CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting bestemmingsplan Sizo terrein Hillegom.pdf

Gemeenteraad 1 februari 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 13: Vaststellen bestemmingsplan Tuindorp Hillegom / Sizo terrein28.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

50

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

51

4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap Van Rijnland Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2. 3. 4.

5. 6. 7.

Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.

Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

52

Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15 % van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding.

Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);

• • • •

toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

53

4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Met de ontwikkeling van het Sizo-terrein neemt de oppervlakte aan verharding toe. Als uitgangspunt voor de compensatie moet 15% van het verhard oppervlak gecompenseerd worden. Voor het voorliggende project is in hoofdzaak gekozen af te koppelen. Door middel van een infiltratieriool met inspectievoorzieningen worden infiltratiegebieden aan elkaar gekoppeld en kunnen de systemen (indien gewenst) gereguleerd worden met (nood-)overstorten. De navolgende tabel toont de verhardingsbalans van de beoogde situatie en de benodigde watercompensatie.

Verhardingsbalans beoogde situatie (bron: AW groep)

Gezien de huidige indeling van de woonwijk valt er binnen het projectgebied geen extra ruimte voor watercompensatie te creëren en zal de wateropgave bestaan uit een infiltratiepakket van grove fundatiemateriaal i.c.m. onderliggende infiltratieriool. Het infiltratieriool voert af op buffervelden en deze storten over middels een overstortdrempel naar omliggend oppervlaktewater. Met het plan worden de bestaande rijlopers en parkeervakken uitgevoerd met een funderingslaag met zeer grove steenslag, zodanig dat holle ruimtes in deze funderingslaag kunnen dienen als waterbuffer. Daarnaast wordt een infiltratieriool aangebracht om de gebieden te koppelen en vormen zij een tijdelijk buffer voor de zwaardere buien. Het uiteindelijke doel is om water in het plan vast te houden zolang dat kan en pas over te storten als het moet. Afhankelijke van vereiste voorwaarden voor het afkoppelen, de verkeersbelastingen, de doorlatendheid van de bodem en de vastgestelde grondwaterpeilen zal de benodigde constructieopbouw en dikte van de fundatie in een vervolg stadium worden doorgerekend en bepaald. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat er aan de westzijde van het plangebied een regionale waterkering ligt.

Het is toegestaan om handelingen te verrichten in het watersysteem en de bijbehorende beschermingszone, mits er geen nadelige effecten voor het watersysteem ontstaan. Voor de bescherming van de regionale waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' conform de legger van het hoogheemraadschap van Rijnland opgenomen. Voor het bouwen van gebouwen, waaronder woningen, is een omgevingsvergunning nodig. Riolering Er wordt een nieuw rioolsysteem aangelegd waar de nieuwe woningen op worden aangesloten. Het hemelwater wordt afgekoppeld, gebufferd in de waterbergende weg en in de parkeerkoffers aangelegde buffervelden en pas als het moet en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Om de infiltratie te verbeteren wordt onder de verharding een waterbergende fundering en buffervelden i.c.m. een DT/IT riool toegepast. Hiermee wordt het hemelwater langer vastgehouden en krijgt het de tijd om ter plaatse te infiltreren.

54

Klimaatadaptatie en duurzaamheid Door de klimaatverandering is klimaatadaptief bouwen van belang. De provincie Zuid-Holland heeft het 'Convenant klimaatadaptief bouwen'. In toelichting paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op het 'Convenant klimaatadaptief bouwen' en de aspecten klimaatadaptatie en duurzaamheid.

4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Gebiedsbescherming Bij het uitvoeren van ruimtelijke projecten met de daarbij behorende fysieke ingrepen is het van groot belang om rekening te houden met de aanwezige natuurwaarden op de betreffende locatie. In dit proces wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming houdt in dat bepaalde gebieden aangewezen kunnen worden als beschermd gebied. Deze aanwijzing kan verschillende redenen hebben, zoals het voorkomen van bijzondere flora en fauna, het behoud van unieke landschappen, het beschermen van kwetsbare ecosystemen, of het waarborgen van de leefomgeving van specifieke diersoorten. Soortenbescherming richt zich op het beschermen van individuele planten- en diersoorten. Op 1 januari 2017 is de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb) in Nederland. Deze nieuwe wetgeving heeft als doel het waarborgen van de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten, zowel op land als in het water. Door middel van de Wnb worden maatregelen genomen om schade aan en verstoring van deze soorten te voorkomen en hun leefgebieden te beschermen. Bij fysieke ingrepen, zoals de aanleg van infrastructuur, bouwprojecten of landbouwactiviteiten, is het cruciaal om de Wet natuurbescherming na te leven.

Dit betekent dat vastgesteld moet worden welke planten- en diersoorten aanwezig zijn in het betrokken gebied. Vervolgens moeten er passende maatregelen worden genomen om schade aan deze soorten te voorkomen of te beperken. Het naleven van zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming draagt bij aan het behoud van de biodiversiteit en het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Door rekening te houden met de natuurwaarden ter plaatse en de wet- en regelgeving omtrent natuurbescherming te volgen, kunnen ruimtelijke ingrepen op een verantwoorde en duurzame manier worden uitgevoerd, waarbij de waardevolle natuurlijke ecosystemen en soorten worden beschermd en behouden voor toekomstige generaties.

