CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

02. Ruimtelijke onderbouwing Noorderlaan 1A Hillegom.pdf

Gemeenteraad 31 maart 2026, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Adviesrecht BOPA-procedure overkapping Noorderlaan 1A15.066 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In plaats van een milieuzonering aan de hand van zones met oplopende milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten, krijgt de milieuzonering nieuwe stijl vorm door zones die bij grotere afstand tot de woonomgeving voorzien in een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, zonder een Staat van bedrijfsactiviteiten. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt voor bedrijventerreinen: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. Hoe groter deze afstand, hoe meer gebruiksruimte de bedrijven op een bedrijventerrein krijgen in het bestemmingsplan. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Dus ieder bedrijf krijgt zijn eigen gebruiksruimte. Hierbij is de hoeveelheid gebruiksruimte afhankelijk van de zone van het bedrijventerrein waarin het bedrijf ligt. Per zone wordt een standaard gebruiksruimte per bedrijf toegekend. De nieuwe regeling onderscheidt voor geluid vier zones met oplopende geluidruimte. De zones sluiten aan bij de huidige zones voor de milieucategorieën 2 uit de oude VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In het volgende figuur is de ligging van de verschillende zones ten opzichte van een rustige woon- wijk en gemengd gebied schematisch weergegeven.

Net als in de oude publicatie wordt voor de ligging van de verschillende zones ten opzichte van de woonomgeving onderscheid gemaakt tussen rustig woongebied en gemengd gebied.

30

Voor geur is in deze regeling het onderscheid tussen een rustige woonwijk en gemengd gebied van ondergeschikt belang geacht: in beide gebieden dient geurhinder te worden voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau te worden beperkt, waarbij in het huidige beleid op provinciaal niveau en normstelling in beginsel geen onderscheid wordt gemaakt tussen een rustige woonwijk en gemengd gebied zoals dat in deze VNG-publicatie bedoeld is. De zones, normen en de vaste afstanden (waarop de normen gelden) zijn zodanig gekozen, dat op de grens van de woonomgeving sprake is van het voldoen aan een scherpe norm voor geur per bedrijf (zones 1 en 2). Voor bedrijven op een grotere afstand van de woonomgeving (tenminste 100 meter) er sprake is van standaard meer geurruimte, zonder dat dit de grens van de woonomgeving bereikt (zone 3). In het volgende figuur is de ligging van de verschillende zones ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied schematisch weergegeven.

31

Geurruimte zone 1 is de basiswaarde. Geurruimte zone 2 kan worden toegekend op een afstand van 50 meter vanaf een woongebied (rustig en gemengd). Geurruimte zone 3 kan worden toegekend op een afstand van tenminste 100 meter vanaf een woongebied (rustig en gemengd). De zones worden in de verbeelding vastgelegd. Welke norm waar geldt volgt uit de regels in combinatie met de concrete ligging van de grens van het bedrijf (de inrichting). Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt in een gebied dat als gemengd gebied valt te typeren, het gaat om een agrarisch lint met meerdere agrarische bedrijven. Er is dus reeds sprake van een hogere achtergrondbelasting en daarom mag gemotiveerd van een stapje lager worden uitgegaan. In dit geval gaat het om een afstand van 30 m. Er zijn in de directe omgeving geen milieugevoelige functies (woningen) aanwezig, de dichtstbijzijnde ligt op circa 80 m. Omgekeerd gaat het niet om een milieugevoelige functie, zodat omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden worden beperkt. Het aspect milieuzonering werpt geen belemmeringen op. Op advies van de OWDH wordt om deze conclusie te schragen het volgende vermeld: - Hoe komen bedrijfsvoertuigen bij de overkapping? De heftruck gaat binnendoor de bestaande bebouwing naar de overkapping. De tractor + aanhangwagen gaat langs de bestaande bebouwing.

