1. Omgevingsplan Noorder Leidsevaart 26 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Noorder Leidsevaart 26, Hillegom Toelichting
Omgevingsplan Noorder Leidsevaart 26, Hillegom
Identificatie Kenmerk
: :
NL.IMRO.0534.BPNrdrLeidsevrt26-VA01 19082088 /JLA/BP-
Planstatus
:
Ontwerp Vaststelling
Contactpersoon
:
V.C.A. Mientjes MSc
[20 juni 2023] aangepast 15 december 2023 [datum]
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoudsopgave toelichting
1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ........................................................................................................................ 4 Aanleiding ...................................................................................................................... 4 Ligging plangebied ......................................................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 5 Leeswijzer ...................................................................................................................... 7
2.1 2.2 2.3
Huidige situatie en planbeschrijving ......................................................................... 8 Bestaande situatie ......................................................................................................... 8 Beoogde situatie ............................................................................................................ 8 Verkeer en parkeren ...................................................................................................... 9
3.1 3.2 3.3
Beleidskader ............................................................................................................... 11 Rijksbeleid .................................................................................................................... 11 Provinciaal en regionaal beleid .................................................................................... 11 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
Omgevingsonderzoeken ........................................................................................... 21 Archeologie en cultuurhistorie...................................................................................... 21 Bedrijven- en milieuzonering........................................................................................ 22 Bodem .......................................................................................................................... 25 Ecologie ....................................................................................................................... 27 Externe Veiligheid ........................................................................................................ 29 Geluidhinder ................................................................................................................. 31 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 32 Stikstofdepositie ........................................................................................................... 35 Water............................................................................................................................ 35 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................ 38
5.1 5.2
Juridische aspecten .................................................................................................. 40 Inleiding ........................................................................................................................ 40 Opzet van de planregels .............................................................................................. 40
6.1 6.2 6.3
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 41 Maatschappelijk uitvoerbaarheid ................................................................................. 41 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 41 Eindconclusie ............................................................................................................... 41 Bijlagen ....................................................................................................................... 42
Inleiding 1.1
Aanleiding
Op 1 januari 2024 treed de Omgevingswet in werking. De gemeente Hillegom heeft ter voorbereiding en vooruitlopend op de invoering toestemming gekregen van de Rijksoverheid om te werken volgens de Omgevingswet (middels de 15e en 17e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet). De gemeente heeft voor het grondgebied in 2018 de Omgevingsvisie Hillegom 2030 ‘Heerlijk Hillegom, duurzaam (proef)tuin van Holland’ vastgesteld. Op 15 juli 2021 is deze voor de 2 e maal geactualiseerd. De gemeenteraad werkt de Omgevingsvisie verder uit in de vorm van een bestemmingsplan voor het Buitengebied en De Zanderij. Dit bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (hierna: Omgevingsplan) wordt de invoering van de nieuwe wetgeving, de ruimere mogelijkheden voor initiatiefnemers en de versnelde afhandeling van de vergunningaanvraag gerealiseerd. Op 15 juli 2021 is het Omgevingsplan vastgesteld door de gemeenteraad van Hillegom. Dit planinitiatief voorziet in de realisatie van 2 GOM-woningen in het buitengebied van de gemeente Hillegom. Er is hiervoor een positieve reactie vanuit de gemeente op een principeverzoek. Naar aanleiding van dit principeakkoord is de initiatiefnemer verder gegaan met de planontwikkeling en is onderhavige wijziging van het Omgevingsplan opgesteld.
