CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting bestemmingsplan Sizo terrein Hillegom.pdf

Raadscommissie 18 januari 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Tuindorp Hillegom / Sizo terrein28.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2. 3.

Een evenwichtige bevolkingsopbouw a. voldoende en divers woningaanbod b. Inzet voor woningzoekenden in de knel Een toekomstbestendig woonaanbod in de wijken Passend woonaanbod bij iedere levensfase

Deze ambities zijn het vertrekpunt voor de uitwerking van het woonprogramma, het uitvoeringsprogramma en het afwegingskader voor woningvoorraadontwikkeling. Voor woningbouwontwikkelingen wordt door de gemeente het afwegingskader woningbouw gehanteerd. Daarin worden plannen aan verschillende kwantitatieve en kwalitatieve aspecten getoetst. Dit is in navolgende tabel weergegeven.

Kwantitatief tot 2030 Kwalitatief Variatie in het plan Duurzaamheid Levensloopgeschikt

Hillegom Ca. 1.440 woningen Bij kleine plannen, bijdrage aan variatie in de omgeving. Bij grotere plannen van meer dan 8 woningen, variatie binnen het plan De gemeente Hillegom gaat vanuit haar verduurzamingsbeleid in principe uit van de normering GPR uit de omgevingsvisie voor nieuwbouw. Conform Woonkeur-label op aspect toegankelijkheid:

• •

Als eis op locatie nabij (300 m) centrum- of zorgvoorzieningen. Op andere locaties als wens.

Woonzorg Woonzorginitiatieven op locaties nabij centrum- of zorgvoorzieningen Invulling van het bouwprogramma (voor ontwikkelingen van meer dan 8 woningen) 40% • Vrij bouwprogramma

•

•

Sociale huur tot €737,14 (liberalisatiegrens, prijspeil 2020), bij voorkeur door toegelaten instellingen. Minimaal woonoppervlak: bij voorkeur 40 m²

Betaalbare koopwoningen tot €250.000/Middeldure huur tot €1.000 (jaarlijks maximaal te verhogen met de consumentenprijsindex)) Minimaal woonoppervlak: bij voorkeur 50 m²

25%

35%

Planspecifiek De ontwikkeling van het Sizo terrein behoort tot één van de geplande woningbouwplannen die samen ongeveer de helft van de lokale woningbouw mogelijk maken. Op het gebied van kwantiteit is het plan dan ook passend binnen het woonprogramma. Het plan bestaat uit een variatie aan woningen, bestaande uit rijwoningen, duplexwoningen en appartementen in de (sociale) huur- en koopsector. In paragraaf toelichting paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid. Hieruit blijkt dat er op verschillende manieren ingezet wordt op duurzaamheid.

30

De gemeente Hillegom heeft als eigenaar van de voormalige sportvelden een tender uitgeschreven voor de verkoop van de gronden ten behoeve van de realisatie van woningbouw. Een onderdeel van de uitvraag was de realisatie van een voorgeschreven woningbouwprogramma van (prijspeil 2019):

• • • •

40 duplexwoningen, gestapeld, koop, 100m2GBO, max. €225.000 VON; 32 appartementen, gestapeld, koop, 40m2GBO, max. €100.000 VON; 32 appartementen, gestapeld, koop, 60m2GBO, max. €150.000 VON; 32 appartementen, gestapeld, koop, 80m2GBO, max. €200.000 VON.

De rest van het programma werd aan inschrijvers overgelaten. Met het uitschrijven van de tender is al een belangrijk deel van het programma door de gemeente Hillegom vastgelegd. Het uiteindelijke plan wat nu mogelijk wordt gemaakt door onderhavig bestemmingsplan betreft:

• • • •

136 betaalbare koopwoningen (44%); 26 sociale huurwoningen (9%); 147 vrije sectorwoningen (48%). Totaal dus 309 woningen.

Het totaal van ‘sociale huur’ in combinatie met ‘bereikbare koop’ bedraagt 53% van het totale programma. Het aandeel ‘vrije sector’ bedraagt 48%. Met het beoogde programma wordt niet volledig voldaan aan de gemeentelijke ambities zoals verwoord in het Woonprogramma 2020 - 2024. Een reden om af te wijken van deze ambitie is dat het percentage sociale huurwoningen binnen de gemeente reeds rond de 25% zit. Daarnaast is er in de gemeente een tekort aan bereikbare koopwoningen, met name voor koopstarters en/of woningzoekenden die niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Dat laatste is de reden geweest om bij de tender juist in te zetten op een fors aandeel bereikbare koopwoningen en in dit segment juist meer woningen te realiseren dan de gevraagde 35%. Met het grote aanbod aan betaalbare koopwoningen binnen dit plan wordt ook een kans geboden aan huurders van sociale huurwoningen in Hillegom, zoals bijvoorbeeld het naastgelegen Patrimonium. De huurder kunnen mogelijk de stap zetten naar een betaalbare koopwoning. Op deze manier wordt de doorstroming op de woningmarkt verder bevorderd. Met de diversiteit aan woningen en de beoogde doorstroming wordt bijgedragen aan de ambities uit het gemeentelijke woonprogramma. De gemeente Hillegom blijft zich over de gehele gemeente inzetten voor de realisatie van voldoende sociale huurwoningen.