55

De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of andere beschermde en/of kwetsbare gebieden. Eventuele negatieve effecten kunnen zich voordoen als gevolg van geluid, trillingen, lichthinder of in de vorm van depositie van stikstof. Gezien de afstand tot het Natura 2000 gebied, circa 2 km, zijn negatieve effecten als gevolg geluid, lichthinder of trillingen op voorhand uit te sluiten. De depositie van stikstof, zowel in de gebruiksfase als aanlegfase, kan wel een negatief effect met zich meebrengen. De eventuele effecten zijn middels een zogenaamde AERIUS berekening in beeld gebracht. In de navolgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Soortenbescherming Quickscan flora en fauna Met het beoogde plan worden de voormalige sportvelden herontwikkeld tot een nieuwe woonwijk. Voor het plangebied is door Jansen & Jansen groenadviesbureau een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6. Het rapport bevat de volgende conclusies:

•

Overtreding van de Wet natuurbescherming bij uitvoering van de ruimtelijke plannen kan niet worden uitgesloten. Het is noodzakelijk om een naderonderzoek uit te voeren naar de functie van het plangebied voor vleermuizen, rugstreeppadden en roofvogelsoorten (jaarrond beschermde nesten).

•

Ook wordt aanbevolen om vervolgonderzoek uit te voeren naar de het voorkomen van verblijfplaatsen van de ijsvogel en van de grote bonte specht. Nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd als in de omgeving geen alternatieve verblijfplaatsen beschikbaar zijn. Gezien de omvang van de ontwikkeling is dit een mogelijk scenario;

•

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk, om in en later stadium van het project, een werkprotocol op te stellen. In dit protocol dient te worden vastgelegd hoe (algemeen) voorkomende soorten en actieve nesten van vogels kunnen worden beschermd tijdens de werkzaamheden. Uitgangspunt van het protocol moet zijn dat schade aan individuele dieren zoveel mogelijk wordt voorkomen;

•

Tot slot wordt er aanbevolen om aanvullend onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van kleine marterachtigen in het plangebied. Het plangebied lijkt bij uitstek geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. In de provincie Zuid-Holland zijn kleine marterachtigen, op het moment, vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het is echter de verwachting (van de onderzoeker) dat, in navolging van andere provincies, de soortgroep van de vrijstellingslijst zal worden verwijderd.

Aanvullend onderzoek flora en fauna Uit de Quickscan is naar voren gekomen dat het noodzakelijk is om een vervolgonderzoek vleermuizen, rugstreeppadden, boombewonende roofvogelsoorten, grote bonte spechten en ijsvogels noodzakelijk is. Derhalve is door Jansen & Jansen Groeadviesbureau een vervolgonderzoek naar deze soorten uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7. De rugstreeppad is niet waargenomen tijdens de veldonderzoeken. Ook op basis van het eDNA onderzoek komt naar voren dat er geen rugstreeppadden aanwezig zijn in het plangebied. Tijdens de veldonderzoeken is gebleken dat de spechtholen in het plangebied niet gebruikt worden door spechten. Ook is vastgesteld dat er geen ijsvogel in het plangebied gebroed heeft. UIt het nadere onderzoek, uitgevoerd door Blom ecologie, is de aanwezigheid van de buizerd, zoals veronderstelt door Jansen & Jansen, niet gebleken. De planlocatie is dan ook niet van belang als leefgebied voor de buizerd. Voor de ruige dwergvleermuis en laatvlieger geldt dat het plangebied geen essentieel onderdeel van hun foerageergebied is. Wezenlijke negatieve effecten als gevolg van het verlies aan foerageergebied zijn dan ook niet te verwachten voor deze soorten. Voor zowel de rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis moeten er voldoende mitigerende maatregelen worden genomen.

Door het nemen van mitigerend en compenserende maatregelen kan het verlies aan verblijfplaatsen worden voorkomen of gecompenseerd. Wanneer voldoende rekening wordt gehouden met de rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis, kan overtreding van de Wet natuurbescherming volledig worden voorkomen. Met de ontwikkeling blijven de bomen aan de oostzijde, waar mogelijk, behouden. Hierdoor worden de buizerd en rosse vleermuis niet verstoord. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de buizerd en

56

vleermuizen. Zo kan er bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van vleermuisverlichting om verstoring te voorkomen. Herbevestiging bevindingen In het verleden is er door Jansen & Jansen groenadviesbureau onderzoek gedaan naar de potentie voor de aanwezigheid van de rugstreeppad, vleermuizen en boombewonende roofvogelsoorten. Het locatie bezoek behorende bij dit onderzoek dateert uit februari 2021 en is daarmee ouder dan twee jaar. Het onderzoek vormde de basis voor een vervolgstudie die gericht was op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van deze soorten. Uit de resultaten van deze vervolgstudie blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er inmiddels potentie is ontstaan voor andere soorten dan degene die al zijn genoemd in de eerdere quickscan. Daarmee zijn de onderzoeksresultaten van Jansen & Jansen groenadviesbureau later herbevestigd. Om volledig te zijn, is op 19 mei 2023 ook de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er recentere waarnemingen zijn gedaan van de rugstreeppad en buizerd in de bredere omgeving van de planlocatie. Echter, op basis van de informatie uit de NDFF zijn er geen nieuwe waarnemingen die leiden tot de conclusie dat de eerdere quickscan moet worden uitgebreid. Daarmee kan volstaan worden met het oudere onderzoek van Jansen & Jansen groenadviesbureau.