Net als bij de vaststelling van het vigerende Omgevingsplan wordt onderhavig plan ook vastgesteld middels een bestemmingsplan verbrede reikwijdte. Het plan betreft de sloop van het bestaande bedrijfsgebouw (loods van voormalig bloembollenexportbedrijf, sinds 2005 niet meer actief) en de nieuwbouw van twee GOMwoningen. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan, omdat de realisatie van woningen niet passend is binnen de activiteiten 'gebruik' en 'bouwen'. Van de toegestane activiteiten kan worden afgeweken indien de beoogde ontwikkeling passend is binnen de ter plaatse geldende functiekaart. In het omgevingsplan valt de planlocatie binnen de kaartlaag ‘functies’ onder het werkingsgebied ‘Levendige linten’ en ‘Duurzame bloementuin’. Onderstaand is het projectgebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt ten westen van het Hillegom en ligt aan de trekvaart tussen Leiden en Haarlem. Tussen Lisse en Haarlem wordt deze trekvaart de Leidsche Trekvaart genoemd. De trekvaart fungeert als een natuurlijke grens tussen de gemeente Hillegom en de gemeente Noordwijk.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het Omgevingsplan ‘Hillegom Buitengebied en Zanderij’ zoals vastgesteld op 15 juli 2021. In dit Omgevingsplan werkt de gemeente niet langer met bestemmingsplannen conform de SVBP 2012, maar zijn zogeheten werkingsgebieden toegekend aan de locaties. Het plangebied moet getoetst worden aan de werkingsgebieden: • • • • • •
Bouwen: ‘bouwen’ Bouwvlak: ‘bouwvlak’ Evenementen: ‘Evenementen’ Functies: ‘Levendige linten’ en ‘Duurzame bloementuin’ Herstructurering: ‘herstructurering’ Openbaar/niet openbaar: ‘niet openbaar’ en ‘openbaar’
Tevens is het plangebied gelegen in het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1997, eerste herziening’ vastgesteld op 05-08-2009 (kenmerk: NL.IMRO.05340000BPLandGeb97Hrz-). Het plangebied kent de volgende bestemming: -
Agrarisch Handels- en exportbedrijf Agrarisch doeleinden – bollencultuur
Strijdigheid met het Omgevingsplan
Woningbouw is in strijd met het voorgaande planologische regime. De voorgenomen activiteiten moeten passend zijn binnen de doelen van de onderliggende functies. In het Omgevingsplan valt de planlocatie binnen de kaartlaag ‘functies’ onder het werkingsgebied ‘Levendige linten’ en ‘Duurzame bloementuin’. Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin. In verband met het vastgestelde Omgevingsplan wordt aangesloten bij werkwijze van het Omgevingsplan. 1.4
Leeswijzer
Dit Omgevingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de kaartbladen. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de kaartbladen. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de kaartbladen. Hoofstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, het provinciaal, het regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt integrale afweging op onderdelen van de fysieke leefomgeving en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6.
Huidige situatie en planbeschrijving 2.1
Bestaande situatie
Op de Noorder Leidsevaart 26 staat op dit moment een (niet in gebruik zijnde) bollenteeltschuur (voormalig bloembollenexportbedrijf). Het volledige terrein is verhard. De bestaande zwaar verouderde gebouwen, waarvan het niet realistisch is om deze naar de normen van deze tijd te veranderen, dienen gesloopt te worden.
2.2
Beoogde situatie
De opdrachtgever is voornemens om twee woningen te realiseren aan de Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom. De twee woningen worden in lijn gepland met de naastgelegen nummer 28. Beide percelen bieden ruimte voor 1 woning met bijbehorende tuin en parkeerplaatsen. Rondom het gebied is een groenblijvende haag gepland ter afscherming.
2.3
Verkeer en parkeren
Parkeren Het plan is getoetst aan de ‘Nota parkeernormen’ van de gemeente Hillegom. Deze is in 2016 vastgesteld. Met de bouw van een woning dient te worden voldaan aan de gestelde parkeernorm zoals genoemd in de Nota. Daarnaast is het algemene uitgangspunt van de Nota dat bij functieveranderingen de parkeerbehoefte op eigen terrein dient te worden gerealiseerd. Conform de Nota is de parkeernorm voor een woning (in het buitengebied, een niet gestapelde woning met meer dan 150m2 bvo) 2,2 parkeerplaatsen. Inbegrepen is een 0,3 aandeel voor bezoekersparkeren. Per woning dient er dus 3 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden op eigen terrein.
Verkeer Ten aanzien van de verkeersveiligheid is in de huidige situatie sprake van een uitrit op de Noorder Leidsevaart. In de nieuwe situatie blijft de uitrit van woningen gehandhaafd. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking van het plan wordt getoetst aan de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’. Hierbij is op basis van de omgevingsadressendichtheid van 439 uitgegaan van een niet stedelijk gebied in het buitengebied. Er is uitgegaan van licht verkeer dat via de Noorder Leidsevaart richting de Beeklaan rijdt. Conform de norm is er sprake van maximaal 8,6 voertuigbewegingen per etmaal. Voor 2 woningen resulteert dat in 17,2 voertuigbewegingen per etmaal. Ten aanzien van de huidige situatie zorgt dit voor een afname van voertuigbewegingen. Op de locatie is namelijk op dit moment sprake van een industriefunctie met een oppervlakte van 1.618 m2 (conform de BAG Viewer). Volgens de CROW publicatie geldt er voor een bedrijf (arbeidsextensief/bezoekerextensief (loods/opslag) een norm van 5,7 voertuigbewegingen per 100 m2. Dit zorgt voor 92,3 voertuigbewegingen per etmaal. Opgemerkt wordt dat hieronder ook vrachtverkeer valt, wat een andere impact heeft dan licht verkeer. Gelet op de berekende afname van (92,2-17,2) 75 voertuigbewegingen per etmaal vormt het aspect verkeer niet tot een belemmering voor het planvoornemen.
Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
Gezien de geringe omvang van de planlocatie is vigerend rijksbeleid hier niet bijzonder van toepassing. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte benoemt weliswaar de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor het land, maar het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen ladderplichtig zijn.
Derhalve is onderhavig initiatief niet ladderplichtig. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet ladderplichtig. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader. 3.2
Provinciaal en regionaal beleid
In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen:
• • • • •
de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Specifieke beoordeling wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaat-robuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.
Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De verdere ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek tot een vitale, economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee streeft de provincie naar herstructurering van het bollencomplex, landschapsverbetering en handhaving van het teeltareaal bollengrond. Het bollenteeltgebied is aangeduid op kaart 11 van de verordening. Binnen het bollenteeltgebied bevinden zich ook bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen met erf en de eventuele kassen van de bollenteeltbedrijven. De planlocatie bevindt zich binnen kaart 11 van de verordening. Omdat er sprake is van het vervangen van bestaande bedrijfspanden, waarmee verrommeling tegen wordt gegaan, wordt er voldaan aan het beleid van landschap verbetering (bevorderen openheid). Zie hiervoor ook de onderstaande afbeeldingen.
Zoals op bovenstaande luchtfoto te zien is, is het plangebied in de huidige situatie volledig bebouwd. De twee toekomstige woningen zijn qua schaal en maat niet te vergelijken met de huidige bedrijfspanden. Deze zullen ten aller tijden bijdragen aan een meer open inrichting.
Luchthavenindelingbesluit Schiphol: 20Ke- contour De planlocatie ligt buiten het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid, en buiten het beperkingsgebied van het LIB. Er is dus geen strijdigheid met het LIB.
Beoordeling planvoornemen Het plangebied is op kaart 11 ‘Greenports’ aangeduid als ‘bollenteeltgebied’. In lid 1 van artikel 6.17 van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden binnen bollenteeltgebied, primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toelaat, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. In artikel 6.17, lid 4 is opgenomen dat in afwijking van lid1 een bestemmingsplan kan voorzien in greenportwoningen als bedoeld in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin en Bollenstreek. In het kader daarvan is het mogelijk om de huidige panden te slopen en te vervangen voor zogenaamde greenportwoningen als bedoelt in de ISG2016 Greenport Duin- en Bollenstreek. Dit is ook in lijn met zowel het provinciaal beleid als het gemeentelijk omgevingsbeleid. Er is een overeenkomst afgesloten met de Greenport Ontwikkel Maatschappij. Daarmee is er geen strijdigheid meer met het provinciaal beleid. In paragraaf 3.1 is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. Ook is er geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van het LIB valt.
Greenport Duin- en Bollenstreek ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze visie heeft naast de economische dus ook een sterke ruimtelijke component (herstel en bevordering openheid bollenlandschap), anders dan bijvoorbeeld in het Westland. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Hillegom zijn dat Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro. Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening.
Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting. Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenportgerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.