Niet alleen bij dit plan maar ook bij andere nieuwbouwontwikkelingen. De gemeente Hillegom zet zich in om de totale voorraad en het percentage sociale huurwoningen in de toekomst te laten toenemen. Echter dit plan zoals deze soms al jaren in voorbereiding en tot stand gekomen op basis van ouder beleid en eerder gemaakte contractuele afspraken. Masterplan Hillegom Noord Het plan is in lijn met het vastgestelde Masterplan Hillegom Noord. Hierin is gesignaleerd dat het ‘sociale weefsel’ in de nieuwe wijk om aandacht vraagt. Vanwege de geïsoleerde ligging is het meer dan elders belangrijk dat de nieuwe wijk als één geheel gaat functioneren. Segregatie moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Patrimonium is in de bestaande situatie 100% sociaal. Ook op lange termijn blijven bijna alle woningen van Stek beschikbaar voor de sociale doelgroep. Patrimonium heeft altijd wat geïsoleerd gelegen. Hierdoor is er sprake van een bepaalde mate van sociale cohesie. Voorkomen moet worden dat er in dit opzicht een te sterke scheiding ontstaat. Dat kan bijvoorbeeld door bij de herontwikkeling van het plangebied Hillegom Noord een aantal koopwoningen te realiseren die qua financieringslast niet te veel boven de sociale huurgrens liggen. Hier is veel vraag naar en het bevordert de doorstroming in de sociale huursector. In de praktijk blijkt deze categorie woningen moeilijk exploitabel te zijn.

Verder is er in Hillegom veel behoefte aan jongerenhuisvesting. Daarbij dient doorstroming te worden bevorderd, zodat deze huizen op termijn ook nog beschikbaar blijven voor jongeren. Dit kan worden bereikt door het programmeren van kleine woningen. Gevaar van regelmatige wisseling van bewoners is dat dit ten koste kan gaan van de sociale cohesie in de wijk.

31

3.4.3 Welstandsnota 2016 De gemeente Hillegom heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Met de herziening van 2016 heeft de gemeente het welstandsbeleid geactualiseerd en vereenvoudigd. De Welstandsnota 2016 bevatten de criteria die de gemeente hanteert bij de beoordeling van plannen. Het doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Het is van belang om aanvragers door middel van de welstandsnota van tevoren op de hoogte te stellen van de aspecten die een rol spelen bij de welstandsbeoordeling. Tevens geeft het welstandsbeleid de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Planspecifiek Uit het raadplegen van de niveaukaart van de welstandsnota van de gemeente Hillegom blijkt dat het welstandsniveau voor het plangebied 'minimaal' is. De meeste bebouwing binnen de gemeente beschikt over dit niveau. Bouwplannen in gebieden met een minimaal welstandsniveau doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de niveaukaart.

Uitsnede niveaukaart Welstandsnota 2016

Het plangebied is gelegen in een gebied voor sport en recreatie. Echter wordt het plangebied herontwikkeld naar woningbouw. Wat betreft het welstandsbeleid zal aangesloten worden op de uitgangspunten en criteria die gelden voor een woongebied. Voor woongebieden geldt een minimaal welstandsbeleid, waarbij de criteria alleen worden gebruikt om bouwwerken te toetsen. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de volgende criteria:

•

gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon en zijn met de voorgevel gericht op de belangrijkste openbare ruimte;

•

de bouwmassa is afgestemd op de samenhang in rij of bouwblok, waarbij uitbreidingen zijn vormgeven als ondergeschikt element;

•

de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk met aandacht voor herhaling bij rijen en blokken, waarbij wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume en de rij of het cluster;

• •

materialen zijn degelijk en kleuren terughoudend afgestemd op de rij of het cluster; vrijstaande woningen en gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw, vorm en uitwerking.

32

3.4.4 Groenbeleidsplan 2014 - 2023 Het Groenbeleidsplan 2014-2023 van de gemeente Hillegom laat zien hoe de gemeente groene kwaliteit realiseert en behoudt en hoe zij dit inbedt in haar ruimtelijke ontwikkeling. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt groen serieus meegenomen, zodat groen daadwerkelijk bijdraagt aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Het groenbeleidsplan heeft een looptijd van tien jaar en gaat over:

• • •

openbaar groen: bomen, heesters, hagen, gras en alles wat daarmee samenhangt; groen in de openbare ruimte; dus wat publiek eigendom is;

• •

het groen binnen en buiten de bebouwde kom; het bestaande groen en het te ontwikkelen groen.

groen op particulier terrein, voor zover dat voor het beeld van de openbare ruimte en de gemeenschap waardevol is (waardevolle bomen);

Ruimtelijke kwaliteit wordt gecreëerd door de groenstructuur verder uit te bouwen. Het openbare groen bestaat meer uit een eenheid, in plaats van in kleine snippers. Planspecifiek Groen wordt gezien als een belangrijke bouwsteen in het ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Hillegom wil voldoende groen dat bereikbaar en bruikbaar is. In het groenbeleidsplan zijn de wijken in Hillegom ingedeeld in relatie tot een groennorm. Het plangebied bevindt zich in een grijze wijk met minder dan 50 m² groen per woning. Op de navolgende afbeelding staan de woonwijken van Hillegom weergegeven in relatie tot de groennorm. De hierin opgenomen verkaveling is verouderd. De nieuwe verkaveling leidt niet tot wijzigingen in de voorgestelde groenstructuur.