- Waar kunnen bedrijfsvoertuigen laden/lossen en keren bij de overkapping? Intern / onder de overkapping. - Van welk type bedrijfsvoertuigen is er sprake (bijv. vrachtwagen / bestelbus / heftruck)? Heftruck + tractoren. - Zijn sommige voertuigen eventueel voorzien van achteruitrijsignalering? Nee. - Het gemiddelde aantal voertuigbewegingen (inrit en uitrit) per etmaal. Bedrijfsactiviteiten Twee - Het aantal verkeersbewegingen bij deze overkapping in de dag-, avond- en nachtperiode. In de avond- en nachtperiode zijn er geen verkeersbewegingen bij de overkapping. - De soorten bedrijfswerkzaamheden die plaatsvinden bij de overkapping. Stalling van fust- en kuubskisten. - Het aantal en de positie van eventuele machines of technische installaties, onder of bij de overkapping geplaatst, die installatiegeluid kunnen produceren. Hierbij kan rekening gehouden worden met een eventuele seizoenspiek in de bedrijfsactiviteit in verband met de voertuigbewegingen naast de overkapping. Er komen geen draaiende machines of technische installaties.

4.3

Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden

32

worden verkleind. Voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) staat voorts dat er rekening gehouden dient te worden met het groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde. De oriëntatiewaarde is een referentiewaarde van het groepsrisico. Hierbij is als gevolg van een externe calamiteit de kans 1 op de 10.000 per jaar dat 10 mensen komen te overlijden, 1 op de 1 miljoen dat 100 mensen komen te overlijden en 1 op de 100 miljoen dat 1.000 mensen komen te overlijden. De oriëntatiewaarde kan ter preventie van maatschappelijke ontwrichting worden aangehouden als referentiewaarde.

Voorts is sprake van aandachtsgebieden die met bepaalde risicovolle activiteiten gepaard gaan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. Binnen deze gebieden dient rekening gehouden te worden met het groepsrisico. Voor brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden heeft het bevoegd gezag de keuze om deze wel, niet of gedeeltelijk om te zetten naar een brandvoorschriftengebied of explosievoorschriftengebied. Voor nieuwbouw in een voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen om binnenshuis schuilen in het geval van een externe calamiteit mogelijk te maken. Voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand -of explosieaandachtsgebied heeft het bevoegd gezag geen keuze en is het aanzetten van een voorschriftengebied verplicht. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet niet in een functie waar mensen langdurig kunnen verblijven en ook komt er geen personeel bij. Het aspect omgevingsveiligheid vormt gelet op bovenstaande geen belemmering voor dit plan.

4.4

Geurhinder Wet- en regelgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt (artikel 5.92 Bkl) dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De maatregelen voor het beperken van geuremissie staan voorts in hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit zijn vooral locatieonafhankelijke regels. Het oogmerk van deze regels is het beschermen van de gezondheid en het voorkomen of beperken van geur (artikel 2.2 lid 1 Bal).

33

Beoordeling en conclusie In de omgeving zijn geen bedrijven gevestigd die geuroverlast veroorzaken. De overkapping zal niet voor extra geuroverlast zorgen en het is zelf ook geen geurgevoelig gebouw. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan.

4.5

Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Bkl/Bal/bruidsschat: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 5.1.4.5.2. Nazorg Bkl); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (bruidsschat). Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld:

Beoordeling en conclusie Op het perceel verandert het gebruik niet in die zin, dat er een strengere kwaliteitsklasse gaat gelden. Uitgegaan mag worden van de kwaliteitsklasse Industrie. Het plan voorziet verder niet in een functie waar mensen langdurig kunnen gaan verblijven. Zodoende is bodemonderzoek niet nodig.

4.6

Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid

34

(immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw in het omgevingsplan. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de 7 geluidbronsoorten gelden, staan in de onderstaande tabel.

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet niet in een geluidgevoelige functie en daarom is akoestisch onderzoek niet nodig. De geluidssituatie over het geleen verslechterd niet c.q. deze verbetert, omdat in de nieuwe situatie transport op de locatie plaatsvindt in plaats van tussen de verschillende opslaglocaties en het bedrijf.