Oplegnotitie De rapportage van Jansen & Jansen is door de Omgevingsdienst beoordeeld. Hieruit zijn verschillende open aanmerkingen naar voren gekomen. Een aanpassing van de deze rapportage is niet doorgevoerd. Dit omdat Jansen & Jansen niet meer bestaat als onderzoeksbureai. Door Blom ecologie is derhalve een oplegnotitie geschreven (13 januari 2022 / bijlage 15). Hierin wordt inhoudelijk gereageerd, voor zover mogelijk, op de vragen omtrent het document van Jansen & Jansen. Marteronderzoek In het kader van de Wet natuurbescherming is een aanvullend marteronderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8 (12 november 2021). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat aanwezigheid van kleine marterachtigen uitgesloten kan worden. Dit wordt onderbouwd door de afwezigheid van waarnemingen. Aan de noordoostzijde van deelgebied 2 (het noordelijke gedeelte van het plangebied) is een migratieroute van steenmarter vastgesteld. In het oriënterend onderzoek is geen aanvullend onderzoek naar steenmarter geadviseerd wegens het ontbreken van waarnemingen van de soort. Bijna alle waarnemingen van de steenmarter zijn gedaan waarbij het dier zich van het oosten naar het westen verplaatste. Het is zeer aannemelijk dat de steenmarter een verblijfplaats zal hebben in of nabij het agrarisch gebied ten oosten van de planlocatie.

De bosschage op de noordzijde van de planlocatie wordt gebruikt als migratieroute. De bosschages aan de oostzijde en zuidzijde van deelgebied 2 kunnen mogelijk ook gebruikt worden als migratieroute en/of foerageergebied. Gezien de ligging en de inrichting van, en de waarnemingen van steenmarter op, kan niet worden uitgesloten dat deelgebied 2 een essentiële betekenis heeft in de vorm van foerageergebied en migratieroutes voor de steenmarter. Met de beoogde ontwikkeling gaan geen rust- en/of verblijfplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van steenmarter verloren, gezien de groenstroken rondom deelgebied 2 grotendeels behouden blijven. Derhalve is er door de beoogde ontwikkeling ten aanzien van steenmarter geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de groenstroken rondom deelgebied 2 dienen echter te worden gewaarborgd. Hiertoe dient een ecologisch werkprotocol met inrichtingsplan opgesteld te worden waarin maatregelen worden opgenomen die de functionaliteit van de planlocatie voor steenmarters waarborgen en versterken. Dit kunnen maatregelen betreffen als het aanleggen van extra groenstructuren die op korte termijn geschikt zijn voor foerageer of migratie activiteiten van steenmarters, het creëren van marterhopen en het werken buiten de kwetsbare periode (15 maart tot 1 september).

De onderzoeksperiode gebruikt voor het uitzetten en controleren van de camera’s viel exact samen met de gunstige onderzoektijden voor de buizerd, havik en sperwer. Tijdens deze rondes is geen enkele keer buizerdactiviteit rondom de planlocatie waargenomen. Hierdoor is te concluderen dat er geen sprake is van essentieel leefgebied of nestlocatie van deze soort.

57

Ecologisch werkprotocol Het ecologisch werkprotocol is opgesteld om negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter, naar aanleiding van de voorgenomen activiteiten, te voorkomen alsmede om overtreding van wetgeving en het vigerend beleid te ondervangen. Naast het voorkomen van negatieve effecten dient het ecologisch werkprotocol als middel voor een goed verloop en vlotte doorstroming van de werkzaamheden. Aangezien het gros van de groenstructuren behouden blijft zijn de verstorende maatregelen minimaal en is er geen sprake van aantasting van het essentieel leefgebied. Echter dienen er om negatieve effecten, alsmede overtreding Wet natuurbescherming te voorkomen, specifieke maatregelen getroffen te worden voor het inpassen van de twee doorgangen. Om overige negatieve gevolgen te voorkomen, dienen algemene maatregelen getroffen te worden. Voor de te treffen maatregelen wordt verwezen naar het ecologisch werkprotocol, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9 (12 november 2021). Over dit werkprotocol heeft afstemming plaatsgevonden met de Omgevingsdienst. De Omgevingsdienst heeft aangegeven in te kunnen stemmen met het werkprotocol. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling, mits de maatregelen zoals genoemd in het ecologisch werkprotocol worden getroffen.