Woonwijken in relatie tot groennorm, plangebied zwart omkaderd (bron: Groenbeleidsplan 2014-2023)

Een ruimtelijke ontwikkeling moet een bijdrage leveren aan de groennorm van de wijk. Binnen het plangebied wordt de openbare ruimte met zoveel mogelijk groen ingericht. Met de ontwikkeling worden relatief veel woningen gerealiseerd. Toch voorziet het plan in ca. 60 m² groen per woning, waarmee de eis voor een basiswijk behaald wordt. Er wordt aangesloten op de aanwezige groenstructuur in het gebied en er wordt nieuw groen toegevoegd. Zo blijft een groot deel van de bestaande bomen behouden en is er ruimte voor nieuwe bomen. In het beleidsplan is een groennorm opgenomen van 0,9 boom per woning. Bij de verdere planuitwerking zal invulling worden gegeven aan deze norm.

33

De overgangen naar het water worden voorzien van natuurlijke oevers met een wilderig karakter. Door het gehele plangebied loopt een parkstrook met een hoge verblijfskwaliteit en ruimte om te spelen. Er worden verschillende verblijfsmogelijkheden gecreëerd voor het stimuleren van ontmoetingen. De navolgende afbeelding toont de groenstructuur in de wijk.

Beoogde groenstructuur in de wijk (bron: Faro architecten)

3.4.5 Economie & Toerisme Hillegom Samen met Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, en Teylingen met de Economic Board Duin- en Bollenstreek geeft de gemeente Hillegom invulling aan haar economische agenda. In overleg met deze andere gemeenten en de economic board is de Uitvoeringsagenda opgesteld. Deze agenda is het fundament onder de ambitie om de economische positie van de Duin- en Bollenstreek te versterken met daarnaast behoud van de woonaantrekkelijkheid. In de agenda zijn tien projecten benoemd. Vijf van deze projecten zijn zichtbare en zeer concrete initiatieven die direct bijdragen aan de economische vitaliteit van de regio. Daarnaast zijn vijf randvoorwaardelijke projecten benoemd die onmisbaar zijn gezien de gezamenlijke ambities vanuit de regio. In de agenda staat beschreven hoe deze tien projecten een impuls vanuit de regio krijgt waarmee de realisatie van de agenda dichterbij wordt gebracht.

34

Planspecifiek In de agenda zijn geen projecten benoemd die een directe relatie hebben met onderhavig plan. Vanuit de uitvoeringsagenda is het de ambitie mensen aan te trekken die in de regio willen wonen. Onderhavige locatie biedt een kans deze mensen ook huisvesting te geven. 3.4.6 Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Hillegom De raad van de gemeente Hillegom heeft op 27 januari 2022 de Doelgroepenverordening woningbouw gemeente Hillegom vastgesteld. In deze verordening zijn de sociale huurwoning, de sociale koopwoning en de middeldure huurwoning opgenomen. De maximale koopprijs voor sociale koopwoningen en de maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen en de huurverhoging (op basis van indexatie) wordt hiermee vastgelegd binnen de wettelijke kaders die hiervoor gelden. Ook regelt de verordening dat deze woonsegmenten gedurende een bepaalde periode als zodanig beschikbaar moeten blijven. Dit zijn de zogenaamde instandhoudingstermijnen. Planspecifiek Voor dit plan heeft de doelgroepenverordening tot gevolg dat de instandhouding van sociale huurwoningen langdurig juridisch zijn vastgelegd. De regeling vanuit dit bestemingsplan in combinatie met de verordening vormt daarmee een juridisch samenstel.

35

4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Met onderhavig plan worden maximaal 309 woningen ontwikkeld. Derhalve is een verplichte m.e.r.beoordeling niet vereist. Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden moet het bevoegd gezag nagaan aan de hand van de criteria: kenmerken van het project, plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten of er mogelijk sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu. Het gaat dan met name om externe effecten. Op basis van de eerste beoordeling neemt het bevoegd gezag een zogenaamd m.e.r.-beoordelingsbesluit. Een m.e.r.-beoordelingsbesluit kan genomen worden op grond van een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r.. In deze aanmeldnotitie wordt door de initiatiefnemer inzage gegeven in de beoogde ontwikkeling en de daarmee samenhangende milieugevolgen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.

Uit deze aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat er geen bijzondere omstandigheden zijn met betrekking tot de kenmerken en locatie van het plan die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op die specifieke locatie. Bovendien blijkt uit de beoordeelde milieuaspecten dat er geen

36

significante negatieve effecten zullen optreden, of dat deze effecten beperkt kunnen worden door mitigatiemaatregelen te nemen en/of de vereiste vergunningen te verkrijgen. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante negatieve milieueffecten. Het is niet nodig om een m.e.r.-procedure te volgen, aangezien dit niet tot een andere conclusie zou leiden en niet vereist is voor deze ontwikkeling.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met onderhavig bestemmingsplan wordt o.a. een woonbestemming mogelijk gemaakt. De bestemmingswijziging van een recreatiebestemming naar een woonbestemming is een wijziging naar een strenger bodemgebruik. In het kader van de bestemmingswijziging is door Grondslag b.v. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Ten behoeve van het onderzoek is het plangebied opgedeeld in de drie deelgebieden A, B en C.

Deelgebied A bevindt zich in het meest noordwestelijke gedeelte van het plangebied. In de meest zuidelijke punt van het plangebied ligt deelgebied B en deelgebied C bestaat uit de overige gronden. De navolgende afbeelding toont de deelgebieden.

