorder Leidsevaart 26

•

Bijlage 5. Akoestisch onderzoek bedrijfsinventarisatie

•

Bijlage 6A. Rapportage Stikstofdepositie Noorder Leidsevaart 26

•

Bijlage 6B. AERIUS Bijlage Aanlegfase

•

Bijlage 6C. AERIUS Bijlage Gebruiksfase

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1629/documents/21539