4.5 Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Het rekeninstrument AERIUS was één van de pijlers van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het PAS maakt onderdeel uit van de Crisis- en herstelwet (Chw). Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent het PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. Het systeem van het PAS was erop gebaseerd dat vooruitlopend op toekomstige positieve ontwikkelingen voor beschermde natuurgebieden toestemming gegeven kan worden voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden door stikstofuitstoot.

Die toestemming ‘vooraf’, zoals het PAS mogelijk maakte, mag niet meer, aldus de RvS. Projecten en of activiteiten dienen, in afwachting van een nieuwe PAS, zelfstandig beoordeeld te worden op grond van de Wet natuurbescherming. In de uitspraak van 29 mei 2019 is ook specifiek ingegaan op de AERIUS Calculatie. In rechtsoverweging 39.3 is bepaald dat AERIUS nog wel gebruikt kan worden voor de effectbepaling op grotere (meer dan 50 m) afstand. Voor berekeningen op kortere afstand wordt een tweede berekening met een ander rekenpakket aanbevolen. De onnauwkeurigheid van AERIUS zat voornamelijk in emissie berekeningen bij agrarische bedrijven waar het emissiepunt zich op enige hoogte bevond. In de nieuwe AERIUS module (AERIUS 2020) van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022, waarbij de ‘bouwvrijstelling’ is komen te vervallen, dient nu ook de aanleg-/bouwfase berekend te worden.

58

Planspecifiek Sweco heeft een onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie, zoals gerapporteerd op 11 november 2023. In dit onderzoek is de stikstofuitstoot en -depositie als gevolg van de planontwikkeling van Tuindorp in Hillegom berekend. Zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn hierbij in beschouwing genomen. De berekening maakt gebruik van intern salderen, waarbij alleen de emissies als gevolg van bemesting van de natuurgrasvelden in de referentiesituatie worden meegenomen. Dit zorgt voor een conservatieve schatting van de totale emissies in de referentiesituatie. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten is er geen netto toename van stikstofdepositie berekend in de omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de aanlegfase van de planontwikkeling. Dit betekent dat negatieve effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tijdens de aanlegfase bij voorbaat uitgesloten kunnen worden. Evenzo is er ook geen netto toename van stikstofdepositie berekend in de omliggende Natura 2000gebieden tijdens de gebruiksfase van de planontwikkeling, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Hierdoor kunnen negatieve effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ook tijdens de gebruiksfase bij voorbaat worden uitgesloten.

Op basis van de gehanteerde uitgangspunten in deze notitie is er geen Wnb-vergunning vereist voor het aspect van stikstofdepositie met betrekking tot de planontwikkeling. Hiermee is aangetoond dat het plan uitvoerbaar is met betrekking tot stikstofdepositie. In het verlengde van het uitgevoerde onderzoek is verzocht de emissie in de bouwfase te borgen middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels. Deze regeling is opgenomen.

4.6 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart blijkt dat voor het noordwestelijke gedeelte van de planlocatie een hoge archeologische verwachting geldt. Voor deze hoge verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen met een oppervlakte van 250 m² en een diepte van 30 cm of meer een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.

Voor het oostelijke gedeelte geldt een lage verwachting en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden bij bodemingrepen met een oppervlakte van 1000 m² en een diepte van 30 cm of meer. Met het voorliggende plan worden deze normen overschreden. Om die reden is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11. De navolgende afbeelding toont de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Hillegom.

59

Archeologische verwachtings(waarden) kaart en beleidskaart (bron: gemeente Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom)

Op basis van het karterend booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake was van een reliëfrijk kustlandschap. In dit landschap hebben zich namelijk tijdens of vlak na de vorming ervan oostwest georiënteerde duinen kunnen vormen. Archeologisch gezien moet het plangebied vanwege dit duinreliëf sinds het Neolithicum een aantrekkelijk gebied zijn geweest vanwege de ligging achter een strandwal vlakbij een water- en voedselrijk lager gelegen gebied ten oosten van het plangebied. Kort daarna, in de periode Laat-Neolithicum-Bronstijd, is dit landschap verdronken en begraven onder veen. Tijdens het karterend onderzoek zijn dan ook op de toppen en flanken van deze duinen archeologische indicatoren gevonden, die kunnen wijzen op bewoningsactiviteit in het gebied. Daarom geldt voor die plekken een hoge archeologische verwachting. De resultaten betekenen dat de kans op behoudenswaardige resten in het gebied groot is. De vondsten uit het karterend onderzoek vormen hiervoor een indicatie, want getuige de spreiding van de vondsten in het terrein bestaat het vermoeden dat ook buiten de vondstlocaties intacte sporen van bewoning aanwezig kunnen zijn. Qua resultaten en landschap is het plangebied archeologisch gezien te vergelijken met de locatie Vlietvoorde in Leidschendam, waar verspreid over enkele duintoppen achter de strandwal prehistorische resten gevonden zijn.