Deelgebieden bodemonderzoek (bron: Buro SRO)

37

Deelgebied A Voor dit deelgebied geldt dat er in de mengmonsters geen verhogingen aan minerale olie is vastgesteld. De bovengrond met bodemvreemde bijmengingen bevat lichte verhogingen aan kwik en PCBs. In de mengmonsters van de zintuiglijk schone zandige bovengrond zijn geen verhogingen gemeten. In de monsters van de ondergrond is het gehalte aan molybdeen licht verhoogd en het gehalte aan koper sterk verhoogd. De deelmonsters van de ondergrond met de sterke verhoging aan koper zijn vervolgens apart op koper geanalyseerd om de oorsprong van de sterke verhoging vast te stellen. De deelmonsters zijn uitgesplitst en er is gebleken dat de ondergrond geen koper bevat. Deelgebied B In de zandige ondergrond ter plaatse van deelgebied B is slechts een lichte verhoging aan zink vastgesteld. De zandige bovengrond bevat geen verhogingen. Ter plaatse van één van de boringen is veen in de bovengrond aangetroffen. Deze veen grond bevat een lichte verhoging aan kwik. Deelgebied C In het zuidelijke deel van deelgebied C zijn in de zandige bovengrond naast licht verhoogde gehalten aan kwik, lood en PCB's ook licht verhoogde gehalten aan organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB) beta-HCH en drins aangetoond. In het bovengrondmengmonster inclusief bijmengingen van het noordelijke deel van deellocatie C zijn lichte verhogingen aan kwik, lood en PCBs aangetoond.

De zandige bovengrond zonder bijmengingen van de gehele deellocatie C bevat hooguit een lichte verhoging aan kwik. In de zandige ondergrond van deellocatie C is slechts het gehalte aan kwik licht verhoogd. De venige ondergrond van het zuidelijke deel bevat geen verhogingen. In de venige ondergrond is het gehalte aan minerale olie licht verhoogd. Het gehalte aan minerale olie is volgens het oliechromatogram en de bijbehorende oliefractieverdeling te relateren aan humeuze zuren (natuurlijke herkomst). Het grondwater afkomstig van het gehele terrein bevat geen verhogingen. Depots Er zijn binnen deellocatie C twee gronddepots en een gronddepot met gebroken asfalt aangetroffen. De gronddepots zijn indicatief bemonsterd en geanalyseerd op het NEN- pakket. De depots bevatten hooguit een lichte verhoging aan kwik. Van het depot gebroken asfalt is een monster genomen en op PAK geanalyseerd. Dit monster bevat een gehalte aan PAK lager van 75mg/kg en is derhalve beoordeeld als niet teerhoudend en herbruikbaar. Asbest Ter plaatse van deellocatie A is op het maaiveld asbesthoudend materiaal aangetroffen. Hiervoor is een aanvullend grondonderzoek op de mate en omvang van een verontreiniging met asbest uitgevoerd. Op de deellocaties B en C is op en in de bodem geen asbest visueel aangetroffen.

Bodemonderzoek Stelconplaten Voor het meest noordwestelijke gedeelte van het plangebied is ter plaatse van de stelconplaten een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. Er zijn in de boven- en ondergrond hooguit enkele lichte verhogingen aan kwik en/of PCB aangetoond. Er is zowel visueel als analytisch geen asbest geconstateerd. de onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de bestemmingswijziging en de afgifte van een omgevingsvergunning. Aanvullend onderzoek asbest Op 7 juli 2020 is door Grondslag b.v. een aanvullend onderzoek naar asbest in de bodem voor deellocatie A uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Op basis van visuele waarneming is de locatie onderverdeeld in drie ruimtelijke eenheden, de verdachte bovengrond met stukken asbestverdacht materiaal, onverdachte bovengrond, zonder asbestverdacht materiaal en de onverdachte ondergrond. Alle drie de eenheden zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van asbest door middel van het graven van sleuven.

38

Met het nader onderzoek is het gemiddelde gehalte aan asbest per ruimtelijke eenheid bepaald. Ter plaatse van de verdachte bovengrond is asbest waargenomen. Het asbest is in de grove fractie aangetroffen in de bovengrond tot een diepte van 0,7 m-mv. De concentratie aan asbest overschrijdt de interventiewaarde niet. Ter plaatse van de onverdachte bovengrond en onverdachte ondergrond is geen verhoogde asbestconcentratie aangetoond. Er is in de bodem asbest aangetroffen, maar in een gehalte lager dan de interventiewaarde. Formeel is er geen sprake van een (ernstig) geval van bodemverontreiniging en/of een saneringsnoodzaak. In het aanvullend onderzoek naar asbest in de bodem wordt aanbevolen voorafgaand aan de werkzaamheden het asbesthoudende materiaal op het maaiveld en in de bovengrond te verwijderen middels de 'handpicking-methode'. Het asbesthoudende materiaal ter plaatse is inmiddels verwijderd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de herontwikkeling van het Sizo terrein. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³.

Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.

