CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

02. Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, HIllegom

Gemeenteraad 25 juni 2026, gemeente HillegomBij agendapunt: 22: Vaststellen TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom' en beleidsregel 'Kader omgevingskwaliteit Frederikslaan 10a, Hillegom'15.350 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Met het plan wordt hieraan voldaan door bijna energie neutrale woningen te realiseren conform de wettelijke duurzaamheidseisen, waarmee een bijdrage geleverd wordt aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Hillegom. Actualisatie omgevingsvisie In de raadsvergadering van 15 juli 2021 is de actualisatie van de omgevingsvisie door de gemeenteraad vastgesteld. In deze actualisatie van de omgevingsvisie is het bepaalde ten aanzien van greenportwoningen gewijzigd, in die zin dat is opgenomen dat “de voorkeur uitgaat naar de clustering van greenportwoningen aan de kern van Hillegom, passend naar aard en schaal” en dat “uiterst terughoudend” moet worden omgegaan met de eventuele realisatie van solitaire greenportwoningen in de lintbebouwing, zodat “de openheid van het landschap zoveel mogelijk wordt behouden”. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij’ is, op verzoek van de raad, een bepaling opgenomen dat wanneer er (principe)verzoeken worden ingediend die gaan over het realiseren van greenportwoningen of het opwekken van duurzame energie, het oordeel van de raad wordt betrokken bij het 23

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

vooroverleg. Het voeren van een wensen en bedenkingenprocedure is hiervoor een passend instrument. Planspecifiek De raad is met een wensen en bedenkingenprocedure gevraagd een standpunt in te nemen over dit plan. Op 23 januari 2025 heeft de raad aangegeven geen bezwaren te hebben tegen dit plan. Hierbij zijn de volgende argumenten aangegeven:  Het voorliggende plan leent zich voor maatwerk. Het plan is in strijd met de voorkeurslocatie voor Greenportwoningen uit de omgevingsvisie. Het college is echter van mening dat maatwerk op het omgevingsbeleid moet kunnen worden toegepast, waarbij een afwijkend initiatief eigenstandig beoordeeld moet worden.  De openheid van het landschap is niet in het geding. De Frederikslaan is een doodlopend lint, dat wordt gekenmerkt door eenzijdige bebouwing, waarbij de bebouwde zijde al behoorlijk is dichtgebouwd en geen doorkijk biedt over open landschap naar de noordkant. Aan de overzijde, de zuidzijde, wordt en blijft de openheid van het landschap volop ervaren.  Het slopen van in onbruik geraakte bedrijfsbebouwing (als gevolg van bedrijfsbeëindiging) is in lijn met de uitgangspunten van de ISG2016. Dit geldt in het bijzonder wanneer het gaat om bedrijfsbebouwing die door onbruik anders in vervallen staat zou geraken en waarbij het risico voor oneigenlijk gebruik bestaat.

 De te realiseren greenportwoningen leiden tot minder bebouwd oppervlak dan de huidige bedrijfsbebouwing. Minder bebouwd oppervlak zorgt voor de realisatie van meer groen en dit is passend bij de doelstellingen uit de omgevingsvisie.  De opbrengsten uit de greenportwoningen zullen een bijdrage leveren aan de herstructurering van de bollenstreek. Met het realiseren van deze greenportwoningen wordt niet alleen op de planlocatie verouderde bedrijfsbebouwing opgeruimd, maar komen er ook middelen beschikbaar om elders herstructurering mogelijk te maken.  Er is geen rendabel bollenperceel te creëren. Een nieuw agrarisch handels- en exportbedrijf is op de planlocatie niet de meest wenselijke ruimtelijke ontwikkeling. In het buitengebied zou herbestemming naar bollengrond als eerste voor de hand liggen. De door de sloop van de bedrijfsbebouwing beschikbaar komende gronden zijn te klein en niet te combineren met andere percelen om een rendabel bollenperceel te creëren. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de omgevingsvisie.