Deze resten bevinden zich ook op de flanken en waren niet altijd op grond van het voorkomen van vondstmateriaal in het gebied op te sporen. Ingegeven door de resultaten van dit onderzoek zijn resten tot maximaal -3,0 m NAP in de top van de oude duin- en strandafzettingen te verwachten. Daarom wordt, naast de hoge verwachting voor de duinkoppen, aan de bovenzijde van de oude duin- en strandafzettingen tot die diepte een archeologische verwachting toegekend. Een tweede verwachtingspatroon is gerelateerd aan de flanken van de duinen waar stuifzandlagen in/op het veen liggen. Daar geldt eveneens een hoge archeologische verwachting. Deze zandlagen dateren in de IJzertijd en zorgden ervoor dat, indien zij dik genoeg waren, het veengebied langs de duinkoppen toegankelijk was voor activiteiten. Aanwijzingen voor archeologische resten hierin, met uitzondering van een fragment huttenleem, zijn tijdens dit onderzoek niet aangetroffen, maar hun relatie met de aangrenzende duinkoppen maakt ook deze plekken archeologisch relevant voor bewoning vanaf de IJzertijd. Vandaar hebben de overstoven flanken langs de duinkoppen binnen het plangebied ook een verwachting voor resten in de periode IJzertijd-Late Middeleeuwen.

Proefsleuvenonderzoek Op basis van inventariserend veldonderzoek geldt voor het plangebied een hoge tot zeer hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Als gevolg van deze onderzoeksresultaten is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Voorafgaand aan dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld waarin de opzet en wijze van onderzoek is opgenomen. Dit PvE is door het bevoegd gezag akkoord bevonden. Op basis van het PvE is het onderzoek in gang gezet.

60

Uit dit proefsleuvenonderzoek (Bijlage 12: Proefsleuven onderzoek archeologie ) is naar voren gekomen dat in de uiterste noordoosthoek van het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats die uit de bronstijd of vroeger dateert. De sporen bevinden zich op een diepte van 0,7m – maaiveld / 1.80m NAP. De begrenzing van deze vindplaats is niet vastgesteld, maar verwacht wordt dat deze zich richting het noordoosten uitstrekt. Een kleine strook binnen het plangebied behoudt daarom de dubbelbestemming Waarde Archeologie. Bij toekomstige bodemingrepen is aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor de overige delen van het bestemmingsplan betekent dit dat de archeologische dubbelbestemming kan komen te vervallen. Op basis van de bovenstaande bevindingen heeft Erfgoed Leiden geadviseerd (advies Brandenburgh 2511-2022) voor de uiterste noordoosthoek de archeologische dubbelbestemming te behouden. Voor de overige delen van het bestemmingsplan kan de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen. Archeologische opgraving In opdracht van VOF Sizo heeft het archeologisch onderzoeksbureau IDDS Archeologie tussen 18 en 20 september 2023 een opgraving uitgevoerd aan de Weeresteinstraat (SIZO-terrein) in Hillegom, gemeente Hillegom.

Het onderzoek is ingegeven door de geplande ontwikkeling van een woonwijk met ongeveer 300 woningen, waarvoor een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld. Op dit moment is de exacte locatie en diepte van de bodemingrepen die gepaard gaan met de nieuwbouw en herinrichting nog niet bekend. Het primaire doel van de opgraving is het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van de vindplaats om waardevolle informatie te behouden voor de kennisvorming over het verleden. Om deze doelstelling te bereiken, zijn onderzoeksvragen geformuleerd met betrekking tot de landschappelijke ligging, de aard, en de datering van de vindplaats. Hoewel de opgraving grotendeels is uitgevoerd volgens het Programma van Eisen (PvE), zijn er enkele afwijkingen geweest. Vanwege het behoud van een bomenrij zijn de putten aan de oostelijke en zuidelijke zijde enkele meters kleiner gemaakt. Dit is deels gecompenseerd aan de westzijde, waar een uitbreiding heeft plaatsgevonden op de locatie waar enkele sporen werden ontdekt. In deze uitbreiding zijn vier extra sporen aangetroffen, evenals een vondst van aardewerk die het mogelijk maakt de vindplaats te dateren. De vindplaats omvat zeven sporen van de opgraving en drie sporen van het proefsleuvenonderzoek.

In één van de sporen zijn fragmenten van aardewerk gevonden, gedateerd in de Late Bronstijd of het begin van de Vroege IJzertijd (900-600 voor Chr.). Hoewel het aannemelijk is, kan niet worden bewezen dat de andere sporen ook uit deze periode stammen en dat het gebied vervolgens in de Vroege IJzertijd is overgroeid met veen. Vanwege de beperkte sporen en vondsten is het niet mogelijk om de vindplaats verder te duiden. Van de opgraving is door IDDS verslag gedaan. Dit verslag is als bijlage opgenomen bij de plantoelichting (bijlage 19). Voorafgaan aan de opgraving is door IDDS een evaluatie- en selectierapport opgesteld (10 oktober 2023). Deze rapportage bevat de eerste resultaten van het onderzoek en een voorstel voor de uitwerking en conservering van eventuele vondsten en monsters. Op grond van de laatste onderzoeken is de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen.