39

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden maximaal 309 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied zijn als volgt: Fijnstof en stikstofdioxide PM10 PM2,5 NO2

Achtergrondconcentratie 17 - 18 μg/m³ 10 - 11 μg/m³ 15 - 18 μg/m³

Grenswaarde 40 μg/m³ 25 µg/m³ 40 μg/m³

Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Houtstook Houtstook (inclusief pelletkachels) zorgen voor een verslechtering van de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Er zal dan ook geen gebruik gemaakt worden van houtstook. Daarnaast worden de woningen aardgasvrij gerealiseerd. In de bestemmingsregeling is een verbodsbepaling opgenomen voor houtstook. Omliggende bedrijven Bedrijven kunnen directe (bijvoorbeeld door het productieproces of het houden van dieren) of indirecte (door extra verkeer te veroorzaken) bronnen van luchtvervuiling zijn. Bij het oprichten van een nieuw bedrijf of het wijzigen van een bestaand bedrijf moet het effect op de luchtkwaliteit worden beschouwd. Voor bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen, is vastgesteld dat hun impact op de luchtkwaliteit minimaal is (NIBM: Niet In Betekenende Mate). In dat geval is een beoordeling van de luchtkwaliteit niet nodig, tenzij het Activiteitenbesluit dit voorschrijft. Een luchtkwaliteitstoets is vereist wanneer het bedrijf aanzienlijke emissies heeft, aanzienlijk extra verkeer veroorzaakt of wanneer het gaat om veehouderijen van een bepaalde omvang. Voor bedrijven waarvoor een vergunning vereist is, is een individuele luchtkwaliteitstoets vereist.

De ontwikkeling mag geen overschrijding van de wettelijk vastgestelde grenswaarden tot gevolg hebben (zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer, artikel 5.16).

40

In de directe omgevings zijn uitsluitend bedrijven aanwezig die werken onder het Activiteitenbesluit. Veehouderijen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de omliggende bedrijven niet leiden tot een belemmering. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Planspecifiek Wegverkeerlawaai Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige objecten. De planlocatie ligt binnen de geluidzone van de Weeresteinstraat (N208) en in de nabijheid van een aantal wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur. Derhalve is door Adviesburo van der Boom een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. De geluidbelasting door wegverkeer op de Weeresteinstraat (N208) bedraagt op de gehele woningbouwlocatie ten hoogste 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Hogere waarden voor de geluidbelasting op de N208 zijn niet nodig. De geluidbelasting door wegverkeer bedraagt ten hoogste 53 dB zonder aftrek. Voor het aspect geluid is sprake van een goede ruimtelijke ordening als wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Langs de ontsluiting ten zuiden van het plangebied zijn geen bestaande woningen of andere geluidgevoelige objecten aanwezig.

Derhalve is het niet nodig om hiervoor een akoestisch onderzoek naar wegverkeer uit te voeren. Spoorweglawaai De spoorlijn Leiden Centraal - Haarlem ligt op meer dan een kilometer afstand ten westen van de planlocatie. Daarmee bevindt de planlocatie zich niet binnen een geluidzone van het spoor. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de onderzoekszone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Wel zijn er ten noorden, oosten en westen(Lommerse Zuid) van het plangebied verschillende bedrijven aanwezig. In toelichting paragraaf 4.2.4 wordt nader ingegaan op de omliggende bedrijven. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

41

4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het plangebied betreft de realisatie van een nieuwe woonwijk met 309 woningen. Op basis van de omgevingsvisie van de gemeente Hillegom wordt gestreefd naar een zo goed mogelijke woon- en leefkwaliteit.

42

Algemeen Rondom de planlocatie zijn verschillende bedrijven gelegen. Om te bepalen welke bedrijven mogelijk van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling is door Sweco in opdracht van de gemeente Hillegom in 2019 een eerste verkenning opgesteld (Memo bedrijven- en milieuzonering Hillegom Noord, 01-05-2019). In deze rapportage zijn alle omliggende bedrijven beschouwd, 14 bedrijven in totaal, te weten: 1. Lommerse Uitendaal (locatie Noord) 2. Ferreti Cars 3. Lommerse Uitendaal (locatie Zuid) 4. Van der Kwaak transport en logistiek (niet meer in bedrijf) 5. Evers staalconstructies 6. Hillegomse Houthandel 7. Jetsign/Jetmail 8. Damo natuursteen 9. Atalantic Fluid tech 10. Joheco automatiseringen 11. Newell 12. Precimax special product 13. Manege 14. Kwekerij Spijker In deze rapportage zijn de omliggende bedrijven getypeerd in het kader van Bedrijven en milieuzonering en vervolgens is bepaald welk aspect, geluid, gevaar, stof, maatgevend is. Met uitzondering van het bedrijf Newell bleek het aspect geluid voor alle omliggende bedrijven maatgevend. In de conclusie is door Sweco aan gegeven dat de navolgende bedrijven nader dienen te worden beschouwd:

• • • • • • •

Lommerse Uitendaal: Geluid en Gevaar Autohandel Hillegom: Geluid Evers Staalconstructies: Geluid Hillegomse Houtgroothandel: Geluid Jetsign/Jetmail: Geluid Newell Rubber Maid: Geur, geluid en gevaar Kwekerij Spijker: spuitzones

Geluid Het plangebied wordt aan meerdere zijden omgeven door bedrijven. Om deze reden is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege de omliggende, voor geluid relevante bedrijven ter plaatse van de bouwvlakken binnen het plangebied. In het akoestisch onderzoek naar deze omliggende bedrijven ((M+P, bijlage 5 / 13 december 2023) is vervolgens onderzocht wat de geluidbelasting is in de huidige situatie zonder aanvullende maatregelen. Daaruit is gebleken dat:

• •

Als gevolg van de geluidbelasting van omliggende bedrijven, niet bij alle woningen zonder meer sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bouwvlakken; De bedrijfsvoering van omliggende bedrijven belemmerd wordt door het plan;