4.5.2 Welstandsnota Hillegom 2016 De gemeente Hillegom heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Met de herziening van 2016 heeft de gemeente het welstandsbeleid geactualiseerd en vereenvoudigd. De welstandsnota bevat de door de welstandscommissie bij de beoordeling van een plan toe te passen welstandscriteria. Doel van het welstandsbeleid is het welstandstoezicht helder onder woorden te brengen en op een effectieve en controleerbare wijze in te richten. Op de gebiedskaart van de welstandsnota ligt de locatie van onderhavige ontwikkeling in het buitengebied, waarvoor een soepel welstandsregime geldt. Het beleid in het buitengebied is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, de cultuurhistorische bebouwing en het karakteristieke profiel van de lintwegen en het inperken van grote oppervlakken verharding. De beoordeling van woningen is gericht op de ordening van de bebouwing op de erven, op afwisseling en individualiteit binnen het bestaande architectuurbeeld en op traditioneel materiaal- en kleurgebruik. Planspecifiek De 6 greenportwoningen worden landschappelijk ingepast, zoals besproken in hoofdstuk 3. De woningen worden vrijstaand en ruim op de 6 nieuwe kavels gesitueerd. Bovendien worden de 6 nieuwe kavels voorzien van groene hagen aan de randen waarmee de nieuwe en bestaande 24

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

kavels van elkaar worden afgeschermd. Zo ontstaat een samenhangende woonbuurtje welke landschappelijk goed ingepast wordt in de bestaande lintbebouwing van de Frederikslaan. Ten behoeve van ontwikkeling is de 'Beleidsregel kader omgevingskwaliteit Frederikslaan 10a, Hillegom' (Schoots Architecten, zie bijlage bij regels 1) opgesteld, die zal worden vastgesteld als aanvulling op de welstandsnota. De beleidsregel vormt het toekomstige kader voor de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en bevat tevens richtlijnen voor de inrichting van de openbare ruimte.

25

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

5

Omgevingsaspecten

Voor het plangebied zijn diverse onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van de plannen te toetsen. Daarnaast geven deze onderzoeken de randvoorwaarden waar de planontwikkeling in het plangebied aan moet voldoen.

5.1 Water 5.1.1 Wet- en regelgeving en beleid Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren en stelt zich ten doel dat alle Europese wateren in 2015 een 'goede toestand' hebben en dat heel Europa duurzaam omgaat met water. Waterwet De Waterwet (2009) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet helpt Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Het Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan geldt voor de planperiode 2016-2021 en heeft voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Waterprogramma 2022 - 2028 (WBP 6) In het Waterprogramma 2022-2028 (voorheen waterbeheersplan) worden de bouwstenen met de programma's en beheerstaken van het waterschap beschreven. Hiermee wordt tevens een prioritering aangebracht. Ook is aangegeven hoe het hoogheemraadschap over de bouwstenen wil participeren.

De Keur In dit beleidsdocument staan de regels voor het beheer, gebruik en onderhoud van waterstaatswerken. Particulieren, bedrijven en andere overheden zijn verplicht zich aan de Keur te houden. Indien er niet aan de Keur wordt gehouden, zal het hoogheemraadschap genoodzaakt zijn maatregelen te nemen.

5.1.2 Onderzoek water Oppervlaktewater In het plangebied zelf bevinden zich geen watergangen. Langs de zuidwest en noordoostzijde van het plangebied liggen twee watergangen. De watergang aan de zuidwestzijde is ter plaatse van het plangebied voorzien van een duiker die over de gehele breedte van het perceel ligt. Grondwater Ten aanzien van het grondwater worden geen problemen verwacht. Waterketen Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, te voorkomen wordt het regenwater niet direct naar de riolering afgevoerd maar volgens de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ behandeld. Het

26

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

hemelwater van de dakvlakken wordt afgekoppeld. Hierover heeft afstemming met de gemeente plaatsgevonden. Het vuilwater van de woningen wordt aangesloten op het bestaande riool. Bij realisatie van de woning wordt gebruik gemaakt van duurzame bouwmaterialen die niet uitlogen, of worden de bouwmaterialen voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Op deze manier wordt diffuse verontreiniging van water (en bodem) voorkomen. Waterberging In de bestaande situatie is het terrein geheel verhard. Door het plan neemt het aandeel verhard aanzienlijk af. Hierdoor hoeven geen maatregelen te worden genomen op het gebied van waterberging. Wegen waterbelang In het kader van het wegen van het waterbelang (voorheen watertoets) wordt het plan voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Rijnland.

5.1.3 Conclusie water Er worden ten aanzien van het oppervlaktewater, grondwater en waterketen geen problemen verwacht. Ook neemt het verhard oppervlak af, waardoor geen watercompensatie nodig is. Het plan zal dan ook geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding in en in de nabijheid van het plangebied. Het plan wordt in het kader van wegen van het waterbelang voorgelegd aan het hoogheemraadschap.