61

4.7 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook andere cultuurhistorische elementen ontbreken. Daarbij werden de gronden van het plangebied voorheen gebruikt als sportvelden. De herontwikkeling van het Sizo terrein heeft dan ook geen negatief effect op de cultuurhistorische waarden van de gemeente Hillegom. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorgenomen initiatief.

4.8 Duurzaamheid Het belangrijkste doel uit het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderd ten opzichte van 1990. In 2050 is de uitstoot van broeikasgassen zelfs met 95% afgenomen. Om de klimaatdoelen voor 2030 te behalen moet het tempo van verduurzaming omhoog. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).

Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief. De ambitie van de gemeente Hillegom is om in 2050 energie neutraal en klimaatneutraal te zijn. Energieneutraal betekent volgens de Lokale energiestrategie dat alle energie die binnen de gemeentegrenzen wordt verbruikt, wordt geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen. De woningen worden gasloos en conform BENG gerealiseerd. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.

62

De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype. Per 1 januari 2018 geldt een maximale totale schaduwprijs van 1,0€ / m² bvo. Naast MPG kan via een norm in het GPR-gebouw een strengere ambitie worden nagestreefd. Voor nieuwbouw is de normering van GPR-Gebouw vastgelegd in de gemeentelijke Omgevingsvisie. De betreffende GPR normering die geldt is DPG (milieu en energie), gezondheid en gebruikskwaliteit minimaal een 8 en toekomstwaarde minimaal een 7. Middels een nog op te stellen GPR berekening zal aangetoond worden of voldaan wordt aan deze ambitie van de gemeente Hillegom. Provinciaal energiebeleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Ten aanzien hiervan geldt dat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving bevat op welke wijze rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.

Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Op 17 mei 2021 heeft de gemeenteraad de Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Holland Rijnland vastgesteld. In deze RES 1.0 beschrijven 13 regiogemeenten, 2 waterschappen en de provincie ZuidHolland de ambities en keuzes om stapsgewijs energieneutraal in 2050 te zijn. GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Bij de aanbesteding zijn door de gemeente Hillegom eisen gesteld aan de duurzaamheid van de te realiseren woningen, uitgedrukt in een GPR-berekening/score. Hiermee wordt de duurzaamheid van de woningen in kaart gebracht door middel van rapportcijfers voor de thema's energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde.

Vastgelegd is dat de woningen zullen moeten voldoen aan een gemiddelde score van 8,5. Deze afspraak ligt privaatrechtelijk vast. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Klimaatverandering heeft een grote maatschappelijke impact. Daarom is het van groot belang om klimaatadaptief te gaan bouwen. Hierin zijn afspraken gemaakt om nieuwbouwlocaties, inclusief transformatie- en uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk te ontwikkelen. Er wordt gestreefd naar: 1. 2. 3. 4. 5.

minder wateroverlast; meer biodiversiteit; minder hittestress; minder langdurige droogte en minder nadelige gevolgen ervan; minder bodemdaling en minder nadelige gevolgen ervan.

Om deze ambities waar te maken is het Programma van Eisen voor de klimaatadaptiviteit van nieuwe ontwikkelingen opgesteld. Het doel van het Programma van Eisen is het opstellen van praktische eisen die partijen in de provincie Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn klimaatbestendig te ontwikkelen. Om eenvouding klimaat adaptief te bouwen wordt de navolgende website aan geraden te raadplegen t.b.v. de verdere planuitwerking https://bouwadaptief.nl/minimale-eisen/.

63

Planspecifiek Volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland, die in toelichting paragraaf 3.2.2 behandeld is, dienen de risico's van klimaatverandering inzichtelijk gemaakt te worden. Wateroverlast Onder wateroverlast wordt verstaan, de overlast die optreedt als gevolg van (extreme) neerslag. De intensiteit en duur van de neerslag is een van de grootste factoren die invloed heeft op het risico van overlast. Daarnaast zijn de wijze en mate waarop verschillende oppervlakken het water opnemen of door laten stromen, de riolering en het oppervlaktewater belangrijke factoren. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Het nemen van maatregelen tegen overstromingen is daarom niet aan de orde. Hitte In stedelijk gebied is het thema hittestress van belang. Bij verdichting in stedelijk gebied wordt de kans op hittestress vergroot. Om hittestress te voorkomen kunnen concrete (fysieke) maatregelen genomen worden. Het toevoegen van extra groen (bijvoorbeeld bomen) of oppervlakte water kan bijdragen aan het tegengaan van hittestress.

Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Duurzaamheidsmaatregelen Met het voorliggende plan worden de onderwerpen op het gebied van duurzaamheid, zoals circulariteit, duurzame energie, CO2-reductie, klimaatadaptatie en biodiversiteit integraal meegenomen. Met de ondergenoemde maatregelen worden de risico's van klimaatverandering zoveel mogelijk weggenomen. De woningen en de openbare ruimte hebben een energiebehoefte. De energievraag dient zoveel mogelijk beperkt te worden en is voornamelijk afkomstig van duurzame energiebronnen. De woningen worden gasloos uitgevoerd en zullen voldoen aan de BENG-normen. Om de energievraag te verminderen wordt gebruik gemaakt van lage-temperatuurverwarming en koeling in combinatie met een hoogwaardige warmtepomp. De overige energie kan opgewekt worden door PV-panelen. De duurzaamheid van een woning gaat ook over gezondheid. Er wordt in het plan rekening gehouden met CO2 gestuurde ventilatie, veel groen, een optimale hoeveelheid daglichttoetreding en lage temperatuur door een goede koeling.