Het gaat hierbij met name om de bedrijven Lommerse Uitendaal (beide locaties), Newell en Jetmail. Uit het onderzoek blijkt dat vanwege de overige bedrijven geen sprake is van een verhoogde geluidbelasting en de bedrijfsvoering niet belemmerd wordt door het plan. Bij de bedrijven waar sprake is van een verhoogde geluidbelasting bij de bouwvlakken is nader onderzocht welke maatregelen redelijkerwijs getroffen kunnen worden in het plangebied en bij de bedrijven. Hierbij is onderzocht of door het aanpassen van het plan en door het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen en/of aanpassingen in de bedrijfsvoering van de bedrijven, de geluidbelasting ter plaatse van de bouwblokken beperkt kan worden. In de onderstaande tabel zijn de te

43

treffen maatregelen opgenomen. In het onderliggende akoestisch onderzoek (M+P, rapport M+P.TIMP.21.01.13. d.d. 13 december 2023) zijn in tabel XII meer specifiek de te treffen maatregelen opgenomen en nader in de rapportage onderbouwd. Bedrijf

Te nemen maatregelen

Lommerse Uitendaal nieuw

Lommerse Uitendaal oud

• • • •

• •

Jet Mail

• •

Geluiddemper op uitlaat rooster CV bron LU60, invoegdemping 20 dB vliesgevel blok 8 geluidscherm tussen blok 3 en 8 Geluidsvoorschriften (inclusief voorwaarden uit tabel XIII): Op blok 3, 11 en 12: conform bijlage B

vliesgevel blok 26 Geluidsvoorschriften (inclusief voorwaarden uit tabel XIII): Op blok 26, woningen zuidzijde, conform rekenresultaten in bijlage B

demper afzuiging 20dB gebruik perscontainer uitsluitend gedurende de dagperiode

Newell

•

Feretti Cars

•

geen maatregelen nodig

Evers staalconstructies

•

geen maatregelen nodig

De Hillegomse Houthandel

•

geen maatregelen nodig

•

geen maatregelen nodig

Transportbedrijf Daallaan 3a

Horst

ten

Heeft geluidsvoorschriften in milieuvergunning, deze dienen te worden aangepast; geen maatwerkvoorschriften

Daarnaast zijn op 2 locaties (blok 18 tegen zuidgevel en blok 21 tegen oostgevel) in het plangebied nog geluidschermen benodigd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de buitenruimten te waarborgen. Voor de woningen die nabij Lommerse (oud en nieuw) mogelijk worden gemaakt geldt dat met voorzieningen bij alle woningen er sprake is van geluidsluwe achtertuinen. De maatregelen bestaan uit onder meer het treffen van geluidreducerende maatregelen binnen het plangebied, het realiseren van geluidreducerende maatregelen bij bedrijven en het beperken van het gebruik van apparatuur bij bedrijven. Voor deze aanvullende maatregelen is beoordeeld of deze redelijkerwijs haalbaar zijn en de bedrijfsvoering van deze bedrijven niet onevenredig wordt beperkt. De maatregelen bij de bedrijven zijn afgestemd met en akkoord bevonden door de betreffende bedrijven. De aanvullende maatregelen leiden niet tot een belemmering voor de bedrijfsvoering van die bedrijven. Met deze maatregelen kan voor het grootste deel van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat worden bereikt. Verdergaande aanvullende maatregelen zijn redelijkerwijs niet mogelijk vanwege de impact op de bedrijfsvoering van de bedrijven, danwel vanwege de haalbaarheid van het plan.

44

Zoals volgt uit het akoestisch onderzoek zijn binnen het plangebied een aantal aanvullende maatregelen nodig. Deze zijn in onderstaande tabel benoemd. blok 8

Vliesgevel voor alle woninggevels aan de noordzijde Geluidsscherm tussen blok 8 en blok 3 conform beschrijving op pag. 10 rapportage M+P

blok 26

Vliesgevel voor alle woninggevels aan de westzijde

blok 18

Geluidsscherm tegen zuidgevel, afm. Lxh = 8x1,8 m, situering zie figuur 10 in bijlage A rapportage M+P

blok 21

Geluidsscherm tegen oostgevel, afm. Lxh = 8x1,8 m, situering zie figuur 10 in bijlage A rapportage M+P

Voor een klein aantal woningen (ten opzichte van het totaal aantal te realiseren woningen binnen het plangebied) is, ook na het treffen van aanvullende maatregelen geen sprake van een goed woon- en leefklimaat vanwege de geluidbelasting van omliggende bedrijven. Het betreft hier de woningen en/of bouwlagen waar niet voldaan kan worden aan een langtijdgemiddeld geluidniveau van 50 dB(A), zoals opgenomen in de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Hier is na het treffen van aanvullende maatregelen sprake van een redelijk woon- en leefklimaat. Het bevoegd gezag acht dit echter aanvaardbaar om de volgende redenen:

•

Het betreft een beperkt aantal woningen waar geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, maar van een redelijk woon- en leefklimaat.

•

Vrijwel alle grondgebonden woningen beschikken over een stille zijde (< 50 dB(A) gecumuleerd). Bij een aantal woningen in het noordelijke deel van het plangebied geldt dit niet voor de hoogste bouwlaag.

• •

Bij alle woningen is sprake van een geluidluwe buitenruimte.