5.2 Bodem 5.2.1 Wet- en regelgeving en beleid Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

5.2.2 Bodemonderzoek In het kader van het plan is door Vlam Bodem Advies BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer 2025-900). Deze is opgenomen in de bijlage. Hieruit blijkt dat er geen verontreinigingen aanwezig zijn en het perceel geschikt is voor woningbouw. Daarnaast is een aanvullend onderzoek (projectnummer 1705) uitgevoerd naar bodemverontreinigingen onder het pand (zei bijlage). Hieruit blijkt dat er geen verontreinigingen aanwezig zijn.

5.2.3 Conclusie bodem Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect bodem.

5.3 Flora en fauna 5.3.1 Wet- en regelgeving en beleid De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.

27

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn floraen fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:  Er soorten aanwezig zijn;  Welke soorten dat zijn. Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn.

Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:  bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;  gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;  landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;  ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;

5.3.2 Onderzoek flora en fauna Door het bureau Blom Ecologie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage). Hieronder zijn de belangrijkste resultaten weergegeven. Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, voor zover deze aanwezig zijn. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouwbewonende vleermuizen (soortenbescherming). Ten aanzien van rugstreeppadden kan worden geconcludeerd dat het plan ongeschikt is voor deze soort omdat het momenteel geen geschikt habitat is. Er zal wel voorkomen moeten worden 28

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

dat het terrein geschikt wordt voor rugstreeppadden. Dit aangezien het terrein langere tijd braak kan liggen. Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen valt te denken aan de volgende maatregelen:  de werkzaamheden worden zoveel mogelijk aanééngesloten uitgevoerd zodat de rugstreeppad geen kans krijgt om het plangebied te koloniseren.  eventueel aanwezig bandensporen, kuilen, plassen worden uitgevlakt, of worden voorkomen door rijplaten te gebruiken.  opslag van zand wordt afgedekt met plastic en de randen van het afdek plastic worden ingegraven zodat de rugstreeppad niet onder dit plastic kan komen.  Een andere mogelijkheid is het plaatsen van een paddenscherm van 50 centimeter hoog. Deze schermen worden minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De schermen worden regelmatig gecontroleerd op kieren en overhangende vegetatie. Als rugstreeppadden het terrein in gebruik nemen tijdens de werkzaamheden kunnen deze namelijk niet zonder vergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden verwijderd. Indien sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen is hiertoe uitvoerbaar). Zorgplicht De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn. Aanvullend vleermuisonderzoek Door het bureau Ecologie Werkt is een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Tijdens de veldbezoeken in het voorjaar zijn nauwelijks vleermuizen waargenomen. Er werden drie soorten waargenomen, maar steeds maar één of enkele exemplaren. Aan soorten werd een enkele keer een Rosse vleermuis, Laatvlieger en meerdere Gewone dwergvleermuizen steeds passerend waargenomen. Verblijfplaatsen zijn niet waargenomen. Tijdens de onderzoeken naar paarverblijven en (individuele) winterverblijven werd naast Gewone dwergvleermuizen ook een enkele keer een passerende Rosse vleermuis en Laatvlieger waargenomen. Er werd niet herhaaldelijk geroepen met sociaal geluid vanuit een vaste locatie.

Hierdoor kan worden uitgesloten dat het plangebied een functie heeft als paarverblijf. Zwermende dieren zijn ook niet waargenomen waardoor ook kan worden uitgesloten dat het plangebied een functie heeft als (massa)winterverblijf. Passerende vleermuizen komen steeds uit de richting van de Frederikslaan. Het plangebied heeft geen functie als verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen zijn veelal alleen passerend waargenomen, er zijn geen indicaties dat het volledig verharde plangebied een functie heeft als (essentieel) foerageergebied. Ook is geen indicatie dat het plangebied gebruikt wordt als vliegroute, de bomenrij langs de Frederikslaan blijft behouden. Er is geen Omgevingsvergunning Flora & Fauna activiteit nodig om de werkzaamheden uit te voeren. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, NNN-gebied of provinciaal beschermde gebieden, zoals vastgelegd in de provinciale verordening. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Om negatieve effecten omtrent 29

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

gebiedsbescherming uit te sluiten is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit blijkt dat door het plan geen verhoging van stikstofdepositie optreedt.