Door deze punten mee te nemen in het plan worden energieneutrale en toekomstbestendige woningen ontwikkeld. Tijdens de bouw van de woningen wordt er gestreefd naar circulariteit en het zo min mogelijk verspillen van materialen en grondstoffen. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van prefab-bouwdelen. Op het gebied van klimaatadaptatie wordt rekening gehouden met de verandering van het klimaat. Het plan bevat voldoende watercompensatie. Binnen het plan worden op diverse plekken ondergrondse krattensystemen geplaatst. Daarnaast wordt een groot deel van het hemelwater van de woningen opgevangen in regentonnen, waarna het kan infiltreren in de hiervoor genoemde krattensystemen. In toelichting paragraaf 4.3.3 is het aspect water nader behandeld. Door de wijk in te richten met veel groen wordt hittestress voorkomen. Door middel van het behoud van de bestaande groenstructuren en de realisatie van de parkstrook wordt ecologie in het plan geïntegreerd. Naast het versterken van de ecologische diversiteit draagt de parkstrook ook bij aan klimaatadaptatie. Er worden natuurvriendelijke oevers met een weelderig karakter gerealiseerd langs de watergangen die door het plangebied liggen. Van de bestaande groenstructuur blijft

64

ca. 85% van de bomen behouden. Daarnaast worden nieuwe bomen van verschillende grootte geplant. Door middel van nestkasten kunnen verschillende soorten aangetrokken worden zoals vleermuizen en vogels.

4.9 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.9.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de verkeerskundige impact van de herontwikkeling van het Sizo terrein te beoordelen is door Goudappel een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 13.

Met dit onderzoek is het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal berekend. De ontwikkeling van de maximaal 309 woningen neemt circa 2.240 motorvoertuigbewegingen met zich mee. Gedurende een avondspitsuur wordt het meeste verkeer gegenereerd, namelijk 210 motorvoertuigbewegingen. De 2.240 motorvoertuigbewegingen die door de realisatie van 309 woningen worden gegenereerd, worden afgewikkeld op de Horst Ten Daallaan. Met een intensiteitsgrens van 6.000 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal en een huidige verkeers- intensiteit van 850 motorvoertuigbewegingen op het wegvak is er sprake van voldoende restcapaciteit. Ook op de overig getoetste wegvakken is sprake van voldoende restcapaciteit en kan het verkeer worden afgewikkeld op wegvakniveau. De te realiseren woonwijk wordt ontsloten door middel van de Horst Ten Daallaan en het kruispunt Horst Ten Daallaan - Weerlaan. Aangezien de verkeersafwikkeling op kruispuntniveau maatgevend is boven de verkeersafwikkeling op wegvakniveau is het van belang op kruispuntniveau te bepalen of het verkeer in de toekomst nog afgewikkeld kan worden. Naast de intensiteiten afkomstig uit het verkeersmodel zijn de resultaten uit de verkeersgeneratieberekening voor de ontwikkeling van het SIZO-terrein ook gehanteerd als uitgangspunt in de kruispuntanalyse.

Uit de kruispuntanalyse blijkt dat de wachttijd op wegvak 2, de Horst Ten Daallaan, zowel in de ochtend- als avondspits toeneemt. In beide situaties kan het kruispunt het verkeer op een adequate wijze afwikkelen. De planlocatie kent een enkele ontsluiting. In geval van een calamiteit dient er een tweede alternatieve ontsluiting van het gebied mogelijk te zijn. In de centrale groene as is voorzien in deze calamiteitenontsluiting. Middels een aanduiding op de verbeelding is deze juridisch vastgelegd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

65

4.9.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. De raad van de gemeente Hillegom heeft in 2017 het Parapluplan Parkeren vastgesteld. Daarin is aangegeven dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw slechts wordt verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid. In het geldende parkeerbeleid, Nota Parkeernormen 2016, valt het plangebied binnen 'matig stedelijk gebied' en 'rest bebouwde kom'. De parkeernota gaat uit van de meest recente parkeerkencijfers van CROW (publicatie 317). In Hillegom is ervoor gekozen om de verscheidenheid aan woningen, die CROW hanteert bij haar kencijfers, te vereenvoudigen en te relateren aan het bruto vloeroppervlak achter de voordeur (m² bvo). Ook wordt er in Hillegom geen onderscheid gemaakt tussen koop of huur aangezien dit verschil nauwelijks relevant is voor de parkeerbehoefte als de woninggrootte wordt meegerekend.