Beoordeling planvoornemen Wat betreft de realisatie van de twee Greenportwoningen is er een overeenkomst gesloten met de GOM. Hiertoe zijn 2 bouwtitels gekocht bij de Greenport Ontwikkel Maatschappij. Het planvoornemen past binnen de regionale doelstellingen van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 (ISG 2016). Met de sloopt van de schuur en de bouw van twee woningen wordt er een bijdrage geleverd aan de herstructureringsopgave omdat deze zorgt voor het tegengaan van verrommeling in het buitengebied en het vergroten van de openheid. Door de financiële bijdrage aan de GOM kan een landschappelijke kwaliteitsverbetering worden gerealiseerd op deze en andere locaties in de bollenstreek door het opruimen van verrommeling. Met de sloop van de schuur over de gehele breedte komt er een doorzicht tussen de huizen. Het totale bebouwde oppervlakte neemt af door de sloop en de nieuwbouw. Hierdoor zijn de zichtlijnen verbeterd. De openheid wordt hiermee verbeterd. Conclusie provinciaal en regionaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het provinciaal en regionaal beleidskader. Verrommeling wordt tegen gegaan er de bebouwde ruimte wordt beter benut. Conclusie Rijks, Provinciaal en regionaal beleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met Rijks, Provinciaal en regionaal beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Hillegom 2030 Op 17 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Hillegom de Omgevingsvisie Hillegom 2030 ‘Heerlijk Hillegom, duurzame (proef)tuin van Holland’ vastgesteld. Op 15 juni 2021 is deze geactualiseerd. Deze visie vervangt de vastgestelde Omgevingsvisie in 2018. In de visie worden de hoofdlijnen beschreven van de koers van Hillegom op weg naar 2030. Hierbij is duurzaamheid het leidende principe. In de Omgevingsvisie is Hillegom verdeeld in 6 deelgebieden. Per deelgebied zijn de belangrijkste karakteristieken en koers omschreven, te weten: • • • • • •
duurzame bloementuin Hollandse weides historisch hart heerlijke woonplaats werkplaats Hillegom levendige linten
Het plangebied is gelegen in de ‘Duurzame bloemtuin’ en in de ‘Levendige linten’. Aangezien het in verval geraakte bouwwerk wordt vervangen door twee nieuwe woningen, draagt dit initiatief bij aan de ambities van de Omgevingsvisie Hillegom 2030. Hieronder wordt dit verder toegelicht. De koers binnen de gebieden Duurzame bloementuin bestaat in de Omgevingsvisie uit de volgende: -
Faciliteren van schaalvergroting en herstructurering bollenteeltbedrijven Overgang naar 100% emissieloze en residuvrije teelt Opwekken van duurzame energie Verbeteren ruimtelijke kwaliteit en verstreken gebiedskarakteristieken Benutten van recreatieve potenties Verhogen biodiversiteit Geen verslechtering milieukwaliteit
Toetsing aan Duurzame bloementuin Doordat het bestaande bouwwerk wordt gesaneerd, ontstaat er een opener landschap met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De uitstraling van de omgeving blijft passend binnen de koers van Duurzame bollentuin aangezien het gebied achter de woningen beschikbaar blijft voor agrarische teelt. Er vindt geen verslechtering plaats van de milieukwaliteit, aangezien er geen bedrijfsactiviteiten plaats zullen vinden op dit perceel.
Voor de Levendige linten geldt dat er wordt ingezet op:
-
Verhogen van de woon- en leefkwaliteit Versterken van de karakteristieken van het betreffende lint Creëren van aantrekkelijke entrees van Hillegom / de Bollenstreek
Toetsing aan Levendige linten Deze locatie is in de Omgevingsvisie aangewezen als een locatie binnen de boezemlinten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: -
behouden van de verspreide bebouwingsstructuur behoud en versterking van het zicht op het water behouden van de asymmetrie: slechts aan één zijde bebouwing
In het buitengebied is het belangrijk dat doorzichten naar het achterliggende landschap worden behouden. Zo is het bijvoorbeeld niet toegestaan om Greenportwoningen te clusteren achter het lint, tenzij dit aansluitend aan de kern Hillegom plaatsvindt en hierbij geen waardevolle zichtlijnen worden weggenomen. In dit geval wordt er aangesloten bij de ambities voor het verbeteren van de leefbaarheid. Door aan te sluiten aan de bestaande lintbebouwing, wordt deze bebouwingsstructuur versterkt. Door het saneren van het bedrijfspand, draagt het bij aan de ambitie van het terugdringen van overlast en onveilige situaties als gevolg van (vracht)verkeer en bedrijfsactiviteiten, aangezien er geen bedrijf meer wordt gehouden. Conclusie Omgevingsvisie Het planvoornemen valt binnen de gebieden Duurzame bollentuin en Levendige linten. Door het saneren van het bedrijfspand en het toevoegen van 2 woningen, ontstaat er een opener landschap. Woonprogramma Hillegom 2020-2024 In juli 2020 is het Woonprogramma Hillegom 2020-2024 vastgesteld. Daarin is de woningbehoefte beschreven en hoe Hillegom denkt te voldoen aan die behoefte. Uit het document blijkt dat in Hillegom de komende tien jaar 1.400 woningen moeten worden gebouwd om aan de woningbehoefte te kunnen voldoen. De helft daarvan zit al in de pijplijn, dus moet nog bepaald worden waar en hoe de resterende 700 woningen worden gebouwd.