5.3.3 Stikstofdepositie Voor het plan is stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage). Uit het stikstofonderzoek blijkt dat het project in de aanlegfase een maximale stikstofdepositie veroorzaakt van 0,01 mol stikstof per hectare per jaar op Kennemerland-Zuid. Niet wordt verwacht dat het project leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken of het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. In de gebruiksfase is geen sprake van een verhoging van de stikstofdepositie.

5.3.4 Conclusie ecologie Als gevolg van het plan geen negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden te verwachten. Er worden daarom geen belemmeringen vanuit ecologie verwacht.

5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.4.1 Wet- en regelgeving en beleid Besluit kwaliteit leefomgeving Archeologie De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Cultuurhistorie De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen. Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) regelt de bescherming van het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed). Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden.

De uitgangspunten van de wet zijn: archeologische waarden worden zoveel mogelijk in de bodem bewaard en alleen opgraven als behoud in de bodem niet mogelijk is, vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie en bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen (principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer tot de bodemverstorende activiteit.

5.4.1 Onderzoek archeologie De gronden in het plangebied zijn in het omgevingsplan 'Buitengebied en de Zanderij' niet voorzien van een archeologische waardering. Archeologisch onderzoek is daarom niet vereist bij bodemingrepen.

5.4.2 Onderzoek cultuurhistorie Er zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten in of nabij het plangebied aanwezig. Tevens zijn de gronden in het plangebied in het omgevingsplan 'Buitengebied en de 30

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Zanderij' voorzien van de klassering licht beschermde erfgoed. Hiervoor gelden geen gespecificeerde maximaal toelaatbare activiteiten. Wel vertegenwoordigt het landschap Duinen Bollenstreek in zekere zin een cultuurhistorische waarde. In paragraaf 4.3.1 is reeds verantwoord dat de greenportwoningen landschappelijk worden ingepast en daarmee geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarde van dit gebied. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4.3 Conclusie cultuurhistorie en archeologie Geconcludeerd wordt dat archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor het plan.

5.5 Geluid 5.5.1 Wet- en regelgeving en beleid Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen:  houd rekening met geluid;  voorzie in aanvaardbaar geluid.

5.5.2 Onderzoek geluid Wegverkeer In het kader van het plan is een wegverkeerslawaai onderzoek uitgevoerd door Weel geluidadvies (zie bijlage). Zoneplichtige wegen Op de Frederikslaan rijdt nauwelijks verkeer, deze weg is doodlopend en hiermee niet akoestisch relevant. Spoorwegen Het geluid op de gevels van 6 nieuw op te bouwen woningen aan de Frederikslaan 10A bedraagt maximaal Lden=55 dB ten gevolge van het railverkeer op spoorlijn Haarlem – Leiden. De standaardwaarde voor railverkeer uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt niet overschreden. Het plan voldoet.

5.5.3 Conclusie geluid Op basis van het akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat sprake is van een acceptabele geluidsbelasting ten aanzien van spoorweglawaai. Ten aanzien van wegverkeerslawaai is de Frederikslaan relevant. Op de Frederikslaan echter rijdt er weinig verkeer. Deze weg is doodlopend en hiermee niet akoestisch relevant.

31

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Wet- en regelgeving en beleid Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.6.2 Onderzoek luchtkwaliteit Voor het plan is onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. Hieruit blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Huidige en toekomstige luchtkwaliteit In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de achtergrondconcentraties voor de huidige situatie en toekomstige situatie voldoen aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Hiermee kan gesteld worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Gezonde fysieke leefomgeving 5.7.1 Wet- en regelgeving en beleid De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de

32

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.

5.7.2 Onderzoek gezonde fysieke leefomgeving Met het plan worden 6 een nieuwe duurzame woning gerealiseerd. Hierbij wordt ingezet op het verbeteren van de biodiversiteit en natuur en is gedacht aan een klimaatadaptieve en natuurinclusieve inrichting. Hierbij blijven de bestaande bomen behouden. Daarnaast worden nieuwe bomen geplant en inheemse beplanting toegepast voor een goede landschappelijke inpassing en ten einde hittestress te voorkomen. Tenslotte wordt bij de uitwerking van het plan gekeken naar een mogelijke invulling van een centraal plantsoen met een insectenhotel, bijenkast en inheemse beplanting en/of het plaatsen van nestkasten bij de woningen. De inrichting draagt bij aan meervoudig gebruik van het perceel; naast wonen en parkeren is er ook ruimte voor spelen en recreëren en natuurontwikkeling. Tot slot is in dit hoofdstuk onderzocht welke effecten het plan ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema’s zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving.