Planspecifiek Berekening parkeerbehoefte Met de herontwikkeling van het Sizo terrein moet er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd worden. Aan de hand van de Nota parkeernormen van de gemeente Hillegom is het aantal benodigde parkeerplaatsen bepaald. Volgens het parkeerbeleid van de gemeente is het plangebied gelegen in het gebied 'overig Hillegom'. In de navolgende tabel staat de parkeerbalans weergegeven voor de 309 woningen die ontwikkeld worden door de initiatiefnemer. aantal

woningtype

norm

benodigd

0

GGB <80m2 bvo

1,6

0

70

GGB 80m2-150m2 bvo

1,8

126

70

GGB 150m2> bvo

2,1

147

32

gestapeld <65m2 bvo

1,6

51,2

26

gestapeld <65m2 bvo (deelgebied 5)

1,6

41,6

103

gestapeld 65m2-120m2 bvo

1,8

185,4

8

gestapeld 120m2> bvo

2,1

16,8

Totaal

568

De parkeerbehoefte voor de 309 woningen bedraagt 568 parkeerplaatsen op basis van de gemeentelijke parkeernorm. Berekening parkeercapaciteit In het stedenbouwkundig plan zijn voor deze woningen 563 parkeerplaatsen opgenomen. Van deze parkeerplaatsen worden er 557 in de openbare ruimte aangelegd en 8 op privé terrein. Conform het gemeentelijk beleid tellen deze 8 plaatsen voor 6 plaatsen mee (8 * 0,8). Daarmee is er strik genomen een tekort van 5 parkeerplaatsen in het plan. Doelgroepenanalyse Beschikbare ruimte in de direct omgeving Met het verkeerskundig onderzoek van Goudappel (zie bijlagen bij toelichting bijlage 13) is een parkeerdrukmeting uitgevoerd om te onderzoeken of in het omliggende gebied nog parkeerruimte is. Het totale onderzoeksgebied beschikt over een parkeercapaciteit van 165 parkeerplaatsen. Hiervan zijn 8 parkeerplaatsen bestemd voor vrachtwagens. Gedurende de meting op een werkdagavond na 23:00 uur blijkt het onderzoeksgebied te beschikken over een parkeerbezetting van 88%. Met een maximaal wenselijke parkeerbezetting van 90% gedurende de avond en nacht is er geen sprake van een restcapaciteit in de omgeving. De parkeerbehoefte dient dan ook op eigen terrein opgelost te worden.

66

Parkeernorm voor sociale huurwoningen In principe dient voor het parkeren uitgegaan te worden van de normen zoals deze door de gemeente Hillegom gehanteerd. Hiervan kan gemotiveerd afgeweken worden indien specifieke eigenschappen van de doelgroep en de ligging van de beoogde woongebouwen hiertoe aanleiding geven, in casu is hier sprake van. De parkeernorm voor de sociale huurappartementen is in Hillegom gebaseerd op de omvang van het appartement, dit terwijl ook de hoogte van het inkomen van invloed is op het autobezit en daaruit volgende parkeerbehoefte. In de onderstaande figuur is het autobezit per gestandaardiseerde inkomensgroep weergegeven. Uit deze CBS data, zoals geraadpleegd door Goudappel, blijkt dat huishoudens in de eerste 2 20% inkomensgroepen 28% lager autobezit hebben: • totaal van particuliere huishoudens (Nederland): 0,99 auto per huishouden; • eerste twee 20% inkomensgroepen (Nederland): 0,72 auto per huishouden.

Autobezit naar gestandaarde inkomensgroep (bron: CBS)

De parkeernorm die normaliter in Hillegom voor sociale huurwoningen gehanteerd wordt is daarmee veel hoger dan vanuit de kenmerken van de doelgroep verwacht mag worden. Een norm van 0,95 parkeerplaats per appartement (voor bewoners) sluit beter aan bij de doelgroep (1,3/0,99 x 0,72). De totale parkeernorm (inclusief bezoekersaandeel) wordt daarmee (0,95 + 0,3) 1,25 parkeerplaats per appartement. In overleg met de gemeente Hillegom is voor de beoogde 26 sociale huurwoningen een lagere norm gehanteerd van 1,4 in plaats van 1,6. Hierbij is gezocht naar het realiseren van zoveel mogelijk parkeerplaatsen in het plan waarbij de afwijking van de gemeentelijke parkeernorm wordt geminimaliseerd. Daarmee neemt de totale parkeervraag met 5 parkeerplaatsen af naar 563 parkeerplaatsen. De gemeente Hillegom heeft aangegeven akkoord te gaan met deze lagere norm en zal dit in het kader van de nog af te geven omgevingsvergunningen voor het bouwen, op dat moment vindt de toets plaats, formaliseren door voor de 26 sociale huurwoningen af te wijken van de norm. Conclusie Het plan voorziet in de aanleg van 563 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Daarmee worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied, dit met in acht name van de lagere parkeernorm voor de 26 sociale huurwoningen.

Met de plaatsing van de infrastructurele voorzieningen, zoals transformaterhuisjes, is hiermee rekening gehouden. Daarmee wordt binnen het plangebied een laadinfrastructuur gerealiseerd die voorsorteert op de toekomst. Geconcludeerd kan worden dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden en het onderdeel parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1613/documents/21024