Het planologisch mogelijk maken van 2 woningen is in lijn met het woonprogramma. Omgevingsplan De gemeente Hillegom heeft op 15 juli 2021 het Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij vastgesteld. Dit betekent dat er ook aan het Omgevingsplan getoetst dient te worden. Het Omgevingsplan ‘Buitengebied en de Zanderij’ is opgebouwd uit twee belangrijke elementen: ‘Activiteiten’ en ‘Functiegebieden’. Voor wat betreft de ‘Activiteiten’ dient er gekeken te worden naar de activiteit ‘Gebruik’. Daarnaast is er ook gekeken naar afdeling 2.3 ‘Bouwen’. Eerst volgt de toetsing aan de activiteiten. Artikel 2.11 (toegelaten activiteiten) Om te toetsen aan het gebruik, wordt gekeken naar artikel 2.11 (toegestane activiteiten). Daar wordt verwezen naar lid e (Duurzame bloementuin) en lid h (Levendige linten). Dit zijn respectievelijk de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in artikel 3.2 en artikel 3.11. Artikel 3.2 en artikel 3.11 (toegelaten gebruiksactiviteiten) Uit de betreffende artikelen volgt dat een woning zoals voorzien niet zonder meer is toegestaan. Onder artikel 3.2 blijkt dat er enkel bedrijfsactiviteiten van grondgebonden bollenteeltbedrijven
zijn toegestaan. Onder artikel 3.11 blijkt dat er onder de toegelaten gebruiksactiviteiten enkel bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan alsmede nevenverkoop tot 100 m2 bij een tuincentrum. De activiteit wonen is niet direct toegestaan. Dit betekent dat er een omgevingsvergunning nodig is.
Artikel 3.3 en 3.12 (beoordelingsregels vergunning) Gelet op de beoordelingsregels vergunning (respectievelijk artikel 3.3 en 3.12) volgt dat een omgevingsvergunning enkel verleend wordt indien de activiteiten in voldoende mate bijdragen aan de doelstellingen zoals benoemd in de betreffende afdelingen (respectievelijk artikel 3.1 en artikel 3.10). Artikel 3.1 en artikel 3.10 (doel functietoedeling) De desbetreffende artikelen over de ‘Duurzame bloementuin’ en de ‘Levendige linten’, zijn directe verwijzingen naar de huidige Omgevingsvisie. De gemeente heeft de doelstellingen uit de omgevingsvisie als open norm opgenomen in het omgevingsplan. Onder het kopje Omgevingsvisie Hillegom 2030 is al reeds vastgesteld dat dit plan past binnen de beschreven koersen van de beide deelgebieden. Ook vanuit het Omgevingsplan geldt dat de plannen de doelstelling van het omgevingsplan niet belemmeren. Voor wat betreft de activiteiten bouwen, geldt het navolgende: Artikel 2.16 (toegelaten activiteiten) Om te toetsen aan de activiteit bouwen, wordt gekeken naar artikel 2.16. Daar is opgenomen welke activiteiten zijn toegelaten. Alle genoemde activiteiten onder het betreffende artikelen komen niet overeen met de uiteindelijk gewenste activiteit (het bouwen van 2 woningen).
Conform artikel 2.17 (beoordelingsregels) kan er een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen worden verleend voor bouwactiviteiten dit passen binnen de bestaande landschappelijke en stedenbouwkundige hoofdstructuur en past binnen de beoordelingsregels van de desbetreffende functie(s). Daarbij wordt verwezen naar artikel 3.3 en 3.12.
Artikel 3.3 en artikel 3.12 (toegelaten gebruiksactiviteiten) Uit artikel 3.3 (beoordelingsregels vergunning voor Duurzame bloementuin) en 3.12 (beoordelingsregels vergunning voor Levendige linten) blijkt vervolgens dat de vergunning verleend kan worden omdat de activiteit in voldoende mate bijdraagt aan het doel uit artikel 3.1 en artikel 3.10 (zie beoordeling onder activiteit). Vervolgens blijkt uit artikel 2.20 (beoordelingsregels) dat een vergunning als bedoeld in artikel 2.17 wordt verleend als de bouwactiviteit passend is binnen de bestaande landschappelijke en stedenbouwkundige hoofdstructuur, specifiek de beoordelingsregels als bedoeld in artikel 3.3 ‘Duurzame bollentuin’ en artikel 3.12 ‘levendige linten’. Dit betekent dat er een omgevingsvergunning nodig is. Conclusie Omgevingsplan Het planvoornemen valt binnen de beoordelingsregels van de gebieden ‘Duurzame bollentuin’ en ‘Levendige linten’. Uit de toetsing van de ‘Activiteiten’ en ‘Bouwen’ blijkt dat de woningen in lijn zijn met de doelen zoals beschreven staan in artikel 3.1 en 3.10. Zo vindt er met name ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats door het saneren van het alle bedrijfsbebouwing en het plaatsen van de twee woningen. Deze worden in de bestaande lintstructuur ingepast.
Conclusie gemeentelijk omgevingsbeleid Gelet op het bovenstaande, draagt het plan bij aan de ambities van het gemeentelijk omgevingsbeleid.