5.7.3 Conclusie Het aspect ‘gezonde fysieke leefomgeving’ vormt geen belemmering voor het plan.

5.8 Externe veiligheid 5.8.1 Wet- en regelgeving en beleid Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:  33

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

  

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Aandachtsgebieden Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.8.2 Onderzoek externe veiligheid Voor het plan is onderzoek gedaan naar externe veiligheid. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Atlas Leefomgeving. De mogelijke risicobronnen rond het plangebied zijn hierbij in kaart gebracht. Risicovolle inrichtingen Er zijn geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van plangebied aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen door leidingen Nabij het plangebied zijn geen risicovolle leidingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Nabij het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen of waterwegen, waar transport van gevaarlijke stoffen over plaats vindt waarvan het invloedsgebied over het plangebied ligt.

5.8.3 Conclusie externe veiligheid Het aspect gezonde fysieke leefomgeving vormt geen belemmering voor het plan.

5.9 Activiteiten en milieuzoneringen 5.9.1 Wet- en regelgeving en beleid Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. De aard van de bedrijvigheid en daaraan gekoppeld de milieubelasting maken het gewenst binnen de bedrijvenbestemmingen een onderscheid aan te brengen op basis van milieucriteria. Dit geldt ook voor andersoortige bestemmingen, als niet uit de bestemmingsplanomschrijving (al) blijkt welke (milieu)categorie bedrijfsactiviteiten het betreft. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Milieuzonering nieuwe stijl.

5.9.2 Onderzoek bedrijven en milieuzoneringen 34

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Het plan betreft de realisatie 6 vrijstaande woningen. De woningen betreffen een gevoelige functie in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven en inrichtingen in de omgeving voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De omgeving van het plangebied wordt aangemerkt als gemengd gebied. Aan de Frederikslaan liggen vrijstaande woningen en enkele bedrijven. Volgens het bedrijfsinformatiesysteem van de Omgevingsdienst liggen de volgende bedrijven in de omgeving van de planlocatie. De grootste richtafstand voor beide bedrijven geldt voor het aspect geluid. Deze bedraagt 10 m uitgaande van gemengd gebied. Voor de volledigheid wordt hierbij aangegeven dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die qua geur belemmeringen geven van aanzien van het plan.

Er wordt ruimschoots voldaan aan de minimale richtafstand.

5.9.3 Drift van gewasbeschermingsmiddelen bollengronden Ten zuidwesten en ten noordoosten liggen bollenteeltgronden. De afstand van de toekomstige woonbestemming tot de teeltgronden bedraagt ongeveer 10 meter. Bij het plan dient rekening gehouden te worden met de drift van gewasbeschermingsmiddelen. Er is geen wet- en regelgeving wat betreft de minimaal te houden afstand tussen gronden met open teeltvormen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en woningen of andere gevoelige bestemmingen. Bij fruitteelt is het gebruikelijk om 50 meter afstand te hanteren tussen teelt en woningen. Er is geen gezondheidskundige onderbouwing voor deze afstand, deze afstand is er op basis van jurisprudentie. De Omgevingsdienst West-Holland heeft geadviseerd om vanwege de korte afstand tot de bollenteeltgronden een aaneengesloten jaarrond bladhoudende windhaag te plaatsen en in stand te houden met een minimale hoogte van 1,5 meter. In lijn met het advies wordt deze windhaag geborgd in dit TAM-Omgevingsplan. Hiertoe wordt een juridische verankering opgenomen om deze windhaag aan te leggen en in stand te houden. Ook worden potentiële kopers gewezen om het standaard advies van de GGD inzake drift van gewasmiddelen.

5.9.4 Conclusies activiteiten en milieuzoneringen Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de woning geen belemmering oplevert voor omliggende bedrijven en is tevens sprake is van een adequaat woon- en leefklimaat.

5.10 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden.

5.10.1 Conclusies en aanbevelingen Er zijn geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in of nabij het plangebied.

35

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

5.11 Milieueffectrapportage / M.e.r.-(beoordelings)plicht 5.11.1 Wet- en regelgeving en beleid De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa:  De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten;  De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2.

Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een planmer-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

5.11.2 Onderzoek M.e.r. (beoordelings)plicht Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die m.e.r- (beoordelings)plichtig zijn.

5.11.3 Conclusie M.e.r. (beoordelings)plicht Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.12 Conclusie omgevingsaspecten Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, is met uitvoering van het plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 36

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

37

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

6

Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. Voor het plan wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Ook zal een planschadeovereenkomst worden opgesteld. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

6.2.2 Participatie De directe buren zijn geïnformeerd over het plan. Aanvullend is een inloopbijeenkomst georganiseerd op 24 oktober voor omwonenden en omliggende bedrijven. Het doel van deze bijeenkomst was om de omgeving te informeren over de voorgenomen plannen en de gelegenheid te bieden vragen te stellen en aandachtspunten mee te geven. De opkomst tijdens de inloopbijeenkomst was goed en de sfeer overwegend positief. Er is getracht om alle aanwezigen persoonlijk te woord te staan en hun vragen zo volledig mogelijk te beantwoorden. Vrijwel alle bezoekers reageerden positief op de plannen en gaven aan blij te zijn dat het perceel door uitvoering van het plan een aantrekkelijkere en groenere uitstraling krijgt. Enkele aanwezigen hebben hun zorgen geuit over de mogelijkheden voor het passeren en keren van groot verkeer in de straat na realisatie van het plan. Dit is echter vooral het gevolg van het wegprofiel van de Frederikslaan en staat los van het plan. Daarnaast hebben enkele bezoekers interesse getoond in de mogelijke aankoop van een bouwkavel.

6.2.3 Overleg Het voorliggende plan is voorgelegd aan de (interne en externe) vooroverlegpartners. Er zijn reacties ontvangen van de Veiligheidsregio Hollands Midden, de Omgevingsdienst WestHolland en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Veiligheidsregio Hollands Midden De Veiligheidsregio Hollands Midden vraagt aandacht voor de bereikbaarheid. Met name de inrichting van de (doodlopende) wegen, de belastbaarheid en de draaicirkels ontbreken in de uitwerking. Op tekening is een opstelplaats voor het brandweervoertuig ingetekend. De opstelplaats dient zich op maximaal 10 meter afstand van de brandweeringang te bevinden. De opmerkingen van de Veiligheidsregio zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Zij hebben aangegeven verder geen opmerkingen te hebben op het plan. 38

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Omgevingsdienst Op basis van de opmerkingen van de omgevingsdienst is de flora en fauna paragraaf aangevuld. Daarnaast is de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van groen – windhaag’ op de verbeelding doorgetrokken. Daarnaast is op advies van de omgevingsdienst het bodemonderzoek aangevuld o.a. met een onderzoek naar alle bodembedreigende activiteiten, gebruik van ontsmettings-/bestrijdingsmiddelen en niet-genormeerde gewasbeschermingsmiddelen. Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap heeft aangegeven te kunnen instemmen met het plan. Wel adviseert Rijnland om de duiker aan de zuidzijde met duiker te verkorten. Daarnaast wijst ze op de onderhoudsverplichtingen van de watergang voor nieuwe eigenaren en de mogelijkheid om deze natuurvriendelijk in te richten. Ook moet bij de herinrichting van het terrein rekening worden gehouden met het voorkomen van wateroverlast door het nemen van maatregelen zoals greppels, wadi’s, waterdoorlatende verhardingen, regentonnen, infiltratiekratten e.d. Deze maatregelen dragen ook bij aan een klimaat adaptief plan. De adviezen van het hoogheemraadschap zijn meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Hierbij wordt de bestaande duiker ingekort en zijn klimaat adaptieve maatregelen opgenomen. Ook worden kopers gewezen op de onderhoudsplicht van de watergangen.

6.2.4 Zienswijzen Het ontwerp TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom met bijbehorende stukken heeft vanaf 17 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Wel zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Dat betekent dat het plan wijzigt wordt vastgesteld.