•

Er zijn redelijkerwijs geen verdere aanvullende geluidreducerende maatregelen mogelijk hetzij binnen het plangebied, hetzij bij de bedrijven, om een goed woon- en leefklimaat te bereiken. Gelet op de omgeving zijn afschermende voorzieningen in de vorm van een geluidscherm, anders dan de in het rapport opgenomen geluidafschermende maatregelen, tussen de bedrijven en de woningen redelijkerwijs niet mogelijk.

•

Voor de woningen en/of bouwlagen waar de geluidnorm van het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) wordt overschreden kunnen maatwerkvoorschriften vastgesteld worden. Deze maatwerkvoorschriften zullen niet hoger vastgesteld worden dan 55 dB(A).

•

Voor de woningen en/of bouwlagen waar de geluidbelasting vanwege omliggende bedrijven hoger is dan 55 dB(A) dient de betreffende gevel als dove gevel uitgevoerd worden, tenzij de betreffende bouwlaag niet bestemd is als geluidgevoelige ruimte. Dit laatste is in de regels geborgd.

Borging maatregelen bij bedrijven De in het akoestisch onderzoek opgenomen maatregelen bij de bedrijven, zoals het stellen van een hogere geluidnorm, het treffen van aanvullende maatregelen aan installaties en/of het beperken van de bedrijfsduur van installaties, kunnen niet geborgd worden in de regels bij dit bestemmingsplan. Maatregelen voor de beoogde woningen zijn geborgd via het opnemen van voorwaardelijke verplichtingen. Het bevoegd gezag zal, op grond van het Activiteitenbesluit, maatwerkvoorschriften vaststellen om de aanvullend benodigde maatregelen bij die bedrijven te borgen. Overige omliggende bedrijven In de directe omgeving zijn twee bedrijven aanwezig die niet zijn onderzocht door M+P maar mogelijk wel van invloed zijn op de beoogde woningbouwontwikkeling. Aan de Oosteinderlaan 32 is kwekerij Spijker gevestigd. Dit is een handels- en exportbedrijf en kwekerij. Aan de zuidzijde van het bedrijfsperceel zijn nog gronden gelegen die aangewend kunnen worden voor teelt waarbij ook gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. Bij de toepassing van bestrijdingsmiddelen hanteert de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een richtafstand van 50 meter, een zogenaamde spuitzone. Een keuze voor een kortere afstand kan in een concreet geval redelijk zijn.

Zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraak (ECLI:NL:RVS:2016:2342) van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State kan afscherming van het woonerf door middel van een heg eventuele resten van de gewasbeschermingsmiddelen tegenhouden.

45

In het kader van spuitzones is primair de vraag of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Deze toets dient plaats te vinden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Vervolgens is het de vraag of het naastgelegen bedrijf, als gevolg van de 'functiewijziging' gehinderd wordt in de bedrijfsvoering. In het Activiteitenbesluit zijn de eisen omtrent toepassing van bestrijdingsmiddelen niet 1 op 1 gekoppeld aan de aanwezigheid van gevoelige objecten of bestemmingen. Artikel 3:78a schrijft, los van de aanwezigheid van een gevoelige bestemming, voor dat er een driftreductie van 75% moet worden behaald. Daarmee is het enkel de vraag of, ter plaatse van de gevoelige functie, er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat nabij een teeltlocatie waar gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden toegepast. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt ook beschouwd of een bedrijf wordt belemmert in de bedrijfsvoering dan wel dat de toepassing van bestrijdingsmiddelen in de weg staat aan de realisatie van de beoogde woningen.

Voor spuitzones moet de kanttekening gemaakt worden dat deze zone van 50 m, als gevolg van een gerechtelijke procedure uit 2006, uitgaat van de toepassing van bestrijdingsmiddelen zonder enige vorm van driftreductie en het hier de toepassing betreft van bestrijdingsmiddelen die zijwaart worden opgespoten, waar in in casu neerwaart wordt gespoten. Sinds 1 januari 2018 is het op grond van het artikel 3.78a Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%. Daarmee is het de vraag hoe toepasbaar nog de gehanteerde afstand van 50 meter is. In het plan zoals voorzien en het daarbijbehorende inrichtingsplan wordt aan de oostzijde in aansluiting op de teeltpercelen voorzien in een groene afscheiding, gevolgd door een bestaande sloot. Deze groene afscheiding voorziet in een afschermende werking. Daarnaast is het niet toegestaan bestrijdingsmiddelen te brengen in oppervlakte water, al dan niet via drift. De afschermende werking in combinatie met de reeds bestaande sloot maken dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de planregels is geborgd dat een wintergroene haag van minimaal 1,5 meter hoog wordt aangelegd en in standgehouden. Aan de Oosteinderlaan 10 is Meiland Pallets gevestigd. Het bedrijfsperceel is gelegen op circa 60 meter van de planlocatie.