Omgevingsonderzoeken 4.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wetgeving archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -
het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen archeologie Op grond van het vigerend bestemmingsplan (en omgevingsplan) geldt voor het plangebied geen archeologische verwachting. Vanwege diepe bodemverstoring is het gebied volledig vrijgegeven. Het aspect archeologie is dus geen belemmering voor het planvoornemen. Wetgeving cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing. Hiernaast is artikel 2.78 van het Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij van de gemeente Hillegom van toepassing. Hierin is de specifieke zorgplicht opgesteld, waarbij verplicht is maatregelen te treffen om beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed te voorkomen. Beoordeling planvoornemen cultuurhistorie Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van Hillegom, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied. Het pand is geen Rijksmonument en deze komen ook niet voor op de Lijst van cultureel erfgoed. Het behouden van de panden is bouwkundig en economisch niet realistisch.
Indien woningbouw mogelijk wordt gemaakt in het buitengebied, dienen dit vrijstaande GOM-woningen te zijn of woningen in een waardevolle bollenschuur.
In het “Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij” is op de projectlocatie de aanduiding “erfgoed licht” van toepassing. Door de sloop van de bollenschuur vervalt deze aanduiding. Met het toevoegen van twee vrijstaande woningen wordt het doorzicht verbeterd ten opzichte van de bestaande bollenschiuur. Waardoor de locatie beter past in het bestaande gebied. Aan de zorgplicht onder artikel 2.78 van het omgevingsplan wordt hiermee voldaan. De bollenschuur zelf heeft geen formele beschermingswaarde en staat niet op de lijst van de Regionale Collectie Bollenschuren. De transformatie draagt bij aan de gewenste openheid in het bollengebied wat de cultuurhistorisch waarden van het gebied ten goede komt. Het doorzicht in het gebied wordt verbeterd door de toevoeging van 2 vrijstaande woningen ter vervanging van de massieve bollenschuur. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Naar verwachting worden geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.2
Bedrijven- en milieuzonering
Wetgeving De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering 2009” Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009" ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast
woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Tabel 1: richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype gemengd gebied Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied [m]
1
0
2
10
3.1
30
3.2
50
De omgeving van de Noorder Leidsevaart 26 kan aangemerkt worden als een rustig woonwijk en rustig buitengebied. Op basis van het vigerend bestemmingsplan is er gekeken naar bedrijven welke relevant zijn in het kader van bedrijven en milieuzonering. Onderstaande tabel geeft de omliggende mogelijke hindergevoelige adressen weer. In de derde kolom is weergegeven wat de afstand wordt met de toekomstige bebouwing. Tabel 2: Afstanden van de omliggende adressen in het kader van de Bedrijven- en milieuzonering
Er wordt voldaan aan de richtafstanden van de bedrijven in de omgeving van het plangebied. Drift gewasbeschermingsmiddelen In de nabijheid van het plangebied zijn bollenvelden. De bedrijfsvoering van de teler mag niet worden belemmerd door de woningen met tuinen en er dient ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig te zijn. Uit uitgebrachte onderzoek van het RIVM blijkt dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Dit is door het Ctgb bevestigd. Dit komt mede omdat telers in de regel niet spuiten bij harde wind of een windrichting richting woningen of andere gevoelige bestemmingen. Om eventuele drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen bij de woningen en tuinen zoveel als mogelijk uit te sluiten wordt geadviseerd om een in de winter groenblijvende haag of andere groenblijvende begroeiing aan te planten aan de oostelijke en noordelijke kant van het plangebied. Ondanks het feit dat er in de bollenteelt neerwaarts wordt gespoten en de hoofdzakelijke windrichting gunstig is, wordt geadviseerd een in de winter groenblijvende haag of beplanting van tenminste 2 meter hoogte aan te planten. Omdat dichte, groene hagen en/of beplanting een drift-reducerende werking hebben kan op
deze manier (vrijwel) uitgesloten worden dat er gewasbeschermingsmiddelen op de woonpercelen terecht kunnen komen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit is ook opgenomen in de werkingsgebieden. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet een in de winter groenblijvende haag of andere groenblijvende begroeiing worden aangeplant en in stand worden gehouden aan de oostelijke en noordelijke kant van het plangebied. Het bouwblok van de twee woningen wordt vastgelegd middels het kaartblad ‘Bouwvlak’. De nieuwe bebouwing valt binnen bouwvlak.. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De omliggende bollenteeltgebieden worden niet belemmerd als gevolg van dit plan. Het volledige onderzoek van het locatie specifieke spuitonderzoek is opgenomen als bijlage.