6.2.5 Ambtshalve wijzigingen Gedurende de terinzagelegging van het ontwerp zijn géén zienswijzen ontvangen. Wel is er aanleiding geweest voor het doorvoeren van enkele ambtshalve wijzigingen in de stukken. Deze betreffen: 

Artikel 8.6 “Bedrijf aan huis” is verwijderd uit de planregels, omdat het onwenselijk bleek een brede binnenplanse mogelijkheid te hebben voor het realiseren van een bedrijf aan huis. Een bedrijf aan huis is nog wel mogelijk middels afwijking van de planregels;

Artikel 16.1.3 “Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk” en artikel 16.1.4 “Specifieke zorgplicht” gebruik bouwwerk” zijn verwijderd uit de planregels. Regels van eenzelfde strekking zijn reeds opgenomen in de Bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Hillegom;

Er is een regeling toegevoegd voor het realiseren van dakkapellen in het voordakvlak van de te realiseren woningen, met verwijzing naar de beleidsregel omgevingskwaliteit;

Er is een regeling toegevoegd voor ondergronds bouwen;

Ten behoeve van de regeling voor ondergronds bouwen is een bepaling toegevoegd aan de wijze van meten;

Artikelen zijn vernummerd op basis van bovenstaande wijzigingen;

In de beleidsregel omgevingskwaliteit was per abuis opgenomen dat uitbouwen als balkon zouden kunnen dienen. Dit is onwenselijk en daarom aangepast.

39

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

7

Juridische aspecten

7.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAMomgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAMomgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAMomgevingsplan.

7.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

7.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. Daarbij is aangesloten op het concept omgevingsplan van de gemeente. De planregels zijn onderverdeeld in negen hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied en het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Hoofdstuk 2 bevat de normen voor parkeren. Hoofdstuk 3 bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk 4 bevat regels voor bouwwerken. Hoofdstuk 5 geeft de voorwaardelijke verplichtingen. Hoofdstuk 6 geeft vervolgens de algemene regels. Ten slotte regelt hoofdstuk 7 de overgangsbepalingen.

7.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Hillegom. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden. Hoofdstuk 1 Artikel 1 Begripsbepalingen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Verder zijn de begripsbepalingen die zijn opgenomen in 40

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling van toepassing verklaard. Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen Om op een eenduidige manier maten te bepalen wordt in artikel 2 uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2 Artikel 3 Toepassingsbereik Als met een TAM-omgevingsplan voor een bepaalde locatie nieuwe regels worden vastgesteld, zorgt dit er niet automatisch voor dat de oude regels op die locatie vervallen. Daarom is een toepassingsbereikbepaling opgenomen waarmee is geregeld dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels. Artikel 4 Aanvraagvereisten Voor het aanvragen van een vergunning voor een vergunningplichtige activiteit op grond van een TAM-omgevingsplan zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen door de aanvraagvereisten uit de bruidsschat van toepassing te verklaren. Deze aanvraagvereisten zijn aanvullend op de aanvraagvereisten in paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod Met dit artikel is het gebruik van gronden of bouwwerken dat in strijd met het TAMomgevingsplan is vergunningplichtig moet gesteld. Dat betekent dat er een verbod is om zonder omgevingsvergunning de locaties te gebruiken in strijd met de toegekende functies. Hoofdstuk 2 Normen Dit hoofdstuk bevat de normen. In artikel 6 worden normen gesteld voor het aspect parkeren. Hoofdstuk 3 Functies en activiteiten Dit hoofdstuk bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Het plangebied is voorzien van de werkingsgebieden ‘Wonen’, 'Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Water’ en ‘Tuin’. Er is een set regels opgenomen voor verschillende werkingsgebieden. Daarnaast is vastgelegd welke activiteiten in de overige werkingsgebieden toegestaan zijn. Hoofdstuk 5 Bouwwerken Dit hoofdstuk bevat de regels voor ruimtelijke bouwactiviteiten. Hier wordt geregeld dat hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd mogen worden. De maximale goothoogte is niet hoger dan 4,5 meter en de maximale bouwhoogte niet hoger dan 9,0 meter. Daarnaast zijn regels opgenomen voor het vergunningvrij oprichten van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdstuk 6 Voorwaardelijke verplichtingen In dit hoofdstuk is een voorwaardelijke verplichting voor het realiseren van een windhaag opgenomen.

Hoofdstuk 7 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de anti-dubbeltelregel. Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Hoofdstuk 9 Overgangsregels In dit hoofdstuk wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. 41

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan

42

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

43

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 3 Quickscan flora en fauna

44

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 4 Aanvullend ecologisch onderzoek

45

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

46

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 5 Stikstofonderzoek

47

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 6 Akoestisch onderzoek

48

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

Bijlage 7 Aanvullend bodemonderzoek

49

Motivering TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Frederikslaan 10a, Hillegom

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1830/documents/24681