35

4.7

Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. Beoordeling en conclusie Het onderhavige project gaat over het realiseren van een overkapping; hierdoor ontstaan geen extra verkeersbewegingen. Het initiatief draagt daarom NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Uit de Atlas voor de Leefomgeving blijkt verder dat de luchtkwaliteit ter plaatse redelijk/matig is (zie navolgende afbeelding); er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering.

36

Uitsnede Atlas Leefomgeving

4.8

Gezondheid Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.

Beoordeling en conclusie Ten aanzien van gezondheidsbescherming geldt dat in voorgaande paragrafen reeds wordt ingegaan op respectievelijk de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en water. Voor gezondheidsbevordering geldt dat hiervoor (nog) geen specifiek gemeentelijk beleid voorhanden is. Het aspect gezondheid staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg.

4.9

Water Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21 e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” , thans genaamd weging van het waterbelang, de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De uitkomsten uit deze watertoets zijn in deze paragraaf opgenomen. Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2009 zijn de eerste (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vastgesteld waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende

37

uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur

Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven. Omgevingswet Voornoemd beleid is voor zover nodig juridisch verankerd in de Omgevingswet, voorheen Waterwet. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland heeft het rijksbeleid overgenomen in de herziening van de Nota Planbeoordeling. Een BOPA zal inzicht moeten geven in aspecten als veiligheid en waterbeheer, de huidige situatie, de volgens het waterbeleid gewenste ontwikkelingen, de wijze waarop in het ruimtelijk beleid hiermee rekening wordt gehouden, de

38

wijze waarop dit is vertaald naar verbeelding en planregels en het overleg met de waterbeheerders. Beleid Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) Goed waterbeheer is van levensbelang om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. Hoe pakken we dat aan en wat zijn de plannen voor de komende 6 jaar? Op deze website presenteert Rijnland zijn waterbeheerprogramma (WBP6) voor 2022 2028. Zie: Over WBP6 | Waterbeheerprogramma 6 (wbp6rijnland.nl). Blauwe lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het Rapport Blauwe Lens (Rapport Blauwe Lens). De Blauwe Lens leert ons dat het gebied en het watersysteem veerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat we de problemen niet moeten afwentelen op onze omgeving, maar water juist moeten inzetten als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Keur van Rijnland 2020 Er zijn regels voor wat je als bewoner of bedrijf wel en niet mag doen in en bij water, dijken en gemalen. Zo houden we het watersysteem schoon en veilig. Voor water gerelateerde werkzaamheden zijn er regels vastgelegd in de Keur van Rijnland 2020 samen met bijbehorende uitvoeringsregels.

De uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een algemene regel en een beleidsregel/vergunningplicht bevatten. Rijnland is op dit moment bezig met het klimaatrobuuster maken van haar huidige regels. Op het moment van een eventuele vergunningaanvraag wordt getoetst aan de regels die op dat moment gelden. Eén van de regels is dat bij een toename aan verharding er compensatie gevraagd kan worden, doorgaans in de vorm van open water, om het verlies aan infiltrerend vermogen te compenseren. Keur en beleidsregels Rijnland heeft belangen om watergangen en waterkeringen in stand te houden, kwel tegen te gaan en te snelle afwatering te voorkomen. Om deze belangen te beschermen zijn onze beleidsregels opgesteld in de Keur. Klimaatadaptatie Nationale maatlat klimaatadaptatie De ontwikkeling van de maatlat duurt een half jaar en gebeurt samen met de (bouw)sector. Naast de landelijke koepels van publieke en private sector worden decentrale overheden, bedrijven en experts betrokken via interviews en een klankbordgroep. Zij hebben namelijk al ervaring met ontwerpen, ontwikkelen, en bouwen van klimaatadaptieve gebieden en gebouwen. Zij brengen deze ervaringen in en denken mee over de invulling van de maatlat. De maatlat wordt binnenkort opgeleverd. Ontwikkeling van landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving gestart! - Klimaatadaptatie (klimaatadaptatienederland.nl).