Bedrijfsinventarisatie Noorder Leidsevaart 29 Omdat er sprake is van nieuw te realiseren geluidgevoelige functies, dient in het kader van de goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling plaats te vinden vanwege de activiteiten van bestaande bedrijven gelegen in de omgeving van de te realiseren woningen. Tevens dient onderzocht te worden of het nabijgelegen bedrijf na realisatie van de plannen niet wordt belemmerd in hun bedrijfsvoering. Dit onderzoek is uitgevoerd door het geluidBuro. Ten behoeve van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening is gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De geluidbelasting is tevens getoetst aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • De berekende geluidniveaus voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op de gevels van de toekomstige woningen voldoen aan de richtwaarden waarmee kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit zoals deze gelden. • In de representatieve bedrijfssituatie voldoen tevens de maximale geluidniveaus op de toekomstige woningen aan de richtwaarden waarmee kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit zoals deze gelden.
• De indirecte hinder voldoet met een waarde van 39 dB(A) in de dagperiode aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde volgens de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer (Ministerie van VROM, 29 februari 1996)'. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de toekomstige woningen er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en bestaan er vanuit een goede ruimtelijke ordening voor het aspect geluid geen belemmeringen voor de te realiseren woningen. Na realisatie van de plannen wordt Maatschap van der Linden en Zoon niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het akoestisch onderzoek industrielawaai is als bijlage bijgesloten.
Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering (incl. drift gewasbeschermingsmiddelen) geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Er is voldoende afstand tussen de nieuwe woningen en bestaande (en toekomstige) bedrijven.
4.3
Bodem
Wetgeving In het kader van de Woningwet / Gemeentelijke Bouwverordening dient een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In verband met de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar reguliere woning is inzage in de milieuhygiënische bodemkwaliteit gewenst. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen In opdracht van Maatschap van der Linden en Zoon is door IDDS een nader- en aanvullend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest uitgevoerd (kenmerk 1908M858/PMU/rap1 d.d. 3 februari 2020). Aanvullend is het asfalt op teerhoudendheid geanalyseerd. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom.
Aanleiding tot het uitvoeren van het nader bodemonderzoek is het aantreffen van een sterk verhoogd gehalte zink in de bovengrond ter plaatse van meetpunt 02 en 12 (aan de westzijde van voornoemde locatie) aangetoond in het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door APS-Milieu (rapport kenmerk R19-B464, versie 2, d.d. juli 2019). Conform de Wet bodembescherming (Wbb) is het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de omvang en ernst (en eventueel urgentie, dan wel actuele risico's) noodzakelijk, indien voor de onderzochte parameter de bijbehorende tussenwaarde/interventiewaarde wordt overschreden. Vanwege de bedrijfsactiviteiten van een bloembollen- en bloemknollenkwekerij is het gebruik van bestrijdingsmiddelen (hierna: OCB’s) niet uitgesloten. In het recent uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek verricht naar OCB’s. In het kader hiervan dient de grond aanvullend te worden onderzocht op OCB’s. Tevens is in voornoemd onderzoek de grond onder de huidige verharding en onder de bebouwing niet onderzocht. De milieuhygiënische kwaliteit is onbekend en derhalve is aanvullend onderzoek verricht naar de kwaliteit van de grond. Daarnaast is in voornoemd onderzoek asbestverdacht materiaal op het maaiveld en plaatselijk zijn puinbijmengingen in de grond aangetroffen. Dit maakt de locatie asbestverdacht en dient een verkennend asbestonderzoek te worden uitgevoerd.
Resultaten Op basis van onderzoeksresultaten van onderhavige onderzoek en voorgaand verkennend bodemonderzoek van APS-Milieu, d.d. juli 2019 (rapport kenmerk R19-B464, versie 2) is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van zink in de grond in afdoende mate vastgelegd. Aan de hand van de verzamelde resultaten van de onderzoeken kan geconcludeerd worden dat de bovengrond ter plaatse van groenstrook naast de watergang sterk is verontreinigd met zink. Vermoedelijk is de sterke verontreiniging met zink veroorzaakt door het op de kant zetten van bagger uit de watergang. De omvang van de verontreiniging in de bovengrond wordt geschat op circa 7,5 m3. Het bodemvolume is lager dan 25 m3. Er is, ons inziens, derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Sanering Inmiddels is er ook een saneringsevaluatie geweest. Hieruit is gebleken dat de sterke verontreiniging met zink is verwijderd tot gehalten onder de tussenwaarden. Uit een schriftelijke beoordeling vanuit de Omgevingsdienst blijkt dat zij instemt met het behaalde resultaat en daarmee is de sanering van de verontreinigde bodem afgerond.