Op locatie zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan tot en met milieucategorie 3.2. Bedrijven in deze categorie kennen een richtafstand van 100 meter (rustige woonwijk) en 50 meter (gemengd gebied). De bedrijfslocatie van Meiland wordt grotendeels door bestaande bedrijfsbebouwing afgeschermd. Met in achtname van de deze afscherming kan gesteld worden dat de bedrijfsvoering van Meiland Pallets niet in de weg staat aan de beoogde ontwikkeling en dat op locatie er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat bij het grootste deel van de nieuwe woningen binnen het plangebied na het treffen van aanvullende maatregelen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bij een aantal woningen is ook na het treffen van aanvullende maatregelen sprake van een redelijk woon- en leefklimaat. Het treffen van verdergaande aanvullende maatregelen is redelijkerwijs niet mogelijk. De aanvullende maatregelen binnen het plangebied worden geborgd in de regels bij dit bestemmingsplan in combinatie met de verbeelding. Het bevoegd gezag zal, op grond van het Activiteitenbesluit, maatwerkvoorschriften vaststellen om de aanvullend benodigde maatregelen bij die bedrijven te borgen. Door het vaststellen van maatwerkvoorschriften wordt de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven niet onevenredig belemmerd.

Geur Ten aanzien van geur is met name het bedrijf Newell relevant. Dit bedrijf valt, blijkens opgaaf van de Omgevingsdienst West-Holland, onder SBI-code 2041 ‘Zeep-, was- en reinigingsmiddelenfabrieken’, milieucategorie 4.2. Het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' laat bedrijven toe tot maximaal milieucategorie 3.2. Voor bedrijven in milieucategorie 4.2 geldt een richtafstand van 300 meter voor het aspect geur, 100 meter voor het aspect stof en 200 meter voor het aspect geluid en 100 meter voor het aspect gevaar.

46

In de aanvraag van de revisievergunning, zoals deze enkele jaren geleden is ingediend, is een geuronderzoek opgenomen. De ambtshalve wijziging in 2011 heeft betrekking op de verkleining van de geurcontour uit de eerdere vergunningaanvraag. Deze aanpassing is gebaseerd op het geurrapport van adviesbureau Blauw ‘Geurbelasting Bentfield te Hillegom’ rapportkenmerk BL2010.5257.01-V03 met datum 11 augustus 2010. In het geurrapport van Blauw zijn de volgende contouren weergegeven:

Op basis van de vergunning is door de Omgevingsdienst, in haar advies van 5 juli 2017, vastgesteld dat voor een nieuwbouwproject met aaneengesloten woonbebouwing er geen knelpunt is. In augustus 2020 is de ongrondse tank isopropanol van 25 m3 vervangen door en tank van 35 m3. Deze aanvraag is door de betreffende inrichting ‘neutraal’ aangevraagd, dat wil zeggen de milieueffecten onveranderd zijn. De geursituatie is dus niet veranderd en daarmee ook door de aanvrager herbevestigd. Uitgaande van het aaneengesloten bebouwingsplan wordt ook in de nieuwe situatie voldaan aan de vastgestelde geurcontouren en is er geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Momenteel is alleen Newell als bedrijf aanwezig in het plangebied die geur emiteert. In principe bestaat de mogelijkheid dat binnen de nu toegestane milieucategorie zich een bedrijf vestigt die ook geur emiteert wat van invloed kan zijn op de woonkwaliteit. Voor nieuw te vestigen bedrijven geldt dat in de bedrijfsvoering rekening gehouden moet worden met de, nog te realiseren, woningen. Deze woningen zijn maatgevend voor nieuwe bedrijven die zich eventueel zich gaan vestigen. Ook daarmee is ook voor de toekomst de woonkwaliteit geborgd.

47

4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

48

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn.

Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede EV signaleringskaar (bron Omgevingsdienst West-Holland)

49

Transport gevaarlijke stoffen Over de N208 ten westen van het plangebied vinden transporten van gevaarlijke stoffen plaats. Op de risicokaart staat de N208 niet aangegeven als een weg met een extern veiligheidsrisico. Daarnaast bevinden zich langs de N208 geen bedrijven die transporten van gevaarlijke stoffen veroorzaken. Volgens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen dienen transporten met gevaarlijke stoffen binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk vermeden te worden. Transporten van gevaarlijke stoffen mogen alleen door de bebouwde kom plaatsvinden als de bestemming van het transport enkel via die route bereikbaar is. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er over de N208 slechts een beperkt aantal transporten plaats zullen vinden. Tevens heeft het plan geen effect op de hoogte van het groepsrisico, de bereikbaarheid, capaciteit hulpdiensten of zelfredzaamheid. Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied bevindt zich aan de Ampèrestraat 12 een risicovolle inrichting. Het betreft een opslag van gevaarlijke stoffen. Voor deze inrichting geldt een PR 10-6 risicocontour van 45 m. Tevens bevindt zich hier een ethanoltankwagen, waarbij een PR 10-6 risicocontour van 20 m geldt. Op 15 september 2020 is voor de ondergrondse opslag van isopropanol een nieuwe vergunning afgegeven (zaaknummer 2020-011913).

De aanvraag is ingediend onder de voormalige 9.19 Wm melding, te weten milieuneutraal veranderen. Onderdeel van het plaatsen van de nieuwe tank is het aanpassen van het leidingwerk. Daarmee is de lostijd, blijkens de aanvraag, sterk afgenomen. Met de afname van de lostijd neemt ook het risico af voor calamiteiten tijdens het lossen. Het hele plangebied ligt buiten de risicocontouren. Voor het groepsrisico zijn geen contouren opgenomen voor risicovolle inrichting aan de Ampèrestraat 12. Tevens worden er met het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Op een afstand van meer dan 300 m ten zuiden van het plangebied ligt een gasleiding van Gasunie. Gezien de ruime afstand tot het plangebied kan gesteld worden dat de gasleiding geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Hoogspanningslijnen Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1611/documents/20911