39

Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Bestuurlijke afspraken en een minimale programma van eisen (PvE) zijn vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief bouwen - Provincie Zuid-Holland. Rijnland is medeondertekenaar en spant zich daarom ook in het convenant te effectueren. Drinkwater Het huidige watersysteem niet is ingericht op droogte, maar op water zo snel mogelijk afvoeren. Dit is een van de redenen waarom de drinkwatersector pleit voor een watertransitie gericht op het creëren van een klimaatrobuust systeem dat de waterbeschikbaarheid in de toekomst verzekert. De drinkwaterbedrijven willen daarom in hun regio’s vanaf het begin aan tafel zitten bij het plannen en realiseren van de grote woningbouwopgave. We adviseren daarom bij grote projecten om de drinkwatersector ook te betrekken bij het maken van plannen.

Waterbewustzijn Om te zorgen dat ons gebied beter bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering is het noodzakelijk om de (gebouwde) omgeving hier op aan te passen middels technologische en praktisch maatregelen. Het betrekken van de (toekomstige) bewoners is net zo noodzakelijk. Er zijn verschillende reden waarom het betrekken van (toekomstige) bewoners en/of gebruikers zo belangrijk en waardevol is. Ten eerste is het belangrijk dat zij zich er (meer) van bewust zijn dat ook zij in hun dagelijkse leven te maken kunnen krijgen met klimaatproblemen, zoals wateroverlast en droogte. Wanneer deze context wordt geschept, groeit het draagvlak en begrip voor deze maatregelen en zal ook de relevantie en noodzaak voor een klimaat adaptieve inrichting toenamen. Het waterbewustzijn neemt toe. (Toekomstige) Bewoners en/of gebruikers betrekken bij een project kan op verschillende manieren. Van belang is dat er altijd een informatieve basis verstrekt wordt waarop men het waterbewustzijn kan bouwen. De gemeente en/of projectontwikkelaar (in samenwerking met het waterschap) kan ook sturen op advisering van de (toekomstige) bewoners en/of gebruikers. Bijvoorbeeld over nemen van waterbesparende maatregelen binnenshuis (of hergebruik van water) of hoe men de tuin zo kan inrichten dat deze aantrekkelijk is voor diverse dieren.

Wanneer de planning dit toe laat is het ook mogelijk om (toekomstige) bewoners en/of gebruikers te betrekken bij het ontwerpproces. Dit kan leiden tot meer creatieve besluitvorming, meer draagvlak en het gevoel van eigenaarschap. Weging van het waterbelang (voorheen watertoets) Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het 40

wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als weging van het waterbelang (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij). Beoordeling en conclusie Er is sprake van een toename van de verharding (zie hoofdstuk 2). De bestaande sloot aan de westzijde wordt verbreed om te voldoen aan de watercompensatie-eis (zie meer in detail hoofdstuk 2). In het plan is verder geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Voorts wordt niet gebouwd in een beschermingszone van een waterkering en wordt er geen water gedempt. Er wordt tot slot niet gewerkt met uitloogbare materialen. Zodoende werpt het aspect water geen belemmeringen op.

4.10

Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. De gebieden in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) overlappen met de Natura 2000gebieden maar zijn aangevuld met diverse andere gebieden die vanwege hun natuurwaarden zijn aangewezen. De dichtstbijzijnde gebieden liggen ten zuiden (het bos aan de Malleman) en oosten (weiden) van het projectgebied op circa 1 en 1,3 kilometer afstand. Voor de natuurwaarden in de NNN gebieden geldt geen externe werking.

41

Vanwege de afstand tot deze gebieden kunnen negatieve effecten ook worden uitgesloten. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Beoordeling Gebiedsbescherming Het gebied ligt niet nabij enig Natura 2000-gebied zodat op voorhand kan worden geconcludeerd dat er geen externe effecten zijn, zoals trilling of verstoring. De effecten op Natura 2000-gebieden kunnen ook verwaarloosd worden omdat de afstand tot enig Natura 2000-gebied erg groot is en er geen verkeerstoename is, noch een toename in gasverbruik (dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Kennemerland-Zuid en Coepelduynen, beiden op meer dan 4 km). De uitstoot tijdens de bouwfase is berekend, en hieruit volgt geen toename aan depositie als gevolg hiervan, op enig Natura 2000gebied3

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden (blauwe ster) Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN), strategische reservering natuur of weidevogelleefgebied. Omdat de vertaling van dit netwerk in de

3 Bijlage 2. Stikstofrapportage Noorderlaan 1a Hillegom, VdZ Ruimtelijk Advies, 27 fe-

bruari 2026

42

provinciale verordening geen externe werking kent, leiden de beoogde plannen niet tot effecten op deze gebieden.

‘

NNN in de omgeving, uitsnede Atlas Leefomgeving Soortenbescherming Nu er geen bebouwing wordt gesloopt, water wordt gedempt, beplanting wordt verwijderd of aanpassingen plaatsvinden aan gevels of daken van bestaande gebouwen kan op voorhand worden geconcludeerd dat geen sprake is van aantasting van de vaste rust- of verblijfplaatsen van (strikt) beschermde soorten. De locatie is voorts door het ontbreken van bebouwing en begroeiing, geen geschikt leefgebied voor (strikt) beschermde soorten. De werkzaamheden hebben geen invloed hebben op beschermde soorten, mits de zorgplichtmaatregelen in acht genomen worden. Van belang is met name dat, wanneer er sprake is van open zand tijdens de bouw, de locatie mogelijk kan worden gekoloniseerd door de rugstreeppad. De volgende voorwaarden worden gelet hierop opgenomen in de vergunning: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; • Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en half augustus.

In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode • (Grond)werkzaamheden worden zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. Het zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van grondwerkzaamheden helpt om kolonisatie door rugstreeppad te voorkomen; • Er wordt, met name in de voortplantingsperiode (mei-juli) voorkomen dat ondiepe vegetatieloze plassen (voortplantingsplaats, zoals ondiepe plassen, kuilen en bandensporen met water) kunnen ontstaan, door rijplaten te gebruiken; • Opslag van open zand (landbiotoop in zomer en winter, alsmede winterverblijfplaats) wordt afgedekt met wegendoek of plastic 43

Naast bovenstaande geldt ook altijd de (specifieke) zorgplicht van de Omgevingswet: De (specifieke) zorgplicht zoals weergegeven in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g Bal, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23 Bal, is verplicht: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Zodra een niet in de Omgevingswet beschermd in het wild levende dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 11.37 Bal 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.

het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen. Conclusie Het onderwerp natuur werpt gelet op bovenstaande geen belemmeringen op.

4.11

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

44

Gemeentelijk beleid In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. Tegen deze achtergrond heeft Lisse met Hillegom en Noordwijkerhout een Nota Archeologie opgesteld. In de Nota worden onder meer verschillende historische kaartbeelden met elkaar vergeleken. Deze inventarisatie is bedoeld als een verfijning van het verwachtingsbeeld van de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) en de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) van de provincie Zuid-Holland, en de landelijke Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) waarin de stedelijke gebieden niet gekarteerd zijn. De nota resulteert in een archeologische beleidskaart waarin per gebied de archeologische verwachting wordt weergegeven. Dat is iets anders dan een archeologische waarde. Deze kan immers pas worden vastgesteld wanneer grondroerende werkzaamheden daadwerkelijk plaatsvinden.

Om die reden wordt in het bestemmingsplan in de gebieden met een archeologische verwachting de regel gekoppeld dat bij omgevingsvergunning voor bouw- en aanlegwerkzaamheden de eis gekoppeld kan worden dat het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport noodzakelijk is. Aan de vergunningen kunnen voorschriften gekoppeld zijn. In veel gevallen zal dit in Lisse het geval zijn. In welk geval welke voorschriften gelden en wanneer onderzoek gedaan moet worden, kan bepaald worden door middel van de gemeentelijke beleidskaart. Beoordeling en conclusie Er is ter plaatse geen archeologische verwachting in de vorm van een archeologische dubbelbestemming toegekend (zie hoofdstuk 1). Op basis van de archeologische verwachtingskaart geldt er een middelhoge verwachting (categorie 7), met een plicht tot het verrichten van archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 500 m2 of dieper dan 10 0cm beneden maaiveld. Voor het plan zijn geen ingrepen dieper dan 100 cm -mv gepland. Daarom is geen archeologisch onderzoek vereist.

45

Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Wel geldt altijd de zorgplicht, zoals vastgelegd in artikel 19.8 en 19.9 van de Omgevingswet. Als bij de activiteiten een onverwachte vondst in of op de bodem wordt gedaan, waarvan u weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, dan dient u dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet en artikel 19.8 en 19.9 van de Omgevingswet onmiddellijk te melden aan het college van burgemeester en wethouders. De vondst dient gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. Voor het melden van de archeologische toevalsvondst kunt u contact opnemen met de gemeente.

4.12

Cultuurhistorie Algemeen Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten;

46

• • • •

gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Beoordeling en conclusie In hoofdstuk 2 is reeds ingegaan op de geschiedenis; de cultuurhistorische waarden van de locatie worden niet aangetast. Cultuurhistorie vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.13

Duurzaamheid Over duurzaamheid kan worden aangegeven dat voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten. Doordat de overkapping aan de achterzijde wordt gerealiseerd zullen het aantal transportbewegingen afnemen, wat ten goede komt van de duurzaamheid.

4.14

Verkeer en parkeren Het plangebied wordt ontsloten op de Noorderlaan die is ingericht op de functies die hier aanwezig zijn en het verkeer dat dit genereert. Dit plan genereert geen extra verkeersbewegingen. Voor de aanvullende behoefte aan parkeerplaatsen is getoetst aan de Nota parkeernormen Hillegom 2023. Zie hiervoor hoofdstuk 2 en hoe hiermee is omgegaan in dit plan. Verkeer en parkeren vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

47

5 5.1

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Publiekrechtelijk kostenverhaal kan plaatsvinden door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow) of met een anterieure overeenkomst. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: • aangewezen bouwactiviteiten • aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan een woonfunctie (zie artikel 8.13, lid b). Doorgaans is in dit kader de vraag relevant of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Naast kostenverhaal kan sprake zijn van nadeelcompensatie. Indien relevant, kan tussen de gemeente en de initiatiefnemer een nadeelcompensatieovereenkomst worden gesloten om vooraf afspraken te maken over mogelijke schade en de afhandeling daarvan. De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt.

Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van de onderbouwing en onderzoeken door de initiatiefnemer bekostigd. Er zijn ook geen aanpassingen in de openbare ruimte nodig, zoals aanpassing van het riool. Voor de gemeente Hillegomzijn derhalve geen kosten verbonden die verhaald moeten of kunnen worden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan. Daarom zijn publiekrechtelijk en privaatrechtelijk kostenverhaal niet van toepassing op dit plan. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten.

5.2

Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.

48

6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning of de aanvrager aan participatie heeft gedaan en zo ja: hoe der aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Daar is één uitzondering op. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet). Omwonenden zijn middels een brief geïnformeerd over het plan. De brief is als bijlage aan de aanvraag toegevoegd. Er zijn geen reacties ontvangen.

6.2

Zienswijzen Onder de Omgevingswet is voor een aanvraag omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsactiviteit in beginsel de reguliere procedure van toepassing, tenzij de initiatiefnemer daartoe verzoekt. Op grond van artikel 16.65 lid 4 Omgevingswet kan het bevoegd gezag in de volgende gevallen (alsnog) de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren (afdeling 3.4 Awb) op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a) als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; en b) waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Van een plan als voornoemd is geen sprake, dus is in beginsel de reguliere procedure van toepassing, tenzij aanvrager verzoekt om een uitgebreide procedure. Daar is hier geen sprake van, derhalve is de reguliere procedure van toepassing.

49

7 7.1

Belangenafweging en conclusie Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Gelet op het besprokene in de voorgaande hoofdstukken wordt gemotiveerd de conclusie getrokken dat met het plan sprake is van een Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

7.2

Eindconclusie De vergunning kan zodoende worden verleend.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1816/documents/24331