Conclusies algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit verharde terreindelen Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt geconcludeerd dat de grond ter plaatse van de uit- en inpandige verharde terreindelen licht is verontreinigd met kobalt, kwik, lood, zink, minerale olie, PAK en PCB. Tevens is in de bovengrond drins (OCB) aangetoond. Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in afdoende mate vastgelegd. De lichte verontreinigingen de grond geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek en vormen ons inziens geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusies asbest in grond Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek wordt geconcludeerd dat in de grond een minimaal gehalte asbest is aangetroffen. Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van asbest in afdoende mate vastgelegd. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest in de grond en vormen ons inziens geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Asfalt voorterrein Op basis van de resultaten van het onderhavige onderzoek wordt geconcludeerd dat het asfalt niet teerhoudend is. Het volledige rapport met kenmerk 1908M858/PMU/rap1 is toegevoegd in als losse bijlage.
Conclusie bodemgeschiktheid De bodemkwaliteit is met de uitgevoerde bodemonderzoeken in voldoende mate vastgesteld. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Ecologie
Wetgeving Bij de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van de Quickscan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. Beoordeling planvoornemen De bestaande zwaar verouderde gebouwen, waarvan het niet realistisch is om deze naar de normen van deze tijd te veranderen, dienen gesloopt te worden. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Voor de start van de werkzaamheden moet worden vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn omdat deze niet mogen worden verstoord. De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet worden vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn omdat deze niet mogen worden verstoord. De ecologische Quickscan met kenmerk R&O19082088 is als bijlage toegevoegd.
In de bedrijfspanden, waar nog steeds opslag plaats vindt om de lopende financieringskosten enigszins op te vangen, heeft tot op heden geen enkele verandering plaats gevonden die van invloed kunnen zijn op de ecologische bevindingen. Het bedrijfspand voldoet nog steeds aan de eisen van opslagruimte, het pand is wind en waterdicht. Er zijn geen interne of externe verbouwingen en of aanpassingen gedaan. Het opnieuw uitvoeren van een quickscan is dan ook niet doelmatig. Ter ondersteuning zijn er foto’s gemaakt die de huidige situatie (oktober 2022) vastleggen.
Conclusie ecologie Voorafgaand aan de werkzaamheden moet worden vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn omdat deze niet mogen worden verstoord. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Externe Veiligheid
Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).
Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.
De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er binnen een straal van minimaal 700 meter zich geen relevante risicobronnen bevinden (zie bovenstaand figuur). Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van
gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen buisleidingen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Beperkingsgebied Luchthavensbesluit Schiphol (LIB) Het plangebied is gelegen in het beperkingsgebied van het Luchthavenbesluit Schiphol (LIB). Echter, vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. De bouwhoogte van de nieuw te bouwen woningen zijn lager dan de bouwhoogte van het bestaande bedrijfspand.
Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Geluidhinder
Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Spoorweglawaai Het plangebied bevindt zich op meer dan 300 meter van de spoorlijn Leiden – Haarlem. De nieuw te realiseren woningen zijn daarmee gelegen buiten de geluidzone. Een toetsing is niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai In opdracht van IDDS Ruimte & Ontwikkeling is door Het GeluidBuro een akoestisch onderzoek verricht naar de optredende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de nieuw te realiseren woningen aan de Noorder Leidsevaart 26 te Hillegom. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de berekende geluidbelasting van de nabijgelegen gezoneerde weg (Noorder Leidsevaart) enkel op de voorgevel niet voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Voor deze overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde vanwege de Noorder Leidsevaart is een aanvraag van een hogere grenswaarde noodzakelijk. Voor de aanvraag Hogere waarde wordt er voldaan aan de richtlijnen die door de Omgevingsdienst West Holland zijn vastgesteld.
De gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van de gezamenlijke wegen bedraagt maximaal 55 dB exclusief aftrek ex artikel 3.4 RMV 2012 (artikel 110g Wgh). Voor de nieuw te realiseren woningen moet worden voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van de geluidwering van de gevels. De karakteristieke geluidwering van de gevels moet voldoen aan het verschil tussen de geluidbelasting excl. aftrek en 33 dB, met een minimum van 20 dB. Aangezien de
geluidbelasting ten gevolge van de Noorder Leidsevaart 55 dB excl. aftrek bedraagt, dient de geluidwering minimaal 22 dB te bedragen. Bij aanvraag omgevingsvergunning zal aannemelijk gemaakt moeten worden dat hieraan wordt voldaan. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bijgesloten. Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande vormt het aspect geluidhinder (rekening houdend met het feit dat er een hogere waarden besluit genomen moet worden) geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven. Tabel 3: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
Stikstofdioxide
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
PM10
40
Jaargemiddelde concentratie
Fijnstof (grove deeltjes)
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)
25
Jaargemiddelde concentratie
NO2
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies.